Initiatiefnota : Initiatiefnota
36 965 Initiatiefnota van het lid Stoffer over het versterken van gezinnen en gemeenschappen
Nr. 2
INITIATIEFNOTA
Voorwoord
Gezinnen vormen het weefsel van de samenleving. Zoals een stevig touw ontstaat uit
drie draden die met elkaar verbonden zijn, zo vormen gezinnen een sterk gebonden weefsel
dat de samenleving stevig maakt. Wanneer de draden verzwakken of losraken, wordt ook
het geheel zwakker. De relaties binnen gezinnen vormen de eerste verbindingen die
de samenleving als geheel bijeenhouden. Binnen gezinnen leren kinderen wat het betekent
om verantwoordelijkheid te dragen, rekening te houden met anderen en zorg te hebben
voor elkaar. Het gezin is vaak de eerste plek waar waarden, normen en sociale vaardigheden
worden aangeleerd. Daarmee is het gezin niet alleen van betekenis voor individuele
gezinsleden, maar ook voor de samenleving als geheel. Sterke gezinnen dragen bij aan
sterke gemeenschappen. Als gezinnen daarentegen verzwakken, verzwakt de structuur
van onze samenleving.
Tegelijkertijd staat het gezin niet op zichzelf. Gezinnen functioneren binnen een
netwerk van familie, vrienden, buren, scholen, verenigingen, kerken en andere maatschappelijke
verbanden. Juist in deze verbanden krijgen zorg, betrokkenheid en verantwoordelijkheid
vorm. De ondersteuning van gezinnen is daarom niet uitsluitend een taak van de overheid,
maar juist allereerst van de samenleving zelf. Gezinnen en gemeenschappen versterken
elkaar wederzijds. Waar sterke gemeenschappen aanwezig zijn, kunnen gezinnen terugvallen
op ondersteuning, ontmoeting en betrokkenheid. Andersom vormen sterke gezinnen een
belangrijke basis voor vitale buurten, verenigingen en maatschappelijke verbanden.
Vanuit deze overtuiging ziet de initiatiefnemer de rol van de overheid als aanvullend
aan die van gezinnen en gemeenschappen. De primaire verantwoordelijkheid voor opvoeding
en gezinsleven ligt bij ouders zelf. De overheid heeft de taak om voorwaarden te scheppen
waarin gezinnen kunnen floreren, ondersteuning toegankelijk te maken waar dat nodig
is en bescherming te bieden wanneer situaties daarom vragen. De initiatiefnemer constateert
echter dat de werkelijkheid inmiddels omgekeerd is. De rol van de overheid wordt steeds
groter en de inzet van professionele, betaalde hulpverlening heeft een enorme omvang
gekregen. Het is tijd om deze koers bij te stellen.
Deze initiatiefnota is geschreven vanuit de overtuiging dat gezinnen van grote waarde
zijn voor het welzijn van kinderen en voor de samenleving als geheel. De initiatiefnemer
vindt dat gezinnen niet pas ondersteund zouden moeten worden wanneer problemen zijn
vastgelopen of geëscaleerd, maar dat ondersteuning tijdig én toegankelijk moet zijn
op momenten dat problemen nog beheersbaar zijn. Vroegtijdige ondersteuning kan gezinnen
helpen om zelf verantwoordelijkheid te blijven dragen en problemen het hoofd te bieden
voordat zwaardere interventies noodzakelijk worden. Deze initiatiefnota verkent hoe
ondersteuning van ouders en kinderen binnen het huidige stelsel vorm krijgt en welke
lessen daaruit kunnen worden getrokken voor toekomstig beleid. Daarmee wil zij bijdragen
aan het gesprek over de wijze waarop gezinnen, gemeenschappen en overheid ieder vanuit
hun eigen verantwoordelijkheid kunnen bijdragen aan een sterke en veerkrachtige samenleving.
Het gezin is regelmatig onderwerp van stevig maatschappelijk en politiek debat. Het
gaat dan vaak over de samenstelling van het gezin. Mensen hanteren verschillende opvattingen
over wat een gezin precies is en hoe gezinsleven vorm krijgt. Deze initiatiefnota
gaat niet over deze discussie. Waar in deze nota wordt gesproken over gezinnen, staat
niet een specifieke definitie centraal, maar het bredere uitgangspunt dat mensen in
gezinnen verantwoordelijkheid dragen voor elkaar en voor de opvoeding van kinderen.
Laat verschil van overtuiging geen hindernis vormen om de verantwoordelijkheid van
alle ouders te ondersteunen!
Tot slot past een woord van dank. Voor het opstellen van deze initiatiefnota is gesproken
met vertegenwoordigers van de gemeenten Zwolle, Gouda, Zutphen, Kampen en Zeist, evenals
met betrokkenen van Jeugdgezondheidszorg Zuid-Holland West, De christelijke zorgverzekeraar,
Samen Oplopen, Eigen Kracht Centrale, Buurtgezinnen, het Gezinsplatform, Jeugdzorg
Nederland, het Nederlands Jeugdinstituut en het Verwey-Jonker Instituut. Hun ervaringen,
inzichten en kritische reflecties hebben in belangrijke mate bijgedragen aan deze
nota. Tot slot dank ik stagiair Coert Baelde. Zonder zijn inzet was de initiatiefnota
er niet geweest!
Inhoud
Voorwoord
1
1.
Introductie
2
2.
Risico’s en maatschappelijke implicaties
4
2.1
Gevolgen voor kinderen
5
2.2
Effecten op ouders
6
2.3
Maatschappelijke implicaties
7
2.4
Deelconclusie
8
3.
Analyse huidige systeem en praktijk
8
3.1
Huidig systeem: bedoeling jeugdwet
9
3.2
Praktijkvoorbeelden
10
3.3
Deelconclusie
14
4.
Het versterken van gezinnen en gemeenschappen
15
4.1
Informele ondersteuning als basis
16
4.2
Ondersteuning dichtbij organiseren
17
4.3
Het gewone leven centraal
19
4.4
Informele gezinsondersteuning structureel verankeren
20
4.5
Randvoorwaarden voor de rijksoverheid
22
5.
Overzicht van beslispunten
24
6.
Financiële verantwoording
25
1. Introductie
De zorg en ondersteuning van jongeren piept en kraakt. Sinds de decentralisatie van
de jeugdzorg in 2015 is het aantal jongeren dat gebruikmaakt van jeugdzorg fors toegenomen.
Hoewel het CBS over 2025 voor het eerst een lichte daling rapporteert, blijft het
aantal jongeren dat jeugdzorg ontvangt aanzienlijk hoger dan ten tijde van de decentralisatie.1 Deze ontwikkeling roept fundamentele vragen op over de werking en houdbaarheid van
het jeugdstelsel. De decentralisatie was nadrukkelijk bedoeld om de-medicalisering
te bevorderen, preventie te versterken en ondersteuning dichter bij gezinnen te organiseren,
maar in de praktijk is het beroep op specialistische en vaak kostbare zorg juist gegroeid.2 Deze groei kan niet uitsluitend worden verklaard door een toename van individuele
problematiek bij kinderen, maar hangt samen met bredere maatschappelijke en contextuele
ontwikkelingen.3
Gebroken relaties
Zo lijkt er een duidelijk verband zichtbaar tussen de vraag naar jeugdhulp en gebroken
relaties. Kinderen van gescheiden ouders zijn oververtegenwoordigd in vrijwel alle
vormen van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Vooral binnen de jeugdhulp
met verblijf in de pleegzorg is deze oververtegenwoordiging zichtbaar. Zo heeft slechts
7 procent van de kinderen in de pleegzorg ouders die niet zijn gescheiden, terwijl
de overige 93 procent afkomstig is uit gezinnen waarin ouders zijn gescheiden of nooit
hebben samengewoond.4 Kinderen van gescheiden ouders vertonen gemiddeld vaker gedragsproblemen en hebben
een verhoogde kans op contact met justitie in vergelijking met kinderen die opgroeien
in gezinnen zonder scheiding.5 Deze jeugdigen ervaren meer problemen vergeleken met jeugdigen uit intacte gezinnen.
Het gaat over emotionele, sociale, of gedragsproblemen. Daarnaast worden ook lagere
schoolprestaties in verband gebracht met relationele problemen tussen ouders.6 Problemen binnen gezinnen raken daarmee niet alleen ouders en kinderen zelf, maar
werken ook door naar bredere maatschappelijke domeinen, zoals jeugdhulp, kinderbescherming
en het rechtssysteem.7
Binnen deze context zoeken gemeenten naar initiatieven die eerder in het gezinsleven
aangrijpen en gericht zijn op het voorkomen van escalatie van relationele problemen.
Lokale praktijken, zoals vroegtijdige en kosteloze relatie- en scheidingsondersteuning
in Zwolle, Amsterdam en Gouda, illustreren de ruimte binnen het gedecentraliseerde
stelsel. Ze laten tegelijkertijd zien dat de aanpak sterk verschilt per gemeente.8 Om postcodeafhankelijke ondersteuning te voorkomen, roept deze variatie vragen op
over samenhang, legitimiteit en verantwoordelijkheidsverdeling tussen lokale en landelijke
actoren.
Bestuurlijke en financiële druk
Tegelijkertijd staat het jeugdstelsel onder zware bestuurlijke en financiële druk.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en financiering van de jeugdhulp,
maar ervaren beperkte beleidsruimte om structurele oorzaken van instroom aan te pakken.
In een gezamenlijke brief signaleren de G4- en G40-gemeenten recent dat zij de toenemende
vraag naar jeugdhulp niet zelfstandig kunnen keren en dat een meer samenhangende aanpak
op nationaal niveau noodzakelijk is.9 Daarbij wijzen zij op de spanning tussen enerzijds de wettelijke jeugdhulpplicht
en anderzijds het ontbreken van structurele randvoorwaarden om preventie en vroegtijdige
ondersteuning duurzaam te versterken.
