Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Rooderkerk, Bamenga en El Boujdaini over het bericht 'Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: 'Zien ze op TikTok’'
Vragen van de leden Rooderkerk, Bamenga en El Boujdaini (allen D66) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»» (ingezonden 7 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens
de Minister van Justitie en Veiligheid (ontvangen 22 juni 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1988
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de
klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over
de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale
media?
Antwoord 2
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media
snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie
van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen
beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Vraag 3
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto
van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek
aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Antwoord 3
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding
hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische
basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid
tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking
Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen
van docenten hierbij.
Vraag 4
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de
ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Antwoord 4
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling
laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning;
voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen
de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten
merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van
de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust
een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen
even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven
aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan
met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies
in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op
versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s.
II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme
en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek
aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf
met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen
goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale
geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te
herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund
via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod
biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen
in de klas.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen
en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Antwoord 5
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend
is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt.
De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen
maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht.
Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s
zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt
er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor
het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke
spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale
ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Vraag 6
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale
geletterdheid op scholen te verbeteren?
Antwoord 6
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt
aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze
kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden
aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie.
Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat
scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs
kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet
nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd
bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms
als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige
risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
Antwoord 7
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt
risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen
zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding
en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt
dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online
desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale
burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering
onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering
van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar
een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid
en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve
als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te
treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk
te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot
haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren
van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan
strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan
verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die
onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische
audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening
voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd
of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig
herkenbaar zijn.
Vraag 8
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden
van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het
feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Antwoord 8
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar
is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van
de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging
(artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel
137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen.
Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content
een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online
platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan
de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel
67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris,
op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te
(laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder
geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging
uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel
54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content
niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid
van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten
via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten,
onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten,
waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in
mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij
hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover
beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden
behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger
aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten
systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico
op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders
handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer
grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder
is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten
is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder
op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten.
De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen
verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten
voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Vraag 9
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen
die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers
met deze desinformatie in aanraking komen?
Antwoord 9
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties
en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen
leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van
de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving,
waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content
en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s.
De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico
vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding
van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs
richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie
tot school gepubliceerd.
Vraag 10
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het
actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust,
en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services
Act?
Antwoord 10
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online
platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking
(PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving
(ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer
trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices
en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen,
hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin
kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders
om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij,
ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde
nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Vraag 11
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.