Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 36945-VI-2); het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 36945-VII-2); het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Economische Zaken (Kamerstuk 36945-XIII-2
36 945 VI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025
36 945
VII
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025
36 945
XIII
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2025
Nr. 11
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Ministers
van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Koninkrijkrelaties,
en van Economische Zaken en Klimaat inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek
2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 36 945 VI-2); het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 36 945 VII-2); het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Economische
Zaken (Kamerstuk 36 945 XIII-2).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 mei 2026 aan de Ministers van Justitie en Veiligheid,
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Koninkrijkrelaties, en van Economische
Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 9 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
Vragen en antwoorden inzake Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (36 945 VI-2)
Vraag 1
Hoe verklaart u de trends rondom online criminaliteit?
Antwoord
De trends zoals opgenomen in het verslag van de Algemene Rekenkamer komen uit de CBS
Veiligheidsmonitor die aan de Kamer is aangeboden op 2 maart 2026. In 2025 hebben
ruim 200.000 personen van 15 jaar en ouder de vragenlijst ingevuld.
• Politie en OM constateren dat de drempel voor online criminaliteit is verlaagd. Waar
voorheen technische expertise vereist was, kunnen tegenwoordig kant-en-klare tools
en handleidingen eenvoudig online worden aangeschaft via berichtendiensten en/of platforms
(zoals Telegram, fora en het dark web). Ook het gebruik van AI speelt hierbij in toenemende
mate een rol. Dit stelt individuen in staat om met minimale investering en technische
kennis cyberaanvallen uit te voeren. Criminelen kunnen daarnaast met één handeling
vaak vele mogelijke slachtoffers maken.
• De Kamer wordt over trends en ontwikkelingen in online criminaliteit geïnformeerd
via de jaarlijkse Kamerbrieven over de voortgang van de integrale aanpak van cybercrime
en de integrale aanpak online fraude.
De laatste Voortgangsbrief over de aanpak van cybercrime was op 25 juni 2025. De eerstvolgende
voortgangsbrief cyber is voorzien in september 2026. Dan wordt ook de publicatie van
een nieuw Cybercrimebeeld van OM en politie 2026 verwacht. In de Kamerbrief van 9 december
2025 is geïnformeerd over de stand van zaken en doorontwikkeling van de integrale
aanpak online fraude. De volgende update over de aanpak online fraude wordt voor het
zomerreces aan de Kamer aangeboden.
Vraag 2
Waarom heeft u nog geen opvolging gegeven aan de vorig jaar geconstateerde ICT-gerelateerde
onvolkomenheden? Kunt u op alle drie de onvolkomenheden concreet ingaan?
Antwoord
Zoals geconstateerd door zowel de Audit Dienst Rijk (ADR) als de Algemene Rekenkamer
(ARK) is er in 2025 opvolging gegeven én voortgang geboekt op de bevindingen (ADR)
en onvolkomenheden (ARK) omtrent informatiebeveiliging. Hieronder kort uiteengezet
de voortgang op de geconstateerde onvolkomenheden.
1. Accreditaties
Het afgelopen jaar is veel aandacht besteed aan het vergroten van de personele capaciteit
voor accreditaties. Daarnaast heeft het interdepartementale accreditatiebeleid geleid
tot het opstellen van een specifiek accreditatiebeleid JenV, het inrichten van een
stelsel van accreditatieprocesbeschrijvingen en het opzetten van een kwaliteitsraamwerk.
Op basis hiervan is gestart met het risico-gestuurd accrediteren van een aantal hoog-gerubriceerde
informatiesystemen, waarmee wordt bijgedragen aan verbeterde bescherming van deze
systemen tegen mogelijke beveiligingsincidenten zoals cyberaanvallen en datalekken.
Een deel van de achterstand in de accreditatieverlening is hiermee weggewerkt.
2. Opvolging verbeterpunten uit beveiligingstesten
Het realiseren van deze verbeterpunten heeft een meerjarig karakter en kan daarmee
niet binnen één jaar worden weggewerkt. Het hiervoor opgestelde verbeterplan voorziet
onder meer in het bestendigen van redteamonderzoeken in de lijnorganisatie. Daarnaast
wordt door middel van een periodieke kwaliteitscyclus voor redteamonderzoeken getoetst
of de mitigerende maatregelen zijn geïmplementeerd en het gewenste beveiligingseffect
wordt gerealiseerd.