Tegen deze achtergrond richt deze initiatiefnota zich op de vraag hoe vroegtijdige
ondersteuning van ouders en gezinnen bijdragen aan het voorkomen van escalatie van
samenhangende risico's voor kinderen, gezinnen en samenleving. Daarbij staat niet
het bestaan van relationele problemen of scheidingen op zichzelf centraal, maar de
wijze waarop ondersteuning structureel en tijdig vorm kan krijgen. Hoewel het belang
van preventie breed wordt erkend, blijft ondersteuning in de praktijk vaak reactief
georganiseerd, waarbij hulp pas op gang komt wanneer problemen al zijn geëscaleerd.10
Deze initiatiefnota draait om de vraag hoe een landelijke aanpak voor vroegtijdige
ondersteuning van ouders en gezinnen kan worden ontwikkeld die escalaties van samenhangende
risico’s voorkomt.
De initiatiefnota bestaat uit de volgende drie hoofdstukken:
1. Risico’s en maatschappelijke implicaties
Welke gevolgen ontstaan voor kinderen, gezinnen en maatschappij wanneer problemen
binnen gezinnen escaleren?
2. Analyse huidige systeem en praktijk
Hoe wordt vroegtijdige ondersteuning van ouders en gezinnen binnen het huidige systeem
en praktijk vormgegeven door gemeenten en maatschappelijke initiatieven?
3. Het versterken van gezinnen en gemeenschappen
Welke voorwaarden, verantwoordelijkheden en samenwerkingsvormen zijn nodig voor een
meer samenhangende landelijke aanpak gericht op vroegtijdige ondersteuning en preventie?
2. Risico’s en maatschappelijke implicaties
Veel problematiek binnen de jeugdhulp speelt zich af binnen gezinnen die onder druk
staan. Kinderen van gescheiden ouders zijn binnen deze voorzieningen sterk oververtegenwoordigd.
In de praktijk krijgen professionals daardoor regelmatig te maken met relatie- en
scheidingsproblematiek binnen gezinnen.11 Binnen deze bredere gezinsproblematiek nemen relationele conflicten tussen ouders
een evidente plaats in. Relationele problemen tussen ouders, en in het bijzonder langdurige
en escalerende conflicten, hebben ingrijpende gevolgen voor kinderen, ouders en samenleving.
Onderzoek laat zien dat niet alleen een scheiding op zichzelf, maar vooral de mate
van conflict tussen ouders samenhangt met negatieve gevolgen voor het functioneren
en welzijn van kinderen. Deze gevolgen kunnen zich op verschillende manieren manifesteren
en raken uiteenlopende aspecten van de ontwikkeling en het dagelijks functioneren
van kinderen.12
2.1 Gevolgen voor kinderen
Kinderen die opgroeien in situaties van voortdurende spanningen tussen ouders lopen
een verhoogd risico op emotionele en gedragsmatige problemen. Daarbij gaat het zowel
om internaliserende problemen, zoals angst, somberheid en teruggetrokken gedrag, als
om externaliserende problemen, zoals agressie en opstandig gedrag.13 Een van de meest consistente bevindingen is dat kinderen zich in conflictsituaties
vaak «klem» voelen tussen beide ouders. Zij ervaren druk om loyaal te zijn aan beide
kanten, terwijl zij tegelijkertijd worden geconfronteerd met negatieve uitingen, verwachtingen
of conflicten rondom de andere ouder.14 Dit gevoel van tussen twee werelden staan wordt in verband gebracht met aanpassingsproblemen
en verminderde psychische gezondheid.15
Naast gedragsmatige en emotionele gevolgen speelt ook een psychologisch mechanisme
een belangrijke rol. Kinderen van ouders in langdurige conflictsituaties krijgen regelmatig
te maken met cognitieve spanning doordat zij loyaal willen blijven aan beide ouders,
terwijl zij tegelijkertijd worden blootgesteld aan tegenstrijdige boodschappen en
verwachtingen. In de praktijk proberen kinderen deze spanning vaak te verminderen
door emoties te onderdrukken, conflicten te vermijden of zich voortdurend aan te passen
aan de situatie. Hoewel dit op korte termijn rust kan geven, kan het op langere termijn
bijdragen aan emotionele belasting en identiteitsproblemen.16
Daarnaast kunnen voortdurende ouderlijke conflicten het gevoel van emotionele veiligheid
van kinderen aantasten. Een stabiele en veilige thuissituatie vormt een belangrijke
basis voor gezonde ontwikkeling. Wanneer conflicten langdurig voortduren en door kinderen
als bedreigend worden ervaren, kan dit leiden tot verhoogde stressreacties, teruggetrokken
gedrag of juist agressieve reacties.17 Vooral situaties waarin kinderen actief in conflicten worden betrokken vergroten
het risico op emotionele en gedragsproblemen. Belangrijk is dat deze gevolgen niet
voor ieder kind hetzelfde zijn. De mate waarin problemen ontstaan hangt samen met
factoren zoals de intensiteit van het conflict, de duur ervan, de mate waarin kinderen
erbij betrokken worden en de kwaliteit van de relatie tussen ouder en kind. In de
praktijk is echter zichtbaar dat langdurige en escalerende conflicten tussen ouders
een aanzienlijk risico vormen voor het welzijn en de ontwikkeling van kinderen.18
2.2 Effecten op ouders
De gevolgen beperken zich echter niet tot kinderen. Ook voor ouders heeft relationele
escalatie vaak ingrijpende consequenties. Langdurige conflicten gaan gepaard met chronische
stress, wantrouwen en emotionele ontregeling, waardoor het vermogen om samen invulling
te geven aan het ouderschap steeds verder onder druk komt te staan.19 Hoewel de partnerrelatie eindigt, blijft het ouderschap bestaan. Hierdoor blijven
ouders vaak langdurig met elkaar verbonden in een context van conflict en spanning.20 Daarnaast raken ouders in complexe scheidingen regelmatig verwikkeld in langdurige
juridische procedures en trajecten binnen jeugdhulpverlening, bemiddeling en rechtspraak.
De betrokkenheid van veel verschillende instanties en professionals kan leiden tot
gevoelens van controleverlies, onzekerheid en overbelasting. Voor ouders wordt het
vaak onduidelijk waar zij terecht kunnen, welke verwachtingen er zijn en welke rol
verschillende instanties precies vervullen. De stapeling van procedures en interventies
kan de ervaren stress verder vergroten.21 Daarnaast kunnen ook psychologische processen bijdragen aan verdere escalatie. In
conflictsituaties ontwikkelen ouders regelmatig sterke overtuigingen over het gedrag
en de intenties van de andere ouder. Wanneer ervaringen niet passen binnen deze overtuigingen,
ontstaat spanning die ertoe kan leiden dat standpunten verder verharden en bereidheid
tot samenwerking afneemt.22 Hierdoor kunnen conflicten zichzelf versterken en langdurig blijven voortbestaan.
Een bijzonder ingrijpend gevolg van complexe scheidingen is het risico op contactverlies
tussen ouder en kind. In ernstige situaties kunnen omgangsproblemen ertoe leiden dat
contact geheel wegvalt. Het Expertteam Ouderverstoting beschrijft dit als een zeer
belastende ervaring met ingrijpende gevolgen voor het welzijn, levensgeluk en de relationele
ontwikkeling van zowel ouders als kinderen. Voor ouders kan het verlies van contact
met een kind gepaard gaan met gevoelens van rouw, machteloosheid en identiteitsverlies,
omdat het ouderschap een belangrijk onderdeel vormt van hun persoonlijke identiteit.23
Daarbij blijft de impact van relationele escalatie vaak niet beperkt tot de privésfeer.
Langdurige conflicten kunnen ook gevolgen hebben voor werk, gezondheid, sociale relaties
en financiële stabiliteit.24 Relatieproblemen ontwikkelen zich bovendien vaak binnen een complex samenspel van
persoonlijke, relationele en situationele factoren, waardoor oplossingen moeilijk
te realiseren zijn en gezinnen langdurig in een belastende situatie kunnen blijven.25
2.3 Maatschappelijke implicaties
Escalerende relationele problematiek werkt uiteindelijk ook door op maatschappelijk
niveau. Echtscheidingen, en in het bijzonder conflictscheidingen, hangen structureel
samen met een verhoogd beroep op publieke voorzieningen en hulpverlening. Een van
de meest zichtbare gevolgen betreft de druk op de jeugdzorg. Analyses op basis van
CBS-microdata tonen een duidelijke samenhang tussen scheidingen en jeugdzorggebruik:
kinderen van gescheiden ouders maken significant vaker gebruik van jeugdhulp dan kinderen
uit intacte gezinnen. Deze oververtegenwoordiging is zichtbaar in vrijwel alle vormen
van hulpverlening, waaronder ambulante begeleiding, jeugdbescherming en hulp met verblijf,
zoals pleegzorg.26
Daarnaast blijkt dat problemen zich vaak opstapelen en elkaar versterken. Kinderen
van ouders die gebruikmaken van specialistische geestelijke gezondheidszorg hebben
aanzienlijk vaker zelf jeugdzorg nodig, vooral wanneer er ook sprake is van een scheiding.
Relationele conflicten, psychische belasting bij ouders en problemen bij kinderen
vormen daarmee samen een complex systeem van risico’s dat doorwerkt in meerdere maatschappelijke
domeinen. Ook binnen de jeugdbescherming is de invloed van complexe scheidingen groot.
Professionals signaleren dat scheidingsproblematiek in een aanzienlijk deel van de
casuïstiek een rol speelt, zelfs wanneer dit niet de directe aanleiding vormt voor
een maatregel. Dit blijkt ook uit het beroep op publieke voorzieningen. Kinderen van
gescheiden ouders zijn sterk oververtegenwoordigd binnen de jeugdhulp en jeugdbescherming,
waardoor de gevolgen van relationele escalatie niet alleen door gezinnen zelf worden
gedragen, maar ook leiden tot maatschappelijke kosten.27 Jeugdbeschermers geven aan dat langdurige conflicten samenwerking bemoeilijken en
besluitvorming kunnen vertragen.28 Hierdoor ontstaat een structurele belasting van jeugdbescherming, hulpverlening en
rechtspraak.
