Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stoffer over de gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas
Vragen van het lid Stoffer (SGP) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas (ingezonden 26 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei), mede namens
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 22 juni 2026)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van
het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe waardeert u deze zorgen?
Antwoord 2
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met
de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan
(CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger
Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector
samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te
herstellen.
Vraag 3
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen
voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het
CMP?
Antwoord 3
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin,
is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven
bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen
van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast
wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het
CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden.
Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen
leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van
twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties
aan te passen.
Vraag 4
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende
wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Antwoord 4
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas
al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een
redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten
van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan
AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de
overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector
zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt
gekeken of uitstel nodig is.
Vraag 5
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve
van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe
ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
Antwoord 5
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen
toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde
kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader
van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export
ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval
of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk
is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding
«afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies
voorzien.
Vraag 6
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden
dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas,
gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke
generieke verboden en beperkingen?
Antwoord 6
Ja.
Vraag 7
Hoe waardeert u deze beperkingen?
Antwoord 7
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de
toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en
regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging
te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een
bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende
maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten
leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een
brief naar de Kamer gestuurd.2
Vraag 8
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van
gewassen bodemas te beperken?
Antwoord 8
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale
overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden
via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing
van gewassen bodemas.
Vraag 9
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten
opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze
voor snelle verbranding?
Antwoord 9
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen
bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde
«ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Vraag 10
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Antwoord 10
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen
aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen
voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe
te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen
of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen
en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch
goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse
en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen
daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek
zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere
kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor
het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd
worden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.