3. Informatiedeling
Aan de informatie-uitwisseling tussen departement en JenV-organisaties over informatiebeveiliging
wordt gewerkt, onder meer door het proces informatiedeling verder aan te scherpen
en het toezicht daarop nader uit te werken. Verder is informatiebeveiliging vaker
en met meer diepgang onderwerp van bestuurlijk gesprek tussen departement en taakorganisaties.
Vraag 3
Hoe groot is de achterstand in de accreditatieverlening?
Antwoord
Accreditaties worden risico-gebaseerd opgepakt. Aan kritieke, hooggerubriceerde systemen
en informatiesystemen die gerubriceerde informatie van EU of NAVO verwerken wordt
voorrang gegeven. Van de informatiesystemen die aan voornoemde criteria voldoen zijn
momenteel acht informatiesystemen geaccrediteerd en negen accreditatieonderzoek zijn
lopen op het moment.
Vraag 4
Laat de achterstand in de accreditatieverlening zich alleen uitleggen door een gebrek
aan personeel? Welke factoren spelen mogelijk nog een rol?
Antwoord
Het opbouwen van accreditatiedossiers met actuele en vastgestelde documentatie is
een tijds- en arbeidsintensief proces voor de organisatieonderdelen, waardoor regelmatig
wachttijden ontstaan. Dit wordt zo veel mogelijk ondervangen door gelijktijdig meerdere
accreditatieonderzoeken op te starten, maar heeft desondanks, naast capaciteitsgebrek,
een grote invloed op de snelheid waarmee achterstanden in de accreditatieverlening
worden weggewerkt.
Een gestructureerde werkwijze (de Security Accreditatie Strategie) draagt bij aan
een heldere werkwijze van het te doorlopen proces en de verwachte inspanning van de
auditee.
Benadrukt wordt dat ondanks de druk om achterstanden weg te werken geen concessies
worden gedaan aan kwaliteitsnormen.
Vraag 5
Welke opvolging geeft u aan beveiligingstesten van ethische hackers? Kunt u concreet
uitleggen wat u met de uitkomsten doet of heeft gedaan, specifiek bij de drie door
de Algemene Rekenkamer genoemde tekortkomingen?
Antwoord
Het realiseren van deze verbeterpunten heeft een meerjarig karakter en kan daarmee
niet binnen één jaar worden weggewerkt. Het hiervoor opgestelde verbeterplan voorziet
onder meer in het bestendigen van redteamonderzoeken in de lijnorganisatie. Daarnaast
wordt door middel van een periodieke kwaliteitscyclus voor redteamonderzoeken getoetst
of de mitigerende maatregelen zijn geïmplementeerd en het gewenste beveiligingseffect
wordt gerealiseerd (d.m.v. herhaaltesten). Concreet zijn verder de volgende maatregelen
getroffen in het kader van de genoemde tekortkomingen:
• Voor (netwerk)monitoring wordt gericht detectie software ingezet op (actuele) kwetsbaarheden.
• Ten aanzien van onveilig toegangsbeheer is departementaal beleid voor logging vastgesteld
en worden tools ingezet voor verscherpt beheer en toezicht op het gebruik van gebruikersaccounts
met hoge toegangsrechten.
• In het kader van het verbeteren van onveilig netwerkontwerp wordt beleid ontwikkeld
voor netwerksegmentering.
Vraag 6
Welke voordelen heeft het decentraal beleggen van de informatiebeveiliging bij 70
JenV-organisaties? Welke risico’s kent dit stelsel?
Antwoord
Het decentraal beleggen van de verantwoordelijkheid voor informatiebeveiliging is
in lijn met de aanstaande cyberbeveiligingswet (cbw). Het legt daarmee de verantwoordelijkheid
in de bestuurskamer van de individuele organisatie en geeft hiermee aan dat informatiebeveiliging
niet enkel een ICT probleem is. De taakorganisatie heeft immers als geen ander kennis
van de eigen (wettelijke en overige) kerntaken en mogelijke beveiligingsrisico’s.