Daarnaast hebben hoog conflictscheidingen ook bredere gevolgen binnen het juridische
domein. Hoewel deze hoog conflictscheidingen een minderheid vormen van alle scheidingen,
leggen zij een onevenredig groot beslag op familierechtbanken en juridische procedures.
Escalerende conflicten raken daarmee niet alleen individuele gezinnen, maar zetten
ook institutionele systemen onder druk. Naast druk op hulpverlening en rechtspraak
hebben relationele escalaties ook bredere maatschappelijke gevolgen. Scheidingen gaan
regelmatig gepaard met veranderingen in inkomen, huisvesting en sociale netwerken,
waardoor gezinnen kwetsbaarder kunnen worden en vaker afhankelijk raken van publieke
ondersteuning.29 Relationele escalatie is daarmee niet uitsluitend een privékwestie, maar een maatschappelijk
vraagstuk dat doorwerkt in meerdere domeinen.
Deze risico’s en maatschappelijke implicaties maken duidelijk dat ondersteuning die
pas op gang komt wanneer conflicten al volledig zijn geëscaleerd, vaak te laat komt.
Juist de verwevenheid van problemen binnen gezinnen, hulpverlening en samenleving
benadrukt het belang van vroegtijdige ondersteuning. Daarmee verschuift de aandacht
naar de vraag hoe gemeenten, maatschappelijke organisaties en lokale initiatieven
hier in de praktijk invulling aan geven.
2.4 Deelconclusie
De analyse laat zien dat relationele escalatie tussen ouders verstrekkende gevolgen
kan hebben voor kinderen, ouders en de samenleving als geheel. Problemen die beginnen
binnen de privésfeer van gezinnen werken door naar uiteenlopende maatschappelijke
domeinen, waaronder jeugdhulp, jeugdbescherming, geestelijke gezondheidszorg en rechtspraak.
Relationele problematiek kan daarom moeilijk worden beschouwd als uitsluitend een
privékwestie. Tegelijkertijd roept deze analyse een fundamentele vraag op over de
inrichting van het huidige stelsel. De risico’s en implicaties maken duidelijk dat
ondersteuning die pas op gang komt wanneer conflicten al volledig zijn geëscaleerd,
vaak te laat komt. Juist de verwevenheid van problemen binnen gezinnen, hulpverlening
en samenleving benadrukt het belang van vroegtijdige ondersteuning. Vanuit dat perspectief
verschuift de aandacht naar de vraag hoe gemeenten, maatschappelijke organisaties
en lokale initiatieven momenteel invulling geven aan vroegtijdige ondersteuning van
gezinnen en ouders.
3. Analyse huidige systeem en praktijk
Om het weefsel te kunnen versterken is het eerst noodzakelijk inzicht te krijgen wat
de bedoeling van het huidige systeem is en hoe vroegtijdige ondersteuning van gezinnen
momenteel in de praktijk vorm krijgt. Dit hoofdstuk geeft daarom eerst een korte beschrijving
van het systeem van de Jeugdwet. Vervolgens gaat de initiatiefnemer in op de praktijk.
De initiatiefnemer licht een aantal representatieve voorbeelden uit van gemeenten
en maatschappelijke organisaties die invulling geven aan preventieve ondersteuning
en geef aan welke keuzes zij daarin maken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
gemeentelijke praktijken en maatschappelijke initiatieven. Gemeenten richten zich
vooral op vroegtijdige relatieondersteuning en het voorkomen van escalatie van relatieproblemen.
Maatschappelijke organisaties benaderen gezinsondersteuning vanuit een breder perspectief
en leggen nadruk op informele netwerken, gemeenschapskracht en sociale steun. Deze
analyse biedt inzicht in de huidige organisatie van ondersteuning, de onderliggende
uitgangspunten en de wijze waarop preventie binnen verschillende contexten wordt vormgegeven.
3.1 Huidig systeem: bedoeling Jeugdwet
De beweegreden die boven de Jeugdwet staat, geeft goed weer wat de bedoeling was toen
de wet in 2015 werd ingevoerd:
«dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, de ondersteuning,
hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,
de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering bij de
gemeente te beleggen, om te komen tot betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen,
eerdere ondersteuning bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
stoornissen, hulp op maat en meer ruimte voor professionals en tot het de-medicaliseren,
ontzorgen en normaliseren van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid
voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige
zelf ligt;»
Hierin staan twee belangrijke elementen die hier worden uitgelicht. Allereerst zouden
gemeenten veel meer dan provincies in staat zijn om eerder ondersteuning te bieden.
Het gemeentelijk beleid moet volgens de Jeugdwet daarom ook gericht zijn op het versterken
van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang
(artikel 2.1, onderdeel b). In de tweede plaats staat de verantwoordelijkheid van
de ouders en de jeugdige zelf voorop. Ook dat blijkt uitdrukkelijk uit de Jeugdwet.
De jeugdhulpplicht bestaat volgens artikel 2.3 enkel voor zover de eigen mogelijkheden
en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of de ouder ontoereikend zijn.
Om de eigen verantwoordelijkheid nog concreter uitwerking te geven heeft de wetgever
specifieke rechten vastgelegd. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling
moeten als eerste stap gelegenheid bieden om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan
op te stellen (artikel 4.1.2). Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of
plan van aanpak dat is opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten
of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Deze regeling betekent
dat de wetgever bewust niet eerst naar betaalde, professionele hulp kijkt, maar de
samenleving zelf ruimte wil bieden. Het beleid van de gemeenten moet expliciet aandacht
besteden aan het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen
van hulp op basis van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onderdeel g).
Het is opvallend dat deze bedoeling van de Jeugdwet van meet af aan onder druk heeft
gestaan. Het minste dat verwacht mocht worden, en dat ook voor gemeenten voordelen
kon opleveren, is dat gezinnen in de gelegenheid worden gesteld om zelf een familiegroepsplan
op te stellen, samen met hun netwerk. Reeds uit de eerste evaluatie van de Jeugdwet
in 2018 bleek echter dat een relatief klein deel van de respondenten over die mogelijkheid
geïnformeerd was of op een andere manier hiervan op de hoogte te was gebracht – namelijk
bijna een op de drie.30 De praktijk liet zien dat heel snel toch professionele hulp wordt ingeschakeld en
dat zelfs wanneer een familiegroepsplan aan bod komt, de regie vaak bij professionals
gelegd wordt. Waar de Jeugdwet nadrukkelijk ruimte beoogt te geven aan gezinnen en
hun sociale netwerk, blijkt de ondersteuning in de praktijk veelal georganiseerd rondom
professionele hulpverlening. Er lijkt een huiver te zijn om families, netwerken en
gemeenschappen zelf ruimte te bieden. Inmiddels lijkt in het beleid een lichte kentering
te zijn ontstaan. In augustus 2024 antwoorde de Staatssecretaris van VWS op vragen
van Chris Stoffer dat de gedachte achter het familiegroepsplan wordt meegenomen in
het handelingskader dat in het kader van het systeem- en gezinsgericht werken werd
ontwikkeld.31
Los van de discussie over familiegroepsplannen en eigen kracht is tijdens de behandeling
van de Jeugdwet ook expliciet aandacht geweest voor relatieproblemen die negatieve
gevolgen hebben voor kinderen. Kees van der Staaij diende een amendement in om dit
expliciet in de wet te verankeren. Volgens de regering viel dit echter al onder de
reikwijdte van het wetsvoorstel. Het college van de gemeente zou een relatie-ondersteunend
aanbod moeten bieden, maar alleen echte bemiddeling bij relatieproblemen hoorde volgens
de regering niet thuis binnen de jeugdhulpverlening.32 Dit heeft als consequentie dat gemeenten die op dit moment aan de slag zijn met een
relatie- en/of scheidingsaanpak dit veelal vanuit eigen bekostigen. Financiering vanuit
de Jeugdwet blijkt lastig en financiering vanuit het Rijk hiervoor ontbreekt.
Inmiddels is een wetsvoorstel in consultatie gebracht dat de reikwijdte van de jeugdhulpplicht
moet verduidelijken.33 Opvallend is dat de status van de familiegroepsplannen daarin verzwakt. Het wetsvoorstel
bepaalt dat de jeugdige of de ouder een plan kan overhandigen en dat de gemeente in
dat geval het plan moet betrekken bij het onderzoek. Deze nieuwe bepalingen leggen
de verantwoordelijkheid sterker bij de burger en ondergraven de verantwoordelijkheid
van de gemeente om binnen een redelijke termijn het recht van burgers tot uitwerking
te laten komen. Wel benadrukt het wetsvoorstel dat opgroei- of opvoedingsproblemen,
psychische problemen of stoornissen in beginsel met eigen kracht worden verminderd,
gestabiliseerd of opgeheven.
In de concrete uitwerking bepaalt het wetsvoorstel slechts in algemene zin dat een
infrastructuur voor informele steun aanwezig moet zijn. De koerswijziging dat individuele
voorzieningen pas toegekend worden als groepsvoorzieningen niet toereikend zijn, is
ook niet afdoende om de beschikbaarheid van informele gezinsondersteuning te garanderen.
Het probleem is namelijk niet de tegenstelling individueel versus collectief, maar
professioneel versus informeel. Het zou uit de wet klip en klaar moeten zijn dat altijd
eerst wordt getoetst of informele steun toereikend is, en zo ja, dat deze beschikbaar
dient te zijn. Het wetsvoorstel geeft overigens verder niet specifiek aandacht aan
scheidingen.
