Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boelsma-Hoekstra en Vellinga-Beemsterboer over aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart
Vragen van de leden Boelsma-Hoekstra (CDA) en Vellinga-Beemsterboer (D66) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart (ingezonden 21 mei 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 19 juni
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering
op Europees schippersdiploma»?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen
vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de
aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover
bij u bekend zijn?
Antwoord 2
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met
bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken
in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in
Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij
zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de
opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden
met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op
de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld,
dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken.
Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van
voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en
is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende
ervaring te beschikken.
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen,
specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar
en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
Antwoord 3
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–.
Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen
doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen
mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR.
De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of
de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen
van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten
voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart
is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–.
In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring
is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in
genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden
tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid
voor de passagiers, die aan boord stappen.
Vraag 4
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten,
die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor
een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke
vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met
het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort
waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar
met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens
aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Antwoord 4
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn.
De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een
ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau
moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen
van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12
personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik
gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal
op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen
van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip
onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen
als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort,
waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen
over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het
CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen
van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid
die de Richtlijn biedt.
Vraag 5
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft
geïnterpreteerd?
Antwoord 5
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een
redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel
vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er
op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad
voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen
met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau
bereikt.
Vraag 6
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen
kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen
van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
Antwoord 6
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper
een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan
het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd.
De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een
praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor
open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk
wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast
is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze
sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen
overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare
ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal
aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Vraag 7
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden
met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen
met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Antwoord 7
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans
tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er
op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij
deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe
is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel
mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat
blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende
veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele
beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar
de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en
de feitelijke risico’s van de vaart?
Antwoord 8
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat
af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening
worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart.
Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat
dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is
zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen
en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR
hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Vraag 9
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid
van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist
bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde
vormen van binnenvaart?
Antwoord 9
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk
toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij
is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde
sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen
dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Vraag 10
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit
onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste
zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en
de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?3, 4
Antwoord 10
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er
in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de
Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid,
die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3
diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt
gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven
hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een
overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen
bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover
mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die
een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Vraag 11
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie
te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Antwoord 11
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden
tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende
veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese
Commissie in overleg te treden.
Vraag 12
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie
van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de
kwalificatie-eisen te komen?
Antwoord 12
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede
balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers
dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding
de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.