Zicht houden op de staat van informatiebeveiliging is een inherent risico bij een
decentraal stelsel.
Vraag 7
Hoe ziet u er op toe dat alle 70 JenV-organisaties een gelijke mate van cyberveiligheid
kennen?
Antwoord
Voor de staat van de informatiebeveiliging bij taakorganisaties is het van belang
dat risico’s inzichtelijk zijn en erop wordt gestuurd. De informatie-uitwisseling
die hiervoor nodig is wordt verbeterd, onder meer door het proces informatiedeling
verder aan te scherpen en het toezicht daarop nader uit te werken. Verder is informatiebeveiliging
vaker en met meer diepgang onderwerp van bestuurlijk gesprek tussen departement en
taakorganisaties. De gelijke mate van cyberveiligheid krijgt ook concreet vorm door
meer gebruik van centraal ingerichte basis ICT-voorzieningen zowel departementaal
(Gemeenschappelijke Digitale Diensten) als rijksbreed (Generieke Digitale Infrastructuur)
waarop de taakorganisaties hun informatiebeveiliging verder inrichten.
Vraag 8
Hoe vaak en hoe is het iTrechter-systeem gecontroleerd op een mogelijke discriminatoire
bias? Kunt u deze analyse(s) met de Kamer delen?
Antwoord
Het iTrechter-systsem is in het verleden niet gecontroleerd op een mogelijke discriminatoire
basis. De politie heeft de volgende maatregelen getroffen: het doel van ieder algoritme
wordt beschreven in een brondocument, de officier van Justitie toetst de totstandkoming
van een algoritme, vooraf aan het activeren van het algoritme wordt er getest of de
drempelwaarden juist zijn ingesteld, het algoritme wordt voortdurend aangepast op
(onbedoelde) uitzonderingssituaties, er zijn korte feedbackrondes om onterechte signalen
gelijk aan te passen, overleg over- en onderhoud van algoritmes vindt wekelijks plaats,
indien nodig ad-hoc, een signaal afkomstig uit het algoritme geldt niet als voldoende
voor een controle, er zijn meerdere akkoorden.
Vraag 9
Hoe wordt de privacy van onschuldige burgers gewaarborgd bij het gebruik van iTrechter?
Antwoord
Vanaf de selectie van het veiligheidsprobleem tot aan de feitelijke interventie is
in het systeem en het werkproces rekening gehouden met privacy. ANPR-camera’s worden
uitsluitend geplaatst onder doelbinding. Dat betekent dat gegevens uit de camera’s
niet voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor ze zijn ingesteld; data zonder
verwerkingsgrondslag worden verwijderd, verwerking vindt plaats onder de bepalingen
van de Wet politiegegevens; alleen geautoriseerde personen hebben toegang tot naar
personen herleidbare data; er vindt een menselijke/professionele toets plaats tussen
uitkomsten van het algoritme en de feitelijke controle op straat.
Vraag 10
Kunt u concreet ingaan op de risico’s die als categorie «midden» of «hoog» zijn getoetst
bij het gebruik van iTrechter? Hoe gaat u deze punten concreet verbeteren?
Antwoord
Mitigerende maatregelen op de risico’s die als midden of hoog getoetst zijn, worden
meegenomen in de ontwikkeling van het Generieke Sensingplatform (GSP).
Vraag 11
Waarom heeft u voor iTrechter geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) uitgevoerd?
Gaat u dit alsnog doen?
Antwoord
De verplichting voor de uitvoering van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB)
in de zin van een verwerking in het kader van de Wpg, indien er waarschijnlijk een
hoog risico voor de rechten en vrijheden van personen is, is per 1 mei 2018 in de
Wpg geïntroduceerd bij de implementatie van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing
en vervolging. Aangezien een GEB voorafgaand aan de verwerking moet worden uitgevoerd,
was dat voor de iTrechter niet verplicht, want de iTrechter bestond al. Er zal een
GEB uitgevoerd worden voor het Generieke Sensingplatform (GSP).
Vraag 12
Bij hoeveel profielen heeft u het gebruiken van persoonsgegevens onvoldoende gemotiveerd?