3.2 Praktijkvoorbeelden
Relatie- en Scheidingsteam – gemeente Zwolle
Gemeente Zwolle heeft een aanpak ontwikkeld rondom relationele problematiek en scheidingen
vanuit de constatering dat een aanzienlijk deel van de instroom in de jeugdzorg samenhangt
met spanningen tussen ouders en conflictscheidingen. De gemeente geeft aan dat jeugdzorgproblematiek
niet uitsluitend individueel benaderd kan worden, maar vaak voortkomt uit onderliggende
gezinsdynamieken en relationele conflicten tussen ouders.34 De bestuurlijke legitimiteit voor deze aanpak werd versterkt doordat het voorkomen
van complexe scheidingen expliciet werd opgenomen in het coalitieakkoord. Centraal
binnen de Zwolse aanpak staat het Relatie- en Scheidingsteam (RST), waarin professionals
uit verschillende domeinen samenwerken, waaronder wijkteams, mediators, gedragsdeskundigen
en advocaten. De aanpak is systeemgericht: conflicten worden niet primair benaderd
vanuit schuld of individuele problematiek, maar vanuit interactiepatronen tussen ouders.
Daarbij ligt de nadruk op het de-escaleren van conflicten voordat een eventuele scheiding
verder vorm krijgt.35
Een belangrijk element binnen de Zwolse aanpak is de nadruk op multidisciplinaire
samenwerking en gezamenlijke professionalisering. Professionals uit verschillende
disciplines nemen deel aan leergemeenschappen waarin gezamenlijk wordt gereflecteerd
op casuïstiek en op de eigen rol binnen complexe scheidingssituaties. Volgens betrokken
professionals is deze gezamenlijke werkwijze essentieel om versnippering in de hulpverlening
tegen te gaan.36 Tegelijkertijd benadrukt Zwolle dat de aanpak geen blauwdruk vormt die eenvoudig
door andere gemeenten kan worden overgenomen. De werkwijze is ontstaan vanuit lokale
samenwerking, bestuurlijke keuzes en bestaande netwerken.37
Houd me Vast – gemeente Gouda
De gemeente Gouda heeft haar vroegtijdige relatieondersteuning expliciet ingebed binnen
het sociaal domein. Via het Sociaal Team Gouda wordt de training Houd me Vast aangeboden,
gebaseerd op Emotionally Focused Therapy (EFT). De aanpak is gericht op stellen waarbij
spanningen aanwezig zijn, maar waarbij escalatie nog kan worden voorkomen. Binnen
Gouda wordt deze benadering omschreven als een relationele «APK»: ondersteuning gericht
op het tijdig versterken van relaties voordat problemen escaleren.38 De aanpak van Gouda laat zien hoe gemeenten zoeken naar een bestuurlijke legitimatie
voor vroegtijdige relatieondersteuning. Daarbij speelt nadrukkelijk de vraag in hoeverre
relatieproblematiek onderdeel is van het gemeentelijk mandaat. Gouda legitimeert haar
rol vanuit het perspectief van het kind en de maatschappelijke gevolgen van complexe
scheidingen, waaronder intensiever jeugdhulpgebruik en hogere maatschappelijke kosten.
Preventieve inzet wordt daarmee niet uitsluitend gezien als individuele ondersteuning,
maar ook als een manier om escalatie en zwaardere interventies te voorkomen.
Daarnaast wordt binnen Gouda nadrukkelijk gestuurd op monitoring en effectiviteit.
Er wordt gewerkt met voor- en nametingen van relatietevredenheid, escalatieniveaus
en vervolggebruik van jeugdhulp. Volgens landelijke rapportages bleef meer dan de
helft van de stellen die op scheiden stond uiteindelijk bij elkaar; andere stellen
gingen met minder conflict uit elkaar.39 Tegelijkertijd maakt ook Gouda zichtbaar dat structurele borging complex blijft.
Veel initiatieven zijn afhankelijk van tijdelijke investeringen, programmatische subsidies
en regionale samenwerking tussen sociaal en juridisch domein.
Centrum voor Jeugd en Gezin – gemeente Kampen
Gemeente Kampen benadert preventie nadrukkelijk vanuit het versterken van de sociale
basis. Waar veel gemeenten starten vanuit individuele hulpvragen, richt Kampen zich
op het creëren van een omgeving waarin problemen eerder worden opgevangen door gezinnen,
scholen, vrijwilligers en maatschappelijke organisaties. Deze benadering is ontstaan
vanuit zowel inhoudelijke als financiële overwegingen. De gemeente zag dat de vraag
naar jeugdhulp bleef toenemen, terwijl tegelijkertijd behoefte bestond aan meer grip
op de ontwikkeling van het sociaal domein. Als antwoord daarop werd gekozen voor een
transformatie waarin niet specialistische zorg, maar preventie, normalisering en het
versterken van de sociale basis centraal staan.
Binnen deze aanpak vervult het Centrum voor Jeugd en Gezin een belangrijke rol als
laagdrempelig toegangspunt voor ouders en gezinnen. Daarnaast investeert Kampen in
uiteenlopende vormen van preventieve ondersteuning, zoals Steunouder, gezinswerkers,
schoolmaatschappelijk werk, praktijkondersteuners bij huisartsen en ondersteuning
rondom scheidingsproblematiek. Kenmerkend is dat veel voorkomende hulpvragen zoveel
mogelijk collectief en preventief worden opgepakt, waarbij niet direct wordt uitgegaan
van specialistische zorg, maar eerst wordt gekeken welke ondersteuning beschikbaar
is binnen de sociale omgeving van gezinnen.
Tegelijkertijd laat Kampen zien hoe preventief beleid steeds sterker wordt gekoppeld
aan monitoring en bestuurlijke sturing. De gemeente werkt met dashboards, periodieke
analyses en voortgangsrapportages om ontwikkelingen binnen het sociaal domein te volgen
en beleidskeuzes waar nodig bij te sturen. Daarbij wordt nadrukkelijk gezocht naar
de balans tussen financiële beheersing en inhoudelijke transformatie. Volgens betrokkenen
is het uiteindelijke doel niet om zorg te beperken, maar om ervoor te zorgen dat niet
iedere ondersteuningsvraag automatisch leidt tot professionele hulpverlening. Vanuit
die gedachte wordt gewerkt aan een stelsel waarin informele ondersteuning, collectieve
voorzieningen en professionele hulp elkaar aanvullen en versterken.40
Relatiespreekuur – gemeente Zutphen
Zutphen kiest voor een laagdrempelige en preventieve benadering. De gemeente heeft
een relatiespreekuur opgezet waar inwoners kosteloos terecht kunnen voor een eerste
gesprek over relationele vragen of beginnende problematiek. Het spreekuur vervult
niet alleen een ondersteunende functie voor gezinnen, maar fungeert tegelijkertijd
ook als een poortwachter. Op basis van de hulpvraag wordt gekeken welke ondersteuning
passend is en of verdere hulp nodig is. De gemeente vervult hierin vooral een faciliterende
en verbindende rol binnen een breder netwerk van samenwerkende organisaties. Tegelijkertijd
roept deze preventieve benadering bij de gemeente vragen op over zichtbaarheid en
verantwoording van effecten, aangezien voorkomen problematiek moeilijk meetbaar is.
Ook de positionering van het spreekuur vraagt aandacht: de gemeente probeert ondersteuning
toegankelijk en neutraal aan te bieden, waarbij autonomie van inwoners wordt gerespecteerd
en stigmatisering wordt voorkomen.41
Samen Oplopen (gemeente Zeist/diverse gemeenten)
Een voorbeeld van informele gezinsondersteuning is Samen Oplopen, dat is ontstaan
in 2011 vanuit de gemeente Zeist. Vanuit de praktijk groeide daar het besef dat veel
gezinnen niet alleen behoefte hebben aan professionele hulp, maar vooral aan stabiele
relaties, nabijheid en langdurige steun in het dagelijks leven. Vanuit die gedachte
werd een aanpak ontwikkeld waarbij vrijwilligers gedurende langere tijd optrekken
met gezinnen die onder druk staan. De kern van Samen Oplopen is relationele aanwezigheid.
Vrijwilligers ondersteunen gezinnen praktisch en emotioneel. Daarbij staat niet een
hulpverleningstraject centraal, maar het opbouwen van vertrouwen en continuïteit.
Tegelijkertijd is de ondersteuning niet vrijblijvend georganiseerd. Vrijwilligers
worden begeleid door professionele coördinatoren met een hulpverleningsachtergrond,
die toezien op kwaliteit, signaleren wanneer aanvullende hulp nodig is en de verbinding
leggen met formele instanties. Hierdoor ontstaat een hybride vorm van ondersteuning
waarin informele nabijheid wordt gecombineerd met professionele begeleiding.42
Binnen Zeist kreeg Samen Oplopen een belangrijke plek binnen de bredere beweging rondom
Kansrijke Start. Vanuit deze aanpak wordt ondersteuning niet pas ingezet wanneer problemen
al zijn geëscaleerd, maar juist preventief georganiseerd rondom gezinnen die langdurig
onder druk staan. De organisatie benadrukt daarbij dat een sterke sociale basis niet
vanzelf ontstaat, maar actief georganiseerd en ondersteund moet worden. Tegelijkertijd
wijst Samen Oplopen op belangrijke knelpunten binnen het huidige systeem. Informele
gezinsondersteuning wordt volgens de organisatie nog te vaak behandeld als tijdelijke
pilot of experiment, terwijl juist langdurige financiering en structurele borging
noodzakelijk zijn om preventie effectief te maken. Daarnaast wordt erop gewezen dat
gezinnen vaak te laat in beeld komen, omdat ondersteuning sterk georganiseerd is rondom
indicaties, domeinen en specialistische interventies.43
Eigen Kracht Centrale (diverse gemeenten)
De Eigen Kracht Centrale (EKC) richt zich op het versterken van informele netwerken
rondom gezinnen en individuen in complexe situaties. Centraal staat de gedachte dat
oplossingen niet primair door professionals moeten worden opgelegd, maar zoveel mogelijk
samen met familie, vrienden en bekenden moeten worden ontwikkeld. Het belangrijkste
instrument binnen deze aanpak is de Eigen Kracht-conferentie: een gestructureerde
bijeenkomst waarin gezinnen samen met hun netwerk een plan maken voor hun eigen situatie.
Een onafhankelijke coördinator ondersteunt de voorbereiding van deze bijeenkomst,
maar de besluitvorming ligt uiteindelijk bij het gezin en het netwerk zelf.44
Eigen Kracht Centrale laat vanuit praktijkervaring zien dat juist in complexe situaties
vaak meer sociaal netwerk aanwezig is dan professionals aanvankelijk veronderstellen.
Uit bijna 14.000 Eigen Kracht-conferenties blijkt dat gemiddeld tien mensen deelnemen
aan een bijeenkomst en dat ongeveer 80% van de gemaakte afspraken door het netwerk
zelf wordt uitgevoerd. Daarnaast wijst onderzoek volgens de organisatie op positieve
effecten voor sociale cohesie, zelfredzaamheid en het voorkomen van zwaardere zorg.
Eigen Kracht-conferenties worden in verband gebracht met minder uithuisplaatsingen,
kortere zorgtrajecten en een afname van professionele zorgconsumptie.45 Ook maatschappelijk wordt een positief financieel effect gerapporteerd: volgens hun
maatschappelijke businesscase levert iedere geïnvesteerde euro gemiddeld € 3,46 aan
maatschappelijke waarde op.46 Tegelijkertijd stelt de Eigen Kracht Centrale dat het huidige systeem nog te sterk
denkt vanuit professionele hulpverlening. Informele netwerken worden vaak pas laat
betrokken en vooral gezien als aanvulling op professionele zorg, terwijl de organisatie
juist pleit voor een omgekeerde benadering: het netwerk als basis, professionele ondersteuning
als aanvulling.47
Buurtgezinnen (diverse gemeenten)
Een andere vorm van informele ondersteuning is Buurtgezinnen. Dit initiatief koppelt
gezinnen die steun kunnen gebruiken aan een stabiel steungezin in de eigen buurt.
Een kind draait bijvoorbeeld een dagdeel per week mee in een ander gezin, waardoor
ouders worden ontlast en kinderen extra aandacht en stabiliteit ervaren. Buurtgezinnen
vertrekt vanuit het idee dat opvoeden niet uitsluitend een verantwoordelijkheid van
individuele ouders is, maar iets dat gezamenlijk gedragen kan worden binnen een gemeenschap.
Het initiatief benadrukt het belang van langdurige relaties tussen gezinnen, gelijkwaardigheid
en normalisering: steun vragen moet niet worden gezien als falen, maar als iets dat
bij het leven hoort. Kenmerkend is dat de ondersteuning bewust licht, informeel en
dichtbij wordt georganiseerd. Er is geen sprake van zware hulpverleningstrajecten,
maar van alledaagse steunvormen die escalatie kunnen voorkomen voordat specialistische
zorg noodzakelijk wordt. Volgens Buurtgezinnen ligt juist daarin de kracht van de
aanpak: kleine vormen van ondersteuning kunnen grote problemen voorkomen wanneer zij
tijdig beschikbaar zijn.48
Tegelijkertijd laat ook Buurtgezinnen zien waar het huidige systeem knelt. Volgens
de organisatie volgt financiering nog te vaak problemen in plaats van preventie. Gemeenten
functioneren binnen het huidige stelsel grotendeels als uitvoerders van professionele
zorginkoop, waardoor minder ruimte ontstaat voor structurele investering in informele
steunnetwerken. Daarnaast zorgt versnippering tussen gemeentelijke beleidsdomeinen
voor extra administratieve lasten en verschillen in werkwijze tussen gemeenten. Buurtgezinnen
pleit daarom voor meer structurele financiering, minder bureaucratische versnippering
en een sterkere landelijke regie op informele gezinsondersteuning. Daarbij wordt benadrukt
dat informele steun niet als «nice to have», maar als een noodzakelijk onderdeel van
preventief gezinsbeleid moet worden gezien.49
3.3 Deelconclusie
De onderzochte praktijken laten zien dat gemeenten en maatschappelijke organisaties
op uiteenlopende manieren invulling geven aan vroegtijdige gezinsondersteuning. Hoewel
de concrete werkwijzen verschillen, zijn enkele duidelijke gemeenschappelijke lijnen
zichtbaar. Vrijwel alle initiatieven vertrekken vanuit de overtuiging dat problemen
eerder moeten worden gesignaleerd en aangepakt, voordat escalatie leidt tot zwaardere
vormen van hulpverlening. Daarbij verschuift de aandacht van individuele problematiek
naar de bredere gezins-, relatie- en omgevingscontext waarin problemen ontstaan.
Daarnaast blijkt uit zowel gemeentelijke als maatschappelijke initiatieven een sterke
nadruk op het benutten van informele steun. Familieleden, vrienden, vrijwilligers
en sociale netwerken worden niet uitsluitend gezien als aanvulling op professionele
hulp, maar steeds vaker als een wezenlijk onderdeel van ondersteuning. Een andere
manier van kijken is nodig: informele steun is niet een aanvulling op professionele
hulp, maar de basis waarop professionele hulp juist dient aan te sluiten. Tegelijkertijd
laten de praktijken zien dat informele steun niet vanzelf ontstaat en vaak professionele
coördinatie, bestuurlijke aandacht en structurele investeringen vereist.
Opvallend is dat veel van deze werkwijzen nauw aansluiten bij de oorspronkelijke bedoeling
van de Jeugdwet, waarin preventie, de-medicalisering, normalisering en het versterken
van eigen kracht centraal staan. Tegelijkertijd maken de onderzochte voorbeelden zichtbaar
dat deze uitgangspunten binnen het huidige stelsel niet vanzelfsprekend tot hun recht
komen. Structurele financiering, bestuurlijke borging, effectmeting en samenwerking
tussen verschillende domeinen blijken terugkerende uitdagingen.
Een laatste onderscheid is zichtbaar tussen gemeenten en maatschappelijke organisaties.
Waar gemeenten zich relatief vaak richten op relatieproblematiek, scheidingen en de
verbinding met het formele jeugdstelsel, leggen maatschappelijke organisaties sterker
de nadruk op bredere informele steun, gemeenschapskracht en langdurige ondersteuning.
Gezamenlijk laten deze praktijken zien dat vroegtijdige gezinsondersteuning breder
is dan professionele hulpverlening alleen en vraagt om een samenhangende benadering
waarin overheid, maatschappelijke organisaties en sociale netwerken elkaar aanvullen.
4. Het versterken van gezinnen en gemeenschappen
De beslispunten in deze initiatiefnota komen voort uit vijf samenhangende aanbevelingen
die gericht zijn op het versterken van gezinnen en gemeenschappen. Gezinnen vormen
het weefsel van de samenleving, maar staan niet op zichzelf. Ook familie, vrienden,
buren, scholen, verenigingen, kerken en andere maatschappelijke verbanden dragen bij
aan een omgeving waarin gezinnen kunnen floreren.
De eerste aanbeveling richt zich op informele ondersteuning als onderdeel van de sociale
basis. Veel opvoed- en gezinsvragen kunnen binnen deze sociale verbanden worden opgevangen.
Vanuit dit uitgangspunt volgt de tweede aanbeveling: ondersteuning is het meest effectief
wanneer zij aansluit bij de leefwereld van gezinnen, en dient deze zo dicht mogelijk
bij gezinnen te worden georganiseerd. Hierin is een belangrijke rol belegd voor lokale
teams. De derde aanbeveling betreft het uitgangspunt van de gezinsondersteuning. Het
gewone leven staat centraal. Niet iedere opvoed- of gezinsvraag hoeft te worden gemedicaliseerd
of geprofessionaliseerd. In beginsel dienen eerst de mogelijkheden van informele ondersteuning
in beeld te worden gebracht voordat professionele hulp wordt ingezet. De vierde aanbeveling
richt zich op de randvoorwaarden die hiervoor nodig zijn. Gemeenten moeten kunnen
beschikken over een structureel financieel kader waarin preventieve gezinsondersteuning
duurzaam kan worden georganiseerd. De vijfde aanbeveling stelt randvoorwaarden aan
dit landelijke kader en gaat in op de verhouding tussen gezinnen en overheid. Een
landelijk kader voor gezinsondersteuning vraagt om respect voor de autonomie van gezinnen
en hun sociale verbanden. Tegelijkertijd moet het beleid maatschappelijk en bestuurlijk
gelegitimeerd zijn. Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, kunnen gezinnen,
gemeenschappen en overheid ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid bijdragen aan
een sterke en veerkrachtige samenleving.
4.1 Informele ondersteuning als basis
De belangrijkste aanbeveling voor het versterken van gezinnen en gemeenschappen is
het versterken van informele ondersteuning binnen de sociale basis. Sterke gezinnen
kunnen niet zonder sterke sociale verbanden. De huidige inrichting van het sociaal
domein is nog sterk gericht op professionele zorg en specialistische interventies,
waardoor relatief normale opvoed- en relatievraagstukken te snel worden gemedicaliseerd
of geprofessionaliseerd. Uit de analyse van de praktijkvoorbeelden blijkt juist dat
duurzame preventie begint bij sterke sociale verbanden rondom gezinnen.50 De Jeugdwet heeft als belangrijk doel dat er gebruik gemaakt wordt van de eigen kracht
van jongeren, ouders en hun sociale netwerk en beoogt dat minder snel uitsluitend
met een medische blik naar opvoed- en opgroeivragen moet worden gekeken.51 Daarnaast toont onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau aan door meer in
te zetten op informele ondersteuning, er voorkomen kan worden dat alledaagse opvoedvragen
escaleren tot zware problematiek.52
Uit de praktijkenvoorbeelden blijkt dat informele steun een belangrijke beschermende
factor kan vormen tegen escalatie van problemen. De onderzochte maatschappelijke initiatieven
laten zien dat laagdrempelige, relationele en langdurige ondersteuning gezinnen kan
versterken voordat zware hulpverlening noodzakelijk wordt. Informele ondersteuners
dragen bij aan meer zelfvertrouwen, praktische steun, sociale verbondenheid en het
vroegtijdig signaleren van problemen.53 De ondersteuning en hulp ligt voor het oprapen, maar toch zijn er wachtrijen in de
zorg. Daarnaast blijkt dat laagdrempelige vormen van ondersteuning gezinnen bereiken
die via reguliere voorzieningen moeilijker in beeld komen.54 Daarbij staat niet het professionele traject centraal, maar het versterken van sociale
relaties, gemeenschappen en wederzijdse betrokkenheid. Opvoeden is hierin primair
de taak van ouders, maar niet uitsluitend hun individuele verantwoordelijkheid; het
is ook een gedeelde maatschappelijke opgave.55
Deze aanbeveling sluit aan bij een bredere beweging van normaliseren en de-medicaliseren
binnen het sociaal domein (zie ook 4.3). Niet iedere opvoed- of gezinsvraag hoeft
direct te leiden tot specialistische zorg. Informele steun blijkt professionele hulp
bovendien niet te verdringen, maar juist vaak aanvullend en versterkend te werken.