Antwoord
Er zijn door de Algemene Rekenkamer drie algoritmes (profielen) onderzocht. Voor alle
drie geldt dat in het onderliggende brondocument wordt vereist dat de gegevensverwerking
voldoet aan de doelbinding. Aanvragers hoeven dit echter voor hun algoritme niet te
onderbouwen waarom dit geldt voor hun inzet. De politie past dit aan in het vernieuwde
brondocument.
Vraag 13
Hoe gaat u opvolging geven aan de aanbeveling om de werkwijze uit te breiden om privacyrisico’s
te beperken? Wat is hiervoor uw tijdlijn?
Antwoord
iTrechterfunctionaliteit wordt overgeheveld naar het Generieke Sensingplatform. Aanbevelingen
uit het verantwoordingsonderzoek zullen worden meegenomen in de ontwikkeling van dit
nieuwe platform.
Vraag 14
Waarom kon u de Algemene Rekenkamer geen inzage geven in de beveiliging van iTrechter?
Kunt u dit inzicht in het vervolg alsnog verlenen?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer (ARK) heeft, zonder enige belemmering, inzage gehad in de gehele
IT-infrastructuur (incl. beveiligingscomponenten) van de iTrechter tijdens haar onderzoek.
De ARK heeft bij deelonderdeel 4.09 «Security by design» van het toetsingskader aangegeven
dat als gevolg van een verouderde omgeving niet kan worden aangetoond dat de principes
van security by design destijds zijn toegepast. Inzage hierover is niet mogelijk omdat
het systeem vijftien jaar oud is. Er valt op basis van de huidige informatie niet
aan te tonen op basis van welke principes het ontwerp heeft plaatsgevonden.
Vragen en antwoorden inzake Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (36 945 VII-2)
Vraag 15
Welke hersteltermijnen hanteert SSC-ICT om digitale werkplekken na een langdurige
verstoring weer beschikbaar te maken voor rijksambtenaren?
Antwoord
SSC-ICT levert haar dienstverlening conform voorwaarden die zijn vastgelegd in een
Producten en dienstencatalogus (PDC). Er is sprake van een formele hersteltijd (RTO)
van maximaal 16 werkuren.
Voor majeure en complexe verstoringen is vooraf geen hersteltijd af te geven. Dit
is afhankelijk van de omstandigheden. Wel is SSC-ICT doende om het herstelproces zodanig
te optimaliseren dat de doorlooptijd zo kort mogelijk is.
Vraag 16
Op welke wijze wordt digitale soevereiniteit meegewogen bij de keuze en inrichting
van digitale werkplekken binnen de rijksoverheid?
Antwoord
Digitale autonomie en de inzet van Open Source heeft veel aandacht binnen de Rijksoverheid,
ook bij de keuze en inrichting van de digitale werkplekken. De overheid volgt sinds
2020 het beleid «Open, tenzij-beleid»: software van de overheid moet zoveel mogelijk
open source zijn. Voor wat betreft de «tenzij» is aangesloten bij de weigeringsgronden
van de Wet Open Overheid. Om overheden te helpen dit te operationaliseren is een afwegingskader
gemaakt. De huidige digitale werkplek is op dit moment gebaseerd op Microsoft-componenten
die deels of geheel in de cloud draaien. Stapsgewijs vervangen we die componenten
door autonome componenten. SSC-ICT, DICTU en DUO hebben de opdracht gekregen om een
soevereine digitale werkplek te ontwikkelen. Volgend jaar wil ik de eerste testgebruikers
overzetten naar deze soevereine digitale werkplek.
Vraag 17
Hoe reageert u op de constatering dat de digitale werkplekken van het Rijk onvoldoende
weerbaar zijn? Welke conclusies verbindt u hier aan?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer (ARK) constateert dat SSC-ICT voldoende maatregelen treft om
het risico op verstoringen of misbruik te verkleinen. De ARK geeft tevens aan dat
een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en een crisismanagementplan mist, en dat
SSC-ICT daardoor risico loopt. Zoals ook door de ARK wordt geconstateerd, werkt SSC-ICT
hieraan middels een in 2025 gestart programma t.b.v. bedrijfscontinuïteitsmanagement
en crisismanagement en het regelmatig oefenen daarvan. Dit programma heeft hoge prioriteit.