Sociale netwerken helpen ouders bij dagelijkse belasting, het herkennen van problemen
en het vinden van passende hulp.56 Evaluaties van vrijwillige gezinsondersteuning laten daarnaast positieve effecten
zien op ervaren steun, netwerkversterking en zelfredzaamheid.57
Tegelijkertijd ontstaat informele ondersteuning niet vanzelf. Juist in buurten waar
sociale verbanden onder druk staan, blijkt professionele coördinatie noodzakelijk.
Daarom is vrijwilligerscoördinatie, ontmoeting, training en samenwerking tussen formele
en informele ondersteuning van groot belang.58 Een landelijke visie op preventie vraagt daarom om een fundamentele herwaardering
van de sociale basis. Informele ondersteuning zou niet langer moeten worden gezien
als vrijblijvende aanvulling op professionele zorg, maar als essentieel onderdeel
van het preventieve stelsel. Dit betekent investeren in gemeenschappen, vrijwilligersnetwerken
en laagdrempelige initiatieven die gezinnen ondersteunen in het dagelijks leven. Alleen
wanneer informele steun structureel wordt versterkt, kan specialistische zorg daadwerkelijk
worden beperkt tot situaties waarin complexe problematiek of veiligheid in het geding
is.
Beslispunten
1. Het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet kan niet volstaan met het vermelden van de infrastructuur
voor informele steun, maar moet meer richting geven. In ieder geval dient als norm
te gelden dat de gemeente in beginsel eerst de mogelijkheden van informele steun in
beeld heeft gebracht alvorens professionele hulp in te zetten.
2. Het kabinet stelt samen met de VNG een handreiking op om de informele ondersteuning
en professionele hulpverlening verder te versterken, zodat informele steun de structurele
basis van preventief gezinsbeleid wordt waaruit kan worden opgeschaald naar professionele
hulpverlening.
3. De Jeugdwet moet de verplichting voor gemeenten bevatten om jeugdigen en hun ouders
voorafgaand aan het inzetten van professionele uitdrukkelijk te informeren over het
recht om een familiegroepsplan op te stellen. Het familiegroepsplan staat onder regie
van organisaties voor informele steun.
4. Aanbod op groepsniveau dat de relatie van ouders met (jonge) kinderen ondersteunt,
dient in elke gemeente beschikbaar te zijn als basisaanbod zonder indicatie.
4.2 Ondersteuning dichtbij organiseren
De tweede aanbeveling richt zich op de organisatie van ondersteuning. Toekomstbestendig
gezinsbeleid kan het beste zo dicht mogelijk bij de gezinnen zelf georganiseerd worden.
Hoewel gemeenten sinds de decentralisaties verantwoordelijk zijn voor het sociaal
domein59, was een belangrijke gedachte achter deze decentralisaties dat gemeenten dichter
bij inwoners staan en daardoor beter in staat zijn ondersteuning af te stemmen op
de behoeften van burgers en hun sociale omgeving.60 Vroegtijdige ondersteuning moet daarom niet op afstand worden georganiseerd, maar
zoveel mogelijk worden ingebed in de lokale gemeenschap waarin gezinnen leven. Gezinnen
en maatschappelijke verbanden dragen een eigen verantwoordelijkheid voor zorg, opvoeding
en onderlinge ondersteuning. De rol van de overheid is daarbij aanvullend en ondersteunend.
Informele netwerken, sociale steun en laagdrempelige voorzieningen vormen belangrijke
beschermende factoren vormen voor gezinnen en kunnen bijdragen aan het voorkomen van
zwaardere problematiek en professionele interventies.61
In de jeugdhulp is een sterke ontwikkeling richting regionalisering. Specialistische
jeugdzorg wordt in veel gevallen regionaal ingekocht en georganiseerd, juist omdat
aanbieders vaak voor meerdere gemeenten tegelijk werken en bepaalde vormen van zorg
onvoldoende schaal hebben om lokaal zelfstandig te organiseren. Regionale samenwerking
blijft daarom van belang voor specialistische voorzieningen. Ook het SCP wijst erop
dat specialistische ondersteuning niet altijd op gemeentelijk niveau kan worden georganiseerd
en daarom regelmatig vraagt om samenwerking tussen gemeenten.62
De kern van vroegtijdige gezinsondersteuning ligt echter niet bij regionale structuren,
maar bij de lokale praktijk. Effectieve preventie is afhankelijk van nabijheid, vertrouwen,
herkenbare toegang en aansluiting bij de leefwereld van gezinnen. Ondersteuning is
beter toegankelijk wanneer zij dichtbij inwoners wordt georganiseerd, waardoor signalen
eerder worden opgepakt en sneller kan worden aangesloten bij bestaande sociale netwerken
rondom gezinnen.63 Daarom moet het uitgangspunt zijn dat ondersteuning wordt georganiseerd op de plek
waar gezinnen leven en waar sociale relaties bestaan.
Een landelijke aanpak zou daarom niet primair moeten streven naar nieuwe bestuurlijke
lagen of verdere centralisatie, maar naar het creëren van de randvoorwaarden van een
sterke lokale infrastructuur waarin gezinnen tijdig ondersteuning kunnen vinden. Door
gezinsondersteuning expliciet te verankeren binnen lokale teams ontstaat een herkenbaar
toegangspunt waar formele ondersteuning, maatschappelijke organisaties en informele
netwerken samenkomen. Daarmee kan eerder worden gesignaleerd, kan sneller passende
ondersteuning worden geboden en wordt aangesloten bij de sociale omgeving van gezinnen.
Zo ontstaat een duurzaam en toegankelijk stelsel waarin overheid, maatschappelijke
organisaties en sociale netwerken elkaar aanvullen en versterken. Zo wordt ondersteuning
georganiseerd op de plek waar zij het meest effectief kan zijn: dicht bij gezinnen
zelf.
Beslispunten:
5. Vroegtijdige gezinsondersteuning wordt via landelijke regels expliciet verankerd binnen
lokale teams, zodat gezinnen beschikken over een herkenbaar en laagdrempelig aanspreekpunt
voor ondersteuning, signalering en doorverwijzing.
6. Het kabinet stimuleert dat lokale teams structureel samenwerken met maatschappelijke
organisaties, vrijwilligersinitiatieven, scholen, kerken en andere lokale verbanden,
zodat formele en informele ondersteuning beter op elkaar aansluiten.
7. Het kabinet waarborgt dat regionale samenwerking binnen het sociaal domein ondersteunend
blijft aan lokale uitvoering en primair wordt ingezet voor specialistische voorzieningen,
kennisdeling en inkoop van complexe zorg.
4.3 Het gewone leven centraal
Het uitgangspunt van gezinsondersteuning is het gewone leven van gezinnen. Bij dat
leven horen vragen, spanningen en problemen. Niet iedere moeilijkheid hoeft direct
te worden benaderd als een medische of specialistische zorgvraag. In eerste instantie
ligt het voor de hand om ondersteuning en opvang te zoeken binnen het eigen gezin,
familie, vriendenkring, buurt, school, kerk of andere sociale verbanden. Pas wanneer
het eigen netwerk onvoldoende mogelijkheden heeft om problemen op te vangen, komt
opschaling naar professionele ondersteuning of specialistische zorg in beeld. Vanuit
dit uitgangspunt is het de-medicaliseren van gezinsondersteuning van belang. De Jeugdwet
beoogde al dat opvoed- en opgroeivragen niet onnodig worden gemedicaliseerd en dat
ondersteuning zoveel mogelijk plaatsvindt binnen de gewone leefomgeving van gezinnen,
met ouders als eerstverantwoordelijken en de overheid in een ondersteunende rol.64 Deze beweging richting normaliseren blijft noodzakelijk, omdat rondom relationele
problemen, opvoedvragen en gezinsstress nog altijd een aanzienlijk stigma rust. Schaamte,
schuldgevoelens en negatieve verwachtingen over hulpverlening hebben een duidelijke
negatieve invloed op het actief zoeken van ondersteuning.65 Ook ouders ervaren drempels zoals angst om niet serieus genomen te worden, onduidelijkheid
over waar hulp te vinden is en zorgen over stigmatisering van het gezin.66 Hierdoor worden relatief normale opvoed- en gezinsvragen regelmatig pas opgepakt
wanneer problemen al zijn geëscaleerd.
Daarnaast ontstaat een nieuwe digitale uitdaging. Ouders zoeken steeds vaker zelfstandig
advies via sociale media of generatieve AI, juist wanneer zij de stap naar formele
ondersteuning niet durven zetten. Sociale media is een belangrijke bron geworden voor
opvoed- en gezondheidsinformatie, terwijl de betrouwbaarheid van deze informatie vaak
moeilijk te beoordelen is.67 Tegelijkertijd groeit het gebruik van AI-chatbots voor mentale ondersteuning, terwijl
beroepsorganisaties waarschuwen voor risico’s rondom misinformatie, veiligheid en
gebrek aan professionele waarborgen.68 Hierdoor bestaat het risico dat ouders ondersteuning zoeken bij onbewezen of zelfs
schadelijke adviezen.
De-medicalisering betekent daarom niet dat professionele zorg minder belangrijk wordt,
maar dat scherper onderscheid wordt gemaakt tussen normale levens- en opvoedvragen
en situaties waarin specialistische hulp noodzakelijk is. De Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling pleitte al eerder voor «ontzorgen en normaliseren», waarbij ondersteuning
zoveel mogelijk laagdrempelig, vrijwillig en relationeel georganiseerd wordt.69 Een sterke sociale basis voorkomt dat gewone opvoedvragen uitgroeien tot complexe
problematiek. Daarmee wordt niet iedere vraag direct een zorgvraag, maar blijft het
uitgangspunt dat gezinnen en gemeenschappen eerst zelf de ruimte krijgen om ondersteuning
te bieden. Tegelijkertijd vraagt deze beweging om een zorgvuldige balans tussen ondersteuning
en persoonlijke autonomie. Relaties en gezinsleven behoren tot het privéleven van
burgers. Ondersteuning moet daarom vrijwillig, faciliterend en laagdrempelig blijven,
zodat autonomie wordt versterkt in plaats van ondermijnd. Dit sluit aan bij het idee
van «zacht paternalisme», waarbij de overheid voorwaarden creëert waardoor gezinnen
eerder hulp durven zoeken, zonder normerend achter de voordeur te treden.70 Deze terughoudende en ondersteunende rol van de overheid sluit aan bij de visie dat
gezinnen en maatschappelijke verbanden primair verantwoordelijk zijn voor zorg en
opvoeding, waarbij de overheid aanvullend faciliteert.71
Een landelijke aanpak vraagt daarom om ondersteuning die vroegtijdig, nabij en niet-oordelend
beschikbaar is. Niet vanuit een medische probleemlogica, maar vanuit het versterken
van veerkracht, ouderschap en sociale relaties. Het doel is niet om meer hulp te organiseren,
maar om gezinnen en gemeenschappen beter in staat te stellen problemen tijdig op te
vangen en het gewone leven voort te zetten. Juist door gezinsondersteuning normaler,
toegankelijker en minder beladen te maken, kan escalatie richting zware jeugdzorg
vaker worden voorkomen en blijft specialistische hulp beschikbaar voor situaties waarin
veiligheid of complexe problematiek daadwerkelijk in het geding is.
Beslispunten:
8. Het kabinet bevordert dat vroegtijdige gezinsondersteuning wordt vormgegeven vanuit
de uitgangspunten van normaliseren, ontzorgen en de-medicaliseren, zodat gewone opvoed-
en gezinsvragen niet onnodig binnen specialistische zorgtrajecten terechtkomen.
9. De Jeugdwet wordt zodanig gewijzigd dat het familiegroepsplan expliciet wordt vormgegeven
als een plan van het gezin en diens sociale netwerk en niet als hulpverleningsplan,
zodat de regie in beginsel bij de familie ligt. Professionele ondersteuning wordt
daarbij aanvullend ingezet wanneer de mogelijkheden van het gezin, het sociale netwerk
en de sociale basis ontoereikend blijken.
10. Het kabinet verkent een herkenbaar en betrouwbaar digitaal loket waarin ouders toegang
krijgen tot gevalideerde opvoed- en gezinsinformatie en passende ondersteuningsmogelijkheden,
zodat zij minder afhankelijk worden van onbewezen adviezen via sociale media of generatieve
AI.
4.4 Informele gezinsondersteuning structureel verankeren
De vierde aanbeveling richt zich op randvoorwaarden die nodig zijn om gezinnen en
gemeenschappen duurzaam te versterken. Een structurele preventieve aanpak vraagt om
meer dan tijdelijke subsidies of afzonderlijke projecten. Binnen het huidige gezins-
en jeugdbeleid zijn veel preventieve initiatieven vaak afhankelijk zijn van tijdelijke
subsidies, impulsregelingen of projectfinanciering. Hierdoor ontstaan lokaal waardevolle
aanpakken, maar ontbreekt vaak de structurele borging die nodig is om duurzame ondersteuning
op te bouwen. Gemeenten geven aan dat zij genoeg beschikken over tijdelijk geld, maar
moeite hebben om structurele preventieve voorzieningen duurzaam te bekostigen.72 Het blijkt lastig om interventies vanuit de Jeugdwet te financieren. Hierdoor ontstaat
het risico dat effectieve interventies verdwijnen zodra tijdelijke financiering afloopt.
Uit verschillende lokale praktijkvoorbeelden blijkt juist dat continuïteit essentieel
is voor preventieve ondersteuning. In diverse gemeenten is daarom bewust gekozen om
relationele ondersteuning structureel te verbinden aan de reguliere beleidscyclus,
waarbij middelen aan de voorkant van het systeem worden ingezet om zwaardere jeugdzorg
in een later stadium te voorkomen.
Een landelijke aanpak zou daarom primair gericht moeten zijn op het creëren van structurele
randvoorwaarden waarmee gemeenten preventief beleid duurzaam kunnen organiseren. Het
gaat hierbij niet om het terugdraaien van de decentralisatie, maar om het bieden van
een financieel en bestuurlijk kader dat gemeenten nodig hebben om hun beleid effectief
vorm te geven. De rijksoverheid kan hierin een faciliterende rol vervullen door meerjarige
financiering mogelijk te maken, administratieve versnippering te verminderen en gemeenten
ruimte te bieden om preventieve ondersteuning structureel te verankeren binnen de
sociale basis. Dit vraagt bestuurlijk lef, omdat investeringen in preventie zich vaak
pas op langere termijn uitbetalen, terwijl politieke en financiële verantwoordingssystemen
veelal gericht zijn op zichtbare resultaten op de korte termijn.73
Daarnaast blijkt uit de praktijkvoorbeelden dat structurele financiering niet alleen
van belang is voor continuïteit, maar ook voor legitimiteit. Legitimiteit ontstaat
wanneer beleid maatschappelijk wordt aanvaard en als passend en vanzelfsprekend wordt
beschouwd.74 Wanneer ondersteuning uitsluitend projectmatig georganiseerd wordt, blijft deze kwetsbaar
en afhankelijk van politieke aandacht. Structurele borging versterkt daarentegen de
legitimiteit van de ondersteuning doordat de ondersteuning betrouwbaar en toegankelijk
wordt, en omdat vroegtijdige hulpverlening steeds meer wordt gezien als normaal onderdeel
van het gezinsbeleid.75
Organisaties binnen de sociale basis benadrukken daarom dat informele gezinssteun
niet projectmatig, maar duurzaam onderdeel moet zijn van de sociale infrastructuur.
Een sterk maatschappelijk weefsel vraagt om langdurige investeringen in gezinnen,
gemeenschappen en preventieve ondersteuning. Daarmee vraagt een preventieve gezinsaanpak
om een verschuiving van «flipperkastpolitiek» (incident gedreven en ad-hoc beleid76), naar een stabiele, meerjarige bestuurlijke visie waarin preventie een structureel
onderdeel vormt van lokaal en landelijk gezinsbeleid.
Beslispunten:
11. In samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties ontwikkelt het kabinet
een meerjarige financieringsstrategie voor preventieve gezins- en relatieondersteuning,
zodat bewezen effectieve initiatieven niet langer afhankelijk zijn van tijdelijke
subsidies, projectfinanciering of incidentele (lokale) middelen.
12. De Jeugdwet dient te bepalen dat gemeenten meerjarige financiering bieden aan organisaties
voor informele steun.
13. Het kabinet ontwikkelt een handreiking voor gemeenten om de inzet van middelen te
verschuiven van curatieve jeugdzorg naar preventieve gezins- en relatieondersteuning,
zonder afbreuk te doen aan de gemeentelijke beleidsvrijheid en lokale uitvoering.
14. Gemeentes nemen preventieve gezinsondersteuning structureel op in hun reguliere planning-
en controlcyclus, zodat legitimiteit en verantwoording geborgd zijn in meerjarig beleid.
4.5 Randvoorwaarden voor de rijksoverheid
De vijfde aanbeveling gaat over de verhouding tussen gezinnen en overheid. Wanneer
is overheidsbetrokkenheid gerechtvaardigd en hoe verhoudt die zich tot de autonomie
van gezinnen? Juist omdat preventieve gezinsondersteuning zich grotendeels afspeelt
in de privésfeer van gezinnen en de opbrengsten vaak bestaan uit problemen die níet
escaleren, vraagt overheidsbetrokkenheid om voortdurende maatschappelijke en bestuurlijke
legitimering.
De legitimiteitsvraag raakt direct aan de autonomie van gezinnen. Gezinnen beschikken
over een eigen verantwoordelijkheid om invulling te geven aan de opvoeding van hun
kinderen. Klassiek liberalisme, zoals verwoord door Mill (1859), plaatst privérelaties
binnen de persoonlijke levenssfeer en legitimeert overheidsingrijpen slechts in beperkte
zin.77 De initiatiefnemer beschouwt het gezin als fundamenteel weefsel voor een sterke samenleving,
waarbij de primaire verantwoordelijkheid voor gezinsleven en opvoeding bij ouders
en de gemeenschap ligt en niet bij de overheid.78 Deze terughoudendheid betekent echter niet dat de overheid geen verantwoordelijkheid
draagt. Relationele escalatie en gezinsproblematiek blijven immers niet beperkt tot
de privésfeer. Zoals in hoofdstuk 2 beschreven werken problemen binnen gezinnen door
naar het welzijn van kinderen, het beroep op publieke voorzieningen zoals jeugdhulp,
jeugdbescherming en rechtspraak. Niet omdat de overheid beter zou weten hoe gezinnen
moeten leven, maar omdat zij de verantwoordelijkheid heeft om voorwaarden te scheppen
waardoor gezinnen hun eigen verantwoordelijkheid beter kunnen dragen. Vroegtijdige
ondersteuning kan vanuit dit perspectief worden gezien als een vorm van faciliterend
of zacht paternalisme, waarbij ondersteuning vrijwillig, laagdrempelig en ondersteunend
wordt aangeboden zonder de autonomie van gezinnen weg te nemen.79
Legitimiteit is een onmisbare pijler in de creatie van publieke waarde.80 Beleid wordt duurzaam gelegitimeerd wanneer het niet alleen als wenselijk of passend
wordt gezien, maar ook aantoonbaar bijdraagt aan maatschappelijk relevante uitkomsten.81Hoewel verschillende praktijkvoorbeelden het belang van effectmetingen en impactmonitoring
benadrukken, is legitimering uitsluitend op basis van mogelijke kostenbesparing is
te smal. Preventief gezinsbeleid ontleent zijn legitimiteit niet alleen aan een mogelijke
vermindering van dure specialistische zorg, maar ook aan de bredere maatschappelijke
waarde die het oplevert voor het dagelijks leven van gezinnen, jongeren en kinderen.82 Juist omdat deze maatschappelijke meerwaarde niet altijd direct zichtbaar is, vraagt
zij om een vorm van verantwoording die inzichtelijk maakt welke publieke waarde wordt
gerealiseerd en hoe deze tot stand komt. Verantwoording is daarmee niet alleen een
instrument van controle, maar ook een middel om de legitimiteit van preventief gezinsbeleid
duurzaam te versterken en te behouden.