Onderdeel van dit programma is het in 2026 uitwerken en oefenen van herstelplannen
voor de belangrijkste diensten die SSC-ICT levert.
Vraag 18
Op welke manier is de weerbaarheid van de digitale werkplekken reeds onderzocht? Kunt
u de uitkomsten, al dan niet vertrouwelijk, aan de Kamer doen toekomen?
Antwoord
SSC-ICT onderzoekt en test doorlopend de weerbaarheid van de digitale werkplekken
door het uitvoeren van risicoanalyses, pentesten en audits. SSC-ICT kan de resultaten
van security testen vertrouwelijk delen (via de leeskamer-procedure).
Vraag 19
Welke aanbevelingen of acties uit het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst zijn,
16 jaar na de start, volwaardig geïmplementeerd? Welke niet, en waarom niet?
Antwoord
Hiervoor verwijs ik u naar de Jaarrapportage Bedrijfsvoering (JBR) 2014.1 Het programma Compacte Rijksdienst is eind 2014 door het kabinet afgesloten. Twaalf
van de 17 projecten waren op dat moment afgesloten en de resultaten opgeleverd en
gemeld via de JBR 2014. De resterende vijf projecten die toen conform planning langer
doorliepen zijn in de lijn belegd.
Vraag 20
Waarom is destijds door Economische Zaken besloten om toch eigen digitale werkplekken
te ontwikkelen? Wat is het voordeel van de twee digitale werkplekken naast elkaar
laten bestaan?
Antwoord
Dit vraagstuk speelde in 2014. Het Ministerie van Economische Zaken zou gaan aansluiten
bij de digitale werkplek van BZK/SSC-ICT, daarover waren bestuurlijk afspraken gemaakt.
SSC-ICT had in die tijd echter geen gelegenheid om een Ministerie van de omvang van
Economische Zaken, met ruim 12.000 werkplekken (inclusief uitvoeringsorganisaties)
te bedienen. Economische Zaken moest destijds een vervanging regelen voor het aflopende
werkplekcontract met Capgemini, en kon niet wachten totdat SSC-ICT wel tijd had. Vanwege
dit planningsprobleem heeft Economische Zaken besloten toch zelf een digitale werkplek
in de markt te zetten. Dit was noodzakelijk voor de continuïteit op dat moment.
Wat verder een rol speelde was dat Economische Zaken ook een aantal uitvoeringsorganisaties
bedient (RVO, NVWA) die hogere eisen stellen aan een digitale werkplek dan het gemiddelde
kerndepartement. Denk daarbij aan de verwerking van geografische informatie en het
mobiel ondersteunen van inspecties in het veld. De digitale werkplek van Economische
Zaken biedt daar wel mogelijkheden voor, die de SSC-ICT-werkplek destijds niet bood.
Een voordeel hiervan is dat de onderlinge informatie-uitwisseling tussen de uitvoeringsorganisaties
en de kerndepartementen beter is geborgd.
Vraag 21
Waarom hebben Algemene Zaken, Defensie, en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap hun eigen
werkplekvoorziening?
Antwoord
De keuze voor de eigen werkplekvoorziening is een departementale verantwoordelijkheid.
Zeven departementen hebben besloten om hun werkplek bij SSC-ICT af te nemen, twee
departementen nemen hun werkplek af bij DICTU. Drie departementen hebben besloten
om een eigen werkplekvoorziening in te richten. Er is geen inzicht in de beweegredenen
van deze departementen om een eigen werkplekvoorziening te gebruiken. Zoals eerder
genoemd bij vraag 16, is er wel een initiatief gestart om de werkplekken bij drie
dienstverleners te harmoniseren. SSC-ICT, DICTU en DUO hebben de opdracht gekregen
om een soevereine digitale werkplek te ontwikkelen. Daarmee worden stappen gezet om
een uniforme werkplek aan te bieden aan tien departementen.
Vraag 22
Welke afwegingen maken de verschillende departementen om te kiezen voor 1) de werkplek
van SSC-ICT; 2) de werkplek van DICTU; 3) het inrichten van een eigen werkplek?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 21.
Vraag 23
Zijn er schaalvoordelen voor het samenvoegen van werkplekken tot één centrale, digitaal
onafhankelijke werkplek? Zijn deze voordelen onderzocht, en zo ja, kunt u ze met de
Kamer delen?
Antwoord
Het samenvoegen van werkplekken tot één centrale, digitaal onafhankelijke werkplek
kan schaalvoordelen bieden, voor zover het mogelijk is om daarmee aan alle behoeften
van de verschillende overheden te voldoen. In zijn algemeenheid geldt dat schaalvergroting
tot spreiding van vaste kosten leidt, hetgeen ten goede komt aan de kostprijs. Schaalvergroting
leidt ook tot verdere standaardisering binnen het Rijk en effectiever inzetten van
schaars IT personeel. In het kader van een «slagvaardige overheid» heeft schaalvergroting
dan ook de nadrukkelijke aandacht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Vraag 24
Waarom is er nog geen vervolg gegeven aan het onderzoek naar de samenwerking tussen
SSC-ICT en DICTU? Wat zijn de redenen?
Antwoord
Er is inmiddels gestart met een verdiepingsonderzoek naar nadere samenwerking op diverse
terreinen. De uitkomsten zijn over enige maanden beschikbaar.
Vraag 25
Welke onderzoeken vinden plaats in het kader van de aangekondigde «Digitale Dienst»?
Wordt het wel of niet samenvoegen van SSC-ICT en DICTU hier expliciet bij betrokken?
Antwoord
Naar aanleiding van de motie Kathmann c.s.2 heeft de voormalig Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitale Zaken advies
gevraagd aan de NDS-Raad over de digitale dienst. Dit advies is op 7 mei jl. ontvangen
en wordt betrokken bij het verdere onderzoek naar de rol, het mandaat en de positionering
die de dienst zou kunnen krijgen. Hoewel het advies niet direct ingaat op het samenvoegen
van dienstverleners, wordt wel aangegeven dat een digitale dienst aandacht moet hebben
voor het overheidsbreed «programmeren», namelijk het verbinden van de portfolio’s,
capaciteit en implementatieplanning van uitvoeringspartners. Uw Kamer wordt door de
Staatsecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit nader geïnformeerd over de opvolging
van dit advies en de eventuele oprichting van een digitale dienst, waarbij een lerende
aanpak centraal staat.
Voorts is de Auditdienst Rijk (ADR) gevraagd een onderzoek te doen naar ICT-dienstverleners
in de rijksbrede bedrijfsvoering, als vervolg op Motie Buijsse.3 Zij zal onderzoeken hoe de samenwerking tussen (enkele) dienstverleners, waaronder
SSC-ICT en DICTU, verbeterd kan worden en of samenvoeging van diensten/dienstverleners
daarbij voordelen kan bieden. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt uw Kamer
in de eerste helft van 2027 geïnformeerd. Ook wordt vanuit de rijksorganisatie zelf
gekeken hoe een verdere harmonisatie van de dienstverleners eruit zou kunnen zien.
Op basis van de bevindingen zal worden beoordeeld of bijstelling van de startpositie
van de Nederlandse Digitale Dienst noodzakelijk is.
Vraag 26
Wanneer komt het onderzoek uit naar autonome cloudvoorzieningen voor SSC-ICT en DICTU?
Wat is het doel en de strekking van het onderzoek precies?
Antwoord
SSC-ICT, DICTU en DUO werken nauw samen bij het onderzoeken van de samenwerking op
het terrein van een (rijksbrede) soevereine werkomgeving. De opdracht hiervoor wordt
momenteel opgesteld in overleg met de ICBR (interdepartementale commissie bedrijfsvoering
rijk). Bedoeling is om in 2026 diverse proof of concepts uit te voeren. Op basis hiervan
wordt het vervolgtraject bepaald.
Vraag 27
Hoe verklaart u het grote verschil in de jaarlijkse kosten per gebruiker tussen de
werkplek van SSC-ICT en DICTU? Hoe kunt u dat verschil kleiner maken?
Antwoord
Uit het onderzoek door de Rekenkamer is geen verklaring gekomen voor dit prijsverschil.