In de praktijk blijkt dat deze maatschappelijke waarde al zichtbaar kan worden gemaakt.
Initiatieven als Samen Oplopen, Eigen Kracht Centrale en Buurtgezinnen zijn bewezen
effectief. Deze organisaties kijken niet uitsluitend naar aantallen deelnemers of
trajecten, maar besteden ook aandacht aan ervaren steun, versterking van sociale netwerken,
zelfredzaamheid, eigen regie en de kwaliteit van relaties. Hiermee wordt zichtbaar
in hoeverre ondersteuning daadwerkelijk bijdraagt aan het versterken van gezinnen
en gemeenschappen. Een landelijke aanpak vraagt daarom niet primair om meer controle,
maar om een vorm van verantwoording die leren, verbeteren en legitimeren met elkaar
verbindt. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van informatie over bereik, ervaren steun,
netwerkversterking, zelfredzaamheid, relatiekwaliteit en het gebruik van aanvullende
hulpvoorzieningen. Deze indicatoren sluiten beter aan bij de doelstellingen van preventief
gezinsbeleid dan uitsluitend outputgegevens, omdat preventieve effecten zich vaak
pas op langere termijn manifesteren.83
Een landelijke visie op gezinsbeleid vraagt daarom om een meer systematische manier
van leren, evalueren en verantwoorden. Praktijkervaringen laten zien dat preventieve
gezinsondersteuning sterker wordt gelegitimeerd wanneer deze structureel wordt opgenomen
in reguliere planning- en-controlcycli. Juist door te werken met expliciete doelen,
periodieke reflectie en openbare terugkoppeling ontstaat niet alleen beter inzicht
in de maatschappelijke waarde van preventie, maar ook een vorm van betekenisvolle
verantwoording waarin democratische toetsbaarheid, bestuurlijk leervermogen en maatschappelijke
legitimiteit samenkomen.84 Daarmee wordt legitimiteit niet uitsluitend achteraf verdedigd, maar institutioneel
opgebouwd. Zo worden de randvoorwaarden gecreëerd waaronder de overheid gezinnen en
gemeenschappen kan ondersteunen zonder hun eigen verantwoordelijkheid over te nemen.
Beslispunten:
15. In samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties ontwikkelt het kabinet
een kader waarmee de maatschappelijke waarde van preventieve en informele gezins-
en relatieondersteuning inzichtelijk wordt gemaakt, zodat legitimiteit niet uitsluitend
wordt geborgd door kostenbesparing of normatieve overtuigingen.
16. Het is belangrijk om het sterk gestegen aandeel jongeren dat professionele hulp gebruikt
weer fors terug te dringen. Het kabinet stelt streefcijfers op en voert aan de hand
daarvan periodiek kwalitatieve gesprekken met gemeenten en maatschappelijke organisaties
om de ontwikkeling van de jeugdzorg te monitoren en waar nodig bij te sturen.
17. Het kabinet gaat in navolging van gemeenten actief aandacht besteden aan het ondersteunen
van de relatie van ouders. In dat kader wordt een proef uitgevoerd om relatieondersteuning
vanuit de zorgverzekering vorm te geven.
5. Overzicht van beslispunten
De initiatiefnemer stelt de volgende concrete beslispunten voor:
1. Het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet kan niet volstaan met het vermelden van de infrastructuur
voor informele steun, maar moet meer richting geven. In ieder geval dient als norm
te gelden dat de gemeente in beginsel eerst de mogelijkheden van informele steun in
beeld heeft gebracht alvorens professionele hulp in te zetten.
2. Het kabinet stelt samen met de VNG een handreiking op om de informele ondersteuning
en professionele hulpverlening verder te versterken, zodat informele steun de structurele
basis van preventief gezinsbeleid wordt waaruit kan worden opgeschaald naar professionele
hulpverlening.
3. De Jeugdwet moet de verplichting voor gemeenten bevatten om jeugdigen en hun ouders
voorafgaand aan het inzetten van professionele uitdrukkelijk te informeren over het
recht om een familiegroepsplan op te stellen. Het familiegroepsplan staat onder regie
van organisaties over informele steun.
4. Aanbod op groepsniveau dat de relatie van ouders met (jonge) kinderen ondersteunt,
dient in elke gemeente beschikbaar te zijn als basisaanbod zonder indicatie.
5. Vroegtijdige gezinsondersteuning wordt via landelijke regels expliciet verankerd binnen
lokale teams, zodat gezinnen beschikken over een herkenbaar en laagdrempelig aanspreekpunt
voor ondersteuning, signalering en doorverwijzing.
6. Het kabinet stimuleert dat lokale teams structureel samenwerken met maatschappelijke
organisaties, vrijwilligersinitiatieven, scholen, kerken en andere lokale verbanden,
zodat formele en informele ondersteuning beter op elkaar aansluiten.
7. Het kabinet waarborgt dat regionale samenwerking binnen het sociaal domein ondersteunend
blijft aan lokale uitvoering en primair wordt ingezet voor specialistische voorzieningen,
kennisdeling en inkoop van complexe zorg.
8. Het kabinet bevordert dat vroegtijdige gezinsondersteuning wordt vormgegeven vanuit
de uitgangspunten van normaliseren, ontzorgen en de-medicaliseren, zodat gewone opvoed-
en gezinsvragen niet onnodig binnen specialistische zorgtrajecten terechtkomen.
9. De Jeugdwet wordt zodanig gewijzigd dat het familiegroepsplan expliciet wordt vormgegeven
als een plan van het gezin en diens sociale netwerk, waarbij de regie in beginsel
bij de familie ligt. Professionele ondersteuning wordt daarbij aanvullend ingezet
wanneer de mogelijkheden van het gezin, het sociale netwerk en de sociale basis ontoereikend
blijken.
10. Het kabinet verkent een herkenbaar en betrouwbaar digitaal loket waarin ouders toegang
krijgen tot gevalideerde opvoed- en gezinsinformatie en passende ondersteuningsmogelijkheden,
zodat zij minder afhankelijk worden van onbewezen adviezen via sociale media of generatieve
AI.
11. In samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties ontwikkelt het kabinet
een meerjarige financieringsstrategie voor preventieve gezins- en relatieondersteuning,
zodat bewezen effectieve initiatieven niet langer afhankelijk zijn van tijdelijke
subsidies, projectfinanciering of incidentele (lokale) middelen.
12. De Jeugdwet dient te bepalen dat gemeenten meerjarige financiering bieden aan organisaties
voor informele steun.
13. Het kabinet ontwikkelt een handreiking voor gemeenten om de inzet van middelen te
verschuiven van curatieve jeugdzorg naar preventieve gezins- en relatieondersteuning,
zonder afbreuk te doen aan de gemeentelijke beleidsvrijheid en lokale uitvoering.
14. Gemeentes nemen preventieve gezinsondersteuning structureel op in hun reguliere planning-
en controlcyclus, zodat legitimiteit en verantwoording geborgd zijn in meerjarig beleid.
15. In samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties ontwikkelt het kabinet
een kader waarmee de maatschappelijke waarde van preventieve en informele gezins-
en relatieondersteuning inzichtelijk wordt gemaakt, zodat legitimiteit niet uitsluitend
wordt geborgd door kostenbesparing of normatieve overtuigingen.
16. Het is belangrijk om het sterk gestegen aandeel jongeren dat professionele hulp gebruikt
weer fors terug te dringen. Het kabinet stelt streefcijfers op en voert aan de hand
daarvan periodiek kwalitatieve gesprekken met gemeenten en maatschappelijke organisaties
om de ontwikkeling van de jeugdzorg te monitoren en waar nodig bij te sturen.
17. Het kabinet gaat in navolging van gemeenten actief aandacht besteden aan het ondersteunen
van de relatie van ouders. In dat kader wordt een proef uitgevoerd om relatieondersteuning
vanuit de zorgverzekering vorm te geven.
6. Financiële verantwoording
De financiële gevolgen van deze initiatiefnota zijn afhankelijk van de wijze waarop
de voorgestelde maatregelen worden uitgewerkt. De initiatiefnemer stelt geen grootschalige
uitbreiding van het jeugdstelsel voor, maar beoogt een verschuiving van de nadruk
op curatieve ondersteuning naar vroegtijdige en preventieve ondersteuning van gezinnen.
De verwachting is dat investeringen in preventieve gezinsondersteuning op termijn
kunnen bijdragen aan het voorkomen van zwaardere vormen van hulpverlening en daarmee
druk op publieke voorzieningen kunnen verminderen. Tegelijkertijd geldt dat preventieve
investeringen vaak vooraf plaatsvinden, terwijl mogelijke maatschappelijke en financiële
opbrengsten zich pas op langere termijn manifesteren.
Stoffer
Ondertekenaars
Chris Stoffer, Tweede Kamerlid