DICTU gaat nu zelf in samenwerking met SSC-ICT onderzoek doen om dit tariefverschil
te verklaren.
Vraag 28
Wordt er ook gekeken naar het opschalen van bestaande initiatieven voor digitale autonomie,
zoals MijnBureau? Waarom gebruiken SSC-ICT en DICTU hun schaal niet om MijnBureau
op te schalen?
Antwoord
Bestaande initiatieven voor digitale autonomie zoals MijnBureau en andere Europese
initiatieven worden op herbruikbaarheid bezien bij de ontwikkeling van de (Rijksbrede)
Soevereine werkomgeving. Zie hiervoor ook de antwoorden op vragen 22 en 26.
Vraag 29
Wat is uw ambitie voor het wel of niet samenvoegen of samen laten werken van SSC-ICT
en DICTU? Welke voor- en nadelen zou dat hebben?
Antwoord
Mijn ambitie is gericht op optimale samenwerking tussen ICT-dienstverleners. Dat heeft
als voordelen onder meer kostenbeheersing, interoperabiliteit en inzet van schaarse
ICT-resources. Het samenvoegen van ICT-dienstverleners leidt af van de grote opgaven
waarvoor het Rijk momenteel is gesteld. SSC-ICT en DICTU, twee van de grootste ICT-dienstverleners
binnen het Rijk, werken al op diverse terreinen samen.
Zo lopen er (vervolg)onderzoeken naar nadere samenwerking op het terrein van Oracle
en werkplekken en gaan beide organisaties samen met DUO SSC-ICT, in opdracht van de
ICBR (interdepartementale commissie bedrijfsvoering rijk) aan de slag met het ontwikkelen
van een soevereine werkomgeving. Dit wordt momenteel verder uitgewerkt in een opdracht
van de ICBR. Zie ook het antwoord op vraag 26.
Vraag 30
Kunt u de gebruikstarieven voor SSC-ICT en DICTU uiteenzetten? Waar worden die 1.500/3.000
euro per werkplek aan uitgegeven?
Antwoord
De tarieven zijn gebaseerd op de kosten die worden gemaakt voor de levering van dienstverlening
waaronder personeel, huisvesting, licenties, hardware etc.
Vraag 31
Kunt u alle geconstateerde onrechtmatigheden bij Logius, SSC-ICT en RvIG één-voor-één
toelichten?
Antwoord
Hieronder staat een toelichting op de grootste onrechtmatigheden bij Logius, SSC-ICT
en RvIG. De resterende onrechtmatigheden zijn relatief beperkt in financiële omvang.
Deze zijn bijvoorbeeld ontstaan door foutieve inhuurprocedures, het niet goed doorlopen
van een aanbestedingsprocedure voor producten of diensten, of onrechtmatigheden als
gevolg van rijksbrede (overbruggings)overeenkomsten van categoriemanagement (deze
laatste betreffen in totaal circa € 2,5 mln. voor Logius, SSC-ICT en RvIG).
Logius: totaal circa € 80,5 mln.
• Infrastructuurovereenkomst: circa € 38,6 mln. door gebruik van een onrechtmatige overeenkomst.
In 2025 zijn een aantal migraties naar de nieuwe infrastructuur afgerond, waardoor
deze onrechtmatigheid in 2026 zal afnemen.
• DigiD en DigiD-machtigen: circa € 15,5 mln. door verlenging van de overeenkomst in
2024. In 2025 is een nieuwe rechtmatige overeenkomst gesloten, waardoor deze onrechtmatigheid
per 2026 vervalt.
• Digipoort en Globe: circa € 24,8 mln. door voortgezet gebruik van een onrechtmatige
overeenkomst.
SSC-ICT: totaal circa € 55,7 mln.
• Overschrijding van de maximale contractwaarde van ICT-hardware overeenkomsten: circa
€ 38,5 mln. door onvoldoende monitoring van afnames, gestegen prijzen en hogere afnames
dan vooraf ingeschat.
• Bestellingen onder verlopen overeenkomst: circa € 12,5 mln., waarvan circa € 4 mln.
het gevolg is van de door de Auditdienst Rijk (ADR) gehanteerde extrapolatiemethode
als gevolg van een steekproefcontrole.
• Prestatieonderbouwing bij factuurbetalingen: circa € 3,3 mln. door ontbrekende of
onvoldoende kwaliteit van de onderbouwing in de administratie.
Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG): totaal circa € 20,5 mln.
• Berichtendiensten GBA en reisdocumenten: circa € 16,3 mln. door een rechtstreeks en
tijdelijk gesloten overeenkomst. RvIG is bezig met het onderbrengen van deze dienstverlening
in eigen beheer waarna dit tijdelijke onrechtmatige contract vervalt.
• Siem/SOC-dienstverlening: circa € 1,2 mln. Siem/SOC-dienstverlenging als overbrugging voor het inbesteden van deze dienstverlening.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt u verwezen naar de Bedrijfsvoeringsparagraaf
in Jaarverslag en Slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
20254.
Vraag 32
Hoe reageert u op de constatering dat de aanbestedingswetgeving niet wordt nageleefd?
Op welke vlakken is dit het geval geweest?
Antwoord
Allereerst zet het Ministerie van Binnenlandse Zaken zich in om de aanbestedingsregelgeving
na te leven. Alleen in hoogst uitzonderlijke gevallen vindt een afweging plaats tussen
rechtmatigheid en doelmatigheid, waarbij vanwege bijvoorbeeld continuïteit- en of
veiligheidsredenen op gemandateerd niveau kan worden besloten een onrechtmatige inkoop
te doen. Daarnaast kunnen in de controles van controlerende instanties ook rechtmatigheidsfouten
worden gerapporteerd. In beide gevallen stuur ik op het voorkomen en ten minste verminderen
van deze fouten. Dit doe ik door daarvoor op bestuurlijk niveau binnen het departement
aandacht te blijven vragen en het gesprek daarover te blijven voeren, waarbij ook
continuïteitsbelangen worden meegewogen.
In het antwoord op vraag 31 leest u op welke vlakken het niet voldoen aan aanbestedingsregelgeving
onder meer het geval is geweest.
Vraag 33
Wordt/worden er door het niet naleven van de aanbestedingswetgeving één of meerdere
marktpartijen bevoordeeld? Kunt u onderbouwen dat hier géén sprake van is?
Antwoord
Het valt niet uit te sluiten dat marktpartijen een voordeel hebben wanneer rechtstreeks
een contract wordt gesloten of een overeenkomst onrechtmatig wordt verlengd.
Vragen en antwoorden inzake Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Economische Zaken (36 945 XIII-2)
Vraag 34
Welke aanbevelingen of acties uit het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst zijn,
16 jaar na de start, volwaardig geïmplementeerd? Welke niet, en waarom niet?
Antwoord
Zie vraag 19.
Vraag 35
Kunt u de technische verschillen tussen de werkplekken van SSC-ICT en DICTU, die volgens
de Rekenkamer sinds 2023 toenemen, verklaren? Op welke specifieke technische functies
verschillen de werkplekken en waarom?
Antwoord
De grootste functionele verschillen bevinden zich op het gebied van opslag en standaardfunctionaliteiten.
De opslag voor een gebruiker is bij DICTU ruimer en bij SSC-ICT zijn meer functionaliteiten
«standaard». De «Digitale Werkomgeving» van SSC ICT blijft nagenoeg volledig on premise
gehost. De «Cloud Werkplek» van DICTU daarentegen maakt gebruik van een deel van de
public clouddiensten van Microsoft. De belangrijkste public cloudapplicaties die DICTU
inzet zijn Teams, OneDrive en Exchange Online.
Vraag 36
Wanneer wordt het onderzoek naar een open source cloudplatform afgerond? Hoe worden
de uitkomsten gebruikt voor nieuw beleid?
Antwoord
Er heeft een eerste technisch onderzoek plaatsgevonden naar mogelijkheden en toepasselijkheid.
Dit is recent met positief resultaat afgerond en biedt houvast voor een functioneel
vervolgonderzoek. EZK en BZK bezien komende tijd nader hoe de uitkomsten kunnen worden
toegepast in nieuw beleid.
Vraag 37
Kunt u de tariefverschillen tussen de werkplekken van SSC-ICT en DICTU verklaren?
Antwoord
Zie vraag 27.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier