Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 964 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave
ALGEMEEN
2
§ 1. Inleiding
2
§ 2. Inhoud richtlijn
2
2.1 Inleiding en achtergrond IRRD
2
2.2 Minimumharmonisatie
4
2.3 Afwikkelingsautoriteit
4
2.4 Herstelplanning en voorbereiding van afwikkeling
4
2.5 Afwikkelingsinstrumentarium
5
2.6 Technische standaarden EIOPA
7
§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
7
3.1 Wijze van implementatie
7
3.2 Hoofdlijnen implementatiewetsvoorstel
9
§ 4. Verhouding tot hoger Europees recht
22
§ 5. Verhouding tot nationaal recht
22
§ 6. Gevolgen
23
§ 7. Uitvoering
27
§ 8. Toezicht en handhaving
31
§ 9. Advies en consultatie
31
§ 10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
35
ARTIKELSGEWIJS
36
Bijlage. Transponeringstabel
87
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
Het voorliggende wetsvoorstel strekt tot implementatie van de richtlijn herstel en
afwikkeling van verzekeraars (Insurance recovery and resolution directive, hierna: «IRRD»).1 Deze richtlijn bevat een kader voor het herstel en afwikkelen van verzekeraars en
herverzekeraars die zich in een noodlijdende situatie bevinden, bijna falen of falen.
De IRRD dient op 29 januari 2027 in nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd
en de bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op 30 januari 2027. Naast
dit wetsvoorstel zal met een algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling
worden voorzien in de implementatie van de IRRD. Het voorliggende wetsvoorstel en
bijbehorende toelichting zijn in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid opgesteld.
In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de totstandkoming en inhoud van de richtlijn,
waarna in paragraaf 3 de samenhang met het bestaande nationale raamwerk, de hoofdlijnen
van dit wetsvoorstel en de wijze van implementatie worden beschreven. In paragraaf
4 wordt aandacht besteed aan de verhouding tot Unierecht en in paragraaf 5 de verhouding
tot overig nationaal recht. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel,
met uitzondering van de financiële gevolgen. Paragraaf 7 betreft de uitvoering van
het kader en het toezicht door De Nederlandsche Bank (hierna: «DNB») als nationale
afwikkelingsautoriteit maar ook in haar rol als toezichthoudende autoriteit. Paragraaf
6 betreft de gevolgen van het wetsvoorstel en daarin wordt ook stilgestaan bij de
regeldrukeffecten. Paragraaf 7 en 8 zien op de uitvoeringstoetsen met betrekking tot
dit wetsvoorstel en op toezicht en handhaving. Paragraaf 9 bespreekt de openbare consultatie
en opvolging daarvan. In paragraaf 10 wordt ingegaan op het overgangsrecht en de inwerkingtreding.
Na het algemene deel van deze toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen.
Aan het slot van deze toelichting is een transponeringstabel opgenomen.
§ 2. Inhoud richtlijn
2.1 Inleiding en achtergrond IRRD
Als verzekeringsondernemingen in financiële problemen verkeren of omvallen, dan kan
dit een aanzienlijke impact hebben op de economie en het maatschappelijk welzijn in
de lidstaten van de Europese Unie. Na de financiële crisis van 2008, waarin kwetsbaarheden
van de financiële sector en de risico’s van onderlinge verwevenheid zijn gebleken,
zijn er regels opgesteld om het financiële stelsel in de EU en de weerbaarheid van
verzekeringsondernemingen te versterken. Hoewel verzekeraars onder toezicht staan
en de richtlijn solvabiliteit II2 het risico op falen van een verzekeraar heeft verminderd, kan de mogelijkheid dat
zich financiële problemen voordoen niet volledig worden uitgesloten. Polishouders
en andere begunstigden onder verzekeringscontracten hebben dan baat bij kordaat en
effectief optreden van de verzekeraar zelf en de betrokken autoriteiten, om eventuele
schade zoveel mogelijk te beperken. Continuïteit van een verzekeringsonderneming en haar activiteiten kan in gevallen de voorkeur
hebben, bijvoorbeeld als de falende verzekeraar een kritieke functie vervult binnen
het financiële stelsel in een lidstaat en de financiële stabiliteit in het geding
komt als de verzekeringsonderneming failliet zou worden verklaard. Het is daarom belangrijk
dat er adequate instrumenten beschikbaar zijn om falen te voorkomen of de negatieve
gevolgen van falen te beperken en de continuïteit van bepaalde functies te waarborgen.
De Europese wetgevers hebben het waarborgen van een doeltreffende afwikkeling van
falende verzekeringsondernemingen gezien als een belangrijk onderdeel van de voltooiing
van de interne markt en de bescherming van de reële economie en financiële stabiliteit
van de markten waarop die verzekeringsondernemingen actief zijn. Veel verzekeraars
beperken hun activiteiten niet tot één lidstaat, zeker niet in deze tijd waarin veel
verzekeringsproducten online worden verstrekt. Het ontbrak binnen de EU aan gemeenschappelijke
voorwaarden, bevoegdheden en procedures voor het herstel en de afwikkeling van verzekeringsondernemingen.3 Dat kan een belemmering vormen voor het soepele functioneren van de interne markt
en voor de samenwerking tussen nationale autoriteiten bij het omgaan met in financiële
moeilijkheden verkerende of falende grensoverschrijdende groepen van (verzekerings)ondernemingen. Dat geldt in het bijzonder in gevallen waarin nationale autoriteiten
als gevolg van verschillende manieren van aanpak niet over dezelfde mate van controle
of dezelfde mogelijkheden beschikken om ondernemingen af te wikkelen. Deze verschillen
in herstel- en afwikkelingsregelingen kunnen ook van invloed zijn op het gelijke speelveld
voor polishouderbescherming. Een geharmoniseerd kader voor een gecoördineerde afwikkeling
van deze verzekeringsondernemingen zorgt ervoor dat de verschillen in polishouderbescherming,
instrumentarium en procedures per lidstaat kleiner worden.
Het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars volgt op een reeds bestaand
Europees herstel- en afwikkelkader voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen.
Met invoering van de regels uit de IRRD zullen zowel de verzekeringsafwikkelingsautoriteiten
als de bankenafwikkelingsautoriteiten elk over een eigen afwikkelingskader beschikken
dat is aangepast aan de specifieke kenmerken van de verzekeringssector respectievelijk
de bankensector, hoewel beide kaders – waar opportuun – ook vergelijkbare regels en
procedures kennen. Voor centrale tegenpartijen bestaat ook een dergelijk Europees
resolutie raamwerk. Afwikkelingen in een verzekeringscontext enerzijds en die in een
bancaire context anderzijds zullen naar verwachting veelal een verschillend tijdsverloop
en daarmee andere dynamiek kennen. Bij banken moeten de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
en de nationale bankenafwikkelingsautoriteiten doorgaans snel optreden om een bankrun
te voorkomen. Bij de afwikkeling van verzekeraars hebben de autoriteiten vaak meer
tijd om naar de juiste oplossingen te zoeken die het gunstigst zijn voor verzekeringnemers
en gezamenlijke schuldeisers. Een met een bankrun vergelijkbare gebeurtenis is minder
waarschijnlijk in de verzekeringssector door de aard van het verzekeringsbedrijf en
de verzekeringsproducten, maar kan evenmin op voorhand uitgesloten worden. Omdat er
ook financiële conglomeraten bestaan waar verzekeringsondernemingen en banken deel
van uitmaken, is het van belang dat er ook processen voor effectieve informatie-uitwisseling
bestaan tussen de verschillende toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten. Daarin
voorziet de IRRD.
2.2 Minimumharmonisatie
De IRRD biedt een minimaal geharmoniseerd wettelijk kader voor het herstel en de afwikkeling
van verzekeraars voor de gehele Unie. Dit betekent dat lidstaten regels mogen vaststellen
of handhaven die aanvullend zijn aan de regels zoals vastgesteld in de richtlijn,
indien deze regels van algemene strekking zijn en niet in strijd zijn met de richtlijn.4 Daarnaast biedt de richtlijn ook ruimte voor lidstaten om op concrete punten door
de richtlijn gegeven optionele regels te implementeren, zie hiervoor paragraaf 3.2.6.
2.3 Afwikkelingsautoriteit
Ter uitvoering en handhaving van het wettelijk kader vereist de richtlijn dat de lidstaten
een nationale afwikkelingsautoriteit aanwijzen. Het merendeel van de bepalingen uit
de richtlijn is erop gericht om de afwikkelingsautoriteit te voorzien van wettelijke
taken, instrumenten en bevoegdheden op basis waarvan zij op doeltreffende wijze kan
ingrijpen bij een falende verzekeringsonderneming en herstel(planning) door de verzekeringsonderneming
zelf kan bevorderen. Als gevolg van een gemeenschappelijk Europees kader en gegeven
de grensoverschrijdende aard van het bedrijf van sommige verzekeraars, regelt de IRRD
ook de samenwerking tussen verschillende betrokken toezichthoudende autoriteiten en
afwikkelingsautoriteiten, bijvoorbeeld door de introductie van zogeheten afwikkelingscolleges.
2.4 Herstelplanning en voorbereiding van afwikkeling
De IRRD beoogt een adequate mate van paraatheid voor crisissituaties te verzorgen.
Daarbij geldt dat de geschiktheid en doeltreffendheid van het herstel- en afwikkelingskader
moeten worden gewaarborgd en tegelijkertijd onnodige administratieve lasten en kosten
voor ondernemingen en autoriteiten moeten worden vermeden. De uitvoering van het door
de IRRD geboden herstel- en afwikkelingskader moet in verhouding staan tot de aard,
de omvang en de complexiteit van de betrokken onderneming en haar activiteiten en
diensten. Daarom voorziet de IRRD in een risicogebaseerde reikwijdte van herstel-
en afwikkelingsplanning. Doordat de IRRD grensoverschrijdende samenwerking vereist,
moeten nationale toezichthouders in het kader van herstel- en afwikkelingsplanning
ook met afwikkelingsautoriteiten uit andere lidstaten en soms uit derde landen samenwerken
bij het beoordelen van voorbereidende crisisplannen en de afwikkelingsplanning.
Een voorbereidend crisisplan5 (hierna: «VCP») is een plan dat wordt opgesteld door de verzekeringsonderneming en
dat moet worden ingediend bij de toezichthoudende autoriteit. In dit plan worden maatregelen
omschreven die de verzekeringsonderneming kan nemen om haar (financiële) positie te
verbeteren indien deze verslechtert of snel dreigt te verslechteren. Daarnaast stelt
de nationale afwikkelingsautoriteit in het kader van haar afwikkelingsplanning afwikkelingsplannen
voor een selectie van verzekeringsondernemingen op. Een afwikkelingsplan beschrijft
onder meer welke afwikkelingsmaatregelen genomen kunnen worden in een afwikkelingsscenario.
Op basis van een aantal criteria bepaalt de nationale toezichthouder welke verzekeringsondernemingen
een VCP moeten opstellen om voorbereid te zijn op verslechtering van de financiële
positie of andere tegenslagen. De afwikkelingsautoriteit stelt afwikkelingsplannen
op voor ondernemingen die zij selecteert op basis van de waarschijnlijkheid dat de
toepassing van een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang zou zijn, in geval
van falen van de betreffende onderneming, of voor ondernemingen waarvan zij oordeelt
dat deze een kritieke functie vervullen. De afwikkelingsautoriteit houdt hierbij rekening
met de noodzaak om afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en met de omvang,
het bedrijfsmodel, het risicoprofiel, de verwevenheid, de vervangbaarheid en met name
de grensoverschrijdende activiteiten van de betreffende verzekeringsonderneming. Zowel
met betrekking tot VCPs als afwikkelingsplanning kunnen de autoriteiten ook vereenvoudigde
verplichtingen toepassen op een onderneming. Daarnaast zijn kleine, niet-complexe
ondernemingen uitgezonderd van de verplichting om een VCP op te stellen en worden
zij ook niet onderworpen aan afwikkelingsplanning door de afwikkelingsautoriteit,
tenzij de toezichthouder of afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de onderneming
een bijzonder risico vormt. Tot slot moet een onderneming die door de afwikkelingsautoriteit
is onderworpen aan afwikkelingsplanning in ieder geval altijd een VCP opstellen. Om
te anticiperen op de mogelijke interactie tussen afwikkelingsmaatregelen en het belang
van andere ondernemingen in de groep dan alleen verzekeraars en om de crisisparaatheid
en de afwikkelbaarheid van groepen te verbeteren, voorziet de IRRD ook in herstel-
en afwikkelingsplanning voor bepaalde groepen.
Onderdeel van de voorbereiding van afwikkeling is het op voorhand beoordelen van de
afwikkelbaarheid van verzekeraars en groepen, het in kaart brengen van wezenlijke
belemmeringen daarvoor en het (laten) wegnemen van die belemmeringen.
2.5 Afwikkelingsinstrumentarium
Indien een verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen, het redelijkerwijs niet
valt te verwachten dat er alternatieve maatregelen zijn die het falen binnen een redelijk
tijdsbestek kunnen voorkomen en indien afwikkeling in het algemeen belang is, dan
kan de verzekeraar in afwikkeling worden genomen. Afwikkeling wordt geacht in het
algemeen belang te zijn indien het nodig is om één of meer afwikkelingsdoelstellingen
te bereiken. De afwikkelingsdoelstellingen geformuleerd in IRRD zijn: a) de bescherming
van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen;
b) de instandhouding van financiële stabiliteit, met name door voorkoming van besmetting
en handhaving van de tucht van de markt; c) de waarborging van de continuïteit van
kritieke functies; d) de bescherming van overheidsmiddelen door het beroep op buitengewone
openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken. Er wordt alleen voor afwikkeling
gekozen indien deze doelstellingen niet via de weg van de nationale insolventieprocedure
kunnen worden bereikt. Bij afwikkeling gelden onder de IRRD verschillende beginselen
en waarborgen die in acht moeten worden genomen, zoals het «no creditor worse off»-beginsel (hierna: «NCWO-beginsel»), dat inhoudt dat aandeelhouders en schuldeisers,
inclusief polishouders, als gevolg van afwikkeling door de afwikkelingsautoriteit
niet slechter af mogen zijn dan zij zouden geweest wanneer de onderneming in faillissement
zou zijn afgewikkeld.
Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat afwikkeling van een verzekeringsonderneming
in het algemeen belang is, dan kan zij deze onderneming in afwikkeling nemen en verschillende
instrumenten en bevoegdheden inzetten om een ordentelijke afwikkeling te bewerkstelligen
en de nadelige gevolgen van het (dreigende) falen van de onderneming te beperken.
De IRRD bevat vijf afwikkelingsinstrumenten: (i) het instrument van solvabele run-off;
(ii) het instrument van overgang van de onderneming; (iii) het instrument van de overbruggingsonderneming;
(iv) het instrument van afsplitsing van activa en passiva; en (v) het afschrijvings-
of omzettingsinstrument (hierna ook wel bail-in genoemd). Afwikkelingsautoriteiten
mogen de afwikkelingsinstrumenten ofwel afzonderlijk, ofwel in combinatie toepassen,
met uitzondering van het instrument van afsplitsing van activa en passiva, dat alleen
in combinatie met een ander afwikkelingsinstrument wordt toegepast. Het instrumentarium
onder de IRRD en onder de richtlijn herstel en afwikkeling van banken6 (hierna: «BRRD») vertoont veel overlap, maar de IRRD kent als aanvullend instrument
de solvabele run-off. Wanneer de afwikkelingsautoriteit afwikkelingsmaatregelen treft,
verlangt de IRRD dat zij in beginsel rekening houdt met en gevolg geeft aan de in
de afwikkelingsplannen opgenomen maatregelen. In het geval van afwikkeling van een
groep met grensoverschrijdende activiteiten moet bij alle afwikkelingsmaatregelen
rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen ervan voor de verzekeringnemers,
de reële economie en de financiële stabiliteit in de lidstaten waar de groep actief
is.
Ter bescherming van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers bevat de IRRD verplichtingen
betreffende de waardering van de activa en de passiva van de entiteit in afwikkeling,
die zowel voorafgaand aan de toepassing van afwikkelingsmaatregelen, als na afloop
wordt verricht (zie artikelen 23 tot en met 25 en 56 IRRD). Indien achteraf uit de
waardering blijkt dat aandeelhouders en schuldeisers meer schade hebben geleden dan
zij zouden hebben geleden in het geval dat de onderneming in faillissement zou zijn
afgewikkeld, dan dienen deze schuldeisers daarvoor gecompenseerd te worden door middel
van een financieringsregeling (zie artikelen 55, 57 en 81 IRRD).
Om een doeltreffende uitvoering van de afwikkeling te garanderen, bepaalt de IRRD
dat de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten beschikken over bevoegdheden die,
in diverse combinaties, bij het inzetten van de afwikkelingsinstrumenten kunnen worden
uitgeoefend, waarbij zij niet worden gehinderd door statuten of andere wettelijke
voorschriften. Tot die bevoegdheden behoren bijvoorbeeld de bevoegdheid om aandelen,
activa, rechten of passiva van een verzekeraar over te laten gaan op een andere entiteit
(zoals een private partij als verkrijger of een overbruggingsinstelling), de bevoegdheid
om aandelen van een falende verzekeraar af te schrijven of in te trekken of passiva
van een falende verzekeraar af te schrijven of om te zetten, de bevoegdheid om het
bestuur te vervangen of een bijzondere bestuurder te benoemen, de bevoegdheid de zeggenschap
van een onderneming in afwikkeling over te nemen en de bevoegdheid om de betaling
van schuldvorderingen tijdelijk op te schorten. Daarbij vereist de IRRD aanvullende
bevoegdheden, zoals de bevoegdheid om van andere onderdelen van de groep te eisen
dat zij de verlening van essentiële diensten voortzetten.
Door middel van harmonisatie beoogt de IRRD ervoor te zorgen dat afwikkelingsautoriteiten
van verschillende lidstaten ten minste over een aantal dezelfde afwikkelingsinstrumenten
en -bevoegdheden beschikken. Daarmee wordt gecoördineerd optreden bij het falen van
een grensoverschrijdende groep gemakkelijker gemaakt. Om de samenwerking te bevorderen,
gefragmenteerde nationale reacties te voorkomen en bij de afwikkeling van groepsentiteiten
overeenstemming over een groepsafwikkelingsregeling te bereiken, verlangt de IRRD
dat afwikkelingsautoriteiten worden verplicht elkaar te raadplegen en samen te werken
in afwikkelingscolleges.
2.6 Technische standaarden EIOPA
De IRRD geeft de European Insurance and Occupational Pensions Authority (hierna: «EIOPA») de bevoegdheid om technische normen te ontwikkelen, die vervolgens
door de Europese Commissie in gedelegeerde handelingen kunnen worden vastgesteld (ex
artikel 290 VWEU). Deze vaststelling vindt plaats door middel van Europese verordeningen
die niet geïmplementeerd hoeven te worden, maar rechtstreekse werking hebben. Deze
bevoegdheid ziet op de volgende onderwerpen: nadere specificaties van de informatie
die in VCPs moet worden opgenomen (artikel 5, twaalfde lid); specificatie van de inhoud
van (groeps)afwikkelingsplannen (artikel 9, achtste lid, en artikel 10, zesde lid);
specificatie van de aangelegenheden en criteria voor de beoordeling van de afwikkelbaarheid
(artikel 13, vijfde lid); specificatie van de methodieken van verschillende waarderingselementen,
te weten marktwaardewaarderingen (artikel 24, zesde lid, en artikel 25, vierde lid)
en NCWO-waarderingen (artikel 56, vierde lid) bij afwikkeling; specificatie van de
inhoud van contractuele bepalingen die krachtens het voorstel moeten worden opgenomen
in financiële overeenkomsten die onder het recht van een derde land vallen (artikel
52, vijfde lid); en specificatie van de operationele werking van afwikkelingscolleges
voor de uitvoering van de taken die in het voorstel aan afwikkelingscolleges zijn
toebedeeld (artikel 70, zevende lid).
Hiernaast kunnen in EIOPA-verband richtsnoeren worden opgesteld die niet bindend zijn,
maar meer context en richting geven aan sommige verplichtingen die volgen uit de IRRD.
§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
3.1 Wijze van implementatie
Op 1 januari 2019 trad in Nederland de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars7 (hierna: «Whav») in werking. Deze wet introduceerde een nieuw nationaal herstel-
en afwikkelingskader voor verzekeraars, dat geïnspireerd was op – maar niet gelijk
was aan – het kader volgend uit de BRRD. Het kader is met de Whav opgenomen in de
Wet op het financieel toezicht (hierna: «Wft») en de Faillissementswet en verder uitgewerkt
in het Besluit prudentiële regels Wft (hierna: «Bpr») en het Besluit bijzondere prudentiële
maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (hierna: «Bbpm»).
Onder het bestaande Nederlandse kader treedt DNB op als nationale afwikkelingsautoriteit
voor verzekeraars. Ten behoeve van die taak heeft zij binnen de divisie Resolutie
aangewezen personen die zich bezig houden met afwikkelingsplanning voor verzekeraars
en afwikkelingsvoorbereiding. Verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars
met beperkte risico-omvang, zijn onder het huidige kader in beginsel verplicht om
een VCP op te stellen, dat door de toezichthouder wordt bekeken. DNB onderwerpt verzekeraars
waarvan zij verwacht dat afwikkeling in resolutie (in plaats van faillissement) in
het algemeen belang is aan afwikkelingsplanning. Indien een verzekeraar faalt of dreigt
te falen, dan toetst DNB (opnieuw) of daadwerkelijk voldaan wordt aan de voorwaarden
voor afwikkeling. Zo ja, dan kan zij de verzekeraar en, onder voorwaarden, een of
meer bepaalde groepsentiteiten in afwikkeling nemen in plaats van het faillissement
aan te vragen bij de rechtbank, en één of meer afwikkelingsmaatregelen nemen. De vier
afwikkelingsinstrumenten in het huidige kader zijn: het instrument van bail-in (artikel
3A:93), het instrument van overgang van de onderneming (artikel 3A:104), het instrument
van de overbruggingsinstelling (artikel 3A:112); en het instrument van afsplitsing
van activa en passiva (artikel 3A:117). Daarnaast gelden verschillende aanvullende
bevoegdheden om een ordentelijke afwikkeling mogelijk te maken, zoals het wijzigen
van lopende contracten of vervanging van het bestuur van de onderneming. Gezien de
verstrekkende bevoegdheden in een afwikkelingsregime, zijn enkele waarborgen ingebouwd
in het regime, bijvoorbeeld het NCWO-beginsel. Voor verdere achtergrond en inhoudelijke
toelichting bij het bestaande nationale kader, wordt verwezen naar de memorie van
toelichting bij de Whav.8
Het bestaande nationale kader komt in grote mate overeen met hetgeen is opgenomen
in de IRRD. De richtlijn onderkent, net als het bestaande nationale kader, het belang
van een ordentelijke afwikkeling van verzekeraars, gericht op continuering van de
verzekeringsportefeuille. De regels omtrent het opstellen van een VCP, het nemen van
herstelmaatregelen, het opstellen van afwikkelingsplannen, de toepassing van het afwikkelingsinstrumentarium
zijn grotendeels gelijk of vergelijkbaar aan het huidige nationale kader. Op een aantal
onderdelen wijkt de IRRD daarvan af, waaronder een andere reikwijdte van de verplichting
tot het opstellen van VCPs en afwikkelingsplannen, een lagere drempel voor het toepassen
van resolutie en een aanvullend afwikkelingsinstrument.
Met de IRRD wordt het bestaande nationale kader daarom aangevuld en, waar nodig, aangepast.
Het aantal fundamentele wijzigingen is echter beperkt, aangezien de structuur van
de IRRD en het nationale kader in grote mate overeenkomt. De IRRD leidt niet tot een
integrale vervanging van het bestaande kader in de Wft. De belangrijkste wijzigingen
aan het bestaande kader worden in paragraaf 3.2 uitgelicht. Bij de implementatie van
de IRRD wordt aansluiting gezocht bij de huidige opbouw van de Wft en uitwerking in
gedelegeerde regelgeving. Implementatie van de IRRD leidt daarmee ook tot aanpassing
van het Bpr, het Bbpm en de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking
financiële toezichthouders Wft (hierna: «Rtt Wft»). Verder bevat dit wetsvoorstel
enkele aanpassingen aan de Faillissementswet en de Bankwet 1998, die nodig zijn om
de kaders goed op elkaar af te stemmen.
Dit wetsvoorstel beoogt een lastenluwe implementatie van de IRRD. Waar mogelijk en
opportuun zal het bestaande nationale kader in stand worden gelaten. Daarmee zullen
de praktische en financiële gevolgen van de implementatie voor de sector naar verwachting
beperkt zijn (zie ook paragraaf 5).
Met dit wetsvoorstel wordt, waar dat opportuun wordt geacht in het licht van consistentie
binnen de Wft en voor de uitvoering, aansluiting gezocht bij vergelijkbare bepalingen
in deel 3A.1 van de Wft, zoals ook wordt geactualiseerd met het voorstel voor de Wet
nadere uitvoering BRRD-implementatie (hierna: «Wet NUB»).9 Het hoofddoel van dit wetsvoorstel is echter de lastenluwe implementatie van de IRRD
in het bestaande kader van de Whav. Aansluiting bij het nationale kader in 3A.1 Wft
is geen doel op zich. Beide sectoren hebben immers hun eigen kenmerken, rollen en
historie. Daarom zal op punten het wettelijk raamwerk en de toelichting daarbij voor
banken en verzekeraars anders luiden.
3.2 Hoofdlijnen implementatiewetsvoorstel
Met het wetsvoorstel worden ter implementatie van de IRRD aanvullingen en aanpassingen
gedaan aan het bestaande kader. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zien op
de volgende onderwerpen:
– de kring van entiteiten die onderworpen worden aan de verplichtingen ten aanzien van
een VCP en de inhoudelijke voorschriften voor VCPs;
– de kring van entiteiten die onderworpen worden aan afwikkelingsplanning;
– aanpassing van de afwikkelingsdoelstellingen en algemeen-belang-toets;
– de toevoeging van een nieuw afwikkelingsinstrument: het instrument van de solvabele
run-off;
– grensoverschrijdende samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten,
waaronder in afwikkelingscolleges, ten aanzien van groepen en andere grensoverschrijdende
activiteiten;
– aanpassingen van de Faillissementswet.
3.2.1. Voorbereidende crisisplanning
De IRRD regelt de voorbereidende crisisplanning voor zowel individuele verzekeraars
als groepen. Voorbereidende crisisplanning is een bestaande verplichting voor verzekeraars(groepen)
op basis van de Whav en maakt samen met de door DNB uitgevoerde afwikkelingsplanning
onderdeel uit van de voorbereidende fase. Met de implementatie van de IRRD worden
in dit wetsvoorstel een aantal aanpassingen aan deze bestaande verplichtingen gedaan.
Dit geldt met name ten aanzien van de reikwijdte van de verplichtingen en de inhoud
van de verplichtingen van een VCP. Een VCP is een ander type plan dan een herstelplan10, dat voornamelijk ziet op het voldoen aan de kapitaalsvereisten.
De reikwijdte ten aanzien van de verplichting tot het opstellen van een VCP wordt
met name bepaald op basis van een door de IRRD voorgeschreven beoordeling door DNB.
Door de IRRD wordt ten eerste voorgeschreven dat voor zowel voorbereidende crisisplanning
door individuele verzekeraars als groepen, DNB op basis van zeven bepaalde criteria
beoordeelt welke partijen onder de reikwijdte van een van de verplichtingen vallen.
Daarbij moet DNB in ieder geval waarborgen dat de uitkomst van de beoordeling ertoe
leidt dat de partijen die een (groeps-)VCP op moeten stellen, gezamenlijk in ieder
geval 60% van de markt – gescheiden in leven en schade – vertegenwoordigen. Ten tweede
geldt dat kleine en niet-complexe ondernemingen – (zie de herziene richtlijn solvabiliteit
II) niet onder de reikwijdte vallen van deze verplichting, tenzij DNB beoordeelt dat
een dergelijke verzekeraar een bijzonder risico op nationaal of regionaal niveau vormt.
Verder zijn verzekeraars die DNB als afwikkelingsautoriteit onderwerpt aan afwikkelingsplanning
hoe dan ook verplicht om een VCP op te stellen. Ten slotte wordt geregeld dat indien
een verzekeraar al is meegenomen in de VCP van een groep, deze uitgezonderd is van
de verplichting tot het opstellen van een individueel VCP. Echter, indien DNB beoordeelt
dat in de VCP van een groep een in Nederland gevestigde dochteronderneming onvoldoende
is meegenomen en DNB dit gelet op het belang van die dochteronderneming in Nederland
nodig acht, kan DNB vragen of de VCP van de groep aangepast wordt. Indien dit niet
leidt tot verbetering, kan de dochteronderneming verplicht worden alsnog zelf een
VCP op te stellen.
De inhoudelijke verplichtingen die gelden ten aanzien van een VCP zijn via een verwijzing
naar de IRRD meegenomen. In de IRRD wordt verwezen naar het mandaat van EIOPA om richtsnoeren
en technische reguleringsnormen op te stellen voor zowel de verzekeraars, ten aanzien
waarvan een verplichting geldt, als voor de toezichthouder. Daarnaast is ten aanzien
van de inhoud van de verplichtingen geregeld dat DNB kan oordelen dat verzekeraars(-groepen)
de verplichtingen op vereenvoudigde wijze kunnen toepassen. Hierbij moet DNB rekening
houden met de criteria genoemd in de IRRD, zoals de aard van de bedrijfsactiviteiten,
de aandeelhoudersstructuur, de rechtsvorm, het risicoprofiel, de omvang en juridische
status.
Vanwege de veranderingen in reikwijdte van deze verplichting ten opzichte van de Whav,
is de verwachting dat het aantal verzekeraars dat een VCP moet opstellen, zal afnemen.
Verzekeraars die als gevolg hiervan buiten de reikwijdte vallen, mede naar aanleiding
van de risico-afweging van de toezichthouder, genieten een lastenverlichting, terwijl
zij nog steeds op basis van de richtlijn solvabiliteit II regels omtrent risicobeheer
moeten naleven. Hierdoor zal de Nederlandse verzekeringssector stabiel blijven en
het hoge niveau van polishouderbescherming gelijk blijven.
3.2.2. Reikwijdte afwikkelingsplanning
In de voorbereidingsfase geldt parallel aan de verplichting voor verzekeraars om een
VCP op te stellen, de verplichting voor DNB om afwikkelingsplannen op te stellen voor
verzekeraars en verzekeraarsgroepen. Het doel van een afwikkelingsplan is om tot een
doeltreffende afwikkeling te kunnen komen in een afwikkelingsscenario door van tevoren
(in het plan) onder andere te identificeren welke afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden
toegepast kunnen worden op de betreffende verzekeraar in verschillende relevante scenario’s,
om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook bevat het plan een beschrijving
van de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de verzekeraar of groep, eventuele
wezenlijke belemmeringen daarvoor en de benodigde maatregelen om die belemmeringen
weg te nemen.
De verplichting om voor bepaalde verzekeraars en verzekeraarsgroepen afwikkelingsplannen
op te stellen bestaat al op grond van de Whav (artikel 3A:81 Wft, zie hiervoor ook
de toelichting van de Whav11). Het uitgangspunt daarbij is dat DNB een afwikkelingsplan opstelt, maar dat zij
daarvan kan afzien indien, kort gezegd, voorzienbaar is dat afwikkeling ten aanzien
van die verzekeraar of groep niet in het algemeen belang zou zijn. Dat laatste kan
bijvoorbeeld het geval zijn als de omvang en activiteiten van een verzekeraar of groep
zodanig beperkt zijn dat voorzienbaar is dat een faillissement niet in strijd zou
zijn met het algemeen belang (i.e. de afwikkelingsdoelstellingen voldoende verwezenlijkt
zouden worden). Ook is mogelijk dat in een faillissement de resolutiedoelstellingen
weliswaar niet (voldoende) verwezenlijkt worden, maar dat voorzienbaar is dat om bepaalde
redenen resolutie niet tot een betere uitkomst zou leiden.
Onder de IRRD verandert deze systematiek. De selectie van verzekeraars waarvoor een
afwikkelingsplan wordt opgesteld moet DNB primair baseren op haar beoordeling van
(i) of het nemen van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van die verzekeraars meer
in het algemeen belang is dan voor andere verzekeraars die onder haar afwikkelingsbevoegdheid
vallen en (ii) of die verzekeraar een kritieke functie vervult, waarbij DNB rekening
houdt met de nadere criteria genoemd in artikel 9 IRRD. De afwikkelingsplanning door
DNB voor verzekeraars, die op grond van de eerder genoemde beoordeling wordt gemaakt,
behoort op basis van de IRRD ten minste 40% van de Nederlandse levensverzekerings-
en levensherverzekeringsmarkt en 40% van de Nederlandse schadeverzekerings- en schadeherverzekeringsmarkt
te vertegenwoordigen.
3.2.3. Aanpassing van de afwikkelingsdoelstellingen en algemeen-belang-toets
De afwikkelingsautoriteit kan een verzekeraar die faalt of dreigt te falen in afwikkeling
nemen indien aan de afwikkelingsvoorwaarden is voldaan. Eén van de drie voorwaarden
(onder het bestaande kader en onder de IRRD) is dat afwikkeling in het algemeen belang
is (zie artikel 3A:84 Wft). Onder het bestaande afwikkelingskader is afwikkeling in
het algemeen belang als dit noodzakelijk is om de in artikel 3A:84, onderdeel a, Wft
tezamen met onderdeel b, c of d van dat artikel, of een van de in onderdeel b, c,
of d van dat artikel vermelde doelstellingen te verwezenlijken en deze doelstellingen
niet in dezelfde mate verwezenlijkt zouden worden indien de verzekeraar in faillissement
zou worden geliquideerd. De afwikkelingsdoelstelling in onderdeel a betreft de bescherming
van de belangen van gerechtigden op vorderingen krachtens directe verzekering. Dat
is dus onder het huidige stelsel geen zelfstandige afwikkelingsdoelstelling, maar
een die alleen in combinatie met een andere afwikkelingsdoelstelling voldoende kan
zijn om aan de afwikkelingsvoorwaarde van algemeen belang te kunnen voldoen.
De afwikkelingsdoelstellingen geformuleerd in de IRRD vertonen veel overlap, maar
luiden op punten anders dan de huidige afwikkelingsdoelstellingen in de Wft. Onder
de IRRD is een van de afwikkelingsdoelstellingen het waarborgen van de continuïteit
van kritieke functies. Deze doelstelling als zodanig bestaat nog niet in de Wft en
wordt met de implementatie van de IRRD toegevoegd. Voor de definitie van kritieke
functies wordt aangesloten bij de definitie in de IRRD. Bij de lezing en toepassing
daarvan is het echter wel belangrijk dat de focus ligt op typische verzekeringsactiviteiten,
met bijzondere aandacht voor het belang van de continuïteit van verzekeringsdekking.12 Het waarborgen van kritieke functies gaat voornamelijk over de vervangbaarheid van
de verzekeringsovereenkomst op de markt. Vervangbaarheid kan beperkt zijn doordat
het een nichemarkt betreft, maar ook bij meer gangbare verzekeringsproducten kan vervangbaarheid
in het geding zijn omdat het voor groepen van polishouders onmogelijk of zeer kostbaar
kan zijn om een vervangende verzekering af te sluiten vanwege bijvoorbeeld veranderingen
in leeftijd of gezondheidssituatie. Beperkte vervangbaarheid kan daarbij significante
gevolgen hebben voor het financiële stelsel of de reële economie, bijvoorbeeld door
het effect op het sociale welzijn van een groot aantal verzekeringnemers, begunstigden
of benadeelden of door een systeemcrisis of verlies van het algemene vertrouwen in
het verrichten van verzekeringsdiensten. Andere rollen die verzekeraars in het stelsel
kunnen vervullen die ook door andere type financiële ondernemingen worden vervuld
(denk vooral aan het vervullen van de rol van institutionele belegger), moeten niet
te snel worden aangemerkt als kritieke functie, zodat deze afwikkelingsdoelstelling
niet disproportioneel breed wordt aangewend. Dat zou zich ook niet verhouden tot een
lastenluwe implementatie en interpretatie van de IRRD.
Daarnaast is één van de vier doelstellingen in de IRRD het waarborgen van de financiële
stabiliteit, met name door het voorkomen van besmetting en behoud van marktdiscipline.
Deze IRRD-doelstelling heeft overeenkomsten met het bestaande artikel 3A:84, eerste
lid, onderdeel c, maar ook een aantal verschillen. Meest opvallende verschil is dat
de IRRD, in afwijking van het bestaande artikel 3A:84, eerste lid, onderdeel c, niet
spreekt over het voorkomen van effecten op de reële economie. Opgemerkt wordt dat
dit inbegrepen is in de definitie van «kritieke functies» in de IRRD (zie artikel
2, onderdeel 25, IRRD). Daarom wordt voorgesteld om voor de nieuw voorgestelde formulering
van artikel 3A:84 middels een dynamische verwijzing direct aan te sluiten bij de tekst
van artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de IRRD. Andere elementen van de afwikkelingsdoelstellingen
in het huidige artikel 3A:84 komen terug in de IRRD-doelstellingen van polishouderbescherming
(zie ook hierna) en het waarborgen van de continuïteit van kritieke functies, zoals
eerder benoemd. Omwille van consistentie met de IRRD wordt daarom voorgesteld om «het
voorkomen van grote maatschappelijke gevolgen» niet als separate vijfde doelstelling
te behouden.
De kwantitatieve drempels die in de memorie van toelichting bij de Whav gegeven zijn
als vuistregel voor wanneer afwikkeling van een verzekeraar in de rede ligt (>1 miljoen
polishouders of > € 1 miljard aan technische voorzieningen)13, zijn in de context van de IRRD niet meer bepalend. De IRRD schrijft deze niet voor
in het kader van harmonisatie en een indicatieve kwantitatieve grens kan afhankelijk
van het tijdsgewricht variëren en doet niet altijd voldoende recht aan de omstandigheden
van het geval.
Een laatste verschil in de formulering van de doelstellingen dat relevant is om hier
te noemen, is dat de Wft voor de komst van de IRRD in doelstelling a omschrijft dat
het moet gaan om bescherming van belangen van gerechtigden op vorderingen krachtens directe verzekering. De formulering in de IRRD – waarnaar in het aangepaste artikel 3A:84 direct wordt
verwezen – spreekt van bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen. In praktijk wordt met de implementatie van de IRRD op dit punt geen inhoudelijke
koerswijziging beoogd. Overigens wordt in de memorie van toelichting ten behoeve van
de leesbaarheid deze groep aangeduid als «polishouders». Het ligt in de rede dat het
bij afwikkelingsdoelstellingen gaat om de bescherming van polishouders onder een directe
verzekering, en in mindere mate om bescherming onder een herverzekering. In de context
van herverzekeringen zijn andere afwikkelingsdoelstellingen relevanter en zou eerder
een andere doelstelling aan de orde zijn (bijvoorbeeld het waarborgen van de financiële
stabiliteit). Uiteraard kunnen herverzekeringen en herverzekeraars wel indirect van
belang zijn voor bescherming van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van
vorderingen onder een directe verzekering.
Verder bepaalt de IRRD dat de afwikkelingsdoelstellingen alle even relevant zijn,
en dat het gewicht dat de afwikkelingsautoriteiten eraan toekennen, recht moet doen
aan de aard en de omstandigheden van elke zaak. Dit heeft tot gevolg dat de huidige
systematiek komt te vervallen waarbij op grond van artikel 3A:85, derde lid, polishouderbescherming
op zichzelf onvoldoende is om afwikkeling te rechtvaardigen. Deze uitkomst is in lijn
met een van de aanbevelingen die de Evaluatiecommissie Conservatrix in haar rapport
uit 2022 doet.14 Een andere keuze zou niet conform de richtlijn zijn. Wel wordt opgemerkt dat uiteraard
nog steeds geldt dat de keuze voor afwikkeling noodzakelijk en evenredig moet zijn
in het licht van de afwikkelingsdoelstellingen. Daarnaast wordt opgemerkt dat de IRRD
spreekt over de «collectieve belangen van polishouders». Dit alles betekent dat polishouderbescherming
weliswaar een zelfstandige resolutiedoelstelling wordt, maar dit betekent niet dat
de beoordeling in een concreet geval ook per definitie anders zal uitvallen. Vanzelfsprekend
zal DNB dit in haar interne toetsingskader, en in eventuele toekomstige concrete gevallen,
zorgvuldig moeten afwegen.
3.2.4. Afwikkelingsinstrumentarium: solvabele run-off en toepassing en uitvoering
van bail-in
Er zijn twee belangrijke verschillen tussen het instrumentarium onder het bestaande
nationale kader voor afwikkeling van verzekeraars en het instrumentarium dat de IRRD
biedt. Ten eerste bevat de IRRD een aanvullend afwikkelingsinstrument: het instrument
van de solvabele run-off. Dit instrument wordt met dit wetsvoorstel toegevoegd aan
de Wft. Dit wetsvoorstel blijft omwille van een lastenluwe implementatie zo dicht
mogelijk bij de inhoud van artikel 27 van de IRRD, waarin het instrument is uitgewerkt.
Ten tweede kent het instrument van bail-in (waarbij de afwikkelingsautoriteit vorderingsrechten,
bijvoorbeeld van aandeelhouders en bepaalde achtergestelde schuldeisers, kan afschrijven
of omzetten) een ander toepassingsbereik onder de IRRD dan momenteel onder de Wft.
De intentie van dit wetsvoorstel is om het huidige niveau van de inzetbaarheid van
het instrument van bail-in te behouden, zoals hierna verder zal worden toegelicht.
Het instrument van solvabele run-off
De toevoeging van het instrument van de solvabele run-off geeft de afwikkelingsautoriteit
extra mogelijkheden voor het realiseren van de afwikkelingsdoelstellingen. Het biedt
DNB de flexibiliteit om een falende verzekeraar die kritieke verzekeringsdiensten
aanbiedt in een passend tempo af te wikkelen, met het oog op de marktomstandigheden
van dat moment. Dit instrument kan uitkomst bieden indien de omstandigheden zodanig
zijn dat het wenselijk en in het algemeen belang is om de continuïteit van verzekeringsdekking
te waarborgen, maar de overgangsinstrumenten op dat moment geen uitkomst bieden daarvoor,
bijvoorbeeld omdat geen geschikte verkrijger klaarstaat. Het resolutie-instrument
van solvabele run-off dient te worden onderscheiden van de mogelijkheid die DNB als
toezichthouder reeds heeft om de vergunning van een falende verzekeraar in te trekken
en daarbij op grond van artikel 1:104, derde lid, Wft te bepalen dat de verzekeraar
het bedrijf binnen een bepaalde termijn afwikkelt. Dit kan voor een falende verzekeraar,
waarbij niet wordt voldaan aan de algemeen-belang-test als bedoeld in artikel 3A:85,
eerste lid, onderdeel c, uitkomst bieden om er voor te zorgen dat een portefeuille
met bijvoorbeeld kortlopende verzekeringen op ordelijke wijze beëindigd wordt.
Indien een verzekeraar in solvabele run-off wordt geplaatst, dan mag zij geen nieuwe
producten meer verkopen en zal haar vergunning daartoe worden aangepast of ingetrokken.
De bedoeling van het instrument is nadrukkelijk niet om nieuwe activiteiten te ontplooien
en marktaandeel te vergroten, maar om ordentelijke uitfasering van een of meer portefeuilles
op een zo veilig mogelijke wijze te bewerkstelligen. Met dit nieuwe instrument kan
DNB een verzekeringsportefeuille laten uitlopen. Indien DNB bij toepassing van de
solvabele run-off tool ook de vergunning intrekt, kan deze uitfasering gebeuren zonder
dat aan de normaal geldende kapitaaleisen (d.w.z. Solvency Capital Requirement, hierna «SCR») hoeft te worden voldaan. Hiermee kan de continuïteit van verzekeringsdekking
geborgd worden, wat bijdraagt aan het realiseren van de resolutiedoelstellingen, in
het bijzonder de continuïteit van kritieke functies. Door de beschikbaarheid van dit
nieuwe instrument hoeft de afwikkelingsautoriteit naar verwachting minder snel een
korting in het nadeel van polishouders en andere schuldeisers te accepteren bij het
te gelde maken van de activa of bij overgang van (een deel van) de onderneming in
afwikkeling. Indien DNB ervoor kiest om de vergunning niet in te trekken, dan blijven
de kapitaalsvereisten op basis van artikel 3:53 en 3:57 Wft van toepassing op de verzekeraar.
De vergunning zal de beperking moeten bevatten dat de verzekeraar geen nieuwe producten
meer ontwikkelt en/of verkoopt.
Het is mogelijk om de solvabele run-off gecombineerd in te zetten met een overgangsinstrument
of bail-in. DNB kan bijvoorbeeld een gedeelte van de portefeuilles van de verzekeraar
of de groep laten overgaan en de rest van het bedrijf in solvabele run-off plaatsen.
Uiteraard wordt bij een afwikkelingsstrategie rekening gehouden met de geldende waarborgen,
waaronder het NCWO-beginsel. Verder dient DNB onder meer de impact op de eigendomsstructuur,
de governance en de kans dat ordentelijke voortzetting van de verzekeraar in run-off in praktijk
daadwerkelijk gerealiseerd kan worden, mee te nemen in het bepalen van haar strategie.
Tijdens de solvabele run-off houdt DNB doorlopend toezicht op een wijze die past bij
de activiteiten en risico’s van een verzekeraar in run-off.
Wel of geen vergunning bij solvabele run-off
Het is aan DNB om te bepalen of de solvabele run-off plaatsvindt met of zonder vergunning.
De IRRD staat beide vormen toe, zoals ook weergegeven in artikel 3A:119a, eerste lid.
De keuze is van invloed op de kapitaalsvereisten die gelden tijdens de solvabele run-off.
De keuze wordt met name ingegeven door de stand van zaken bij de verzekeraar op het
moment van bijna-falen of falen. De IRRD introduceert namelijk geen nieuwe criteria
voor de beoordeling of en wanneer een vergunning moet worden ingetrokken. Daarvoor
gelden de reguliere criteria zoals opgenomen in de Wft. De toepassing van een resolutiemaatregel
zoals de solvabele run-off tool en het intrekken van de vergunning zijn twee verschillende
besluiten, die wel gelijktijdig kunnen worden genomen. Het al dan niet intrekken van
de vergunning is een kwestie voor DNB in haar rol als de toezichthouder. DNB kan in
haar rol als toezichthouder echter niet overgaan tot het intrekken van de vergunning
gedurende de uitoefening van een resolutiemaatregel, dus ook niet gedurende de solvabele
run-off, zonder dat DNB in haar hoedanigheid als resolutieautoriteit daarmee instemt.
Dit is voorgeschreven in artikel 19, tweede lid, IRRD. Binnen DNB zullen de verschillende
functies nauw moeten samenwerkingen ten aanzien van de vraag of een (bijna) falende
verzekeraar haar vergunning kan behouden.
Herkapitalisatie en kapitaalsvereisten tijdens solvabele run-off zonder vergunning
Bij toepassing van de solvabele run-off waarbij de vergunning wordt ingetrokken, geldt
dat onmiddellijk bij aanvang van de solvabele run-off slechts geherkapitaliseerd hoeft
te worden tot het niveau van de Minimum Capital Requirement (hierna: «MCR»). Daarnaast kan DNB op grond van artikel 3:57b een verzekeraar wiens
vergunning wordt ingetrokken wel een aangepaste minimum solvabiliteitseis opleggen.
Onder de richtlijn solvabiliteit II geldt normaliter de hogere SCR en is de MCR slechts
25% tot 45% van de SCR. Een lagere kapitaaleis biedt als voordeel dat mogelijk volstaan
kan worden met een minder vergaande bail-in om tot het vereiste niveau van (her)kapitalisatie
te komen bij aanvang van toepassing van het instrument van de solvabele run-off, of
dat het instrument zelfs toegepast kan worden zonder dat bail-in nodig is. Bail-in
van crediteuren zal bij grotere tekorten ook polishouders raken die dan in hun rechten
gekort worden. Het voorkomen of beperken van kortingen van polishouders draagt eveneens
bij aan het realiseren van de afwikkelingsdoelstellingen. Daarmee kan de inzet van
de solvabele run-off in bepaalde situaties betekenen dat meer afwikkelingsdoelstellingen
of de verschillende afwikkelingsdoelstellingen beter verwezenlijkt kunnen worden.
Er zit echter ook een keerzijde aan een lagere kapitaaleis. Het is vanzelfsprekend
dat met een lagere kapitaaleis een kleinere buffer aanwezig is om eventuele additionele
verliezen gedurende de toepassing van het instrument van solvabele run-off op te vangen.
Daarbij dient bedacht te worden dat de reguliere kapitaaleis in de vorm van de SCR
onder het kader van de richtlijn solvabiliteit II wordt berekend op basis van alle
risico’s in de huidige verzekeringsportefeuille en alle andere risico’s op de balans van de verzekeraars,
waaronder het marktrisico. Het is dus niet zo dat het feit dat een verzekeraar in
de toekomst geen nieuwe verzekeringen meer verkoopt op zich zelf een lagere kapitaaleis
rechtvaardigt. De MCR onder de richtlijn solvabiliteit II daarentegen wordt niet risicogebaseerd
berekend, maar (kort gezegd) berekend als percentage van de technische voorzieningen.
Dit betekent dat de MCR niet de daadwerkelijke risico’s in de verzekeringsportefeuille
reflecteert en dus geen rekening houdt met bijvoorbeeld marktrisico’s. Bovenstaande
betekent dat ten minste de MCR geldt en DNB vervolgens zorgvuldig moet afwegen of
toepassing van het instrument van solvabele run-off zonder vergunning, met de MCR
als niveau van (her)kapitalisatie, verantwoord wordt geacht of dat bij aanvang een
hoger niveau van (her)kapitalisatie gehanteerd moet worden.
Hierbij dient DNB het risico te betrekken dat de MCR gedurende de looptijd onvoldoende
kan blijken en dat als gevolg daarvan de toepassing van het instrument mogelijk vroegtijdig
beëindigd moet worden of een ander afwikkelingsinstrument moet worden overwogen (conform
artikel 27(9) IRRD en artikel 3A:119b Wft). Bij vroegtijdige beëindiging zal DNB het
faillissement van de verzekeraar moeten aanvragen op grond van artikel 213abis Fw,
wat uiteindelijk kan leiden tot een beëindiging van de verzekeringen. Bij de toepassing
van een ander resolutie-instrument zal vooral gedacht moeten worden aan het (opnieuw)
toepassen van bail-in. Indien bij aanvang van het instrument van solvabele run-off
reeds bail-in is toegepast, inclusief het korten van polishouders, kan een nieuwe
bail-in betekenen dat polishouders met langer lopende verzekeringen zwaarder worden
getroffen. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een belangrijk deel van verzekeringen
met een korte looptijd al uit de portefeuille zijn, of dat een deel van de polishouders
hun polis hebben opgezegd of overgesloten. Bij de afweging of de MCR naar verwachting
voldoende is, zal DNB ook de voor- en nadelen moeten betrekken van de inzet van andere
afwikkelingsinstrumenten, zoals het instrument van overgang van onderneming (artikel
3A:104 Wft), waarbij de verzekeringsportefeuille wel zal worden gecontinueerd op basis
van de reguliere kapitaaleisen.
Hierna wordt verder ingegaan op een aantal afwegingen (genummerd i. tot en met v.)
die DNB zou moeten betrekken in de afweging of een solvabele run-off zonder vergunning
en alleen de MCR verantwoord wordt geacht of dat verdere kapitalisatie nodig is, mede
om zoveel als mogelijk te beperken dat DNB opnieuw moet ingrijpen tijdens de looptijd
van de solvabele run-off, zoals hierboven geschetst. Bij dit vraagstuk zijn parallellen
te trekken met zowel het lopend toezicht, als met de toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten,
waarbij beoordeeld moet worden welke SCR-ratio verantwoord is om het risico van een
toekomstige SCR-onderschrijding en daarmee noodzaak tot opnieuw ingrijpen tot een
acceptabel niveau te beperken. Belangrijk verschil is echter dat de MCR-eis, zoals
gezegd, per definitie niet risico gebaseerd is en dat specifieke overwegingen kunnen
gelden ten aanzien van de solvabele run-off. In een concrete resolutiecasus kan DNB
inzichten betrekken vanuit het lopend toezicht en het hersteltraject voorafgaand aan
resolutie, maar zal in het bijzonder de waardering van de activa, passiva, rechten
en verplichtingen die in het kader van afwikkeling op grond van artikel 23 IRRD (artikel
3A:89 Wft) uitgevoerd moet worden, belangrijke inzichten bieden met betrekking tot
onderstaande overwegingen.
i. Verhouding MCR tot de SCR
De SCR voor een verzekeraar is opgebouwd uit verschillende SCR-modules. Voor veel
verzekeraars, in het bijzonder levensverzekeraars, zijn de SCR-module voor verzekeringstechnische
risico’s en de SCR-module voor marktrisico’s de belangrijkste modules waar deze kapitaalseis
op gebaseerd wordt. Voor marktrisico’s geldt in principe dat deze kunnen worden afgebouwd
(zie hieronder), terwijl dit voor verzekeringstechnische risico’s in beginsel niet
mogelijk is. Voor een typische levensverzekeraar ligt de SCR voor verzekeringstechnische
risico’s 1,5 tot 2 keer hoger dan de MCR, maar in specifieke gevallen is deze factor
aanzienlijk hoger. Dit hangt af van de aard van de verzekeringsverplichtingen, maar
wordt primair veroorzaakt door de lange duur van de verplichtingen en het inherent
onzekere karakter. Mede afhankelijk van de opbouw van de SCR voor verzekeringstechnische
risico’s zal DNB moeten beoordelen in hoeverre de MCR verantwoord wordt geacht in
een specifieke resolutiecasus.
ii. Mate waarin marktrisico’s afgebouwd kunnen worden
Indien een verzekeraar in solvabele run-off wordt geplaatst, ligt het voor de hand
om de marktrisico’s bij aanvang van toepassing van het instrument zoveel mogelijk
af te bouwen. Dit kan door een verandering in beleggingsmix of door hedging van bepaalde
risico’s. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet wenselijk of mogelijk is.
Zo is het bij zeer langlopende verzekeringsverplichtingen niet goed mogelijk om het
renterisico volledig en perfect af te dekken. Er kan ook sprake zijn van illiquide
beleggingen die moeilijk, of alleen tegen onaantrekkelijke prijzen, op korte termijn
te vervreemden zijn.
iii. Onzekerheden rondom de kostenvoorziening
In het kader van een solvabele run-off is kostenbeheersing een belangrijk aspect.
De IRRD draagt de afwikkelingsautoriteit om die reden op, om in nauwe samenwerking
met de toezichthouder, de kosten en uitgaven van de verzekeraar in solvabele run-off
te monitoren (zie artikel 3A:119a, derde lid, juncto artikel 27, vijfde lid, IRRD).
Naarmate de portefeuille gedurende de solvabele run-off kleiner wordt, kunnen de vaste
kosten meer gaan knellen, mede afhankelijk van de mogelijkheid om werkzaamheden uit
te besteden. De verwachte toekomstige kosten worden onder het raamwerk van de richtlijn
solvabiliteit II meegenomen in de berekening van de technische voorzieningen. In het
kader van de verplichte waardering ligt het voor de hand dat een externe waardeerder
kritisch kijkt naar de passendheid van de kostenvoorziening ter onderbouwing van het
wel of niet toepassen van het instrument van solvabele run-off. Dit kan leiden tot
een aanpassing van de kostenvoorziening, of tonen dat er belangrijke onzekerheden
zijn wat betreft de gebruikte aannames voor de berekening van de kostenvoorziening.
Het ligt voor de hand dat DNB deze onzekerheden betrekt in de afweging of toepassing
van het instrument van solvabele run-off met een MCR verantwoord wordt geacht.
iv. Onzekerheden in de waardering van de beleggingen en de technische voorzieningen
De resolutiewaardering kan ook fundamentele onzekerheden aan het licht brengen wat
betreft de waardering van de beleggingen en andere onderdelen van de technische voorzieningen.
Wat betreft de beleggingen kunnen er belangrijke onzekerheden zijn in de aannames
voor de waardering van illiquide beleggingen. Bij de waardering van de technische
voorzieningen kunnen fundamentele onzekerheden aan het licht komen met betrekking
tot de actuariële aannames ten aanzien van bijvoorbeeld de sterftecijfers en arbeidsongeschiktheidscijfers,
of bijvoorbeeld met betrekking tot de aannames van de mate waarin polishouders hun
polissen zullen beëindigen. Verder kan de onzekerheid ook betrekking hebben op de
uitgangspunten die gebruikt worden bij het verdisconteren van de toekomstige verplichtingen
die gebruikt worden in raamwerk onder de richtlijn solvabiliteit II, waaronder de
Ultimate Forward Rate (UFR) voor verplichtingen met een zeer lange looptijd.
v. Impact van dividendverbod op toekomstige financiële weerbaarheid
Op grond van artikel 27, zevende lid, IRRD (artikel 3A:119a, vierde lid, Wft) kan
DNB dividenduitkeringen door de entiteit in solvabele run-off verbieden. Indien de
verzekeringsportefeuille uitloopt conform de gehanteerde aannames in de technische
voorzieningen, en zich dus geen additionele tegenvallers voordoen, zal de kapitaalspositie
van de verzekeraar in solvabele run-off zich bij een dividendverbod geleidelijk verbeteren
als gevolg van de vrijval van de risicomarge. Indien DNB, mede op basis van de onafhankelijke
waardering, voldoende comfortabel is wat betreft de eerder geschetste overwegingen,
dan ligt het voor de hand dat DNB ook dit aspect betrekt in haar oordeel over de vraag
of toepassing van het instrument van solvabele run-off met de MCR als niveau van (her)kapitalisatie
voldoende verantwoord wordt geacht. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het toepassen
van het dividendverbod in de context van de solvabele run-off een bevoegdheid van
DNB is. Dit betekent dat het in beginsel denkbaar is dat het dividendverbod naar verloop
van tijd wordt opgeheven indien de financiële situatie dit zou toelaten.
Toepassing van het instrument van bail-in onder de IRRD
Een van de instrumenten die DNB ter beschikking staat, is het instrument van bail-in.
Met behulp van dit instrument kan DNB verliezen van de entiteit in afwikkeling bij
de houders van bail-inbare passiva (zoals aandeelhouders of houders van bepaalde achtergestelde
obligaties) neerleggen door deze passiva (geheel of gedeeltelijk) af te schrijven
of (geheel of gedeeltelijk) te converteren in eigendomsinstrumenten of tier 1-instrumenten,
en daarmee de falende instelling te herkapitaliseren. Onder de Whav is het instrument
van bail-in een zelfstandig toepasbaar afwikkelingsinstrument, dat ook kan worden
gebruikt om een verzekeraar te herkapitaliseren en een doorstart te laten maken, met
behoud van de vergunning, indien dit een of meer afwikkelingsdoelstellingen dient.
Immers, door de toepassing van het instrument kunnen de kapitaalratio’s weer op het
vereiste niveau worden gebracht. Onder de IRRD ligt dit genuanceerder. Artikel 26,
tweede lid, IRRD stelt geen beperking aan de toepassing van het instrument van bail-in.
Voor het instrument van afsplitsing van activa of passiva geldt dit wel; dat instrument
kan namelijk alleen worden ingezet in combinatie met een ander afwikkelingsinstrument
(zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:92 hierna). De nadere uitwerking
van het instrument van bail-in in artikel 35, eerste lid, IRRD kan echter zo worden
geïnterpreteerd dat het instrument van bail-in slechts kan worden toegepast voor,
kort gezegd, (i) herkapitalisatie bij toepassing van de solvabele run-off of, (ii)
omzetting in eigen vermogen of vermindering van de hoofdsom van bepaalde vorderingen
in combinatie met bepaalde andere instrumenten. Artikel 26, zevende lid, biedt lidstaten
de mogelijkheid om aanvullende instrumenten te bieden aan de afwikkelingsautoriteit,
naast het geharmoniseerde instrumentarium van de IRRD. Met dit wetsvoorstel wordt
ervoor gekozen om het bestaande kader zoveel mogelijk intact te houden, en daarom
zal – vanuit het oogpunt van juridische zuiverheid – gebruik worden gemaakt van de
ruimte die artikel 26, zevende lid, IRRD biedt. In artikel 3A:92, tweede lid, Wft
wordt geen algemene beperking op de inzet van het instrument van bail-in opgenomen,
zoals artikel 35, eerste lid, IRRD dat mogelijk wel doet. Een zelfstandige doorstart
kan bijvoorbeeld wenselijk zijn als er geen verkrijgers voor een overgang van onderneming
kunnen worden gevonden of het wegvallen van productie ertoe zou leiden dat bepaalde
polissen niet meer of in onvoldoende mate kunnen worden afgesloten. Dat kan spelen
bij niche verzekeraars die een kritieke functie vervullen, of als de omvang van de
falende verzekeraar dusdanig groot is dat andere verzekeraars onvoldoende in staat
zijn om dit gat op te vullen.
Verder wordt met dit wetsvoorstel ten behoeve van de concrete toepassing van het instrument
van bail-in in de praktijk een mogelijkheid tot het gebruik van een stichting administratiekantoor
afwikkeling (hierna: «SAA») opgenomen in deel 3A.2. DNB kan deze SAA inzetten ten
behoeve van de praktische uitvoering van haar eigen resolutietaken. Een dergelijk
vehikel is ten behoeve van de afwikkeling van banken met het voorstel voor de Wet
NUB opgenomen in artikel 3A:50a, en wordt nu ook voor de afwikkeling van verzekeraars
toegevoegd. Voor een algemene toelichting over de werking en het nut van een SAA voor
het toepassen van bail-in wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel
voor de Wet NUB.15
In de IRRD wordt aan de afwikkelingsautoriteit ook de bevoegdheid verleend om, bij
de toepassing van het instrument van bail-in, de voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten
bij het afschrijven of omzetten van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering te
herstructureren.16 De bevoegdheid hiertoe voor DNB is voor een deel geregeld met het bestaande artikel
3A:122 Wft, op basis waarvan zij de bevoegdheid heeft om overeenkomsten waarbij de
entiteit in afwikkeling partij is te wijzigen. Echter wordt dit onderdeel van de IRRD
ook toegevoegd aan de Rtt Wft om er zeker van te zijn dat herstructurering onderdeel
uit maakt van de tool box van DNB. De reden hiervoor is dat de IRRD deze bevoegdheid verleent binnen de toepassing
van het instrument van bail-in en meer specifiek ziet op het herstructureren van de
voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten bij het afschrijven of omzetten van schuldvorderingen
uit hoofde van verzekering, terwijl artikel 3A:122 Wft ziet op een breder begrip van
overeenkomsten waarbij de entiteit partij is. Artikel 3A:122 Wft geeft mogelijk voldoende
waarborg dat DNB een overeenkomst kan herstructureren of wijzigen, maar door toevoeging
van het artikel aan de Rtt Wft is in ieder geval verduidelijkt dat herstructurering
onderdeel is van de bevoegdheden van DNB. De bevoegdheid tot herstructurering van
voorwaarden kan bijvoorbeeld van meerwaarde zijn bij een overgang van onderneming
waarbij vorderingen uit hoofde van verzekering worden gekort en bepaalde onderdelen
van polisvoorwaarden worden aangepast om de overgang mogelijk te maken.
3.2.5. Wijzigingen Faillissementswet
De Faillissementswet wordt op een aantal punten gewijzigd. Sommige van deze punten
worden vereist door de IRRD, enkele andere punten hangen daar nauw mee samen. De belangrijkste
wijzigingen hangen samen met de artikelen 21 en 68 IRRD die zien op de bevoegdheden,
voorwaarden en procedures ten aanzien van de aanvraag van het faillissement van verzekeraars
en andere groepsentiteiten die binnen het mogelijke toepassingsbereik van resolutie
vallen. Indien een verzekeraar of groepsentiteit daarvan die ook onder de reikwijdte
van het kader valt, voldoet aan de afwikkelingsvoorwaarden, maar afwikkeling niet
in het algemeen belang is, dan schrijft de IRRD voor dat deze in faillissement wordt
afgewikkeld. Daarnaast wordt ter implementatie van artikel 38 IRRD (dat de volgorde
van afschrijving en omzetting van vorderingen beschrijft) een nieuw artikel ingevoegd
dat ziet op de rangorde van vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen
ten opzichte van andere vorderingen. Daarmee wordt gewaarborgd dat duidelijk is in
zowel faillissement als bij afwikkeling in resolutie, waarin een spiegelbeeldige volgorde
van afschrijving wordt gehanteerd in geval van toepassing van bail-in, welke behandeling
houders van bepaalde eigenvermogensbestanddelen kunnen verwachten.
Ten aanzien van verzekeraars met zetel in Nederland wordt het huidige stelsel voor
faillissement op basis van Afdeling 11B gehandhaafd en op een aantal onderdelen aangevuld
middels een wijziging van artikel 213abis. Zo wordt ten aanzien van verzekeraars,
met uitzondering van verzekeraars met beperkte risico-omvang, een verplichting voor
DNB geïntroduceerd om onder bepaalde voorwaarden het faillissement actief aan te vragen.
Zo verandert de optie voor DNB om een faillissement aan te vragen, indien is voldaan
aan de eerste twee resolutievoorwaarden uit artikel 3A:85 Wft, in een verplichting
voor DNB om tot een aanvraag over te gaan. Daarmee wordt invulling gegeven aan de
regel in artikel 21 van de IRRD. Het gevolg is dat DNB niet de vrijheid heeft om in
een situatie dat de eerste twee voorwaarden voor afwikkeling zijn vervuld, het «nog
even aan te kijken». Dit bevordert de rechtszekerheid en een doortastend optreden
in geval van falen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geregeld dat een verzekeraar haar
eigen faillissement kan aanvragen. Dit is een nationale keuze, los van de voorschriften
in de richtlijn. Met deze wijziging wordt beoogd op een evenwichtige wijze rekening
te houden met de verantwoordelijkheden van de verzekeraar zelf. Zij is immers niet
meer volledig afhankelijk van het initiatief van DNB tot het doen van een faillissementsaanvraag,
maar kan ook zelf actie ondernemen ten behoeve van alle belanghebbenden (waaronder
polishouders). Het wetsvoorstel regelt de waarborgen die daarbij gelden, zoals dat
DNB door de rechtbank gehoord moet worden over de vraag of zij voornemens is afwikkelingsmaatregelen
te nemen omdat afwikkeling in het voorliggende geval in het algemeen belang is. Deze
waarborgen worden voorgeschreven in artikel 68 IRRD.
Verder wordt een nieuwe afdeling ten aanzien van verzekeringsholdings, gemengde financiële
holdings en aanbieders van essentiële diensten toegevoegd aan de Faillissementswet,
te weten Afdeling 11BA. Dit zijn de entiteiten die onder dit wetsvoorstel in de afwikkeling
kunnen worden betrokken, maar geen verzekeraars zijn.17 Aangezien groepsentiteiten van onder toezicht staande verzekeraars ook onder de reikwijdte
van hoofdstuk 3A.2 Wft vallen, is het nodig om in het faillissementsrecht specifieke
procedureregels vergelijkbaar met die voor verzekeraars op te nemen. Gelet op de andere
aard van deze ondernemingen ten opzichte van verzekeraars, worden de hiervoor geldende
regels in een separate afdeling opgenomen. Deze afdeling bevat twee artikelen. Met
artikel 213kkb wordt met delen hetzelfde geregeld als in artikel 213abis. Artikel
213kkc verklaart een aantal artikelen uit Afdeling 11B van overeenkomstige toepassing
op de eerder genoemde entiteiten.
Ten slotte wordt een nieuw artikel ingevoegd dat een crediteurenhiërarchie vaststelt
voor eigenvermogensbestanddelen. Artikel 38 IRRD verplicht bij de toepassing van bail-in
een bepaalde volgorde van omzetten en afschrijven waarbij eerst bepaalde vorderingen
uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen aan de beurt zijn (eerste lid, onderdelen
a tot en met c) en daarna pas andere vorderingen (onderdeel d). De IRRD brengt ook
mee dat vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen in faillissement een
lagere rang moeten hebben dan andere vorderingen. Het komt er in praktische zin op
neer dat daarbij dezelfde volgorde aangehouden moet worden als de volgorde die is
opgenomen in artikel 38, eerste lid, IRRD, met dien verstande dat de volgorde van
uitkering in faillissement omgekeerd is aan de volgorde van toepassing van bail-in.
Om deze reden wordt ook in de Faillissementswet een bepaling opgenomen over de rangorde
van de vorderingen die voortvloeien uit de verschillende categorieën kapitaalinstrumenten.
3.2.6. Lidstaatopties
De IRRD bevat verschillende lidstaatopties. Met dit wetsvoorstel wordt de IRRD zoveel
mogelijk lastenluw geïmplementeerd, maar wordt tegelijkertijd beoogd het niveau van
polishoudersbescherming gelijk te houden ten opzichte van de Whav en de nieuwe regels
goed in te passen in het bestaande wettelijke kader.
Hieronder is een overzicht opgenomen waarin per lidstaatoptie is aangegeven en wordt
uitgelegd of wel of niet gebruik wordt gemaakt van die lidstaatoptie. Elders in dit
algemene deel en in het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt nader uitgelegd
waarom het gebruik van de betreffende lidstaatopties opportuun is.
Lidstaatoptie artikel IRRD
Artikel Wft waarin deze lidstaatoptie is geïmplementeerd
Toelichting
3 (9)
Niet gebruikt
Er wordt aangesloten bij het bestaande systeem waarin DNB de resolutieautoriteit is
en er niet meerdere autoriteiten worden benoemd.
3 (11)
1:25d, lid 1 en 3, sub h, Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de aansprakelijkheidsbeperking van de afwikkelingsautoriteit
en toezichthouder. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
26 (7)
3A:92 (2), 3A:93 (1)(a) Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de bredere inzetbaarheid van het bestaande instrument
van bail-in. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
30 (9), tweede alinea
1:25d, derde lid, onderdeel e
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op aanvullende aansprakelijkheidsbeperking van
entiteiten voor beheer van activa en passiva. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
32 (7), tweede alinea
1:25d, derde lid, onderdeel c en d
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op aanvullende aansprakelijkheidsbeperking van
overbruggingsinstellingen. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
34
Niet gebruikt
Er is geen sprake van de instelling van een nationaal verzekeringsgarantiestelsel.1
35 (6)
3A:94 (1) (g)
Lidstaatoptie wordt gedeeltelijk gebruikt (onderdeel b), waardoor verplichtingen van
de verzekeraar uit hoofde van bepaalde zorgverzekeringen niet onderworpen mogen worden
aan bail-in door DNB. Hiermee wordt bestaand recht gehandhaafd.
44 (1)
3A:120
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand situatie met curator na te bootsen, waardoor
benoeming van meerdere bijzondere bestuurders per entiteit is hierdoor nu mogelijk.
52 (2)
3A:80b (2)
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Er is discretie voor DNB om de overweging te maken bepaalde
contractuele verplichting op te leggen aan een uiteindelijke moederonderneming.
66 (5), onderdeel a
1:89 (1) en (4) Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie.
Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
66 (5), onderdeel b
1:93d en 1:93e Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie.
Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
66 (5), onderdeel c
1:90 (1) Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie.
Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
67 (1)
Lidstaatoptie niet gebruikt.
DNB heeft geen ex ante goedkeuring van de rechter nodig voor het nemen van afwikkelingsmaatregelen,
conform bestaand recht
81 (1), tweede alinea
3A:138, lid 3, sub c, Wft
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de dekking van andere kosten die voortvloeien
uit het gebruik van afwikkelingsinstrumenten. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd.
81 (1), derde alinea
Lidstaatoptie niet gebruikt
Lidstaatoptie wordt niet gebruikt. Ziet op de financieringsstructuur van verzekeringsgarantiestelsels.
Het nationale recht kent geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel.1
X Noot
1
Nederland kent wel een nationaal garantiefonds uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen, waartoe de Europese Richtlijn 2009/103/EG verplicht.
Ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels (in het licht van de lidstaatopties in
artikel 34 en 81 IRRD), wordt nog het volgende opgemerkt. Nederland kent momenteel
geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel. Nederland heeft alleen een Waarborgfonds
Motorverkeer uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna:
de «WAM») met een specifiek, afgebakend doel. Op verzoek van de Eerste Kamer is de
afgelopen jaren ook onderzoek gedaan naar de vraag of de introductie van een verzekeringsgarantiestelsel
in Nederland van toegevoegde waarde is en wenselijk en werkbaar zou zijn.18 De conclusies naar aanleiding van het onderzoek waren dat een verzekeringsgarantiestelsel
waarschijnlijk kostbaar en complex zou zijn voor de Nederlandse markt en dat een verzekeringsgarantiestelsel
beter in de context van Europese minimumharmonisatie zou kunnen worden geïntroduceerd.19 De minimumharmonisatie van verzekeringsgarantiestelsels is uiteindelijk geen onderdeel
geworden van de IRRD. IRRD bevat wel een opdracht aan de Europese Commissie om voor
29 januari 2027 een rapport te presenteren waarin de noodzaak en minimumcondities
van een geharmoniseerd kader voor verzekeringsgarantiestelsels worden besproken.20 In het licht van voorgaande, is een introductie van een verzekeringsgarantiestelsel
met dit wetsvoorstel niet opportuun.
§ 4. Verhouding tot hoger Europees recht
In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de verhoudingen van dit wetsvoorstel tot
hoger recht en ander Europees recht.
Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie behoort onder het primaire recht
van de Europese Unie. Dit betekent dat secundair recht, zoals richtlijnen, zich altijd
tot dit primaire recht moeten verhouden. De IRRD raakt voornamelijk aan het Handvest
ten aanzien van het recht op eigendom op basis van artikel 17 van het Handvest én
het algemene beginsel van gelijke behandeling, artikel 20 van het Handvest. Ten aanzien
van het recht op eigendom moeten eventuele ingrepen op eigendomsrechten, als gevolg
van de toepassing van afwikkelingsbevoegdheden, niet onevenredig zijn. Dit houdt in
dat aandeelhouders, verzekeringnemers, begunstigden en eisers, alsmede andere schuldeisers
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen derhalve geen grotere verliezen
mogen lijden dan de verliezen die zij geleden zouden hebben indien de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming was geliquideerd in faillissement op het moment waarop
het afwikkelingsbesluit werd genomen.21 Ongelijke behandeling tussen schuldeisers van dezelfde categorie kan alleen in het
algemeen belang gerechtvaardigd worden en moet daarnaast evenredig zijn aan de risico’s
die worden aangepakt.22 Ten slotte vereist artikel 47 van het Handvest dat eenieder wier door het Unierecht
gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende
voorziening in rechte. Dit houdt in dat de besluiten van een afwikkelingsautoriteit
vatbaar moeten zijn voor beroep. Hierover wordt in paragraaf 5 meer toelichting gegeven.
§ 5. Verhouding tot nationaal recht
In het voorgaande kwam al de relatie tot het bestaande kader uit de Whav aan bod.
Naast de Whav verhoudt de IRRD zich nog tot andere regelgeving. Twee andere wetten
worden ook met dit wetsvoorstel gewijzigd. Ten eerste, grenst het herstel en afwikkelingskader
op vele punten aan het faillissementsrechtelijk kader. Dit komt omdat de afweging
tussen afwikkeling of faillissement onderdeel is van deze richtlijn en dus ook van
de implementatie. Zie voor een verdere toelichting paragraaf 3.2.5. Ten tweede wordt
de Bankwet 1998 aangepast. De Bankwet 1998 regelt kort gezegd de taakstelling en takenscheiding
van DNB. Met de Whav is de Bankwet 1998 al gewijzigd om de afwikkelingstaak voor verzekeraars
hieraan toe te voegen. Met dit wetsvoorstel zijn er daarom beperkte aanpassingen aan
deze wet nodig en is de taakstelling en takenscheiding al voldoende geborgd.
Verder verhoudt dit wetsvoorstel zich op een aantal aspecten tot de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Het voorgestelde artikel 3A:80e Wft bevat een vergelijkbare bepaling als het
equivalent voor banken, opgenomen in artikel 3A:8 Wft, en verwijst naar een aantal
artikelen uit de Awb. Het gaat bijvoorbeeld om artikelen die bevoegdheden van toezichthouders
regelen, zodat expliciet is dat personen die belast zijn met afwikkeling, deze ook
kunnen aanwenden. Ook geldt onder de Awb een algemene medewerkingsplicht voor eenieder,
welke met deze schakelbepaling wordt benadrukt. Daarnaast vereist de IRRD dat tegen
besluiten van afwikkelingsautoriteiten beroep open moet staan. Dit wordt niet expliciet
geïmplementeerd maar volgt uit de systematiek van de Awb: hoofdstuk 6 over administratief
beroep en artikel 1 van bijlage 2 van de Awb waarin uitsluiting van beroep is opgesomd
(waar besluiten van afwikkelingsautoriteiten geen onderdeel van uitmaken). In artikel
3A:89, tweede lid, wordt expliciet geregeld wanneer beroep tegen een waardering kan
worden ingesteld.
§ 6. Gevolgen
6.1 Financiële gevolgen voor de Rijksbegroting
Het wetsvoorstel heeft naar verwachting geen gevolgen voor de Rijksbegroting. De voorgestelde
wijzigingen harmoniseren bestaande wettelijke verplichtingen, zonder directe financiële
impact op de overheidsbegroting.
6.2 Bedrijfseffecten
De implementatie van de IRRD in Nederland en andere lidstaten leidt tot een gelijker
speelveld voor Nederlandse verzekeraars op de Europese verzekeringsmarkt. De reden
hiervoor is dat Nederland als een van de weinige lidstaten reeds een kader voor herstel
en afwikkeling van verzekeraars heeft. Als gevolg van de Europese harmonisatie, worden
andere Europese verzekeraars ook onderworpen aan regelgeving op het gebied van herstel
en afwikkeling, waardoor enerzijds het niveau van compliance(kosten) dat met deze
regelgeving gepaard gaat, en anderzijds het niveau van polishouderbescherming meer
gelijk worden getrokken tussen de verschillende lidstaten. Vanwege het bestaande nationale
herstel en afwikkelingskader, zijn Nederlandse verzekeraars bovendien in zekere mate
meer voorbereid op de uit de IRRD volgende wet- en regelgeving dan verzekeraars in
het merendeel van de andere lidstaten.
Overeenkomstig het regeerprogramma wordt deze richtlijn zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd.
Dat wil zeggen dat zoveel als mogelijk wordt aangesloten op het bestaande systeem.
Lidstaatopties worden gebruikt als deze nodig zijn om aan te sluiten bij het bestaande
wettelijke kader en een efficiënte uitvoering bevorderen. Verzekeraars, zowel kleine
als grote, hebben kennis kunnen nemen van de voorstellen tijdens internetconsultatie.
Het Verbond van Verzekeraars heeft een reactie ingediend namens de sector, zie paragraaf
9.2 hierna. Ook hebben gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het Verbond
van Verzekeraars over dit wetsvoorstel.
6.2.1 Innovatie-effecten
Dit wetsvoorstel vormt een lastenluwe implementatie van een Europees geharmoniseerd
kader. Doordat na implementatie sprake is van geharmoniseerde wet- en regelgeving
voor verzekeraars ten aanzien van hun herstelmogelijkheden en afwikkelbaarheid, zal
er een level playing field gelden en kunnen verzekeraars in algemene zin daardoor
makkelijker concurreren in Europa, waaronder op innovatie. De regels hebben echter
geen betrekking op productontwikkeling en hebben daarom geen specifieke beperkende
of stimulerende effecten op de innovatie.
6.3 Gevolgen polishouders
Een Europees breed herstel- en afwikkelingskader voor verzekeraars en de daaruit volgende
wettelijke instrumenten voor de afwikkelingsautoriteiten zal waarschijnlijk leiden
tot een betere bescherming van Nederlandse polishouders die klant zijn bij een grensoverschrijdende
verzekeraar met zetel in een andere lidstaat, ten opzichte van de situatie vóór de
inwerkingtreding van de IRRD. De reden hiervoor is dat verzekeraars met een zetel
in een andere lidstaat nu ook aan dezelfde regelgeving ten aanzien van herstel en
afwikkeling zijn onderworpen. Tevens dienen andere lidstaten ook een afwikkelingsautoriteit
op te richten. Deze harmonisatie bevordert herstelmogelijkheden en een ordentelijke
afwikkeling van een (bijna) falende verzekeraar. Een van de doelstellingen van ordentelijke
afwikkeling door de afwikkelingsautoriteit is polishouderbescherming. Na de inwerkingtreding
van de IRRD zal bij het omvallen van een verzekeraar met een zetel in een andere lidstaat,
en die werkzaam is op de Nederlandse markt, polishouderbescherming beter gewaarborgd
worden. De gevolgen voor de rechten van polishouders zijn verder in praktijk beperkt
ten opzichte van het al bestaande wettelijke kader, deze implementatiewet heeft daarom
beperkt tot geen effect op het doenvermogen van burgers in het algemeen of polishouders.
6.4 Regeldruk gevolgen
In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldrukeffecten als gevolg van de implementatie
van de richtlijn. Regeldrukeffecten zijn de investeringen en inspanningen die bedrijven
moeten verrichten om zich aan wet- en regelgeving van de overheid te houden. De regeldrukeffecten
worden in kaart gebracht op basis van de systematiek uit het Handboek meting regeldrukkosten
(verder: handboek).23 De kosten worden bepaald op basis van het Standaard Kosten Model (SKM).24 Dat model komt er in essentie op neer dat wordt nagegaan welke handelingen door de
bedrijven moeten worden verricht om aan de nieuwe regelgeving te voldoen. Vervolgens
wordt per handeling bepaald hoeveel tijd het kost om die handeling te verrichten en
op welk niveau (door welk type personeel) de handeling wordt uitgevoerd, zodat de
kosten van de handeling kunnen worden berekend. Alle regeldrukeffecten die voortvloeien
uit de richtlijn worden hieronder in kaart gebracht. Dit geldt niet alleen voor deze
implementatiewet, maar tevens voor hetgeen op niveau van algemene maatregel van bestuur
nader wordt geregeld, nu die nadere invulling voortvloeit uit de in deze wet opgenomen
bepalingen. De regeldrukeffecten van de gedelegeerde verordeningen worden niet meegenomen
in deze toelichting, omdat de verordening rechtstreeks werkt en niet omgezet wordt
in Nederlandse wetgeving (zie ook de bijlagen bij het Handboek Meting Regeldrukkosten,
toelichting onderdeel 7). De inhoud van gedelegeerde verordeningen, die op grond van
de richtlijn worden opgesteld, bestaan uit de door EIOPA opgestelde technische standaarden.
De groep entiteiten die onder de reikwijdte van deze implementatiewet valt, verschilt
niet van de groep entiteiten die onder het systeem van de Whav viel. De gevolgen voor
de regeldruk voor die groep verzekeraars zullen naar verwachting beperkt zijn. Dit
komt omdat de uit het voorstel voortvloeiende verplichtingen in overwegende mate al
onderdeel uitmaken van het bestaande nationale kader. Voor deze groep zullen eventuele
kosten als gevolg van de implementatie van de richtlijn met name samenhangen met het
opstellen, aanpassen en bijhouden van de VCPs. Deze regeldruk- en financiële gevolgen
worden hieronder nader uitgewerkt. Omdat DNB per instelling de afwikkelbaarheid beoordeelt
en de afwikkelingsstrategie bepaalt, zijn de eventuele gevolgen per instelling verschillend
en is het gevolg niet in algemene zin op voorhand te kwalificeren en kwantificeren.
Het is daarnaast nog onzeker hoe groot de groep verzekeraars wordt die onder afwikkelingsplanning
zal vallen. Dit hangt samen met de aanpassing van het kader voor de algemeen-belang-toets
door DNB onder de IRRD. Deze toets speelt een rol bij het bepalen van de reikwijdte
en intensiteit van resolutieplanning per instelling, en de verplichting volgend uit
de IRRD om resolutieplanning uit te voeren voor instellingen met kritieke functies
ongeacht of zij aan de algemeen-belang-toets voldoen. Zodra een verzekeraar onderworpen
zou worden aan afwikkelingsplanning, dan kan de verzekeraar geconfronteerd worden
met rapportage- en informatieverplichtingen en mogelijk met instructies van DNB om
bepaalde belemmeringen voor afwikkeling in haar bedrijfsvoering of organisatiestructuur
te verhelpen.
Voorbereidende crisisplanning
De groep entiteiten die op basis van de implementatie een VCP moet opstellen is naar
verwachting kleiner dan op basis van de Whav. Dit komt omdat de richtlijn vereist
dat de toezichthoudende autoriteit een beoordeling maakt van de te selecteren verzekeraars,
waarbij de autoriteit in ieder geval moet waarborgen dat de uitkomst van de beoordeling
ertoe leidt dat de partijen gezamenlijk in ieder geval 60% van de markt – gescheiden
in leven en schade – betreffen. Een exacte inschatting van het uiteindelijke percentage
partijen is nog niet te maken; de criteria op basis waarvan de selectie wordt gemaakt
maken onderdeel uit van de technische standaarden die EIOPA opstelt. Daarnaast zal
EIOPA ook technische standaarden en richtsnoeren opstellen ten aanzien van de vereiste
inhoud van VCPs.
Een regeldruk veroorzakende factor is de frequentie waarmee een VCP moet worden bijgewerkt.
Op basis van het bestaande artikel 26.5 van het Bpr moet een VCP ten minste elke drie
jaar geëvalueerd worden en ook na elke significante verandering in de juridische structuur,
de feitelijke bedrijfsuitoefening of de financiële positie van de verzekeraar. Op
basis van de richtlijn verandert deze frequentie naar ten minste om de twee jaar,
en in elk geval na wijzigingen in de juridische of organisatiestructuur van de onderneming,
haar bedrijfsactiviteiten of haar financiële positie. Dit betekent dat structureel
de frequentie van de evaluatie van een VCP omhoog gaat. Het bijwerken en evalueren
van een VCP houdt grofweg in de praktijk in dat crisisscenario’s bijgewerkt en opnieuw
doorberekend worden. Op basis daarvan worden te nemen herstelmaatregelen doorberekend,
die daarna gelijk blijven of worden bijgewerkt. Ten slotte worden ook de belemmeringen
voor de implementatie van de geïdentificeerde maatregelen geëvalueerd en eventueel
bijgewerkt. Andere aspecten van een VCP zullen mogelijk op grond van de huidige regelgeving
geen wijziging behoeven op basis van de IRRD. Denk hierbij aan de statistische informatie
van het bedrijf en het algemene crisisbeleid. Onderstaande tabel geeft een overzicht
van de handelingen die nodig zijn om te voldoen aan nieuwe verplichtingen die als
gevolg van de aanpassing van de richtlijn worden geïmplementeerd in de Wft en lagere
regelgeving. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de eenmalige en structurele
kosten. In algemene zin wordt het tot zich nemen van de nieuwe wet- en regelgeving
door een bedrijf meegenomen als eenmalige regeldruk.
De berekening van de eenmalige en structurele regeldrukkosten is een grove schatting
gebaseerd op het Handboek meting regeldrukkosten. De tarieven die hierbij worden gehanteerd
dateren uit 2020. Geschat wordt dat in het jaar waarin een VCP moet worden geëvalueerd
en bijgewerkt dit een proces is dat ongeveer een tijdspanne van twee maanden betreft
voor 1,5e fulltime medewerker (fte). Het interne uurtarief op basis van het handboek voor een
hoogopgeleide medewerker is € 54,–. Het aantal werkuren gedurende twee maanden voor
1,5 fte betreft ongeveer 540 uur. 540 uur x € 54,– = € 29.160,– jaarlijkse kosten.
Voor de implementatie van de IRRD worden deze kosten driejaarlijks gemaakt, echter
met de implementatie van de IRRD tweejaarlijks. De gemiddelde regeldrukkosten betreffen
dan het verschil tussen de drie- en tweejaarlijkse kosten. Voor de eenmalige regeldrukkosten
worden hetzelfde aantal fte en uurloon gerekend. Er is gekozen voor een gemiddelde
tijdsbesteding van 60 minuten.25 De regeldrukkosten zijn uitgewerkt in tabel 1. In tabel 2 is een schatting van de
doelgroep, die onderworpen is aan de verplichting tot het opstellen van een VCP, gemaakt
en is de omvang van de doelgroep in tabel 3 vermenigvuldigd met de cijfers uit tabel
1.
Tabel 1:
Overzicht handelingen en tijd artikelen in richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars,
per entiteit
Handeling
Eenmalig
Structureel – jaarlijks
Voorbereidend crisisplan evalueren en bijwerken
n.v.t.
€ 4.860
Nieuwe wet- en regelgeving
€ 81
n.v.t.
Tabel 2:
Doelgroep
Aantal1
Groep VCP (3:288i1 Wft)
15
Solo VCP (3:57c Wft)
73
X Noot
1
Het is mogelijk dat de omvang van de groep verzekeraars die een VCP moet opstellen,
aanpassen en bijhouden kleiner wordt op basis van de technische standaarden vanuit
EIOPA, waardoor de structurele kosten van de gehele sector lager liggen.
Tabel 3:
Overzicht
totale regeldrukkosten artikelen in richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars
Handeling
Eenmalig
(sector)
Structureel – jaarlijks (sector)
Nieuwe wet- en regelgeving
€ 7.128
n.v.t.
Voorbereidend crisisplan evalueren en bijwerken
n.v.t.
€ 427.680,00
§ 7. Uitvoering
DNB is de afwikkelingsautoriteit onder het huidige nationale kader. De implementatie
van de IRRD brengt hier geen verandering in. Waar veel andere lidstaten een nieuwe
organisatie moeten inrichten, is dat in Nederland niet het geval. DNB is nauw betrokken
geweest bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, gezien haar rol en praktische
ervaring met afwikkelingsplanning en -voorbereiding.
7.1 Uitvoerings- en handhavingstoets DNB
DNB heeft een uitvoerings- en handhavingstoets uitgevoerd en bij brief van 16 november
2025 haar bevindingen met het Ministerie van Financiën gedeeld.26 DNB is van oordeel dat het wetsvoorstel in algemene zin uitvoerbaar en handhaafbaar
is. Ook concludeert DNB dat de toename van de uitvoeringslasten reeds is voorzien
in het kostenkader 2025–2028. DNB maakt daarnaast een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel
die kunnen bijdragen aan verdere verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
in de Nederlandse praktijk.
Mogelijke NCWO-problemen in de context van de WAM
Ten eerste signaleert DNB dat er in een concrete casus NCWO-problemen kunnen ontstaan,
doordat vorderingen uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen voor
motorrijtuigen (volgend uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, WAM)27 worden uitgesloten van bail-in (omzetting en afschrijving). Deze NCWO-problematiek
kan in een voorkomend geval de afwikkeling bemoeilijken.
De huidige situatie is als volgt. Op grond van de WAM is een Waarborgfonds Motorverkeer
ingericht. Indien een verzekeraar failliet gaat en er nog openstaande verplichtingen
zijn of er ontstaan nieuwe verplichtingen op grond van de lopende aansprakelijkheidsverzekeringen
voor motorrijtuigen, dan kan het Waarborgfonds Motorverkeer op grond van artikel 26a
WAM en op verzoek van de benadeelden de verplichtingen voldoen en zich vervolgens
verhalen op de failliete boedel. De (regres)vordering van het Waarborgfonds Motorverkeer
op de verzekeraar is in faillissement niet superpreferent, maar volgt de rang van
de oorspronkelijke verzekeringsvorderingen conform de rangorde zoals bepaald in artikel
213m, tweede lid, Faillissementswet. In artikel 26a, eerste lid, onderdeel c, van
de WAM is geregeld dat wanneer DNB de betreffende verzekeraar in resolutie neemt en
de benadeelden (die gecompenseerd worden door de verzekeraar in resolutie onder de
aansprakelijkheidsverzekering) minder zouden ontvangen dan zij ontvangen zouden hebben
gekregen als DNB niet tot resolutie zou zijn overgegaan, benadeelden een recht op
schadevergoeding tegen het Waarborgfonds Motorverkeer geldend kunnen maken. Claims
uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen dienen
in beginsel gewoon te worden voldaan door de verzekeraar in resolutie. Op het Waarborgfonds
Motorverkeer rust de verplichting om eventuele kortingen op de vergoedingen betaald
door de verzekeraar in resolutie (dus verliezen als gevolg van afwikkeling in resolutie)
zelfstandig te compenseren op grond van dat artikel. Daarmee kan artikel 26a, tweede
lid, onderdeel c, worden gezien als een soort aanvulling op de financieringsregeling
opgenomen artikel 3A:138, tweede lid, onderdeel a, Wft.
Onder de IRRD worden vorderingen van benadeelden uit hoofde van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen
uitgesloten van bail-in. Dat wil zeggen dat DNB die vorderingen niet kan afschrijven
of omzetten om de entiteit in resolutie te herkapitaliseren.28
DNB stelt dat, doordat in resolutie de claims uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
zijn uitgesloten van bail-in en dus onaangetast blijven, andere schuldeisers/polishouders
op wie het instrument van bail-in wel wordt toegepast, onder bepaalde omstandigheden
geconfronteerd kunnen worden met hogere kortingen op hun vorderingen (zij kunnen dus
meer schade lijden).29 Doordat benadeelden onder een WAM-polis in faillissement terecht kunnen bij het Waarborgfonds
Motorverkeer en het Waarborgfonds een vordering heeft die een gelijke rang (pari passu) heeft als andere vorderingen uit hoofde van schadeverzekeringen (rekening houdend
met de verschillende rangen genoemd in artikel 213m, tweede lid, Faillissementswet),
ontstaat er een verschil in de positie van die andere schuldeisers in beide scenario’s,
hetgeen kan leiden tot een negatieve uitkomst van de NCWO-toets die moet worden verricht
op het moment dat DNB besluit tot toepassing van een resolutiemaatregel. DNB roept
op om dit verschil op voorhand op te lossen in het wetsvoorstel, bij voorkeur door
de middelen van het Waarborgfonds Motorverkeer in een resolutiescenario ook ter beschikking
te stellen voor betaling van de gehele claims van benadeelden uit hoofde van verplichte
aansprakelijkheidsverzekeringen, in plaats van dat alleen toe te staan in een faillissementsscenario
zoals nu het geval is.
De IRRD laat echter geen ruimte voor een andere keuze dan het uitsluiten van verplichtingen
uit hoofde van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen voor de toepassing
van het instrument van bail-in. Het voorliggende wetsvoorstel volgt, gelet op het
uitgangspunt van zuivere implementatie, de IRRD. De signalering van DNB leidt niet
tot aanpassing van het voorgestelde artikel 3A:94 Wft, dat opsomt welke vorderingen
zijn uitgesloten van toepassing van bail-in. Een oplossing waarbij middelen uit het
Waarborgfonds Motorverkeer in resolutie beschikbaar worden gesteld, zou een nieuwe
functie voor het Waarborgfonds Motorverkeer betekenen.30 Het zou ook een nationale toevoeging zijn die niet vereist is onder het Europees
recht en zou zich daarom op dit moment ook niet goed verhouden tot een lastenluwe
implementatie van de IRRD en tot bevordering van een gelijk speelveld ten aanzien
van waarborgfondsen onder de richtlijn 2009/103/EG. Dit vergt een nadere beleidsafweging,
die raakt aan de verantwoordelijkheden van de Staatssecretaris van Justitie & Veiligheid
en vergt zorgvuldige afstemming met het Waarborgfonds Motorverkeer en de verzekeraars
die het fonds financieren. Daarvoor is in dit implementatietraject onvoldoende ruimte.
Bovendien dienen er minder ingrijpende maatregelen te worden onderzocht. Het Ministerie
van Financiën blijft met DNB in gesprek over dit onderwerp ten behoeve van de nadere
beleidsvorming.
Het staat op dit moment overigens niet vast dat in alle gevallen de hiervoor omschreven
NCWO-problemen zich zouden voordoen. DNB heeft nog andere instrumenten tot haar beschikking
die zij mogelijk kan inzetten voor deze portefeuilles of claims. Het is aan DNB om
het NCWO-probleem dat mogelijk ontstaat bij een schadeverzekeraar met een grote portefeuille
verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen vooraf mee te wegen in haar
keuze voor een bepaalde afwikkelingsstrategie en de daarbij inzetbare afwikkelingsinstrumenten.
DNB kan ten behoeve van de nadere beleidsvorming inzichtelijk maken in hoeverre de
andere instrumenten toereikend zijn. De toets of schuldeisers niet slechter af zijn
dan in faillissement, dient het grondrecht op het ongestoord genot van eigendom te
beschermen. Het NCWO-beginsel dient daarom zwaar te wegen, ook als dat negatief uitpakt
voor de NCWO-toets en daardoor leidt tot een aanpassing in de afwikkelingsstrategie.
Beperkte toepasbaarheid van resolutie-instrumentarium voor zorgverzekeraars
Ten tweede noemt DNB dat het resolutiekader slechts beperkt toepasbaar is op zorgverzekeraars.
Dit komt volgens DNB onder meer door de uitsluiting van verplichtingen uit hoofde
van zorgverzekeringen van bail-in en de specifieke karakteristieken van het Nederlandse
zorgstelsel. Dit is een terecht en ook bekend punt. De IRRD biedt echter geen ruimte
om af te wijken van de verplichting om voor zorgverzekeraars die een kritieke functie
vervullen in het stelsel een afwikkelingsplan op te stellen. Het ligt op de weg van
DNB om pragmatisch om te gaan met afwikkelingsplanning voor deze categorie verzekeraars.
Indien de conclusie zou zijn dat toepassing van het resolutieraamwerk niet zal of
kan leiden tot een betere uitkomst dan een regulier faillissement, dan dient dit ook
tot uitdrukking te komen in de algemeen-belang-toets, in het afwikkelingsplan en de
mate van planning. Een afgeslankt proces volstaat dan waarschijnlijk, hetgeen meebrengt
dat het minder intensief en kostbaar zou moeten zijn voor zowel DNB, als de betreffende
verzekeraars.
Beperkte afdwingbaarheid van resolutiebevoegdheden bij herverzekeringen onder niet-EU-recht
De derde kwestie die DNB opwerpt, ziet op de verplichting om in financiële contracten
die vallen onder het recht van een land buiten de EU een opschortingserkenningsclausule
op te nemen. Daarmee erkennen partijen dat DNB bevoegd is om in het kader van resolutie
rechten en verplichtingen tijdelijk op te schorten of te beperken, en dat bepaalde
contractuele voorwaarden van rechtswege uitgesloten kunnen zijn. Herverzekeringscontracten
vallen niet onder deze verplichting, aangezien zij geen «financiële contracten» zijn
als bedoeld in de IRRD. Dergelijke opschortingserkenningsclausules als voorgeschreven
in artikel 52 IRRD zijn bedoeld om risico’s ten aanzien van automatische vroegtijdige
beëindiging op grond van clausules in financiële contracten te voorkomen. DNB verzoekt
om de verplichting uit te breiden naar herverzekeringsovereenkomsten. De reden die
zij aanvoert is dat herverzekeringsovereenkomsten – net als financiële contracten
– een relevante rol kunnen spelen bij afwikkelbaarheid in resolutie. Duidelijk is
echter dat artikel 52 IRRD niet bedoeld is voor herverzekeringscontracten. Omdat een
lastenluwe implementatie beoogd wordt, is ervoor gekozen om het voorstel van DNB niet
over te nemen. Indien de verwachting van DNB juist is dat vergelijkbare clausules
in de praktijk vaak toch wel worden opgenomen in herverzekeringscontracten en het
wetsvoorstel reeds voorziet in een algemene verplichting tot opname van bail-in erkenningsclausules
in overeenkomsten onder niet-EU-recht, is bovendien geen sprake van voldoende noodzaak
voor aanwending van het wettelijk instrumentarium en het opleggen van een extra wettelijke
verplichtingen bovenop de verplichtingen die al gelden voor de sector op grond van
de IRRD.
Uitsluiting van bail-in bij verplichtingen aan belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties
en risico op een schending van het NCWO-beginsel
Op grond van de IRRD moeten preferente verplichtingen aan belastingautoriteiten en
socialezekerheidsinstanties worden uitgesloten van bail-in. Dit is ook opgenomen in
het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel gaat uit van een beperkte interpretatie van deze
uitsluitingsgrond, waarbij dergelijke verplichtingen alleen dan worden uitgesloten
van bail-in indien zij in faillissement tevens een hogere rang hebben dan verplichtingen
uit hoofde van verzekering. DNB wijst in haar brief op het risico dat gepaard gaat
met een andere uitleg dan de uitleg die nu is gehanteerd in het wetsvoorstel. Dit
wordt ter kennisgeving aangenomen. Omdat de signalering van DNB geen betrekking heeft
op het huidige wetsvoorstel, leidt zij ook niet tot aanpassingen.
Verwachte regeldruk voor de sector
Ten slotte merkt DNB op dat gevolgen voor de sector op dit moment nog lastig te kwantificeren
zijn. De uiteindelijke impact zal in belangrijke mate afhangen van de nadere uitwerking
van technische standaarden en richtsnoeren door EIOPA, en de wijze waarop deze worden
vertaald naar het beleidskader van DNB en de praktische toepassing daarvan. Op basis
van haar huidige inzichten voorziet DNB een beperkte toename van de regeldruk, waarbij
het precieze effect afhankelijk blijft van verdere Europese en nationale invulling.
In dit kader wordt opgemerkt dat DNB nauw betrokken zal zijn bij de nadere invulling
van deze regelgeving en daarbij niet alleen kan inzetten op effectiviteit, maar ook
op het beperken van de regeldruk als gevolg van nadere uitwerking door EIOPA.
7.2 Advies Raad voor de Rechtspraak
Bij brief van 17 december 2025 heeft de Raad voor de rechtspraak (hierna: de «Raad»)
haar advies ten aanzien van dit wetsvoorstel met het Ministerie van Financiën gedeeld.31 Het wetsvoorstel leidt volgens de Raad niet tot substantiële werklastgevolgen voor
de rechtspraak. De Raad heeft geen zwaarwegende bezwaren tegen het wetsvoorstel, maar
geeft in overweging het wetsvoorstel te verduidelijken op het onderdeel waar haar
advies op ziet.
Haar advies heeft betrekking op het onderdeel dat aanbieders van essentiële diensten
onder de reikwijdte van het raamwerk vallen en dat het faillissement van een dergelijke
entiteit alleen bij de rechtbank Amsterdam kan worden ingediend door een schuldeiser,
DNB of de entiteit zelf. Het is volgens de Raad niet goed in te schatten hoeveel en
welke bedrijven kwalificeren als aanbieders van essentiële diensten». Hierdoor is
het moeilijk om in te schatten, indien een faillissementsaanvraag van een dergelijke
entiteit bij een andere rechtbank wordt ingediend, of bekend is bij zowel de aanvrager
als de betreffende rechtbank dat dit verzoek moet worden doorverwezen naar de rechtbank
Amsterdam. De Raad verzoekt hier aandacht aan te besteden in het voorstel. Naar aanleiding
van dit advies zijn in de artikelsgewijze toelichting bij Artikel II, onderdeel I,
wijzigingen aangebracht om dit te verduidelijken. Verder wordt opgemerkt dat een schuldeiser
niet altijd op de hoogte zal zijn van het feit dat zijn schuldenaar kwalificeert als
aanbieder van essentiële diensten onder de IRRD. Het is daarom van belang dat de betreffende
entiteiten, de rechtbank en DNB (voor zover DNB op de hoogte is van een dergelijke
aanvraag) zelf ook scherp zijn op dit forumvereiste.
§ 8. Toezicht en handhaving
DNB is reeds op grond van de Whav aangewezen als afwikkelingsautoriteit, deze rol
is vastgesteld in de Bankwet 1998 (zie hiervoor ook de toelichting bij Artikel III).
Op grond van de IRRD heeft DNB een rol als toezichthouder en afwikkelingsautoriteit
en wordt zij ook geacht in die hoedanigheden samen te werken. Haar rol als toezichthouder
speelt voornamelijk bij de aanlevering door entiteiten van de voorbereidend (groeps)crisisplannen
en bij de aanvraag van faillissement volgend uit de Faillissementswet. Daarnaast krijgt
DNB nieuwe bevoegdheden doordat de IRRD een nieuw afwikkelingsinstrument introduceert:
het instrument van de solvabele run-off. Op grond van dit instrument kan DNB een falende
verzekeraar die kritieke verzekeringsdiensten aanbiedt in een passend tempo afwikkelen,
met het oog op de marktomstandigheden van dat moment (zie voor een verdere toelichting
paragraaf 3.2.4 van deze toelichting). Een nieuw aspect volgend uit de implementatie
van de IRRD is de samenwerking met toezichthoudende autoriteiten in andere lidstaten
en binnen afwikkelingscolleges met afwikkelingsautoriteiten uit andere lidstaten.
Veel van deze samenwerking wordt geregeld in de Rtt Wft. Ook zullen de technische
standaarden van EIOPA invloed hebben op het werk van DNB.
DNB kan op grond van de artikelen 1:79 en 1:80 Wft en de daarbij behorende bijlagen
middels een last onder dwangsom of bestuurlijke boete handhavend optreden.
§ 9. Advies en consultatie
9.1 Advies
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft op 19 januari 2026 een positief advies
uitgebracht.32 De ATR adviseert om het wetsvoorstel in te dienen bij de Raad van State na inachtneming
van het door haar gegeven adviespunt.
In algemene zin constateert de ATR dat de verplichtingen in dit wetsvoorstel volgen
uit de implementatieverplichting die op Nederland rust op grond van de richtlijn.
Binnen deze implementatieverplichting is er ruimte voor Nederland om sommige verplichtingen
al dan niet te implementeren, zogeheten lidstaatopties. Het gebruik van lidstaatopties
in dit wetsvoorstel acht de ATR lastenluw, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van
lidstaatopties die tot meer regeldruk leiden of lidstaatopties onbenut worden gelaten
die tot minder regeldruk leiden. De ATR merkt op dat ten aanzien van de werkbaarheid
van de VCPs, het aantal verzekeraars dat wordt onderworpen aan een (groeps-) VCP op
grond van een beoordeling van DNB wordt vastgesteld, die vervolgens hoort te leiden
tot een minimale dekkingsgraad van de markt van 60 procent. De criteria voor deze
beoordeling worden uitgewerkt door EIOPA. Hierin stelt de ATR dat DNB een dubbele
rol vervult als toezichthouder, afwikkelingsautoriteit en regelgever in EIOPA verband.
Door haar rol zou het risico kunnen ontstaan dat de VCP-verplichting wordt verruimd,
wat potentiële regeldruk gevolgen heeft. De ATR geeft daarom ter overweging mee dat
het ministerie jaarlijks monitort hoe groot het percentage van de markt is dat een
VCP moet opstellen. Zoals de ATR stelt, volgt de discretionaire ruimte voor DNB uit
de richtlijn, om die reden leidt haar suggestie niet tot wijziging van dit wetsvoorstel.
De suggestie van de ATR zal worden meegenomen in nadere beleidsvorming van het Ministerie
van Financiën en doorlopende gesprekken met DNB. Verder merkt de ATR op dat de regeldrukeffecten
van de gedelegeerde verordeningen niet zijn meegenomen in de toelichting bij het implementatievoorstel
omdat deze rechtstreeks werking hebben en niet worden omgezet in Nederlandse wetgeving.
De ATR verwacht dat juist deze standaarden tot veel regeldruk zullen leiden vanwege
de omvang en mate van detail van de regels. Zij constateert dat met dit wetsvoorstel
een lastenluwe implementatie wordt nagestreefd en adviseert de Minister van Financiën
tijdig inzicht te krijgen in de regeldrukgevolgen van de voorgestelde inbreng van
Nederland (via DNB) in het kader van de nog op te stellen gedelegeerde verordeningen
door EIOPA. Dit advies vraagt niet om aanpassing van het wetsvoorstel. Het Ministerie
van Financiën neemt het adviespunt mee in haar beleidsvorming en reguliere contacten
met zowel DNB, als EIOPA.
9.2 Consultatie
Dit wetsvoorstel is openbaar geconsulteerd van 21 oktober tot 18 november 2025. Er
zijn twee consultatiereacties ontvangen: een van het Verbond van Verzekeraars (hierna:
het «Verbond») en een van een particulier.
9.2.1 Reactie Verbond van Verzekeraars
De consultatiereactie van het Verbond gaat in op diverse onderwerpen, die hierna ieder
aan bod komen. In algemene zin roept het Verbond het Ministerie van Financiën op om
aandacht te vragen op Europees niveau, bij DNB en bij EIOPA, voor een proportioneel
raamwerk bij de uitwerking van de verschillende mandaten die zij hebben gekregen.
Het ministerie neemt dit signaal ter harte, aangezien het past bij de tijdsgeest en
de voorgenomen simplificatie op zowel nationaal als Europees niveau.
(i) Kritieke functies
Ten eerste bepleit het Verbond, in lijn met dit voorstel, een beperkte uitleg van
het begrip «kritieke functies», dat met name relevant is voor de algemeen-belang-toets
op basis waarvan wordt besloten of een verzekeraar in afwikkeling kan worden genomen
wanneer zij (bijna) faalt. Het Verbond omarmt de uitleg zoals gegeven in deze toelichting
bij het wetsvoorstel, namelijk dat bij de invulling van kritieke functies de nadruk
moet liggen op het bieden van verzekeringsdekking.
(ii) Regeldruk en financiële gevolgen, playbook en inzicht in afwikkelingsstrategie
Ten tweede merkt het Verbond op dat de regeldruk ten aanzien van afwikkeling onder
het huidige wettelijk kader al als aanzienlijk wordt ervaren en dat dit, naast de
identificatie van eventuele belemmeringen, vooral ziet op de informatievoorziening
aan DNB ten behoeve van afwikkeling (de zogenaamde «ReRap»). Het Verbond wijst erop
dat de feitelijke regeldruk van de IRRD afhankelijk is van de wijze waarop de planningsvereisten
nader worden uitgewerkt op Europees niveau. In de paragraaf 6.2. van deze toelichting
is uitgelegd wat de verwachte regeldruk is. Mede naar aanleiding van de opmerking
van het Verbond, is deze paragraaf aangevuld ten aanzien van de regeldruk voortvloeiend
uit mandaten verstrekt aan EIOPA. Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar paragraaf
7.1 van deze toelichting.
Het Verbond heeft specifieke aandacht voor de draaiboeken die DNB vraagt van een aantal
grote verzekeraars en die zien op de uitvoering van afwikkelingsplannen. DNB vraagt
de verzekeraars deze draaiboeken te maken in het kader van het operationaliseren van
afwikkelingsplanning. Het Verbond benadrukt dat de ontwikkeling van en eisen omtrent
deze draaiboeken wel proportioneel moet blijven. De IRRD en dit wetsvoorstel bevatten
geen expliciete verplichting om draaiboeken voor een resolutiescenario op te stellen.
Wel rust op DNB de verplichting om de afwikkelbaarheid van de verzekeraar te beoordelen
en ingeval van wezenlijke belemmeringen deze te laten wegnemen. Het is aan DNB om
ervoor te zorgen dat de wijze waarop zij invulling geeft aan haar taak als afwikkelingsautoriteit,
in verhouding staat tot de kans dat de instelling bij falen in resolutie afgewikkeld
wordt en wat er redelijkerwijs op voorhand en op doorlopende basis al aan paraatheid
van de onderneming kan worden verwacht. DNB dient bij deze beoordeling rekening te
houden met de lasten die de toepassing van dit raamwerk voor een onderneming met zich
meebrengt.
Het Verbond vraagt ook om voldoende inzicht voor verzekeraars in de afwikkelingsstrategie
voor hun onderneming en de mogelijke inzet van afwikkelingsinstrumenten daarbij. Artikel
9, zesde lid, IRRD en artikel 3A:81, eerste lid, van dit wetsvoorstel (via een dynamische
verwijzing) bevatten de verplichting voor de afwikkelingsautoriteit om de samenvatting
van de belangrijkste onderdelen van het afwikkelingsplan te delen met de verzekeraar
op wie het plan betrekking heeft. Deze samenvatting noemt ten minste welke afwikkelingsinstrumenten
mogelijk zullen worden ingezet. Dit is meer dan redelijk als de verzekeraar daarvoor
aanpassingen in haar bedrijfsvoering moet doorvoeren in het kader van afwikkelbaarheid.
(iii) NCWO-beginsel en bail-in
Het Verbond uit de zorg dat de afwikkelingsautoriteit op basis van dit wetsvoorstel
een verdergaande bail-in zou toepassen dan het NCWO-beginsel onder IRRD zou toelaten
en het verschil zou afwentelen op de verzekeringssector via de financieringsregeling
van artikel 3A:138 Wft. Zoals uiteengezet in de artikelsgewijze toelichting bij artikel
3A:88 Wft, is het NCWO-beginsel een belangrijk beginsel dat in acht genomen moet worden
bij de keuzes die DNB als afwikkelingsautoriteit maakt om de afwikkelingsdoelstellingen
te realiseren. De door artikel 3A:91, tweede lid, Wft vereiste compensatie van achteraf
gebleken NCWO-schendingen uit de financieringsregeling, is daarom geen vrijbrief om
het instrument van bail-in of een ander instrument onbeperkt in te zetten. Een scenario
waarin de afwikkelingsautoriteit op voorhand de keuze maakt om een bij aanvang bekend
NCWO-verschil of een herkapitalisatie te financieren met bijdrages uit de verzekeringssector
via de financieringsregeling is niet mogelijk, omdat dit feitelijk neerkomt op aanwending
voor herkapitalisatie. Dat is niet de bedoeling, zoals blijkt uit artikel 3A:138,
vierde lid, Wft.
Wat wel denkbaar is, is dat DNB bij aanvang van afwikkeling in resolutie een totaalpakket
van verschillende afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden inzet, dat als geheel
de NCWO-toets doorstaat, maar waarbij een klein deel van de schuldeisers niet even
goed af zouden zijn als in faillissement. Als dat verschil niet te dekken is uit opbrengsten
uit de afwikkeling en andere oplossingen niet tot een beter resultaat leiden, kan
het verschil achteraf worden afgedekt via bijdrages uit de sector aan de financieringsregeling.
Dat is een ander uitgangspunt dan op voorhand besluiten om een NCWO-probleem «maar»
te accepteren en te besluiten dat het gat moet worden gedicht met de financieringsregeling.
Indien gedurende de afwikkeling het initiële pakket aan afwikkelingsmaatregelen niet
toereikend blijkt en DNB opnieuw moet overgaan tot inzet van instrumenten en bevoegdheden,
dan dient voorafgaand aan het besluit daartoe opnieuw een NCWO-toets plaats te vinden.
(iv) Solvabele run-off
Het Verbond merkt op dat het wetsvoorstel en de toelichting daarbij nog niet voldoende
duidelijkheid bieden over de kapitaalvereisten die gelden bij toepassing van het instrument
van solvabele run-off. Naar aanleiding van gesprekken met de Europese Commissie en
DNB over de lezing van artikel 27 IRRD, is besloten om het wetsvoorstel en de bijbehorende
toelichting te verbeteren. Voor een aangepaste toelichting over de kapitaaleisen die
gelden bij de toepassing van de solvabele run-off, wordt verwezen naar paragraaf 3.2.4.
hierboven en de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel RR hierna.
Het is niet vereist dat bail-in wordt toegepast bij aanvang van een solvabele run-off,
maar de kans is wel groot dat dit nodig is om een verzekeraar weer te kapitaliseren
op het niveau van de MCR of andere niveaus indien de verzekeraar haar vergunning nog
heeft. In de meeste gevallen zal sprake zijn van een beperking of verbod op beloningen
en dividend als bedoeld in artikel 27, zevende lid, IRRD. Het is aan DNB als afwikkelingsautoriteit
om een dergelijke maatregel op te leggen en te beoordelen of en wanneer de beperking
of het verbod weer kan worden opgeheven tijdens de solvabele run-off. Uiteindelijk
gaat het erom dat het instrument van solvabele run-off effectief kan worden toegepast.
Het zou kunnen dat er een punt komt tijdens de solvabele run-off, waarop de verzekeraar
voldoende gekapitaliseerd is en de beperking of het verbod kan worden opgegeven. Daarbij
wordt wel gewezen op artikel 26, tweede lid, tweede alinea, IRRD (dat zal worden geïmplementeerd
via de Rtt Wft), dat voorschrijft dat opbrengsten uit resolutie eerst moeten worden
gebruikt om polishouders en andere schuldeisers terug te betalen wier claims onderworpen
zijn geweest aan bail-in en die geconfronteerd zijn met kortingen (verliezen), alvorens
men toekomt aan vergoedingen aan aandeelhouders.
(v) Groepsafwikkeling en het betrekken van andere entiteiten in de afwikkeling van
een verzekeraar
Het Verbond vraagt nadere verduidelijking ten aanzien van de beoordeling of de afwikkeling
van de groep als geheel in het algemeen belang is en hoe zich dit verhoudt met de
criteria die gelden voor de algemeen-belang-toets op het niveau van een individuele
verzekeraar of een de verzekeraar in combinatie met enkele groepsentiteiten, ook met
het oog op het feit dat het begrip kritieke functies in de algemeen belangtoets met
name ziet op verzekeringsactiviteiten. Dit wetsvoorstel gaat uit van afwikkeling van
de verzekeraar (solo) of de verzekeraar in combinatie met (een aantal) relevante groepsentiteiten
(groepsafwikkeling). De wet schrijft niet voor dat ook afwikkeling van de groep als
geheel moet plaatsvinden. Het zal veelal de verzekeraar zijn die een kritieke functie
vervult, niet de groep als zodanig. In praktijk komt het erop neer dat het aanknopingspunt
van de algemeen-belang-toets de individuele verzekeraar is en dat de algemeen-belang-toets
vooral op de individuele verzekeraar betrekking zal hebben, maar dat daarbij de groepsdynamiek
en mogelijke grensoverschrijdende gevolgen moeten worden meegewogen. Vervolgens kunnen
deze grensoverschrijdende effecten van belang zijn voor de planning en de keuzes voor
de instrumenten die door de afwikkelingsautoriteit worden ingezet. Deze vraag van
het Verbond heeft niet geleid tot aanpassing van dit wetsvoorstel.
(vi) Lidstaatopties 52, tweede lid, IRRD en 67, eerste lid, IRRD
Het Verbond gaat in op twee lidstaatopties uit de IRRD. In de eerste plaats roept
het Verbond DNB op om terughoudend te zijn in het toepassen van haar bevoegdheden
op grond van artikel 52, tweede lid, en aanwending daarvan deugdelijk te onderbouwen.
Volgens het Verbond leidt het opschorten en beperken van de rechten bedoeld in artikel
52 onnodig beperkend werken voor dochtermaatschappijen die niet onderdeel zijn van
de afwikkelingsstrategie. Verwezen wordt naar paragraaf 7.1 hierboven.
Daarnaast vraagt het Verbond nadere duidelijkheid over de ratio achter de keuze die
is gemaakt in dit wetsvoorstel om geen ex ante judiciële toetsing van de inzet van resolutiemaatregelen in te voeren. Ons huidige
stelsel kent een dergelijke ex ante rechterlijke goedkeuring niet. Omwille van de snelheid van handelen die waarschijnlijk
is vereist bij een (bijna) falen van een verzekeraar en de mogelijkheid om achteraf
beroep aan te tekenen bij de rechter, is reden om niet voor een toetsing vooraf te
kiezen. In de context van een lastenluwe implementatie is dit alternatieve model ook
niet verder onderzocht.
(vii) Financiering van afwikkeling en verzekeringsgarantiestelsels
Het Verbond sluit af met de opmerking dat zij het eens is met de keuzes in dit wetsvoorstel
om de financieringsregeling niet significant te wijzigen en de beperkte toepassing
en ex post financiering ervan in stand te laten. Het Verbond doet de uitnodiging om
in gesprek te blijven over de ontwikkelingen ten aanzien van een mogelijk Europees
geharmoniseerd kader voor verzekeringsgarantiestelsels en de samenhang met de financieringsregeling.
Het Ministerie van Financiën zal in de context van die discussie met belanghebbenden
spreken, waaronder uiteraard ook het Verbond, om tot een gebalanceerd standpunt te
komen en de belangen van de Nederlandse polishouders en verzekeringssector goed te
kunnen behartigen in Europa.
9.2.2 Vraag particulier over schadevergoeding voor polishouder
Verder is naar aanleiding van de internetconsultatie van onderhavig wetsvoorstel door
een particulier gevraagd of een gepensioneerde die zijn pensioen heeft ondergebracht
bij een verzekeraar die vervolgens failliet gaat, bij DNB terecht kan voor schadevergoeding,
en hoe het werkt als een nieuwe investeerder de verzekeraar of de polis heeft overgenomen
met goedkeuring van DNB.
Indien een verzekeraar failliet gaat, dan is de curator degene die de failliete verzekeraar
afwikkelt. In dat geval is het aan de curator, gecontroleerd door de rechter, om te
proberen de verplichtingen aan de polishouders (incl. personen die een levensverzekering
hebben als onderdeel van hun pensioen) zoveel mogelijk te voldoen. Deze vraagt leidt
niet tot aanpassing van het wetsvoorstel.
§ 10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De IRRD voorziet niet in overgangsrecht. De verdere wijzigingen uit dit wetsvoorstel
worden van kracht bij inwerkingtreding van de wet.
Dit wetsvoorstel bevat wel een aantal voorschriften die tijdige aandacht vergen van
de entiteiten die onder de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2 Wft vallen. Er worden enkele
artikelen ingevoegd over contractuele bedingen in overeenkomsten die deze entiteiten
aangaan of zijn aangegaan. Ten aanzien van verplichte contractuele bedingen als bedoeld
in artikel 47, tweede lid, IRRD waarvan artikel 3A:80a Wft een implementatie vormt,
geldt dat deze bepalingen in alle overeenkomsten waarbij de betreffende passiva tot
stand komen, moeten worden opgenomen. Voor de verplichte contractuele bedingen bedoeld
52, eerste en tweede lid, IRRD, waarvan artikel 3A:80b, eerste en tweede lid, een
implementatie vormen, geldt dat deze bepalingen moeten worden opgenomen in overeenkomsten
die zijn aangegaan na de inwerkingtredingsdatum van deze implementatiewet. Ook voor
bestaande overeenkomsten kan dit van toepassing zijn als na de inwerkingtreding daarin
een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk
wordt gewijzigd.
De IRRD schrijft uiterlijke toepassing voor op 30 januari 2027. Deze implementatiewet
treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met als streefdatum
1 januari 2027, conform de vaste verandermomenten voor wet- en regelgeving.
ARTIKELSGEWIJS
ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)
A (1:1)
Met dit onderdeel wordt de definitie opgenomen voor de IRRD in artikel 1:1 Wft. Andere
relevante definities worden toegevoegd aan artikel 3A:77 Wft (zie onderdeel J).
B (1:25d)
Artikel 1:25d Wft bevat een aansprakelijkheidsbeperking voor DNB, AFM en specifieke
andere entiteiten en personen. Aan onderdeel h van artikel 1:25d, derde lid, wordt
een verwijzing naar het artikel dat de Stichting administratiekantoor afwikkeling
(SAA) regelt, opgenomen. De SAA kan essentieel zijn voor de uitoefening van de bail-in
bevoegdheid door DNB (zie het algemene deel van deze toelichting en hierna bij onderdeel
UU (3A:121a)). Evenals bij andere vehikels die in afwikkeling gebruikt kunnen worden
(zoals een overbruggingsinstelling, een entiteit voor activa- en passivabeheer of
een SAA voor banken) wordt ook de SAA voor verzekeraars toegevoegd aan artikel 1:25d,
derde lid, Wft.
C (1:51)
Artikel 1:51 vormt de juridische basis voor samenwerking tussen DNB in haar hoedanigheid
van toezichthoudende autoriteit en afwikkelingsautoriteit en haar collega-autoriteiten
in andere lidstaten. Er was daarin reeds een verwijzing opgenomen naar afwikkelingsautoriteiten
aangewezen overeenkomstig artikel 3 BRRD, maar voor de correcte implementatie van
de IRRD is ook een verwijzing naar afwikkelingsautoriteiten aangewezen overeenkomstig
artikel 3 van de IRRD nodig. Zoals aangegeven in het algemene deel van deze toelichting,
zal een aantal bepalingen uit de IRRD die zien op samenwerking tussen DNB en autoriteiten
uit verschillende lidstaten geïmplementeerd worden in de Rtt Wft, die mede stoelt
op dit artikel 1:51 Wft.
D (1:51e)
Met dit onderdeel wordt om dezelfde reden als toegelicht in onderdeel C (artikel 1:51
Wft) een referentie opgenomen naar de afwikkelingsautoriteiten aangewezen overeenkomstig
BRRD of IRRD. Daarmee vormt dit artikel, samen met enkele andere grondslagen, een
sluitende grondslag voor implementatie van een aantal onderdelen van de IRRD in de
Rtt Wft.
E (Afdeling 1.3.3)
In de titel van Afdeling 1.3.3 wordt voor de volledigheid en de consistentie met de
inhoud van artikel 1:65 Wft na «toezichthoudende instanties» ingevoegd «en bij afwikkeling
betrokken autoriteiten».
F (1:90)
In artikel 1:90 zijn al regels opgenomen voor omgang met vertrouwelijke gegevens en
inlichtingen en verstrekking daarvan in de context van herstel- en afwikkeling van
banken en beleggingsondernemingen. Met dit onderdeel wordt ten behoeve van de uitvoerbaarheid
van het kader voor verzekeraars een verwijzing naar personen en instanties als bedoeld
in artikel 65, tweede lid, onderdeel j, en artikel 66, vierde lid en vijfde lid, onderdeel
c, IRRD opgenomen, om te zorgen dat DNB ook vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
verkregen bij de uitvoering van haar taak op grond van deze wet, mag verstrekken aan
deze personen of instanties. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om andere bevoegde ministeries
en afwikkelingsautoriteiten of bijzondere bestuurders en adviseurs. Met de voorgestelde
aanpassing wordt dus het kader voor verzekeraars ingepast in het bestaande raamwerk.
Er wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie in artikel 66, vijfde lid, IRRD, dat
lidstaten de mogelijkheid biedt om uitwisseling van informatie toe te staan met bijvoorbeeld
andere nationale entiteiten, rechters, parlementaire enquêtecommissies. Door de ruime
formulering van artikel 1:90, eerste lid, aanhef, kan de informatie met alle in artikel
66, vijfde lid, IRRD genoemde instanties (voor zover in Nederland aanwezig) worden
uitgewisseld, mits aan de in het eerste lid opgesomde waarborgen is voldaan. Daarmee
wordt het bestaande recht gehandhaafd en kan DNB effectief opereren in de Nederlandse
context.
G (3:57c)
Artikel 3:57c (nieuw) regelt de verplichtingen ten aanzien van het VCP. In de richtlijn
wordt de term «preventief herstelplan» gebruikt. In dit wetsvoorstel is echter gekozen
om de huidige bewoording voor een dergelijk plan uit de Wft aan te houden en te spreken
van een «voorbereidend crisisplan». Hoewel de algemene verplichting tot het opstellen
van een VCP al volgt uit artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, is ervoor
gekozen om een separaat artikel toe te voegen, waarin de reikwijdte van de verplichting
om een VCP op te stellen nader wordt uitgewerkt. Kort gezegd, zal DNB op basis van
de criteria in artikel 5 IRRD beoordelen of een verzekeraar een VCP moet opstellen.
DNB komt dus op basis van de gegeven criteria tot een selectie van ondernemingen die
onder het nieuwe kader verplicht herstelplanning moeten doen. Daarbij zijn kleine
en niet-complexe ondernemingen in beginsel uitgezonderd van de verplichting, tenzij
DNB van oordeel is dat een individuele onderneming nationaal of regionaal een bijzonder
risico vormt. DNB kan daarnaast op grond van artikel 4, eerste lid, IRRD, dat wordt
geïmplementeerd in artikel 3:57c, derde lid, besluiten dat vereenvoudigde verplichtingen
ten aanzien van voorbereidende crisisplanning gelden voor een verzekeraar. Artikel
3:57c, eerste lid, verwijst naar het eerste lid van artikel 5 IRRD, waardoor geregeld
wordt dat een verzekeraar die deel uitmaakt van een groep die al is onderworpen aan
de verplichting om een voorbereidend groepscrisisplan op te stellen, niet nog een
apart eigen VCP hoeft op te stellen, tenzij DNB op grond van artikel 3:288i1, tweede
en derde lid, anders oordeelt.
Via de bestaande delegatiegrondslag in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder
4°, kunnen materiële voorschriften voor dit VCP worden voorgeschreven bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur. In paragraaf 4.3a van het Bpr zal nadere uitwerking
worden gegeven aan de regels omtrent een VCP.
H (3:288i1)
Met dit onderdeel wordt geregeld dat DNB van een uiteindelijke moederonderneming kan
vereisen dat zij een voorbereidend groepscrisisplan opstelt, waarin maatregelen staan
beschreven op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming en de afzonderlijke
dochterondernemingen. De algemene verplichting om een voorbereidend groepscrisisplan
te hebben volgt voor alle groepen onder toezicht van DNB ook al uit artikel 3:17,
tweede lid, onderdeel c, onder 4, gelezen in samenhang met artikel 3:288h, eerste
lid. DNB beoordeelt voor alle groepen onder haar toezicht of een voorbereidend groepscrisisplan
nodig is. Dit artikel noemt tevens dat samenwerking tussen DNB en de groepstoezichthouder
plaatsvindt voor Nederlandse rechtspersonen die binnen een groep vallen die gevestigd
is in de Europese Unie, zodat DNB erop kan toezien dat de belangen van Nederlandse
polishouders beschermd zijn. Verdere details over de samenwerking worden geregeld
met de Rtt Wft.
Ten aanzien van een voorbereidend groepscrisisplan geldt ook dat DNB kan toestaan
dat vereenvoudigde verplichtingen van toepassing zijn, zoals beschreven in artikel
4 IRRD. In paragraaf 4.3a van het Bpr zal nadere uitwerking worden gegeven aan de
regels omtrent een voorbereidend groepscrisisplan. Daartoe is een delegatiegrondslag
opgenomen in artikel 3:288i1, vijfde lid.
I (3A:14)
In artikel 3A:14, zesde lid, wordt een onvolledige verwijzing hersteld. In de laatste
zin van dit lid wordt verwezen naar het vierde en vijfde lid, terwijl dit het derde
tot en met vijfde lid dient te zijn. Het derde lid verwijst immers tevens naar de
rapportageverplichting.
J (3A:77)
Met dit onderdeel wordt een aantal definities toegevoegd aan artikel 3A:77 en worden
enkele daarin reeds opgenomen definities gewijzigd. De toegevoegde definities worden
vaker gebruikt in hoofdstuk 3A.2 over de afwikkeling van verzekeraars. Zij worden
niet toegevoegd aan artikel 1:1, omdat onderscheid tussen vergelijkbare definities
in de context van herstel en afwikkeling van banken in hoofdstuk 3A.1, die voortvloeien
uit de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, dient te worden gemaakt of omdat
zij om andere redenen in artikel 1:1 niet nodig of passend zijn. De toegevoegde en
gewijzigde definities bevatten vaak dynamische verwijzingen naar de IRRD of naar de
richtlijn solvabiliteit II33 om zo nauw mogelijk daarbij aan te sluiten. Enkele definities worden hieronder uitgelicht
en besproken.
Eigendomsinstrumenten: deze definitie wordt anders geformuleerd dan in de IRRD en daarom wordt niet gekozen
voor een dynamische verwijzing. De reden hiervoor is dat de definitie van eigendomsinstrument
ook van toepassing moet zijn op alle type rechtsvormen van verzekeraars die Nederland
kent. Zo zijn onder andere «participaties» en «lidmaatschapsrechten» toegevoegd aan
de definitie. De bestaande definitie van eigendomsinstrumenten in artikel 3A:77 Wft
wordt met dit wetsvoorstel uitgebreid door rechten op certificaten van aandelen of
rechten op deelnemingsrechten en participaties toe te voegen aan de opsomming. De
artikelsgewijze toelichting van de Wet NUB bij artikel 3A:1 biedt hier ook verdere
verduidelijking.34
Entiteit voor activa en passiva beheer: deze definitie wordt nieuw toegevoegd en bevat een dynamische verwijzing. Bij de
terminologie is aansluiting gezocht bij de bestaande tekst van de Wft, die is vastgesteld
met de inwerkingtreding van de Whav. Om die reden wordt «entiteit voor activa en passiva
beheer» gebruikt daar waar in de IRRD «vehikel voor activa en passiva beheer» wordt
genoemd.
Afwikkelingsmaatregel: met de wijziging van het begrip afwikkelingsmaatregel wordt nu ook de bevoegdheid
tot het nemen van een besluit tot afwikkeling op basis van de artikelen 3A:85, 3A:86
of 3a:87 toegevoegd, naast de al bestaande verwijzing naar een afwikkelingsinstrument
en -bevoegdheid als bedoeld in hoofdstuk 3A.2.
Entiteit in afwikkeling: deze definitie verwijst naar de term opgenomen in de IRRD. Met de aanduiding «entiteit
in afwikkeling» in een artikel van dit wetsvoorstel wordt de entiteit bedoeld die
door DNB in resolutie wordt genomen en de entiteiten die in die afwikkeling betrokken
worden. Dat kunnen de entiteiten zoals opgesomd in artikel 3A:78 Wft betreffen. Welke
exacte entiteiten worden bedoeld hangt af van de context van het artikel waarin het
wordt gebruikt.
Groep: de term «groep» betekent op basis van de huidige definitie in artikel 3A:77 een
richtlijngroep (als gedefinieerd in artikel 1:1) waarvan een verzekeraar met zetel
in Nederland onder toezicht van DNB onderdeel uitmaakt. In lijn met de IRRD, wordt
deze definitie gewijzigd zodat deze verwijst naar het groepsbegrip van artikel 212,
eerste lid, onderdeel c), van de richtlijn solvabiliteit II. Dat begrip is ruimer
dan de huidige definitie en ziet op, kort gezegd, entiteiten die op een bepaalde wijze
met elkaar verbonden zijn, ongeacht of daarvan een verzekeraar deel uitmaakt en ongeacht
of daarop groepstoezicht van toepassing is in overeenstemming met artikel 213 van
de richtlijn solvabiliteit II. De term groep kan conform haar betekenis in de richtlijn
solvabiliteit II ook betrekking hebben op een kleinere groep (ook wel genoemd subgroep)
die onderdeel is van een ruimere groep. Waar de term groep gebruikt wordt, hangt het
van de context af of daaronder ook subgroepen begrepen dienen te worden.
Kritieke functies: zoals al vermeld in het algemene deel van deze toelichting, wordt hiervoor omwille
van harmonisatie aangesloten bij de definitie in de IRRD, maar is terughoudendheid
geboden met een brede interpretatie van dit begrip en dient de focus te liggen op
het bieden van verzekeringsdekking.
Verkrijger: er is aansluiting gezocht bij de bestaande tekst van de Wft, die is vastgesteld
met de inwerkingtreding van de Whav. Om die reden wordt «verkrijger» gebruikt in de
Wft daar waar «ontvanger» in de IRRD wordt genoemd.
K (3A:78)
Artikel 3A:78 bepaalt de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2. De bevoegdheden die aan DNB
worden toegekend in dit hoofdstuk, kunnen worden toegepast op hoofdzakelijk de entiteiten
genoemd in artikel 3A:78. Dat betekent overigens niet dat de werking van de bepalingen
in dit hoofdstuk overal beperkt is tot deze soorten entiteiten. Zo beschikt DNB op
grond van artikel 3A:79b ook over afwikkelingsbevoegdheden ten aanzien van andere
moederondernemingen dan die genoemd in 3A:78 en gelden de uitsluiting van bepaalde
contractuele voorwaarden op grond van artikel 3A:80c (voorheen artikel 3A:128) en
bevoegdheden van DNB op grond van artikel 3A:111a tot het verplichten van bepaalde
samenwerking ook voor andere entiteiten in de groep.
Met de implementatie van de IRRD wordt de formulering van het bestaande artikel 3A:78
aangepast, om de reikwijdte in lijn te brengen met wat vereist wordt door artikel
1, eerste lid, van de IRRD en om gewijzigde of toegevoegde definities te reflecteren.
Hieronder worden de nieuwe reikwijdte en belangrijkste verschillen met de oude reikwijdte
toegelicht.
Verzekeraars
Onder het bestaande onderdeel a vallen alle verzekeraars met zetel in Nederland die
onder toezicht van DNB staan. Daaronder vallen ook verzekeraars van beperkte risico-omvang.
Dat zijn verzekeraars die ingevolge artikel 4, 7 of 10 van de richtlijn solvabiliteit
II zijn uitgesloten van het toepassingsgebied daarvan en geen gebruik hebben gemaakt
van de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen of te behouden.35 Onder artikel 1, eerste lid, onderdeel a, IRRD vallen echter alleen verzekeraars
met een vergunning onder artikel 14 van de richtlijn solvabiliteit II die in de Unie
zijn gevestigd en binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van die richtlijn vallen
(hierna: «SII-verzekeraars»). Ten behoeve van flexibiliteit in onvoorziene situaties,
is gekozen om de huidige reikwijdte te behouden, dus inclusief verzekeraars met beperkte
risico-omvang. Praktisch leidt dit nagenoeg niet tot verschillen, omdat voor deze
categorie verzekeraars het antwoord op de vraag of afwikkeling daarvan in het algemeen
belang is (zoals bedoeld in artikel 3A:85) doorgaans negatief zal zijn. Bovendien
worden verzekeraars met beperkte risico-omvang, in lijn met het bestaande kader, uitgezonderd
van doorlopende lasten zoals het opstellen van voorbereidende crisisplannen en afwikkelingsplanning.
Daarbij worden van verzekeraars met beperkte risico-omvang geen bijdragen geheven
ten behoeve van de financieringsregeling in artikel 3A:138 Wft.
Holdings
Moederondernemingen van SII-verzekeraars bestaan uit drie soorten entiteiten die elkaar
niet overlappen: verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings,
elk zoals nader gedefinieerd in de richtlijn solvabiliteit II.36 Onder het bestaande artikel 3A:78 vallen alle drie de soorten moederondernemingen
(zie onderdelen b, c en d). Onder artikel 1, eerste lid, IRRD vallen de verzekeringsholdings
en gemengde financiële holdings wel onder de reikwijdte, maar valt de categorie gemengde
verzekeringsholdings in beginsel niet onder de reikwijdte.37 Voorgesteld wordt om de reikwijdte van artikel 3A:78 op dit punt aan te passen aan
artikel 1 IRRD, waardoor gemengde verzekeringsholdings niet meer onder de reikwijdte
vallen. Het bestaande onderdeel d, «gemengde financiële holdings die deel uitmaken
van een groep», komt daarom niet meer terug in het nieuwe artikel 3A:78. Dit heeft
naar verwachting geen noemenswaardige gevolgen voor de afwikkelingsplanningspraktijk.
Onder het bestaande artikel 3A:78 vallen alleen de genoemde moederondernemingen voor
zover zij deel uitmaken van een groep waarvan ook een verzekeraar met zetel in Nederland
onder toezicht van DNB deel uitmaakt. Deze beperking vervalt als gevolg van de implementatie
van IRRD. Op grond van IRRD moeten immers ook Nederlandse verzekeringsholdings en
gemengde financiële holdings in resolutie genomen kunnen worden die geen moederonderneming
zijn van een Nederlandse SII-verzekeraar, maar van een SII-verzekeraar in een andere
lidstaat.
Aanbieders van essentiële diensten
In de IRRD wordt de term aanbieders van essentiële diensten gebruikt voor groepsentiteiten
die goederen of diensten aanbieden aan de verzekeringsonderneming en die nodig zijn
om de continue verrichtingen van de onderneming in stand te houden of om de continuïteit
van de verzekeringsdekking te waarborgen.38 Op basis van artikel 45, tweede lid, IRRD horen afwikkelingsautoriteiten over de
nodige bevoegdheden te beschikken om een dergelijke aanbieder in staat te stellen
de diensten voort te zetten nadat er een afwikkelingsmaatregel is genomen. Blijkens
recital 46 van de IRRD kan de voortzetting van deze diensten gewaarborgd worden door
DNB de mogelijkheid te geven om afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen jegens deze
entiteiten, zoals dat onder de Whav kon ten aanzien van ondernemingen die diensten
van kritiek belang verrichten (bestaande tekst onderdeel e). Daarom is ervoor gekozen
om de aanbieders van essentiële diensten onder de reikwijdte van 3A:78 te brengen
in onderdeel d.
Uniebijkantoren in Nederland
Zoals reeds beschreven in het bestaande onderdeel f van artikel 3A:78 Wft, vallen
in Nederland gelegen bijkantoren van verzekeraars met zetel in een staat die geen
lidstaat is (niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang) onder de reikwijdte
van Hoofdstuk 3A.2. Artikel 1, lid 1, onderdeel f, IRRD bevat ook dergelijke entiteiten.
Er is voor gekozen om de omschrijving van «Uniebijkantoren in Nederland» te gebruiken
voor deze entiteiten in 3A:78, onderdeel e. De reden hiervoor is dat in de definitie
omschrijving in de IRRD, artikel 2, onderdeel 73, «Uniebijkantoor van een onderneming
van een derde land» luidt, waarbij vereist is dat deze is gevestigd in een lidstaat.
Ten behoeve van dit wetsvoorstel maakt daarom «Uniebijkantoren in Nederland» onderdeel
uit van 3A:78, onderdeel e.
Moederverzekeraars, moederholdings in een lidstaat en Uniemoederholdings
Naast de hierboven besproken moederondernemingen, bevat de reikwijdtebepaling van
artikel 1, eerste lid, IRRD, ook nog de in de Unie gevestigde moederverzekerings-
en herverzekeringsondernemingen (onderdeel b), moederverzekeringsholdings in een lidstaat
en gemengde financiële moederholdings in een lidstaat (onderdeel d) en Uniemoederverzekeringsholdings
in een lidstaat en gemengde financiële Uniemoederholdings (onderdeel e). Hoewel een
definitie en nadere duiding van de term moederverzekerings- en herverzekeringsonderneming
(onderdeel b) ontbreekt, lijkt het te gaan om SII-verzekeraars die ook een moederonderneming
zijn. Nu deze verzekeraars al vervat zijn in de verzekeraars bedoeld in artikel 3A:78,
onderdeel a, behoeft deze categorie (onderdeel b van artikel 1, eerste lid, IRRD)
geen separate implementatie. Hetzelfde geldt voor de andere genoemde soorten entiteiten
(onderdelen d en e). Uit hun definities in artikel 2 IRRD blijkt dat die entiteiten
altijd een verzekeringsholding of gemengde financiële holding zijn, die al vervat
zijn in artikel 3A:78, onderdelen b en c, zoals gewijzigd. Daarom behoeven ook onderdelen
d en e van artikel 1, eerste lid, IRRD geen separate implementatie.
Uitleg reikwijdte dynamische verwijzingen naar IRRD
Artikel 3A:78 ziet op de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2. Dit artikel bevat een andere
indeling en formulering dan artikel 1, eerste lid, IRRD. In dit wetsvoorstel wordt
vaak dynamisch verwezen naar artikelen in de IRRD. Die artikelen verwijzen weer naar
artikel 1, eerste lid, IRRD of onderdelen daarvan. Wanneer in een artikel, dat zal
landen in de Wft, dynamisch wordt verwezen naar een artikel uit de IRRD, dan is de
reikwijdte van het artikel uit de IRRD leidend. Echter, wanneer met dit wetsvoorstel
een bredere reikwijdte wordt beoogd dan het betreffende artikel uit de IRRD, dan zal
er in dat artikel verwezen worden naar artikel 3A:78 en de specifieke onderdelen daarvan.
Blijft een verwijzing naar 3A:78 in combinatie met een dynamische verwijzing uit,
dan is dus de reikwijdte bedoeld in het artikel uit de IRRD leidend. Deze uitleg wordt
van belang geacht, omdat artikel 3A:78 op twee onderdelen een ruimere reikwijdte heeft
dan de IRRD: i) verzekeraars met beperkte risico-omvang vallen binnen de reikwijdte
omdat zij ook vallen onder artikel 3A:78, onderdeel a (zie toelichting onder «Verzekeraars»
in dit onderdeel); en ii) aanbieders van essentiële diensten zijn toegevoegd als onderdeel
d, ter implementatie van artikel 45 IRRD.
L
Met dit onderdeel worden twee artikelen ingevoegd, die de uitwerking van afwikkelingsmaatregelen
in andere landen in Nederland regelen.
(3A:79a)
Artikel 3A:79a vormt een uitwerking van artikel 46 IRRD. Het is van gelijke strekking
als het equivalente artikel in deel 3A.1, namelijk artikel 3A:4 Wft. Artikel 46, eerste
lid, IRRD regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van een besluit tot overgang. Artikel
46, vierde lid, IRRD regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van een besluit tot
bail-in. Een nationale wetgever heeft het niet in zijn macht te bepalen dat een in
zijn eigen land genomen besluit tot overgang moet worden erkend en ten uitvoer moet
worden gelegd in een ander land. Hij kan slechts bepalen dat een in een ander land
genomen besluit in zijn eigen land wordt erkend en ten uitvoer gelegd. Dat is dan
ook wat wordt geregeld in artikel 3A:79a. Voor een toelichting bij het tweede lid,
wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Implementatiewet Europees kader
voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.39
(3A:79b)
Dit nieuwe artikel voorziet in de erkenning, handhaving en tenuitvoerlegging door
DNB van afwikkelingsmaatregelen van afwikkelingsautoriteiten van landen buiten de
Europese Unie, of de mogelijkheid daartoe juist niet over te gaan. Artikel 3A:79b
vormt een implementatie van de artikelen 76 en 77 IRRD. Ingevolge het voorgestelde
eerste en tweede lid van artikel 3A:79b kan DNB een afwikkelingsmaatregel van een
autoriteit van een derde land met betrekking tot een verzekeraar met een zetel in
Nederland die een dochteronderneming is van een onderneming van een derde land, een
Uniebijkantoor in Nederland of een moederonderneming zo nodig uitvoeren en handhaven
als ware het besluiten van DNB zelf. Voor wat betreft de eerste categorie genoemde
entiteiten in artikel 3A:79b, wordt de definitie van Uniedochteronderneming toegevoegd
aan artikel 3A:77 om aan te sluiten bij de IRRD. In het derde lid wordt gevolg gegeven
aan artikel 76, vijfde lid, van de richtlijn, waarin is bepaald dat erkenning en handhaving
van afwikkelingsprocedures van een autoriteit in een derde land geen afbreuk doen
aan nationale insolventieprocedures. Dat wil zeggen dat ongeacht erkenning van afwikkelingsmaatregelen
van afwikkelingsautoriteiten van landen buiten de Europese Unie, DNB ook zelf faillissement
kan aanvragen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke erkenning en handhaving evenmin
afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Minister van Financiën opgenomen in Deel 6.
DNB kan op basis van het voorgestelde artikel 3A:79b, vierde lid, weigeren om over
te gaan tot erkenning en tenuitvoerlegging van een afwikkelingsmaatregel van een afwikkelingsautoriteit
van een derde land, indien zij van oordeel is dat sprake is van één of meer van de
situaties genoemd in artikel 77 IRRD. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat
de gevolgen van een dergelijke afwikkelingsmaatregel een bedreiging vormen voor de
financiële stabiliteit in Nederland of een andere lidstaat, of dat de erkenning en
tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met het Nederlands recht.
M (3A:80)
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan artikel 3A:80. Artikel 3A:80
Wft heeft in algemene zin tot doel om te voorkomen dat afwikkelingsbesluiten zomaar
verhinderd of belemmerd kunnen worden. Daarmee regelt het artikel het toepassingsgebied
van een afwikkelingsbesluit ten opzichte van andere wet- en regelgeving. De leden
1 en 2 van artikel 3A:80 worden aangepast om beter aan te sluiten bij de formulering
van artikel 42, derde lid, van de IRRD. De wijzigingen aan dit artikel zijn summier
en om die reden wordt voor een verdere achtergrond van dit artikel verwezen naar de
MvT van de Whav.40
N (3A:80a tot en met 3A:80e)
(3A:80a)
Artikel 3A:80a wordt als nieuw artikel ingevoegd en dient ter implementatie van artikel
47, tweede lid IRRD. De bepaling betreft de verplichting van de entiteiten genoemd
in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, Wft om in bepaalde overeenkomsten contractuele
bepalingen op te nemen waarin partijen de werking van het instrument van bail-in erkennen.
De verplichting geldt ten aanzien van overeenkomsten ten aanzien van eigendomsinstrumenten,
rechten of passiva die onder het recht van een staat die geen lidstaat is vallen of
activa die zich in bevinden in een staat die geen lidstaat is. DNB kan verlangen dat
de juridische afdwingbaarheid en de rechtsgeldigheid van deze contractuele bepalingen
op basis van een juridisch advies wordt bevestigd door een onafhankelijke juridische
deskundige. Er is voor gekozen deze verplichting wel voor verzekeraars met beperkte
risico-omvang en aanbieders van essentiële diensten met een zetel in Nederland te
laten gelden, maar niet voor Uniebijkantoren in Nederland (onderdeel e van 3A:78).
Als deze laatste categorie er ook onder zou vallen, zou dat tot aanvullende regeldruk
leiden voor buitenlandse partijen die in Nederland actief willen zijn. DNB heeft op
grond van artikel 3A:87 de mogelijkheid om maatregelen te nemen tegen Uniebijkantoren
in Nederland.
Uit de preambule bij de IRRD (overweging 62) volgt dat de contractuele bepalingen
bedoeld in artikel 47 IRRD niet vereist zijn voor passiva die zijn vrijgesteld van
de toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument, of wanneer het recht
van het derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst de afwikkelingsautoriteit
van de lidstaat in staat stelt haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uit te
oefenen. Dit is logisch, aangezien de contractuele bepalingen bedoeld zijn om ervoor
te zorgen dat passiva in derde landen kunnen worden afgeschreven of omgezet en dat
deze mogelijkheid wordt erkend. DNB dient hiermee rekening te houden in de handhaving
van dit artikel en kan een dergelijke contractuele bepaling (of bijbehorende juridische
opinie) niet vereisen voor contracten die zien op instrumenten die uitgezonderd zijn
van afschrijving of omzetting waarbij het toepasselijke recht of een gesloten bindende
overeenkomst DNB in staat stelt het instrument van bail-in toe te passen.
(3A:80b)
Artikel 3A:80b Wft wordt als nieuw artikel ingevoegd ter implementatie van artikel
52, eerste tot en met vierde lid IRRD. Dit artikel regelt dat bij het afsluiten van
een financiële overeenkomst waarop het recht van toepassing is van een staat die geen
lidstaat is door entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen a tot en met d
Wft, contractuele bepalingen moeten worden opgenomen waarbij de partijen erkennen
dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden
door de Nederlandsche Bank op basis van de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 Wft
en ermee instemmen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 3A:80c Wft,
welke artikelen dienen ter implementatie van de artikelen 48, 49, 50 en 51 IRRD. Omwille
van lastenluwe implementatie, is ervoor gekozen om Uniebijkantoren niet onder de reikwijdte
van dit artikel te brengen (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:80a
hierboven).
Het tweede lid, op basis van artikel 52, tweede lid, IRRD, regelt dat DNB kan eisen
dat een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat haar
dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is contractuele bepalingen
in financiële overeenkomsten opnemen waarin staat dat de uitoefening van de bevoegdheid
door DNB tot opschorting of beperking van rechten niet leidt tot enige wijzigingen,
opschorting of beëindiging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of uitwinnen
van zekerheidsrechten met betrekking tot of van het contract. Het tweede lid van artikel
52 IRRD betreft een lidstaatoptie, die met het tweede lid van 3A:80b wordt geïmplementeerd.
Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt om de ordentelijke afwikkeling van een
entiteit met een dochteronderneming buiten de Europese Unie niet te bemoeilijken.
Aangezien de dochterondernemingen in derde landen niet onder de bevoegdheid van DNB
vallen, kan DNB het opnemen van een dergelijke bepaling slechts bewerkstelligen door
te eisen van de moederonderneming die wel onder haar bevoegdheid valt dat deze ervoor
zorgt dat bedoelde bepaling in de door haar dochter gesloten overeenkomsten opneemt.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de dochter dus in de overeenkomst moet bedingen
dat de uitoefening van een bevoegdheid van DNB jegens de moederonderneming geen grond
is voor de wederpartij van een dochter om vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging,
verrekening, uitoefening van rechten op saldering of uitwinning van zekerheidsrechten
met betrekking tot die contracten jegens de dochter te claimen. DNB heeft immers geen
bevoegdheden jegens de dochter. Er wordt in dit lid ruimte gegeven aan DNB om de beoordeling
te maken welke moederondernemingen dergelijke verplichtingen aan hun dochterondernemingen
kunnen opleggen.
Het vierde lid bevat een overgangsregeling ten aanzien van de verplichtingen volgend
uit artikel 3A:80b.
(3A:80c)
De inhoud van artikel 3A:128 Wft wordt verplaatst naar afdeling 3A.2.1. en wordt tevens
gewijzigd ter implementatie van artikel 48 IRRD. Artikel 3A:80c, voorheen 3A:128 op
basis van de Whav, komt inhoudelijk grotendeels overeen met de IRRD. Voor een algemene
toelichting op dit artikel wordt dan ook verwezen naar de MvT van de Whav.41 In verband met het verplaatsen van het artikel en de te maken wijzigingen, is het
gehele artikel herschreven als artikel 3A:80c Wft. Ten opzichte van het vervallen
artikel 3A:128 Wft wordt de inhoud op een aantal punten gewijzigd. Hieronder worden
de verschillen ten opzichte van het vervallen artikel 3A:128 Wft uiteengezet. Met
de verplaatsing van het huidige artikel 3A:128 naar Afdeling 3A.2.1 wordt verduidelijkt
dat de regels uit dit artikel ook van toepassing zijn als er geen sprake is van afwikkeling.
Op grond van artikel 48 IRRD moet worden bepaald dat crisispreventiemaatregelen, crisisbeheersingsmaatregelen
en gebeurtenissen die rechtstreeks verband houden met de toepassing van voornoemde
maatregelen, niet kwalificeren als zogeheten «trigger events», een afdwingingsgrond
in de zin van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten of een insolventieprocedure
in de zin van de richtlijn 98/26/EG.
Het eerste lid ziet op crisispreventiemaatregelen en crisisbeheersingsmaatregelen,
zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 79 respectievelijk 80, IRRD, genomen door de
Nederlandse toezichthouder of afwikkelingsautoriteit. Met betrekking tot dit eerste
lid geldt dat een verwijzing naar artikel 3:57c Wft wordt opgenomen om de verwijzing
naar het voorbereidend crisisplan volledig te maken.
Ter implementatie van artikel 48, derde lid, onderdeel a, IRRD, wordt «te salderen»
toegevoegd in onderdeel b, sub 3 en wordt «insolventieprocedure als bedoeld in de
richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende
het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties
in betalings- en afwikkelingssystemen» als nieuw onderdeel e toegevoegd aan de opsomming
van het eerste lid ter implementatie van artikel 48, eerste lid, IRRD.
Voorts wordt er een vierde lid ingevoegd dat ter implementatie dient van het tweede
lid van artikel 48 IRRD, waarmee wordt geborgd dat een erkende afwikkelingsmaatregel
van een staat die geen lidstaat is ook wordt beschouwd als een crisisbeheersingsmaatregel
zoals uit het eerste lid volgt. Daarnaast wordt in dit vierde lid bepaald dat de regels
uit dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn op crisispreventiemaatregelen
en crisisbeheersingsmaatregelen van de toezichthouder of afwikkelingsautoriteit van
een lidstaat. Daarmee is gewaarborgd dat ook dergelijke maatregelen niet kwalificeren
als hierboven genoemde «trigger events», afdwingingsgronden of insolventieprocedures.
Daarnaast wordt verduidelijkt in onderdeel d van het vijfde lid, in lijn met artikel
48, vierde lid, IRRD, dat een persoon het recht heeft wel over te gaan tot de handelingen
genoemd in het eerste lid, zoals het recht om een overeenkomst te beëindigen, wanneer
dit recht ontstaat als gevolg van een gebeurtenis die losstaat van de crisisbeheersingsmaatregel
zelf die is genomen door de Nederlandsche Bank of een andere relevante afwikkelingsautoriteit.
Dit blijkt ook al uit het huidige artikel 3A:128, eerste lid. Voor de toelichting
daarbij wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.42
Met onderdeel YY wordt een verwijzing naar artikel 3A:80c opgenomen in artikel 3A:126,
ter implementatie van artikel 48, vijfde lid, IRRD. Daardoor wordt een opschorting
of beperking uit hoofde van dit artikel niet beschouwd als het niet nakomen van een
overeenkomst.
(3A:80d)
Artikel 3A:80d vormt geen directe implementatie van een IRRD-bepaling, maar is nodig
om het kader voor afwikkeling te laten aansluiten bij het Nederlandse vennootschapsrecht.
Vanwege de zeggenschap die DNB bij inzet van afwikkelingsmaatregelen kan uitoefenen
over een entiteit in afwikkeling, bestaat er behoefte aan duidelijkheid dat op DNB
geen consolidatieplicht onder het Nederlandse jaarrekeningenrecht rust voor een entiteit
in afwikkeling. Met dit nieuwe artikel wordt geregeld dat afdeling 13 van titel 9
van Boek 2 Burgerlijk Wetboek, met betrekking tot de geconsolideerde jaarrekening,
niet van toepassing is op een entiteit die wordt ingezet voor de afwikkeling van een
instelling.43 Dit betreft de rechtspersonen die tot taak hebben om de eigendomsinstrumenten in
een andere overbruggingsinstelling, de entiteit in afwikkeling of een entiteit voor
activa- en passivabeer te houden, een bijzondere bestuurder-rechtspersoon als bedoeld
in artikel 3A:120 Wft en een SAA als bedoeld in artikel 3A:121a Wft. Voor een verdere
toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting bij de
Wet NUB44, waarmee een vergelijkbare bepaling in hoofdstuk 3A.1 Wft is geïntroduceerd.
De beschreven vrijstelling van de consolidatieplicht is niet van toepassing op de
overbruggingsonderneming en de entiteit voor activa- en passivabeheer. Tot de activa
van de entiteit in afwikkeling die met de inzet van een afwikkelingsinstrument op
de in de voorgaande zin genoemde entiteiten overgaan, kunnen ook deelnemingen van
de entiteit in afwikkeling behoren. Economische verbondenheid tussen deze overbruggingsinstelling
of de entiteit voor activa- en passivabeheer en de rechtspersonen waarin zij deelnemingen
verkrijgen, kan niet worden uitgesloten. Het is dan ook mogelijk dat een overbruggingsonderneming
of de entiteit voor activa- en passivabeheer fungeert als groepshoofd van een nieuwe
groep. Voor deze gevallen dient een consolidatieplicht niet bij voorbaat te worden
uitgesloten.
(3A:80e)
Met het oog op consistentie met hoofdstuk 3A.1 Wft wordt, gelijkluidend aan artikel
3A:8 Wft ook in hoofdstuk 3A.2 voor verzekeraars een artikel ingevoegd dat de bevoegdheden
ten aanzien van toezicht op de naleving volgend uit de Awb, van overeenkomstige toepassing
verklaart op met afwikkeling belaste personen.
O (3A:81 en 3A:81a)
Dit onderdeel wijzigt Afdeling 3A.2.2. dat de artikelen over afwikkelingsplanning,
de beoordeling van afwikkelbaarheid en maatregelen tegen wezenlijke belemmeringen
voor afwikkeling bevat. Vanwege het aantal wijzigingen aan deze artikelen en de uitbreiding
van de regels over groepsafwikkeling en introductie van vereenvoudigde verplichtingen,
wordt deze afdeling integraal vervangen door een nieuwe tekst.
Artikel 3A:81 regelt de afwikkelingsplanning door DNB voor individuele verzekeraars
en eventuele bepaalde andere entiteiten (in tegenstelling tot groepsafwikkelingsplanning,
geregeld in artikel 3A:81a). De IRRD bevat nieuwe regels in artikel 9, eerste en tweede
lid, die DNB moet toepassen om tot een selectie van verzekeraars te komen die zij
onderwerpt aan afwikkelingsplanning. Deze regels worden niet individueel opgesomd
in de Wft, maar worden in het eerste lid van artikel 3A:81 van toepassing verklaard
via een dynamische verwijzing naar artikel 9, eerste en tweede lid van de IRRD. Zie
de toelichting van deze regels in paragraaf 3.2.2. van het algemene deel.
Artikel 3A:81a dient ter implementatie van artikelen 10 en 11 IRRD over groepsafwikkelingsplannen.
Voor groepen gelden vergelijkbare reikwijdtecriteria als voor de individuele verzekeraars
(zie artikel 10, eerste lid, IRRD dat verwijst naar de regels uit artikel 9, tweede
lid, IRRD, hierboven besproken). Indien DNB de groepsafwikkelingsautoriteit is, heeft
zij de leiding bij het opstellen van het groepsafwikkelingsplan gezamenlijk optredend
met de andere afwikkelingsautoriteiten die lid van zijn het afwikkelingscollege. Indien
DNB geen groepsafwikkelingsautoriteit is, maar wel als afwikkelingsautoriteit lid
is van het afwikkelingscollege voor een groep, neemt zij deel aan het opstellen van
het groepsafwikkelingsplan, gezamenlijk optredend met de buitenlandse groepsafwikkelingsautoriteit
en eventuele andere afwikkelingsautoriteiten die lid zijn van het afwikkelingscollege.
Indien sprake is van een Nederlandse verzekeraar die onderdeel is van een groep waarvoor
niet op basis van artikel 10 IRRD een groepsafwikkelingsplan is opgesteld door de relevante
groepsafwikkelingsautoriteit, of nog niet een groepsafwikkelingsplan is vastgesteld conform artikel 17 IRRD, dan kan respectievelijk
moet DNB op basis van het voorgestelde artikel 3A:81, derde lid, zelf een afwikkelingsplan
voor deze Nederlandse verzekeraar en/of andere relevante groepsentiteiten, genoemd
in 3A:78 Wft, opstellen.
De huidige systematiek van de Wft en gedelegeerde regelgeving is dat de bepalingen
ten aanzien van inhoudelijke vereisten voor (groeps)afwikkelingsplannen, de frequentie
en gronden voor herziening van de plannen op het niveau van de algemene maatregel
van bestuur worden geregeld, namelijk het Bbpm. De delegatiegrondslag in artikel 3A:81
vervalt omdat de inhoud van hetgeen voorheen in het Bbpm werd geregeld al middels
een dynamische verwijzing naar specifieke artikelen van de IRRD wordt geregeld. Er
worden wel onderdelen in de Rtt Wft geïmplementeerd. Het betreft onder meer nadere
(procedurele) vereisten voor taakuitoefening door DNB en de samenwerking met andere
afwikkelingsautoriteiten (waaronder het nemen van gezamenlijke besluiten, artikel
17 IRRD).
(3A:82 en 3A:82a)
De voorgestelde artikelen 3A:82 en 3A:82a vormen een implementatie van de artikelen
13 en 14 IRRD. Op grond van deze artikelen moet DNB de afwikkelbaarheid van een verzekeraar
of groep beoordelen en brengt zij mogelijke belemmeringen voor afwikkelbaarheid in
kaart. Voor de te doorlopen stappen en in acht te nemen beoordelingscriteria, wordt
direct verwezen naar artikel 13 van de IRRD. Artikel 13 IRRD verwijst ook naar een
bijlage bij de IRRD, waarin afwikkelbaarheidsdimensies zijn opgesomd die DNB dient
te onderzoeken in het kader van haar beoordeling. Daarbij houdt zij rekening met de
aard, omvang en complexiteit van de entiteit in kwestie.
Een verzekeraar of groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn als het haalbaar en geloofwaardig
is dat de verzekeraar of groepsentiteiten volgens de normale insolventieprocedure
zullen worden geliquideerd of dat DNB de verzekeraar of groepsentiteiten (indien deze
gemakkelijk en tijdig kunnen worden gescheiden) zal afwikkelen door toepassing van
afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden. De beoordeling
door DNB of een afwikkelinstrument toegepast kan worden, dient in fasen te gebeuren.
Kort samengevat, dient zij eerst een preferente maatregel te selecteren en deze vervolgens
op haalbaarheid en geloofwaardigheid te beoordelen. DNB komt alleen toe aan deze stappen
als de inzet van een afwikkelingsmaatregel noodzakelijk kan zijn in het algemeen belang,
omdat een of meer afwikkelingsdoelstellingen die in het geding zijn via de normale
insolventieprocedure niet in dezelfde mate bereikt kunnen worden.
Artikel 41, eerste lid, IRRD schrijft voor dat de relevante entiteiten waarop in het
kader van afwikkeling het instrument van bail-in kan worden toegepast te allen tijde
voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten aanhouden zodat die
ondernemingen en entiteiten er niet van worden weerhouden voldoende nieuwe aandelen
of eigendomsinstrumenten uit te geven om ervoor te zorgen dat de omzetting van passiva
in aandelen of andere eigendomsinstrumenten daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit voorschrift
om te allen tijde voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten
aan te houden, moet niet worden geïnterpreteerd als de introductie van een (verkapt)
nieuwe kapitaalsvereiste. Indien de entiteit voldoet aan de op haar van toepassing
zijnde wettelijke verplichtingen (vennootschappelijke vereisten en kapitaalsvereisten
uit hoofde van de richtlijn solvabiliteit II en deel 3 van de Wft) dan zou er sprake
moeten zijn van «voldoende» kapitaal als bedoeld in artikel 41, eerst lid IRRD.
(3A:83 en 3A:83a)
Uit de beoordeling van de afwikkelbaarheid die DNB maakt op grond van de artikelen
3A:82 en 3A:82a kan voortvloeien dat er wezenlijke belemmeringen zijn voor de afwikkelbaarheid.
In de artikelen 3A:83 en 3A:83a wordt een aantal verplichtingen voor de entiteiten
in kwestie of de afwikkelingsautoriteit geregeld ten behoeve van het wegnemen van
belemmeringen voor afwikkelbaarheid.
De voorgestelde aanpassingen aan artikel 3A:83 dienen de bestaande tekst meer in lijn
te brengen met de IRRD. Er wordt een dynamische verwijzing naar de relevante bepalingen
in de IRRD opgenomen ten aanzien van de maatregelen die kunnen worden genomen om belemmeringen
weg te nemen of te verminderen en de procedures die gevolgd moeten worden. DNB kan
bij dit proces gebruik maken van haar bestuursrechtelijke instrument van de formele
aanwijzing om wezenlijke belemmeringen weg te nemen. Daarnaast kan zij voor de artikelen
3A:83 en 3A:83a Wft een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opleggen. Zie
hiervoor de wijzigingen aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft.
Er wordt een nieuw artikel 3A:83a voorgesteld ten aanzien van belemmeringen voor de
afwikkelbaarheid van groepen, ter implementatie van artikel 16 IRRD. Dit proces rondom
het wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een groep wordt gedeeltelijk
geregeld met dit wetsvoorstel, maar zal ook voor een groot deel worden uitgewerkt
in de Rtt Wft, daar waar het de regels ten aanzien van grensoverschrijdende samenwerking
tussen de toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten betreft. De maatregelen
en verplichtingen die op grond van artikel 15 IRRD ter beschikking staan om belemmeringen
weg te nemen, zijn (conform de IRRD) ook beschikbaar ten aanzien van een moederonderneming
of groepsentiteit onder toezicht van DNB.
(3A:83b)
Ter implementatie van artikel 4 IRRD wordt een artikel toegevoegd aan Afdeling 3A.2.2.
Dit artikel verlangt dat DNB bepaalt of specifieke onderdelen uit de IRRD ten aanzien
van onder meer afwikkelingsplanning en de beoordeling van afwikkelbaarheid op een
vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast ten aanzien van een specifieke verzekeraar
of groep. Daarvoor zijn een aantal factoren van belang, bijvoorbeeld haar bedrijfsactiviteiten,
-bedrijfsstructuur, risicoprofiel en verwevenheid met andere gereguleerde ondernemingen
of het financiële stelsel. Alle relevante factoren voor de beoordeling door DNB worden
genoemd in artikel 4, eerste lid, IRRD. Ten aanzien van VCPs wordt artikel 4 IRRD
al geïmplementeerd in artikelen 3:57c en 3:288i1. Dit artikel 3A:83b regelt de vereenvoudigde
verplichtingen ten aanzien van de overige onderdelen van IRRD, waar artikel 4 IRRD
op ziet.
P (3A:84)
DNB kan afwikkelingsmaatregelen nemen wanneer dat nodig is om de afwikkelingsdoelen
geformuleerd in het aangepaste artikel 3A:84 te behalen. DNB neemt een entiteit in
afwikkeling en past de instrumenten en bevoegdheden toe ter verwezenlijking van één
of meer van die doelstellingen en kiest daarbij de maatregelen waarmee de doelstellingen
die gezien de omstandigheden van het geval relevant zijn, het beste kunnen worden
verwezenlijkt. DNB heeft daarbij de flexibiliteit, maar ook de verplichting om in
een concreet geval te beoordelen welk gewicht iedere doelstelling gezien de aard en
omstandigheden van dat geval dient te krijgen en op basis daarvan te besluiten welke
bevoegdheden of instrumenten het meest geschikt zijn om die doelstelling(en) in dat
concrete geval te verwezenlijken. Met dit artikel wordt nu dynamisch verwezen naar
artikel 18 IRRD. In paragraaf 3.2.3 van het algemene deel van deze toelichting zijn
de verschillen die hebben geleid tot aanpassingen met dit onderdeel al besproken.
(3A:85)
De implementatie van artikel 19 IRRD leidt tot een aantal wijzigingen in het bestaande
wettelijk kader. Artikel 19 IRRD en artikel 3A:85 bevatten de voorwaarden voor afwikkeling
van een verzekeraar. Op basis van dit artikel moet DNB tot afwikkeling overgaan, in
plaats van het faillissement van een verzekeraar aan te vragen, indien: (i) de verzekeraar
faalt of waarschijnlijk zal falen, (ii) het redelijkerwijs niet valt te verwachten
dat met betrekking tot de verzekeraar te nemen alternatieve maatregelen binnen een
afzienbaar tijdsbestek het falen zouden voorkomen, en (iii) afwikkeling in het algemeen
belang is. Er worden alleen wijzigingen aangebracht om de formulering dichter bij
de IRRD te brengen, maar inhoudelijk vindt er geen koerswijziging plaats. Zo wordt
«besluit tot afwikkeling» vervangen door «neemt afwikkelingsmaatregelen», wat door
de wijziging van de definitie van afwikkelingsmaatregel in artikel 3A:77 echter dezelfde
lading heeft. Door de gewijzigde definitie, waaraan een besluit tot afwikkeling als
separaat element wordt toegevoegd, blijkt uit artikel 3A:85 duidelijker dat DNB ook
eerst alleen tot afwikkeling zou kunnen besluiten, om pas later tot de daadwerkelijke
inzet van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden over te gaan.
Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de Whav, heeft deze bepaling een
imperatief karakter. Indien aan de drie genoemde voorwaarden voor afwikkeling wordt
voldaan, zal DNB een besluit tot afwikkeling moeten nemen. Als alleen de eerste twee
voorwaarden voldaan zijn, dan moet DNB het faillissement aanvragen. Het staat DNB
dus niet vrij de situatie nog even aan te kijken.
Voor de criteria die DNB dient te gebruiken om vast te stellen of een verzekeraar
faalt of waarschijnlijk zal falen, wordt een extra onderdeel toegevoegd met dit wetsvoorstel.
De IRRD schrijft voor dat ook sprake is van falen of waarschijnlijk zullen falen wanneer
de verzekeraar inbreuk of waarschijnlijk inbreuk maakt op het in titel I, hoofdstuk
VI, afdeling 5, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde minimumkapitaalvereiste,
en er geen redelijk vooruitzicht is op herstel van de naleving. Dit criterium wordt
ingevoegd als het eerste criterium voor de toets, zodat de volgorde van de criteria
in artikel 3A:85, tweede lid, aansluit op die van artikel 19, vierde lid, IRRD. Ten
aanzien van de andere criteria komen artikel 3A:85, tweede lid, en IRRD reeds grotendeels
overeen en zijn slechts enkele kleine aanpassingen voorgesteld in lijn met de tekst
van de IRRD.
Zoals ook toegelicht in paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting,
leidt de implementatie van IRRD ertoe dat het collectieve belang van verzekeringnemers,
begunstigden onder verzekering en indieners van vorderingen onder verzekering wel
kan worden aangemerkt als een zelfstandige afwikkelingsdoelstelling, hetgeen onder
het huidige kader niet het geval is. De IRRD laat de lidstaten hier geen ruimte om
een eigen rangschikking te maken. In het kader van minimum harmonisatie wordt in artikel
18, derde lid, IRRD voorgeschreven dat alle vier de doelstellingen uit artikel 18,
tweede lid, IRRD even belangrijk zijn. Dit komt tot uiting in artikel 3A:84 en in
het derde lid van 3A:85 in dit wetsvoorstel. Zoals ook beschreven in de memorie van
toelichting bij de Whav en in paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting,
kan alleen worden overgegaan tot afwikkeling in resolutie als deze vorm van afwikkeling
in het algemeen belang is. Dat is het geval als het ingrijpen noodzakelijk en evenredig
is, gelet op de doelstellingen van afwikkeling vervat in artikel 3A:84, en of resolutie
tot betere resultaten zou leiden dan een normale faillissementsprocedure. In de praktijk
leidt dit tot een toets in twee stappen. Ten eerste moet ingeschat worden wat er zou
gebeuren als er geen afwikkelingsmaatregelen worden genomen (een faillissementsscenario)
en of dat in strijd zou zijn met het algemeen belang (i.e. dat een of meer afwikkelingsdoelstellingen
niet verwezenlijkt zouden worden). Als ook in faillissement de afwikkelingsdoelstellingen
voldoende verwezenlijkt zouden worden, is resolutie immers per definitie niet noodzakelijk
om deze doelstellingen te verwezenlijken. Ten tweede, alleen als zonder afwikkelingsmaatregelen
de afwikkelingsdoelstellingen onvoldoende verwezenlijkt zouden worden, moet ingeschat
worden in hoeverre een of meer afwikkelingsmaatregelen de afwikkelingsdoelstellingen
wél zouden kunnen verwezenlijken en daarmee evenredig zouden zijn. Voorheen gold dat
het doel van bescherming van polishouders in samenhang diende te worden bezien met
een ander doel genoemd in artikel 3A:84. Met de implementatie van de IRRD verandert
dit en wordt de bescherming van de collectieve belangen van polishouders een zelfstandige
doelstelling.
Artikel 19, vijfde lid, IRRD verwijst naar nationale verzekeringsgarantiestelsels.
In Nederland is geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel ingericht, maar in sommige
andere lidstaten mogelijk wel. De IRRD voorziet ook niet in een geharmoniseerd kader
voor (de oprichting van) verzekeringsgarantiestelsels.45 Indien sprake zou zijn van een concrete casus waarin een verzekeringsgarantiestelsel
dekking biedt ten aanzien van polishouders van de falende verzekeraar, dan dient DNB
die dekking mee te wegen bij haar beoordeling of afwikkeling in het algemeen belang
is. Het zal dan tot de inrichting van een algemeen verzekeringsgarantiestelsel vooral
relevant zijn als een groepsentiteit is aangesloten bij een verzekeringsgarantiestelsel
in een ander land. Nederland kent wel het Waarborgfonds Motorverkeer, conform de richtlijn
betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid bij motorrijtuigen.
Dit geldt strikt genomen ook als een verzekeringsgarantiestelsel onder de IRRD. De
aanwending ervan is echter beperkt tot specifieke situaties.
Q (3A:85a)
Het in dit voorgestelde artikel 3A:85a vormt de implementatie van artikel 63, eerste
lid, IRRD. Daarin is een meldingsplicht opgenomen voor de bestuurlijke, beleidsbepalende
of toezichthoudende organen van de entiteiten die onder de reikwijdte vallen. Zodra
een van deze organen constateert dat sprake is van falen of waarschijnlijk falen van
de onderneming, dan dient zij dit te melden aan DNB. Een dergelijke melding is alleen
zinvol als deze DNB zo snel mogelijk bereikt. Het ligt daarom in de rede dat deze
melding onverwijld geschiedt nadat het betreffende orgaan constateert dat sprake is
van falen of waarschijnlijk falen. DNB zal vervolgens ook zelf vaststellen of sprake
is van falen of waarschijnlijk falen op basis van artikel 3A:85, tweede lid. Deze
meldplicht is aanvullend op bestaande meld- en kennisgevingsverplichtingen uit de
Wft, zoals die in artikel 3:29 Wft. Gelet op de bevoegdheid van DNB opgenomen in het
voorgestelde artikel 3A:87, wordt in het voorgestelde artikel 3A:85a ook verwezen
naar Uniebijkantoren (sub e van artikel 3A:78). Deze meldplicht waarborgt dat DNB
op de hoogte is van het falen of bijna falen, waarna ze kan beoordelen of aan de voorwaarden
genoemd in artikel 3A:87 en artikel 78 IRRD is voldaan.
R (3A:86)
Met de voorgestelde wijziging van dit artikel 3A:86 wordt artikel 20 IRRD geïmplementeerd,
waarmee groepsafwikkeling door DNB wordt geregeld. In de context van artikel 3A:86
wordt daarmee bedoeld het nemen van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van (ook)
andere entiteiten als bedoeld in 3A:78 Wft dan verzekeraars.
Het bestaande artikel 3A:86 ziet op «afwikkeling van de groep». Een groep betreft
een verzameling entiteiten die niet als zodanig als geheel in resolutie kan worden
genomen. Afwikkeling van de groep betekent dus dat DNB resolutiemaatregelen neemt
ten aanzien een verzekeraar en een of meer andere groepsentiteiten genoemd in artikel
3A:78. Artikel 20 IRRD richt zich accurater op afwikkeling van (soorten) entiteiten
als genoemd in artikel 1, eerste lid, IRRD, maar komt daarmee grofweg op hetzelfde
neer. Zoals toegelicht bij artikel 3A:78 betreffen die entiteiten verzekeringsholdings,
gemengde financiële holdings en – ter implementatie van artikel 45, tweede lid, IRRD
– aanbieders van essentiële diensten.
Evenals het bestaande artikel 3A:86, bevat artikel 20 IRRD twee grondslagen voor groepsafwikkeling.
Implementatie van artikel 20 IRRD in artikel 3A:86, leidt tot enkele wijzigingen in
de bestaande grondslagen maar laat de systematiek daarvan grotendeels in stand.
Eerste grondslag voor groepsafwikkeling
De eerste grondslag voor groepsafwikkeling, vervat in artikel 3A:86, eerste lid, wordt
gewijzigd om deze meer in lijn te brengen met artikel 20, eerste lid, IRRD. Niet langer
is vereist dat zowel een verzekeraar als een moederonderneming van de verzekeraar
aan de drie afwikkelingsvoorwaarden bedoeld in artikel 3A:85 eerste lid, voldoet,
voor afwikkeling van een of meer van de in artikel 3A:78 bedoeld groepsentiteiten.
Onder de gewijzigde grondslag kan DNB afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van
een dergelijke entiteit indien deze zélf op overeenkomstige wijze aan de drie afwikkelingsvoorwaarden
van artikel 3A:85, eerste lid, voldoet. Dat betekent dat voor groepsafwikkeling op
deze grondslag strikt genomen niet langer is vereist dat een verzekeraar aan de afwikkelingsvoorwaarden
voldoet. Aangenomen mag echter worden dat dat doorgaans wel het geval zal zijn. Het
algemeen belang van afwikkeling van de groepsentiteit zal immers vaak gelegen zijn
in de meerwaarde die dat heeft voor afwikkeling van een falende of waarschijnlijk
falen zullende verzekeraar. Door implementatie van de IRRD, kan het hierbij ook gaan
om een verzekeraar in een andere lidstaat.
De drie afwikkelingsvoorwaarden vervat in artikel 19 IRRD en geïmplementeerd in artikel
3A:85, zijn geschreven voor verzekeraars. Overeenkomstige toepassing daarvan op andere
entiteiten is niet altijd eenvoudig. Daarom over de eerste en derde voorwaarde hieronder
nog een opmerking.
De eerste afwikkelingsvoorwaarde is dat is vastgesteld dat de verzekeraar faalt of
waarschijnlijk zal falen, waarvoor vijf alternatieve criteria zijn opgenomen in artikel
3A:85, tweede lid (deels toegelicht bij artikel 3A:85). Waar voor een verzekeraar
naar verwachting vooral het eerste of tweede criterium van belang is (artikel 3a:85,
tweede lid, onderdelen a en b), zullen voor andere entiteiten, die doorgaans geen
vergunning en kapitaalseis hebben, naar verwachting vooral het derde en vierde criterium
van belang zijn.46 Voor aanbieders van essentiële diensten volgen deze criteria tevens uit artikel 45,
tweede lid, IRRD.
De derde afwikkelingsvoorwaarde betreft de algemeen-belang-toets, zoals ingevuld in
artikel 3A:85, derde lid, en nader toegelicht in paragraaf 3.2.3 van het algemene
deel van deze toelichting en in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3A:85 hierboven.
Indien mogelijk groepsafwikkeling aan de orde is, kan deze toets verricht moeten worden
ten aanzien van meerdere verzekeraars of andere entiteiten als bedoeld in artikel
3A:78. Het ligt dan in de rede om de meerwaarde van mogelijke afwikkelingsmaatregelen
op die entiteiten in samenhang te beschouwen, niet voor elke entiteit individueel.
Het doel van groepsafwikkeling is immers juist mede gelegen in een gecoördineerde
inzet van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van meerdere entiteiten.
Tweede grondslag voor groepsafwikkeling
Het tweede lid bevat een tweede, alternatieve, grondslag voor groepsafwikkeling. Deze
wordt omwille van de harmonisatie en een gelijk speelveld gewijzigd om dynamisch te
verwijzen naar de voorwaarden van artikel 20, derde lid, IRRD. Ook onder die voorwaarden
moet er ten eerste sprake zijn van een verzekeraar die aan de drie afwikkelingsvoorwaarden
voldoet. In tegenstelling tot de bestaande grondslag in artikel 3A:86, tweede lid,
kan het hierbij ook gaan om een verzekeraar in een andere lidstaat dan Nederland.
De term «verzekerings- of herverzekeringsdochterondernemingen» in artikel 20, derde
lid, onderdeel a, impliceert dat het moet gaan om een verzekeraar die ook een dochteronderneming
is. Dat is te begrijpen doordat de overige entiteiten genoemd in artikel 1, eerste
lid, IRRD allen moederondernemingen zijn. Via artikel 3A:78 vallen binnen de reikwijdte
van artikel 3A:86, tweede lid, echter ook aanbieders van essentiële diensten. Die
zouden ook een dochteronderneming kunnen zijn van een falende verzekeraar die zelf
geen dochteronderneming is. Aan dit mogelijke vereiste van artikel 20, derde lid,
IRRD, moet daarom in artikel 3A:86, tweede lid, geen betekenis worden toegekend.
Ten tweede moet, evenals onder het bestaande artikel 3A:86, tweede lid, het falen
van deze verzekeraar een bepaalde bedreiging vormen voor een andere verzekeraar in
de groep (ook in een andere lidstaat) of de «groep als geheel». De in artikel 20,
derde lid, onderdeel b, ook genoemde mogelijkheid dat «in het kader van het insolventierecht
van de lidstaat een verplichting bestaat om de groep te behandelen als een geheel»,
is voor Nederland niet relevant. Artikel 20 IRRD voegt aan de vereiste «bedreiging»
toe dat deze moet voortvloeien uit de (aard van de) activa en passiva van de verzekeraar.
Dat staat niet in het bestaande 3A:86, tweede lid, en gezien het doel van groepsafwikkeling
ligt het in de rede die toevoeging niet als beperkend te interpreteren. Ook in IRRD
wordt niet verduidelijkt hoe een groep «als geheel» moet worden gezien. Gezien de
definitie van het begrip groep, hierboven toegelicht bij artikel 3A:77, en het doel
van groepsresolutie, ligt het in de rede daaronder ook groepen te begrijpen die een
subgroep zijn.
Ten derde moet een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van de relevante groepsentiteit
noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van de verzekeraar of de groep als geheel. Het
bestaande artikel 3A:86, tweede lid, bevat deze voorwaarde niet, hoewel uiteraard
het algemene bestuursrechtelijke evenredigheidsbeginsel ook daarop van toepassing
is. Het ligt in de rede deze nieuwe voorwaarde te zien als een alternatieve vorm van
de algemeen-belang-toets en in lijn daarmee ruim uit te leggen.
Ten slotte geven de woorden «ook indien» aan dat op deze tweede grondslag een beroep
kan worden gedaan ongeacht de vraag of de relevante entiteit aan de drie afwikkelingsvoorwaarden
voldoet, zoals vereist voor de eerste grondslag voor groepsafwikkeling vervat in artikel
3A:86, eerste lid. Nu het resultaat hetzelfde is, zou het immers weinig praktische
meerwaarde hebben om te vereisen dat eerst aangetoond wordt dat een entiteit niet aan de drie afwikkelingsvoorwaarden voldoet, voordat een beroep op deze tweede grondslag
voor groepsafwikkeling kan worden gedaan.
(3A:87)
Het bestaande artikel 3A:87, dat de afwikkeling van bijkantoren van verzekeraars uit
derde landen betreft, wordt met dit wetsvoorstel aangepast om de formulering beter
te laten aansluiten bij de IRRD. Deze bijkantoren bieden verzekeringen aan in Nederland
onder een vergunning verleend door DNB en staan ook onder toezicht van DNB. Zoals
genoemd in de memorie van toelichting bij de Whav, is vermogensscheiding voorgeschreven
voor dergelijke bijkantoren. Daardoor is het mogelijk dat DNB bepaalde bevoegdheden
jegens de activa of passiva van dat bijkantoor uitoefent.47 Door middel van een dynamische verwijzing wordt bereikt dat DNB hiertoe overgaat
in de gevallen genoemd in artikelen 78 IRRD en conform de voorwaarden genoemd in dat
artikel.
(3A:88)
In artikel 3A:88 is het no creditor worse off-beginsel wettelijk verankerd. Dit beginsel houdt in dat geen enkele aandeelhouder
of schuldeiser grotere verliezen lijdt dan hij zou hebben geleden indien de entiteit
in een normale faillissementsprocedure zou zijn geliquideerd. Met dit onderdeel Q
worden de algemene beginselen van NCWO zoals neergelegd in artikel 22(1)(g) en 55
IRRD geïmplementeerd. De voorgestelde formulering van artikel 3A:88 codificeert duidelijker
het algemene beginsel van NCWO.
In de uitwerking van het NCWO-beginsel in artikelen 55 en 57 IRRD, lijkt de minimumharmonisatie
alleen te gelden voor aandeelhouders en schuldeisers die verliezen lijden in het kader
van het afschrijven en omzetten van kapitaalinstrumenten of van gedeeltelijke overgang
van activa en passiva. Uit artikel 22 en artikel 56 volgt echter een bredere toepassing,
namelijk dat het NCWO-beginsel geldt voor alle schuldeisers en aandeelhouders. Dit
sluit ook aan bij de memorie van toelichting bij de Whav48 en bij de inhoud van artikel 3A:91, vierde lid, en artikel 3A:138, derde lid, onderdeel
a. Met dit wetsvoorstel wordt de bestaande inhoudelijke lijn gehonoreerd. Gezien de
vergaande impact van afwikkelingsmaatregelen in het licht van het recht op ongestoord
genot van eigendom zoals vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
en artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, is een brede
codificatie van het NCWO-beginsel ook passend.49 Het NCWO-beginsel dient conform artikel 22 IRRD gedurende het hele afwikkelingsproces
in acht te worden genomen, en geldt als uitgangspunt bij de inzet van ieder individueel
afwikkelingsinstrument. Voorafgaand aan het besluit om een entiteit in afwikkeling
te nemen en de eerste afwikkelingsinstrumenten daarop toe te passen, zal DNB een NCWO-toets
moeten verrichten. Indien gedurende de afwikkeling in resolutie op een later moment
opnieuw een instrument moet worden ingezet, dan is dat een separaat besluit, waarvoor
een nieuwe NCWO-toets moet worden gedaan.
Met «op het moment van het besluit tot afwikkeling» wordt in dit artikel bedoeld het
moment waarop het initiële besluit wordt genomen om de entiteit in resolutie te nemen.
Dat initiële besluit is immers grofweg het moment waarop een faillissement zou zijn
begonnen, indien DNB niet tot resolutie besloten had. Dat is dus de meest logische
startdatum van het hypothetische faillissement waarmee resolutie moet worden vergeleken
ten behoeve van het NCWO-beginsel.
Het NCWO-beginsel zal zoveel mogelijk in acht genomen moeten worden bij de keuzes
die DNB als afwikkelingsautoriteit maakt om de afwikkelingsdoelstellingen te realiseren.
Het kan echter voorkomen dat toch voor een bepaalde afwikkelingsmaatregel of pakket
aan maatregelen wordt gekozen, hoewel een deel van de schuldeisers en aandeelhouders
hierdoor meer verliezen lijdt dan in faillissement het geval zou zijn geweest. Dit
zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als dit grotere verlies nodig was om de uiteindelijke
doelstellingen van afwikkeling beter te kunnen verwezenlijken. Indien sprake is van
een schending van het NCWO-beginsel en aandeelhouders en schuldeisers onverhoopt grotere
verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden in faillissement, dan past DNB de financieringsregeling
uit artikel 3A:138 toe en krijgen zij het verschil gecompenseerd. Een dergelijke conclusie
over NCWO wordt getrokken op basis van de waardering op grond van artikel 3A:91 Wft.
Deze compensatiemogelijkheid is een waarborg, niet een instrument dat op voorhand
kan worden aangewend. Het is dus geen vrijbrief om het instrument van bail-in of een
ander instrument in het licht van genoemde grondrechten sneller te kunnen inzetten.
(3A:89)
De wijzigingen aan artikel 3A:89 worden toegelicht bij het volgende onderdelen (R
tot en met S) in verband met de inhoudelijke samenhang met artikel 3A:90 en 3A:91.
S en T
(3A:89, 3A:90 en 3A:91)
De Whav maakt onderscheid tussen een ex ante waardering (artikel 3A:89), een periodieke
herwaardering (artikel 3A:90) en een ex post waardering (artikel 3A:91). Zie voor
de achtergrond hierbij de memorie van toelichting bij de Whav.50
Met deze onderdelen worden de genoemde artikelen over waardering van passiva en activa
van de entiteit in afwikkeling aangepast, ter implementatie van de artikelen 23 tot
en met 25 en artikel 56 van de IRRD. Met het opnemen van dynamische verwijzingen in
artikel 3A:89, eerste lid, van dit wetsvoorstel, wordt nauwer aangesloten bij de IRRD,
om te waarborgen dat DNB als afwikkelingsautoriteit eenzelfde benadering en berekeningswijze
volgt als afwikkelingsautoriteiten van andere lidstaten en zoals deze is uitgewerkt
door EIOPA.
Het tweede lid van artikel 3A:89 vormt een uitwerking van artikel 23, vijfde lid.
Daarin wordt bepaald dat beroep overeenkomstig artikel 67 IRRD tegen de in artikel
23, tweede en derde lid, IRRD bedoelde waarderingen uitsluitend mogelijk is samen
met het besluit om een afwikkelingsinstrument toe te passen of een afwikkelingsbevoegdheid
uit te oefenen.
De IRRD schrijft geen periodieke waardering als zodanig voor, waardoor artikel 3A:90
komt te vervallen. Het ligt echter nog steeds in de rede dat artikel 3A:89 zo wordt
toegepast dat DNB bij toepassing van iedere afwikkelingsmaatregel haar besluit baseert
op een voldoende actuele en daarmee realistische waardering.
Een waardering ten behoeve van het toepassen van afwikkelingsmaatregelen wordt voorgeschreven
in artikel 3A:89, eerste lid. Daarnaast vindt ook een ex post waardering plaats na toepassing van de afwikkelingsmaatregel(en), op basis waarvan
wordt gekeken of aandeelhouders en schuldeisers beter zouden zijn behandeld in faillissement.
Deze waardering is en blijft geregeld in artikel 3A:91.
Aansluiting bij de IRRD-methodiek verdient de voorkeur omdat de IRRD ook voorwaarden
stelt aan de ex post waardering en EIOPA technische standaarden zal ontwikkelen voor verdere uitwerking
daarvan. Via een dynamische verwijzing in artikel 3A:91, eerste lid, wordt gewaarborgd
dat door DNB deze voorwaarden en technische standaarden worden toegepast. Het voorgestelde
tweede lid in 3A:91 komt inhoudelijk overeen met het oude vierde lid, maar sluit nauwer
aan bij de formulering in de IRRD.
Onder het huidige kader is een deel van de waarderingsregels nader uitgewerkt in het
Bbpm. Aangezien deze nadere regels vervangen worden door geharmoniseerde Europese
standaarden, zal het Bbpm op dit punt aangepast worden. De delegatiegrondslagen in
artikelen 3A:89 en 3A:91 blijven met dit wetsvoorstel wel behouden voor de toekomst.
(3A:92)
Met dit onderdeel wordt artikel 3A:92 uitgebreid en worden een aantal algemene regels
over de toepassing van afwikkelingsinstrumenten uit artikel 26, eerste, tweede en
derde lid, IRRD geïmplementeerd. Los van de introductie van het nieuwe instrument
van de solvabele run-off, leidt het nieuwe artikel 3A:92 niet tot noemenswaardige
veranderingen. De bestaande bevoegdheden worden op een meer uitgebreide wijze opgenomen
in de Wft.
DNB krijgt de expliciete bevoegdheid om de instrumenten uit Afdeling 3A.2.4. toe te
passen. DNB kan zoals voorheen kiezen voor een combinatie van afwikkelingsinstrumenten,
maar zij kan ook ieder afwikkelingsinstrument zelfstandig toepassen op een entiteit
in afwikkeling, behalve het instrument van afsplitsing van activa of passiva, dat
gecombineerd moet worden ingezet met een ander afwikkelingsinstrument. Dit volgt uit
het voorgestelde artikel 3A:92, tweede lid, eerste zin, (in samenhang met artikel
3A:117, tweede lid) dat een implementatie vormt van artikel 26, derde lid, laatste
alinea, IRRD. Het afwikkelingsinstrument van afsplitsing van activa of passiva moet
altijd in combinatie met een ander instrument worden ingezet om een onterecht concurrentievoordeel
voor de falende entiteit te vermijden. De uitwerking van het instrument van bail-in
in artikel 35, eerste lid, IRRD suggereert dat bail-in niet zelfstandig kan worden
toegepast met het doel de onderneming te herkapitaliseren om de vergunning te behouden.
Om wetstechnische redenen zal de bepaling van artikel 3A:92, tweede lid, daarom mede
moeten zijn gebaseerd op artikel 26, zevende lid, IRRD. Voor nadere uitleg wordt verwezen
naar paragraaf 3.2.4 van het algemene deel van deze toelichting.
In de tweede zin van het voorgestelde artikel 3A:92, tweede lid, wordt bepaald dat
DNB alle instrumenten meermaals kan toepassen op dezelfde onderneming in afwikkeling.
Dit is mogelijk onder het huidige kader van de Whav. Artikel 28, vijfde lid, IRRD
geeft deze mogelijkheid alleen voor de instrumenten van overgang van onderneming,
de overbruggingsinstelling en afsplitsing van activa of passiva. Er wordt gekozen
voor een ruimere toepassing, om de huidige mogelijkheden te behouden. Het kan immers
voorkomen dat in een afwikkelingsscenario op verschillende momenten gedurende de afwikkeling
toepassing van bail-in nodig wordt geacht. Zie hiervoor ook paragraaf 3.2.4 van het
algemene deel van deze toelichting.
Met het derde lid wordt artikel 26, tweede lid, eerste alinea geïmplementeerd. Daarin
wordt – kort gezegd – bepaald dat DNB ook vorderingen van aandeelhouders of andere
schuldeisers moet afschrijven of omzetten indien met name verzekeringnemers gekort
worden op hun rechten bij afwikkeling. Dit is in lijn met de benadering dat aandeelhouders
de eerste verliezen lijden en dat de rangorde van schuldeisers in faillissement in
omgekeerde volgorde moet worden toegepast. Bij de afwikkeling van een onderneming
is bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers en begunstigden een
van de voornaamste doelstellingen. Schuldvorderingen uit hoofde van (her)verzekering
mogen daarom alleen als ultiem redmiddel aan de toepassing van het afschrijvings-
of omzettingsinstrument worden onderworpen, en afwikkelingsautoriteiten moeten zorgvuldig
rekening houden met de gevolgen van een mogelijke afschrijving. Dit komt ook tot uiting
in artikel 26, tweede lid, derde alinea, dat wordt geïmplementeerd in artikel 3A:92,
vierde lid. Onder het kader uit de Whav was het al mogelijk om verzekeringnemers te
onderwerpen aan bail-in, dus daarin verandert niets. De eisen die het nieuwe artikel
3A:92, vierde lid, daaraan stelt, liggen voor de hand indachtig de afwikkelingsdoelstellingen
en leiden naar verwachting in praktijk ook niet tot andere keuzes van DNB in de afwikkelingsplanning.
U (3A:93)
In artikel 3A:93 wordt het instrument van bail-in als afwikkelingsinstrument voor
DNB uiteengezet en wordt uitgelegd hoe dit instrument kan worden toegepast. Met dit
onderdeel wordt de formulering van het artikel aangepast, om dit in lijn te brengen
met de inhoud van artikel 35 IRRD. Daarmee wordt duidelijker dat met de komst van
de IRRD het instrument kan worden ingezet voor de doeleinden (i) herkapitalisering
van een entiteit als bedoeld in artikel artikel 3A:78 onderdelen a tot en met e, die
aan de afwikkelingsvoorwaarden voldoet; en (ii) omzetting in eigen vermogen of verlaging
van de hoofdsom van eigendomsinstrumenten of in aanmerking komende passiva, met inbegrip
van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering en schuldinstrumenten, inclusief
in aanmerking komende passiva die zijn overgegaan op een overbruggingsinstelling of
met het instrument van afsplitsing van activa of passiva of het instrument van overgang
van de onderneming. De ontstane rechten of de bestaande rechten gaan door het besluit
van DNB tot afwikkeling van rechtswege over op de nieuwe houder. Dit betreft een wettelijke
wijze van rechtsverkrijging waarvoor geen leveringshandelingen door DNB of de verkrijger
vereist zijn.
De formulering van onderdeel a in 3A:93, eerste lid, van het wetsvoorstel, is breder
dan wat artikel 35, eerste lid, onderdeel a, IRRD voorschrijft, omdat herkapitalisering
niet alleen ten behoeve van de solvabele run-off hoeft te geschieden, maar ook als
zelfstandige doelstelling kan gelden bij het toepassen van dit instrument. Hier wijkt
het wetsvoorstel bewust af van de IRRD en wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie
uit artikel 26, zevende lid, IRRD, met als doel om het bestaande instrumentarium te
handhaven en – net als onder de Whav – een zelfstandige doorstart door middel van
alleen herkapitalisatie na resolutie mogelijk te maken. Zie ook paragraaf 3.2.4 van
het algemene deel van deze toelichting.
Onder het voorgestelde artikel 3A:93, eerste lid, kan het instrument van bail-in worden
toegepast op alle kapitaalinstrumenten en alle passiva van een entiteit, tenzij deze
zijn uitgesloten onder artikel 3A:94 (artikel 35, vijfde tot en met achtste lid, IRRD).
Met dit wetsvoorstel wordt geen gebruik gemaakt van de lidstaatoptie in artikel 35,
zesde lid, onderdeel a, IRRD. Het is dus in beginsel ook mogelijk om vorderingen uit
hoofde van (her)verzekering te onderwerpen aan bail-in, behalve als deze expliciet
zijn uitgesloten. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. Bij de afwikkeling van een
onderneming is bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden
en benadeelden een van de voornaamste doelstellingen. Schuldvorderingen uit hoofde
van (her)verzekering mogen daarom alleen als ultieme redmiddel aan de toepassing van
het afschrijvings- of omzettingsinstrument worden onderworpen, en DNB moet zorgvuldig
rekening houden met de gevolgen daarvan.51
Net als onder het bestaande kader van de Whav, zal onder het aangepaste artikel 3A:93,
eerste lid, de mogelijkheid bestaan om bij de overgang van passiva naar een overbruggingsinstelling
door de toepassing van het instrument van bail-in, kapitaal aan die overbruggingsinstelling
te verschaffen. Ditzelfde geldt voor een entiteit voor beheer van activa en passiva
na toepassing van het instrument van afsplitsing van activa, of bij toepassing van
het instrument van overgang van de onderneming op delen (passiva) van de entiteit
in afwikkeling die zijn overgegaan naar een andere partij.52 Dit is immers één van de doelstellingen omschreven in artikel 35, eerste lid, onderdeel
b, IRRD. Opgemerkt wordt dat bail-in in combinatie met deze instrumenten ook kan plaatsvinden
vóór het moment van overgang op de derde-verkrijger, overbruggingsinstelling of entiteit
voor activa- en passivabeheer, hetgeen de hoofdregel van artikel 3A:93, eerste lid,
Wft is. De passiva bevinden zich dan immers nog bij de entiteit in resolutie.
In het eerste lid, onderdeel b, van artikel 3A:93, Wft wordt opgenomen dat er omzetting
in rechten op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten kan
plaatsvinden. Maar het is tevens mogelijk dat de bestaande aandelen op de houders
van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, Wft (claimrechten)
overgaan. De ontstane rechten geven in dat geval recht op de bestaande eigendomsinstrumenten
en niet alleen op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten. Er is daarom gekozen om
«nieuw uit te geven» te schrappen uit onderdeel b ter verduidelijking dat DNB ook
de bevoegdheid heeft om bestaande eigendomsinstrumenten te doen overgaan. Al naar
gelang van toepassing van de bevoegdheid van artikel 3A:93, eerste lid, Wft kunnen
de rechten waarin is omgezet ofwel recht geven op nieuw uit te geven dan wel bestaande
tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten.
Overigens geldt voor verzekeraars, net zoals bij banken, dat het ook mogelijk is dat
DNB besluit dat de claimrechten meteen na hun totstandkoming worden omgezet in eigendomsinstrumenten
of tier 1-instrumenten, op grond van artikel 3A:93 Wft. Ook gelden voor verzekeraars
bij het besluit van DNB tot verlagen van de hoofdsom van eigendomsinstrumenten, door
de toepassing van het instrument van bail-in, dezelfde vereisten als bij banken. Voor
een nadere toelichting wordt verwezen naar de MvT van de Wet NUB.53
Voor een toelichting op het doel en de werking van de stichting administratiekantoor
afwikkeling (SAA) wordt verwezen naar het artikelsgewijs commentaar bij de artikelen
3A:96 en 3A:121a, Wft.
Het derde lid verklaart de artikelen 26, tweede lid, derde alinea, 35, eerste lid,
tweede lid en negende lid, 36, eerste lid, laatste zin, en 37, IRRD van overeenkomstige
toepassing. In deze artikelen wordt geregeld hoe de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheden
met betrekking tot dit instrument moeten inzetten en bijvoorbeeld hoe aandeelhouders
moeten worden behandeld. Door dynamische verwijzingen op te nemen, wordt zo dicht
mogelijk aangesloten bij de IRRD omwille van zo veel mogelijk gelijke toepassing in
Nederland als in andere lidstaten.
V (3A:94)
Artikel 3A:94 regelt welke vorderingen van bail-in worden of kunnen worden uitgesloten.
Met dit onderdeel wordt artikel 3A:94 aangepast om artikel 35, vijfde tot en met achtste
lid, IRRD nader te implementeren. Hoewel er al veel overlap is tussen artikel 3A:94
en de genoemde IRRD-bepalingen, is een aantal wijzigingen nodig. Omwille van de leesbaarheid
wordt het nieuwe eerste lid van artikel 3A:94 integraal opgenomen in dit wetsvoorstel.
Aan dat eerste lid wordt het volgende gewijzigd.
In het eerste lid wordt in de aanhef toegevoegd dat het niet uitmaakt of de uitgesloten
vorderingen onder het recht van een lidstaat vallen of onder het recht van een staat
die geen lidstaat is. Uitsluitingen ten aanzien van passiva, onder meer voor betalings-
en afwikkelingssystemen, werknemers of handelscrediteuren, of preferente vorderingen,
moeten niet alleen in de Unie, maar ook in derde landen van toepassing zijn. Artikel
3A:80a, dat een implementatie vormt van artikel 47, tweede lid, IRRD, zorgt ervoor
dat voor passiva in derde landen die wel kunnen worden afgeschreven of omgezet door
DNB of een andere afwikkelingsautoriteit, moet worden vastgelegd dat contractuele
bepalingen die onder het recht van derde landen vallen, deze mogelijkheid erkennen.
Dergelijke contractuele bepalingen zijn niet nodig voor passiva die zijn vrijgesteld
van de toepassing van het instrument van bail-in.54
In het eerste lid wordt onderdeel b vervangen door een nieuw item. Waar onder de Whav
elke verplichting die ontstaat doordat de entiteit activa of tegoeden van cliënten
aanhoudt, was uitgesloten, wordt deze uitsluitingsgrond niet genoemd in artikel 35
IRRD. In de memorie van toelichting bij de Whav is niet toegelicht waarom deze specifieke
verplichtingen zijn uitgesloten van bail-in onder de Whav. Bij gebrek aan duidelijkheid
over de noodzaak van het bestaande onderdeel b en gelet op de inhoud van de IRRD,
komt met dit wetsvoorstel het bestaande onderdeel b te vervallen. Daarvoor in de plaats
wordt in onderdeel b de uitzondering van artikel 35, vijfde lid, onderdeel e, geïmplementeerd.
Dat onderdeel strekt ertoe dat verplichtingen die voortvloeien uit de verplichte verzekering
tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen
aanleiding kan geven overeenkomstig Richtlijn 2009/103/EG, worden uitgesloten. Ten
aanzien van het nieuwe onderdeel b wordt ook verwezen naar paragraaf 7.1 van deze
toelichting.
Verder worden in het eerste lid, onderdelen c, d en f, aanpassingen gedaan om deze
onderdelen nauwer te laten aansluiten bij de IRRD.
Voorts wordt nog een nieuw onderdeel h toegevoegd aan het eerste lid. Daarmee wordt
artikel 35, vijfde lid, onderdeel d, subonderdeel iii), geïmplementeerd. Daarbij is
rekening gehouden met het feit dat in faillissement vorderingen van de fiscus en socialezekerheidsinstanties
in beginsel een lagere rang innemen dan vorderingen uit hoofde van verzekering.55 Met het nieuwe onderdeel h wordt bewerkstelligd dat alleen preferente belastingverplichtingen
en preferente verplichtingen jegens socialezekerheidsinstanties die in faillissement
een hogere rang hebben dan vorderingen uit hoofde van verzekering worden uitgesloten
van bail-in.
Ten slotte wordt nog een nieuw onderdeel i toegevoegd aan het eerste lid, artikel
35, vijfde lid, onderdeel d, subonderdeel iv), wordt geïmplementeerd. Met deze toevoeging
worden verplichtingen aan verzekeringsgarantiestelsels die voortvloeien uit bijdragen
die verschuldigd zijn uit hoofde van de nationale wetgeving uitgesloten van bail-in.
In de Nederlandse context is het Waarborgfonds Motorverkeer aan te merken als verzekeringsgarantiestelsel.
Indien de verzekeraar nog verplichtingen heeft jegens dit Waarborgfonds Motorverkeer
in verband met wettelijk voorgeschreven bijdragen aan dat fonds, dan kan DNB deze
verplichtingen niet onderwerpen aan bail-in (afschrijven of omzetten). Zie ten aanzien
van dit onderdeel ook de bespreking van de mogelijke NCWO-problemen die DNB voorziet
in paragraaf 7.1 van deze toelichting.
Het tweede lid vormt een implementatie van artikel 35, achtste lid, IRRD. Dit lid
sluit niet zozeer vorderingen naar hun aard uit van toepassing van bail-in, maar beschrijft
verschillende situaties waarin DNB bepaalde passiva geheel of gedeeltelijk van de
toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument kan uitsluiten. In feite
kan DNB op basis van dit lid in een concreet geval besluiten dat zij bepaalde passiva
niet kan onderwerpen aan bail-in, bijvoorbeeld omdat deze niet tijdig zouden kunnen
worden omgezet of omdat de uitsluiting noodzakelijk en evenredig is met het bereiken
van de afwikkelingsdoelstelling(en) in kwestie. Wanneer deze uitsluitingen worden
toegepast, kan het niveau van afschrijving of omzetting van andere in aanmerking komende
passiva worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden. Daarbij geldt
nog steeds de voorwaarde dat het NCWO-beginsel in acht wordt genomen.56
W (3A:95a)
In beginsel moet DNB het instrument van bail-in op zodanige wijze toepassen dat de
gelijke behandeling van schuldeisers en de wettelijke rangorde van vorderingen volgens
het toepasselijke insolventierecht worden gerespecteerd. Dat is reeds opgenomen in
artikel 3A:95, dat ongewijzigd blijft. Artikel 38, eerste lid, IRRD beschrijft (naast
het voorgaande) ook een bepaalde volgorde waarin de omzetting of afschrijving dient
te geschieden. Deze volgorde moet tevens in omgekeerde volgorde tot uiting komen in
het nationale faillissementsrecht om het beoogde resultaat te bereiken. Daarom wordt
in Artikel II, onderdeel C, van dit wetsvoorstel de rangorde in faillissement nader
gespecificeerd. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij dat onderdeel.
Verder schrijft artikel 38, eerste lid, derde alinea, voor dat de afwikkelingsautoriteiten
bij het afschrijven van passiva of omzetting in aandelen niet een categorie passiva
mogen omzetten terwijl een categorie passiva die achtergesteld is aan die categorie
passiva, niet in aandelen wordt omgezet of niet wordt afgeschreven. Dit voorschrift
wordt geïmplementeerd in artikel 3A:95a, tweede lid. Het voorgaande geldt niet indien
de categorie passiva die niet in aandelen wordt omgezet of niet wordt afgeschreven
is uitgesloten van bail-in op de voet van artikel 3A:94.
X (3A:96)
Met dit onderdeel wordt artikel 3A:96 gewijzigd, dat de uitgifte regelt van nieuwe
eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten door, of met medewerking van, een entiteit
die daartoe geïnstrueerd is door DNB in de context van toepassing van het instrument
van bail-in. Voor meer informatie hierover, wordt verwezen naar de memorie van toelichting
bij de Whav.57 De aanpassingen worden gedaan enerzijds om het artikel meer in lijn te brengen met
de IRRD en anderzijds om het aan te vullen met specifieke bepalingen die toepassing
ervan in het Nederlandse stelsel mogelijk maken, bijvoorbeeld met inzet van een stichting
administratiekantoor (STAK) of SAA in de zin van artikel 3A:121a. Een STAK is een
entiteit die niet onder zeggenschap van DNB staat in een afwikkelingsscenario, maar
die wel moet meewerken om de uitgifte van eigendomsinstrumenten aan de van ingevolge
artikel 3A:93, eerste lid, omgezette kapitaalinstrumenten, schuldinstrumenten of andere
in aanmerking komende passiva, of hun rechtsopvolgers, mogelijk te maken.
De eerste zin van artikel 3A:96 wordt in aangepaste vorm opgenomen in het voorgestelde
eerste lid. Het voorschrift dat bij de uitgifte geen andere rechten kunnen worden
uitgeoefend dan de rechten, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, wordt opgenomen
in het vijfde lid. De expliciete mogelijkheid om hier een termijn aan te verbinden,
komt te vervallen in verband met het voorstel voor de wijzigingen aan artikel 3A:98.
Het tweede lid verklaart artikel 38, vierde lid, IRRD van overeenkomstige toepassing.
Daarin wordt geregeld dat de afwikkelingsautoriteit ten behoeve van een toekomstige
uitgifte als bedoeld in artikel 38, derde lid, te allen tijde kan voorschrijven dat
de betreffende entiteit beschikt over de benodigde toestemming van de voor de uitgifte
van het relevante tier-1 instrumenten.
In het eerste lid is reeds voorzien dat DNB kan voorschrijven dat de entiteit eigendomsinstrumenten
en tier 1-instrumenten uitgeeft en/of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan.
DNB kan derhalve voorschrijven dat de entiteit medewerking verleent aan de uitgifte
van certificaten van aandelen, bijvoorbeeld als de entiteit een certificeringsstructuur
kent of als DNB besluit dat uitgifte van aandelen in het kader van bail-in passend
is. In het nieuwe derde lid wordt uitdrukkelijk bepaald dat DNB hiertoe kan voorschrijven
dat de entiteit aandelen uitgeeft aan een STAK. Hiertoe wordt een instructierecht
opgenomen voor DNB om een STAK te instrueren een bepaalde handeling, namelijk het
uitgeven van certificaten van aandelen te verrichten. De instructie kan ook zijn dat
de certificaten moeten worden uitgegeven aan de SAA die deze zal houden voor de voornoemde
houders. Dit instructie-recht wordt opgenomen in het vierde lid.
Y (3A:97)
De voorschriften uit artikel 37 IRRD hebben een gelijkenis met de huidige bepaling
in artikel 3A:97. Met de toevoeging van de dynamische verwijzing naar artikel 37 IRRD
in artikel 3A:93 lid 2 kan het bestaande artikel 3A:97 komen te vervallen. Op grond
van deze dynamische verwijzing kan DNB een verschillende omzettingskoers toepassen
op verschillende categorieën passiva overeenkomstig één of beide beginselen zoals
genoemd in artikel 37 IRRD.
Z (3A:98)
Artikel 3A:98 gaat over de gevolgen van de toepassing van het instrument van bail-in
en geeft DNB de bevoegdheid tot het verrichten of laten verrichten van hetgeen noodzakelijk
is om het instrument goed te kunnen inzetten.
Teneinde de omzetting van passiva in eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten
goed te kunnen uitvoeren, zal het nodig zijn om te bepalen door welke voorwaarden
deze claimrechten worden beheerst. Deze voorwaarden kunnen worden vastgelegd in de
in de praktijk gebruikelijke voorwaarden, zogeheten Terms and Conditions. De Nederlandse entiteiten hebben allen hun eigen specifieke bijzonderheden die hun
oorsprong vinden in de rechtsvorm of de kapitaalstructuur van de entiteit. Gezien
het belang om de specifieke toegesneden voorwaarden te kunnen stellen om hiermee een
goede toepassing van de conversiebevoegdheid te kunnen bewerkstelligen door DNB, is
het noodzakelijk om te verduidelijken dat DNB dergelijke voorwaarden kan verbinden
aan de afschrijving, uitgifte of omzetting als bedoeld in de artikelen 3A:93 en 3A:96
Wft. Hierom wordt het eerste lid aangepast. Het voorgestelde eerste lid schrijft voor
dat DNB in haar besluiten op grond van artikel 3A:93 en 3A:96 Wft nader bepaalt; a)
op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting van
kapitaalinstrumenten en eigendomsinstrumenten plaatsvindt, b) wat de gevolgen zijn
van deze besluiten voor zover nodig, en c) wat de nominale waarde is van de nieuw
uit te geven dan wel bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang van de bestaande
eigendomsinstrumenten op de houders van de rechten ingevolge artikel 3A:93, eerste
lid. Hierdoor is DNB in staat om de modaliteit van de inzet van haar instrumentarium
ten volle te bepalen en voor te schrijven.
Verder worden aan het tweede lid enkele wijzigingen aangebracht om vollediger aan
te sluiten bij de formulering van artikel 39, tweede lid, IRRD.
AA en BB (3A:99 en 3A:100)
De artikelen 3A:99 en 3A:100 vormen een uitwerking van de toepassing van het instrument
van bail-in en gaan over de vermindering van het verschuldigde bedrag van een verplichting
van een entiteit in afwikkeling en gehele of gedeeltelijke afschrijving. Met deze
wijzigingsonderdelen worden in artikel 3A:99, onderdeel b en c, en artikel 3A:100,
eerste lid, enkele aanpassingen gedaan om dichter aan te sluiten bij de formulering
van artikel 38, tweede lid, onderdelen b en c, respectievelijk artikel 39, derde lid,
IRRD.
In de wijziging van artikel 3A:100, eerste lid, ziet het woord «zij» op zowel de verplichting,
als eventuele verplichtingen of vorderingen die die uit die verplichting voortvloeien.
CC (3A:101)
Artikel 3A:101 Wft wordt gewijzigd om de verwijzingen die daarin zijn opgenomen, in
lijn te brengen met wijzigingen opgenomen in dit wetsvoorstel. Het gewijzigde artikel
3A:89 bevat een dynamische verwijzing naar de relevante artikelen uit de IRRD. De
Wft maakt met dit wetsvoorstel geen onderscheid meer tussen een voorlopige en een
periodieke herwaardering en artikel 3A:90 komt te vervallen. Daarom wordt de verwijzing
naar 3A:90 en de periodieke waardering uit artikel 3A:101 gehaald.
DD (3A:102)
Artikel 40 IRRD regelt de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met betrekking
tot een passief dat uit een derivaat ontstaat. Het eerste en tweede lid van dit artikel
behoeven geen nadere implementatie, omdat deze reeds voldoende gedekt zijn door het
huidige artikel 3A:102, eerste en tweede lid. Voor de methoden en beginselen om de
waarde van uit derivaten voortvloeiende passiva vast te stellen, wordt met dit wetsvoorstel
aansluiting gezocht bij het derde en vierde lid van artikel 40 IRRD, waartoe artikel
3A:102 wordt uitgebreid met een derde lid. Het is belangrijk dat DNB hier eenzelfde
berekeningswijze toepast als andere afwikkelingsautoriteiten binnen de Unie.
EE (3A:103)
Een afwikkelingsmaatregel van DNB kan gevolgen hebben voor de deelneming die (rechts)personen
houdt in een verzekeraar. De mogelijkheid bestaat dat na toepassing van het instrument
van bail-in en de uitoefening van het alsdan verkregen recht op eigendomsinstrumenten
resulteert in een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming in de
betreffende verzekeraar. Artikel 3A:103 Wft regelt de beoordeling van de verklaring
van geen bezwaar (vvgb) door DNB in dat geval. Zie voor meer informatie de memorie
van toelichting bij de Whav.58
In het eerste lid wordt het woord «tijdig» toegevoegd aan de opdracht aan DNB. DNB
dient tijdig de beoordeling van de vvgb te verrichten. Daaronder moet worden verstaan:
zodanig dat de omzetting van kapitaalinstrumenten niet wordt vertraagd of niet wordt
verhinderd dat met de afwikkelingsmaatregel de relevante afwikkelingsdoelstellingen
worden verwezenlijkt. Dit volgt uit artikel 36, derde lid, IRRD.
Aan het derde en vierde lid worden kleine wijzigingen aangebracht. Daarmee sluit artikel
3A:103 beter aan bij de inhoud van artikel 31, zesde lid, IRRD (dat ingevolge artikel
36, vierde lid, van toepassing is indien DNB in haar rol als toezichthouder op de
datum van omzetting de vvgb nog niet heeft verleend), en bovendien ook bij het equivalente
artikel 3A:26 dat een vergelijkbare bepaling bevat voor afwikkeling van banken.
In het vijfde lid wordt een verbetering aangebracht door een juiste verwijzing naar
het derde lid, onderdelen a en b, in te voegen. Het vijfde lid regelt inhoudelijk
hetzelfde als artikel 31, zesde lid, onderdeel f, IRRD. Bij afwijzing van een aanvraag
houdt DNB bij het vaststellen van de afstotingsperiode rekening met de heersende marktomstandigheden.
FF (3A:104)
Artikel 3A:104 regelt de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming.
Aan artikel 3A:104, onderdeel b, wordt alleen het woord «rechten» toegevoegd omwille
van de consistentie.
GG
(3A:105)
Artikel 3A:105 over de voorwaarden waaronder een overgang van de onderneming kan plaatsvinden,
wordt aangepast aan de formulering van artikel 31, tweede lid, IRRD. De bestaande
tekst van het artikel wordt opgenomen in het voorgestelde eerste lid en daarbij wordt
bepaald dat DNB alle redelijke stappen moet zetten om commerciële voorwaarden te bedingen
die ook overeenkomen met de waardering die is uitgevoerd op grond van artikel 3A:89.
Daarnaast wordt artikel 3A:105 uitgebreid met drie nieuwe leden om artikel 29 IRRD
te implementeren. Wanneer in het kader van de inzet van het instrument van overgang
van de onderneming de entiteit of een gedeelte van de activa, rechten en passiva,
aandelen of andere eigendomsinstrumenten overgaan, dan worden de voorschriften uit artikel 29 gevolgd. DNB
dient te zorgen dat de overgang volgens een open, transparante en niet-discriminerende
procedure geschiedt, en moet tegelijkertijd zo veel mogelijk naar een maximale overgangsprijs
streven.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien niet eigendomsinstrumenten in
de entiteit in afwikkeling maar de eigendomsinstrumenten in de overbruggingsinstelling
of een deel van haar activa, rechten en passiva worden vervreemd aan een commerciële
partij (zie de artikelen 3A:114, eerste lid, en 3A:115). De procedurevoorschriften
en de commerciële voorwaarden zijn niet relevant in het geval dat activa, rechten
of passiva van de entiteit in afwikkeling overgaan op een entiteit voor activa- en
passivabeheer In dat geval geldt artikel 3A:118a.
(3A:106)
Artikel 3A:106 regelt, kort gezegd, dat DNB na toepassing van een besluit tot overgang
van gedeelten van de activa of passiva van een entiteit in afwikkeling de rechtbank
Amsterdam moet verzoeken om het overgebleven gedeelte van de entiteit in afwikkeling
failliet te verklaren. Met dit onderdeel worden meerdere kleinere aanpassingen gedaan
aan artikel 3A:106. Het betreft tekstuele verduidelijkingen en aanpassingen om dichter
aan te sluiten bij de tekst van artikel 26, vierde lid, dat hier geïmplementeerd wordt
(voor zover nodig). Het doel en inhoudelijke strekking van dit artikel blijven hetzelfde.
Voor nadere toelichting bij artikel 3A:106 wordt daarom verwezen naar de memorie van
toelichting bij de Whav.59
(3A:107)
Met dit onderdeel wordt artikel 28, tweede lid, IRRD geïmplementeerd. Dat artikellid
regelt aan wie de overgangsprijs toekomt die wordt betaald bij toepassing van de instrumenten
overgang van de onderneming, de overbruggingsinstelling of de afsplitsing van activa
en passiva. Een vergelijkbare bepaling staat al in de Wft, maar wordt met dit wetsvoorstel
verder in lijn gebracht met de IRRD. Het artikel in de IRRD maakt onderscheid tussen
oorspronkelijke eigenaren van eigendomsinstrumenten en de entiteit in afwikkeling
die de oorspronkelijke eigenaar was van de activa, rechten en passiva die overgaan
naar de verkrijger of de overbruggingsinstelling. Zie ook de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 3A:133.
(3A:108)
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan het bestaande artikel 3A:108,
dat regelt dat een overgang van onderneming (gedeeltelijk) kan worden teruggedraaid.
Zie voor de achtergrond de memorie van toelichting bij de Whav.60 Met de voorgestelde wijziging wordt de formulering van dit artikel meer in lijn gebracht
met artikel 31, derde lid, IRRD. De IRRD schrijft in artikel 31, derde lid, nog voor
dat deze overgang op de oorspronkelijke eigenaren alleen kan plaatsvinden indien de
omstandigheden dat rechtvaardigen. Die toets is al onderdeel van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. DNB zal daarom, ondanks dat het niet expliciet wordt opgenomen
in artikel 3A:108, deze toets moeten toepassen en motiveren in haar besluit.
(3A:109)
Artikel 31, vierde lid, IRRD vereist dat de verkrijgende partij beschikt over de juiste
vergunningen om het bedrijf dat of de bedrijfsonderdelen die zij verkrijgen in het
kader van de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming, te kunnen
uitoefenen. Dit volgt al uit het stelsel van de regels omtrent markttoegang zoals
neergelegd in deel 2 van de Wft. Met dit onderdeel wordt echter geregeld dat indien
de toepassing van dit instrument gepaard gaat met een nieuwe of aanvullende vergunningaanvraag
van de verkrijgende partij, DNB deze aanvraag tijdig beoordeelt en dat doet in samenhang
met de beoogde overgang. Dat laatste houdt in dat DNB logischerwijs het besluit tot
toepassing van het instrument van overgang van onderneming en het besluit tot verlening
van de benodigde vergunning voor zover mogelijk gelijktijdig neemt. De bestaande tekst
van artikel 3A:109 wordt opgenomen in het tweede lid van het herziene artikel. Deze
bepaling, inclusief de verwijzing naar artikel 3A:103, voorziet in het bepaalde in
artikel 31, vijfde en zesde lid, IRRD.
HH (3A:110)
Artikel 3A:110 gaat over rechtsopvolging door een verkrijger in een derde land. Met
dit onderdeel wordt alleen een kleine aanpassing gedaan aan artikel 3A:110 omwille
van consistente formulering binnen deel 3A.2 en met de IRRD.
II (3A:111)
In lijn met artikel 28, zesde lid, IRRD dient ook een verzekeringsgarantiestelsel
toegevoegd te worden aan de opsomming van toegangsrechten. Ondanks dat Nederland nu
geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel kent, kan het zo zijn dat bijvoorbeeld een
buitenlands stelsel dekking biedt in een concrete casus.
JJ (3A:111a)
Met dit onderdeel worden de artikel 43, eerste lid, onderdeel e, artikel 45, eerste,
tweede en vierde lid, IRRD geïmplementeerd in de Wft. In dit artikel wordt DNB de
bevoegdheid verleend om in het geval van overgang van de onderneming (i) de entiteit
in afwikkeling, diens groepsentiteiten en de verkrijger van de onderneming te verplichten
om elkaar informatie te verstrekken en bijstand te verlenen en (ii) de entiteit in
afwikkeling en diens groepsentiteiten te verplichten operationele diensten en faciliteiten
te verschaffen. Het artikel is van toepassing op overgangen met toepassing van het
instrument van overgang van onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling
op grond van artikel 3A:115 en het instrument van afsplitsing van activa en passiva
op grond van artikel 3A:119. Deze instrumenten worden tezamen ook wel de overgangsinstrumenten
genoemd.
Met het voorgestelde artikel 3A:111a, eerste lid, kan DNB de entiteit in afwikkeling
en de overnemende partij in geval van toepassing van overgangsinstrumenten, verplichten
elkaar informatie te verstrekken en bijstand te verlenen. Deze bevoegdheid geldt ook
ten aanzien van de rechtspersonen die met de entiteit in afwikkeling een groep vormen
als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze categorie entiteiten
wordt niet genoemd in artikel 43, eerste lid, onderdeel e, IRRD.
Het is evenwel wenselijk dat ook aan deze entiteiten bedoelde verplichting kan worden
opgelegd.
Het tweede lid ziet op de bevoegdheid om de entiteit in afwikkeling en groepsentiteiten
te verplichten om alle operationele diensten en faciliteiten te verschaffen die nodig
zijn om de verkrijger in staat te stellen de aan hem overgedragen bedrijfsactiviteiten
effectief uit te oefenen. Daaraan wordt toegevoegd, in lijn met artikel 45, eerste
lid, laatste zin, IRRD, dat dit ook geldt indien de entiteit in afwikkeling of de
desbetreffende groepsentiteit in staat van faillissement verkeert. Voor zover de entiteit
die in staat van faillissement verkeert niet een groepsentiteit, maar de «entiteit
in afwikkeling» betreft, ziet deze toevoeging op het scenario waarin de entiteit in
afwikkeling is genomen, onderworpen is aan een afwikkelingsmaatregel waarbij de onderneming
(gedeeltelijk) is overgegaan en een resterend deel van de onderneming na afloop daarvan
verder in faillissement wordt afgewikkeld.
Met het derde lid wordt invulling gegeven aan artikel 45, derde lid, IRRD, zodat in
Nederland gezetelde groepsentiteiten van een in een andere lidstaat gevestigde entiteit
in afwikkeling, waarop een afwikkelingsautoriteit in die lidstaat haar bevoegdheden
ingevolge artikel 45, eerste lid, IRRD heeft toegepast, ook verplicht kunnen worden
tot het verschaffen van operationele diensten en faciliteiten die nodig zijn om de
verkrijger in staat te stellen de op hem overgegane bedrijfsactiviteiten effectief
uit te oefenen, ook indien de entiteit in afwikkeling of de desbetreffende groepsentiteit
in staat van faillissement verkeert.
Het vierde lid regelt de bevoegdheid van DNB om een aanwijzing op te leggen aan aanbieders
van essentiële diensten die, kort gezegd, insolvent zijn of in de nabije toekomst
waarschijnlijk insolvent zijn. Wanneer daarvan sprake is, is uitgewerkt in artikel
45, tweede lid IRRD. In dit vierde lid wordt daarnaar verwezen.
KK (3A:112)
Aan artikel 3A:112, onderdeel b, wordt alleen het woord «rechten» toegevoegd omwille
van de consistentie in formulering binnen hoofdstuk 3A.2 Wft en met de IRRD.
LL (3A:113)
Artikel 3A:113 gaat over het instrument van de overbruggingsinstelling. In het eerste
en tweede lid worden een aantal aanpassingen gedaan om ook de rechtspersoon die tot
taak heeft het eigendom in een overbruggingsonderneming te houden en de eigendomsinstrumenten
als genoemd in artikel 3A:112, onderdeel a, te verkrijgen en te houden onder de definitie
de overbruggingsinstelling te brengen. Op grond van het Bbpm is de overbruggingsinstelling
in Nederland zo gestructureerd dat een overbruggingsstichting aandelen in een of meer
overbruggingsondernemingen of entiteiten voor activa- en passivabeheer houdt en eigendomsinstrumenten
kan houden die zijn uitgegeven door of met medewerking van een entiteit in afwikkeling.
Een dergelijke stichting zal nu ook op grond van artikel 3A:113 kwalificeren als overbruggingsinstelling.
Het derde lid van artikel 3A:113 wordt vervangen. Met de voorgestelde wijziging van
3A:113, derde lid, sluit de bepaling beter aan bij de IRRD. Het doel blijft hetzelfde,
namelijk dat de verplichtingen van de overbruggingsinstelling niet toenemen.61
MM
(3A:114)
Op basis van artikel 32, vijfde lid, IRRD, kan DNB de eigendomsinstrumenten, activa,
rechten of passiva overdragen aan een derde-verkrijger na toepassing van het instrument
van de overbruggingsinstelling of nieuwe rechten die in een overbruggingsinstelling
aanwezig zijn (bijvoorbeeld wanneer de overbruggingsinstelling nieuwe eigendomsinstrumenten
heeft uitgegeven). Dit zal het geval zijn als DNB besluit, als onderdeel van de afwikkelingsstrategie,
om op enig moment over te gaan tot een gehele of gedeeltelijke «exit» en eigendomsinstrumenten,
activa, rechten of passiva te doen overgaan op een commerciële partij. Dit wordt nu
opgenomen in het eerste lid van artikel 3A:114. Bij een dergelijke overdracht aan
een commerciële partij gelden de procedurele voorschriften genoemd in artikel 3A:105,
zoals ook blijkt uit de schakelbepaling in artikel 3A:115.
Het is mogelijk om eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva terug te laten
overgaan op de oorspronkelijke eigenaren. De mogelijkheid van retourovergang bij een
overbruggingsinstelling is vergelijkbaar met artikel 3A:108, met dien verstande dat
in de context van dit instrument voor een retourovergang geen instemming van de overbruggingsinstelling
is vereist. Met dit onderdeel wordt artikel 3A:114 uitgebreid en in lijn gebracht
met artikel 32, vierde lid, IRRD.
(3A:115)
Met dit onderdeel wordt de verwijzing naar artikel 3A:105 geactualiseerd en worden
verwijzingen naar de artikelen 3A:101, eerste lid, en 3A:111a toegevoegd, waarmee
die artikelen van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op overbruggingsinstellingen.
De verwijzing naar artikel 3A:101, eerste lid, dient ter implementatie van artikel
25, derde lid, onderdeel b, IRRD. Mutatis mutandisgeldt voor de overbruggingsinstelling dat als de prijs die is betaald voor de eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan op de overbruggingsinstelling
op basis van de definitieve waardering te laag blijkt, DNB kan bepalen dat dit bedrag
wordt verhoogd.
De procedurele voorwaarden bedoeld in artikel 3A:105 gelden ook bij toepassing van
het instrument van de overbruggingsinstelling. Er wordt niet verwezen naar het eerste
lid van artikel 3A:105 omdat de IRRD niet expliciet voorschrijft dat de overgang naar
een overbruggingsinstelling onder commerciële voorwaarden dient te geschieden.
Artikel 3A:111a vormt een implementatie van de artikelen 43, eerste lid, onderdeel
e, en 45 IRRD, dat zowel geldt ten behoeve van commerciële verkrijgers van (onderdelen
van) de entiteit in afwikkeling als op overbruggingsinstellingen en entiteiten voor
het beheer van activa en passiva. Het regelt de bevoegdheid van DNB om een entiteit
in afwikkeling, of groepsentiteiten daarvan, ertoe te verplichten alle operationele
diensten en faciliteiten te verschaffen die nodig zijn om de ontvanger in staat te
stellen de aan hem overgedragen bedrijfsactiviteiten uit te oefenen en de nodige informatie
te delen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:111a hierboven.
NN (3A:116)
Artikel 3A:116, tweede lid, regelt de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen aan
een overbruggingsinstelling voor bepaalde vergunningvereisten. Die ontheffing is beperkt
in de tijd. In het tweede lid van artikel 3A:116 wordt «tijdelijk» vervangen door
«voor een periode van maximaal 24 maanden» omdat artikel 33, eerste lid, laatste alinea,
deze specifieke maximale periode voorschrijft. Ten behoeve van de harmonisatie wordt
daarbij aangesloten.
OO (3A:117)
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan artikel 3A:117, dat ziet op
toepassing van het instrument van afsplitsing van activa of passiva. De wijziging
aan het eerste lid wordt gedaan omwille van consistentie binnen deel 3A.2 Wft en met
de IRRD. In het tweede lid wordt aan onderdeel b het nieuwe instrument van de solvabele
run-off toegevoegd. Het afwikkelingsinstrument van afsplitsing van activa of passiva
moet altijd in combinatie met een ander instrument worden ingezet om een onterecht
concurrentievoordeel voor de falende entiteit te vermijden. Het kan zijn dat de omstandigheden
verlangen om het instrument van afsplitsing van activa of passiva gecombineerd in
te zetten met het instrument van solvabele run-off, om het resterende deel van de
entiteit in afwikkeling in solvabele run-off te kunnen plaatsen en de afwikkelingsdoelstellingen
te bereiken. Het is mogelijk om activa en passiva die gerelateerd zijn aan een verzekeringsportefeuille
of een (deel van een) verzekeringsportefeuille af te splitsen naar een entiteit voor
activa- en passivabeheer. Afhankelijk van de betreffende activa en passiva die worden
overgedragen, dient de entiteit voor activa- en passivabeheer over een vergunning
te beschikken.
PP
(3A:118a)
Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel 3A:118a ingevoegd. Het eerste lid van dit
nieuwe artikel vormt de implementatie van artikel 30, zesde lid, IRRD. Voor de overgang
aan een entiteit voor activa- en passivabeheer geldt een andere overgangsprocedure
en andere regeling voor de overgangsprijs dan voor overgang van een (deel van) de
entiteit in afwikkeling aan een commerciële verkrijger. In een concrete afwikkelingscasus
zal DNB als afwikkelingsautoriteit op basis van de waardering uitgevoerd op grond
van artikel 3A:89 een minimumprijs moeten vaststellen voor de overgang van activa,
rechten en passiva aan een entiteit voor activa- en passivabeheer. Het kan ook voorkomen
dat de overgangsprijs een nominale of negatieve waarde heeft.
Het tweede lid vormt een implementatie van artikel 28, derde lid, IRRD. Daarin wordt
voorgeschreven dat een ontvangen overgangsprijs voor afgesplitste activa, rechten
en passiva toekomt aan de entiteit in afwikkeling en dat deze vergoedingen betaald
kunnen worden in de vorm van schuldpapier. Zie ook de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 3A:133.
(3A:118b)
Met dit onderdeel wordt artikel 30, achtste lid, IRRD geïmplementeerd. Het betreft
de regeling ten aanzien van overgang van overgegane activa, rechten en passiva terug
naar de oorspronkelijke eigenaren. Onder het kader van de Whav werd artikel 3A:114
ten aanzien van overbruggingsinstellingen door artikel 3A:119 van overeenkomstige
toepassing verklaard op het instrument van afsplitsing van activa en passiva. Met
de implementatie van de IRRD wordt geen schakelbepaling gebruikt, maar met dit wetsvoorstel
wordt de regeling voor overgang op de oorspronkelijke eigenaren na toepassing van
het instrument van afsplitsing van activa of passiva uitgeschreven. Voor het instrument
van afsplitsing van activa en passiva geldt dat meermaals (en over en weer) overgang
kan plaatsvinden tussen de entiteit in afwikkeling en één of meerdere entiteiten voor
activa- en passivabeheer. Om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de bepaling in de
IRRD, wordt gewerkt met een dynamische verwijzing.
QQ (3A:119)
Artikel 3A:119, waarin een schakelbepaling wordt opgenomen en verschillende artikelen
van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het instrument van afsplitsing
van activa of passiva, wordt met dit onderdeel aangepast. Doordat de overgangsprijs
en de overgang op de oorspronkelijke eigenaren separaat worden geregeld in artikelen
3A:118a en 3A:118b, dient de verwijzing naar artikel 3A:114 te worden verwijderd en
de verwijzing naar 3A:105 te worden aangepast naar de leden twee tot en met vier.
De referentie naar 3A:111 is conform artikel 28, zesde lid, IRRD en artikel 3A:111a
is van overeenkomstige toepassing in verband met de implementatie van artikel 43,
eerste lid, onderdeel e, en 45 IRRD. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel
3A:111a hierboven.
RR (§ 3a.2.4.4.a.)
Dit onderdeel regelt de invoeging van de nieuwe paragraaf § 3a.2.4.4.a., waarmee het
afwikkelingsinstrument van de solvabele run-off wordt toegevoegd aan het wettelijke
instrumentarium van DNB als afwikkelingsautoriteit (zie ook paragraaf 3.2.4 hierboven).
Dit instrument kan zelfstandig of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten
worden toegepast (zie ook artikel 3A:92). In praktijk kan de solvabele run-off ook
een tijdelijke situatie zijn, tot het moment dat een verkrijger gevonden wordt of
de entiteit verder wordt afgewikkeld via faillissement.
De IRRD laat lidstaten de ruimte om bij de implementatie van dit afwikkelingsinstrument
voor te schrijven of de vergunning al dan niet dient te worden ingetrokken. In artikel
3A:119a, eerste lid, wordt voor Nederland geregeld dat de entiteit in afwikkeling
op wie de solvabele run-off wordt toegepast, in beginsel een beperkte vergunning behoudt
om haar bestaande activiteiten te kunnen blijven uitoefenen tijdens de afbouwfase
en tot beëindiging van de laatste polis of overgang aan een derde partij. Het zal
de entiteit in afwikkeling verboden worden nieuwe verzekerings- en herverzekeringscontracten
af te sluiten. DNB zal hiertoe de vergunning dus moeten aanpassen.
Uit artikel 27, tweede, derde en negende lid, van IRRD blijkt dat het toezicht in
de basis moet kunnen worden voortgezet en het minimumkapitaalvereiste nog steeds relevant
is. Door in de Wft voor te schrijven dat DNB de vergunning aanpast door deze te beperken
tot het administreren en laten uitlopen van bestaande verzekeringsportefeuilles, wordt
gewaarborgd dat DNB met voldoende slagkracht toezicht kan blijven houden en haar wettelijke
bevoegdheden in te zetten om ordentelijke run-off te bewaken. De entiteit in afwikkeling
blijft dus onder toezicht staan en moet in beginsel ook aan doorlopende vereisten
voldoen die passen bij de aangepaste vergunning.
In artikel 3A:119a, tweede lid, wordt geregeld dat indien gebruik wordt gemaakt van
de solvabele run-off, dat conform de IRRD gepaard zal moeten gaan met herkapitalisatie
tot tenminste het niveau van de MCR. Het ligt in de rede dat dit in de praktijk wordt
bewerkstelligd door gelijktijdige toepassing van het instrument van bail-in. Verwezen
wordt naar de algemene toelichting over herkapitalisatie bij de solvabele run-off
in paragraaf 3.2.4 hierboven.
In het derde lid van artikel 3A:119a worden een aantal bepalingen uit artikel 27 IRRD
van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft factoren en elementen die DNB
doorlopend moet monitoren tijdens de looptijd van de solvabele run-off. Ter implementatie
van artikel 27, zevende lid, regelt het vierde lid van artikel 3A:119a dat DNB bepaalde
vergoedingen en uitkeringen, zoals dividenduitkeringen en bonussen, kan beperken of
verbieden. Zie hiervoor ook de algemene toelichting in paragraaf 3.2.4 hierboven,
waarin wordt beschreven hoe het niet-uitkeren van dividend kan bijdragen aan afwikkeling
via de solvabele run-off.
In artikel 3A:119b wordt geregeld hoe en wanneer een solvabele run-off beëindigd wordt.
Het eerste lid geeft twee scenario’s die zich kunnen voordoen aan het einde van een
solvabele run-off en die een voltooiing van de toepassing van het instrument behelzen.
In het tweede lid wordt voorzien in twee toets momenten, namelijk de situatie dat
niet langer wordt voldaan aan de MCR en de situatie dat de nettowaarde van de activa
van de verzekeraar negatief wordt. De situatie dat de nettowaarde van de activa negatief
wordt kan zich per definitie alleen voordoen wanneer al eerder niet langer voldaan
is aan de MCR. Dit roept de vraag op hoe deze twee toets momenten zich tot elkaar
verhouden. Hierover zijn vragen gesteld aan de Europese Commissie. De Europese Commissie
heeft verhelderd dat het om twee toets momenten gaat waarbij de afwikkelingsautoriteit
moet beoordelen of (i) ingrijpen door middel van aanvraag faillissement of door middel
van toepassing van een resolutie-instrument nodig is of, (ii) de solvabele run-off
ondanks de verslechterde situatie op verantwoorde wijze kan worden voortgezet. Indien
bijvoorbeeld naar het oordeel van DNB sprake is van een tijdelijke verslechtering
van de financiële situatie, kan DNB er ook voor kiezen om de solvabele run-off te
laten voortbestaan indien dit in het belang wordt geacht van het zo goed als mogelijk
realiseren van de resolutiedoelstellingen. Vanzelfsprekend zal bij een negatieve nettowaarde
van de activa minder snel tot dit oordeel gekomen kunnen worden dan bij een onderschrijding
van de MCR. Tot slot wordt opgemerkt dat de richtlijn spreekt over een negatieve nettowaarde
van de activa, zonder dat verhelderd wordt op basis van welke grondslagen dit berekend
zou moeten worden. Bij de implementatie is er voor gekozen om hierbij aan te sluiten
bij de berekeningswijze volgens Solvency II, zoals geïmplementeerd in artikel 3:53
Wft. Dit betekent dat zodra het eigen vermogen negatief wordt, overeenkomstig de berekeningswijze
ingevolge artikel 3:53 Wft, is er sprake van een negatieve nettowaarde van de activa
als bedoeld in artikel 27 IRRD.
SS
(3A:120)
Artikel 3A:120 Wft regelt de bevoegdheid voor DNB om in te grijpen in de rechten en
bevoegdheden van de organen van de af te wikkelen entiteit. De wijzigingen aan artikel
3A:120 Wft dienen ter implementatie van artikelen 42, 44 en 54 IRRD. In het eerste
lid van artikel 44 IRRD is sprake van de lidstaatoptie om een of meerdere bijzondere
bestuurders aan te wijzen. Van deze lidstaatoptie is gebruik gemaakt, omdat dit kan
bijdragen aan het in de hand werken van de afwikkelingsdoelstellingen. Het zesde lid
betreft geen implementatie van IRRD, maar is consistent met de inhoud van artikel
1:76, achtste lid, Wft, dat voorheen in artikel 3A:120 Wft van overeenkomstige toepassing
werd verklaard. Er is daarom geen sprake van de introductie van een nieuw aansprakelijkheidsregime
in de context van afwikkeling van verzekeraars door dit artikellid. Het gaat in deze
bepaling om de plicht voor organen en vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling
om alle medewerking te verlenen aan de bijzonder bestuurder en anderzijds de hoofdelijke
aansprakelijkheid van de leden van de organen tegenover de instelling voor schade
door handelingen die door dat orgaan zijn verricht in strijd met het besluit tot benoeming
van een bijzonder bestuurder en de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee
verband houden. Dit artikellid is alleen relevant voor zover bestuurders en commissarissen
in functie blijven naast een aangestelde bijzonder bestuurder en het benoemingsbesluit
een taakverdeling tussen de bijzonder bestuurder en deze organen bevat. Voor banken
geldt een vergelijkbare bepaling. Voor verdere achtergrond wordt verwezen naar de
memorie van toelichting bij artikel 3A:49 van de Wet NUB.62
(3A:120a)
Artikel 3A:120a Wft geeft DNB de bevoegdheid om zowel het gehele bestuur en de raad
van commissarissen, als bestuurders en commissarissen van de entiteit in afwikkeling
te ontslaan en nieuwe leden voor die organen te benoemen. Met dit onderdeel wordt
artikel 3A:120a herschreven ter implementatie van twee onderdelen uit de IRRD. De
originele tekst wordt inhoudelijk summier veranderd. In zowel de titel van het artikel
als in het nieuwe eerste lid, wordt de term «hoger management» ingevoegd. Deze bewoording
volgt uit de artikelen 22, eerste lid, onderdeel c, en 42, eerste lid, onderdeel n,
IRRD. De uitzondering die volgt uit artikel 22, eerste lid, onderdeel c, IRRD zal
worden geïmplementeerd via de Rtt Wft. Het ligt overigens voor de hand dat DNB de
toetsing van de beoogde nieuwe bestuurders en commissarissen spoedig verricht indien
de omstandigheden dat vergen, net als de vvgb-toets in het kader van artikel 3A:103
(zie onderdeel FF), om onnodige vertraging in het afwikkelingsproces te voorkomen.
TT (3A:121)
In artikel 3A:121, eerste lid, wordt het woord «noodzakelijk» vervangen door het woord
«nodig» om beter aan te sluiten bij formulering van IRRD 35, derde lid, IRRD. Hoewel
DNB de noodzaak tot het aanpassen van de rechtsvorm altijd zal moeten onderbouwen
conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, blijkt uit de expliciete vermelding
in het derde lid dat niet lichtvaardig moet worden besloten tot een dergelijke aanpassing.
Dit is immers een ingrijpende maatregel. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 3A:121 in de memorie van toelichting bij de Whav.63
UU (3A:121a)
In het voorgestelde artikel 3A:121a Wft wordt de mogelijkheid opgenomen dat DNB een
SAA opricht om in praktijk een goede toepassing van het instrument van bail-in (artikel
3A:93) te waarborgen. Op grond van het eerste lid kan DNB overgaan tot oprichting
van een SAA. Hierbij dient opgemerkt te worden dat DNB ook al een SAA kan oprichten
ter voorbereiding op de toepassing van het instrument van bail-in.
In het tweede lid wordt opgenomen dat DNB de SAA een aanwijzing kan geven met betrekking
tot de taakuitoefening. Hoewel DNB de SAA opricht en mogelijk DNB-medewerkers plaatsnemen
in het bestuur van de stichting, is het niettemin wenselijk om de mogelijkheid te
creëren dat DNB een expliciete opdracht geeft aan de SAA wat betreft de taakuitoefening.
De taken van de SAA zijn immers onlosmakelijk verbonden met de bevoegdheden die DNB
zijn toebedeeld op grond van de wet, en zijn slechts bedoeld om daaraan praktische
uitvoering te geven. De aanwijzing kan zich richten op elk onderdeel van het proces,
van het initiële aanvaarden van bijvoorbeeld certificaten van een STAK, toedeling
van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan houders van de claimrechten, tot
aan de uiteindelijk afwikkeling van de SAA na voltooiing van haar taken. Evenals hetgeen
is overwogen bij de SAA voor banken, geldt voor het geven van deze aanwijzing dat
niet is vereist dat door de SAA een overtreding van de Wft is begaan.64
Het derde lid bevat een delegatiegrondslag, zodat bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur regels gesteld kunnen worden over de SAA met betrekking tot de oprichting
en ontmanteling, taak, financiering, inrichting, bestuur en werkwijze. De SAA heeft
als taak om slechts tijdelijk eigendomsinstrumenten te houden voor de houders van bepaalde rechten. Het moet mogelijk
blijven om de SAA te ontmantelen. Als in dit verband het – na gedane inspanning –
niet mogelijk is gebleken om de eigendomsinstrumenten toe te bedelen aan de rechthebbenden,
zou de SAA de mogelijkheid moeten hebben om deze te vervreemden. Het bestuur van de
SAA zal doorgaans bestaan uit medewerkers van DNB. Ook kunnen werkzaamheden worden
verricht voor de SAA door medewerkers van DNB die onderdeel uitmaken van het organisatieonderdeel
van DNB dat belast is met de afwikkelingstaak op grond van artikel 4a, eerste lid,
onderdeel e, van de Bankwet 1998. Kosten die worden gemaakt bij de oprichting en werking
van de SAA zouden kunnen bestaan uit notariële kosten bij de oprichting en personeelskosten
voor de uren die medewerkers besteden aan de toepassing van een SAA. Doorlopende kosten
ter voorbereiding in de context van afwikkelingsplanning en paraatheid kunnen worden
meegenomen onder de categorie van «Resolutie: Verzekeraars» uit bijlage 2, toezichtcategorie
7, in het Besluit bekostiging financiële sector 2019. In een concrete casus zullen
redelijke kosten van afwikkeling, inclusief kosten voor het daadwerkelijk aanwenden
van een SAA om rechten tijdelijk te houden, zoveel mogelijk worden verhaald op basis
van artikel 3A:133 Wft. Mocht dat niet toereikend zijn, dan kan (onder voorwaarden)
een beroep worden gedaan op de financieringsregeling van artikel 3A:138 Wft. Onder
die regeling worden incidentele bijdrages gevraagd van de sector. De SAA kan zelf
geen heffingen vragen van de sector en de SAA wordt niet gefinancierd met publieke
middelen.
In het vierde lid wordt de mogelijkheid opgenomen dat indien houders van de rechten
hun recht op een eigendomsinstrument niet claimen en de SAA de resterende eigendomsinstrumenten
(aandelen) vervreemdt, de opbrengsten worden geconsigneerd in de Consignatiekas van
het Ministerie van Financiën, waar overgebleven rechthebbenden deze nog twintig jaar
kunnen claimen. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald onder
welke omstandigheden consignatie kan plaatsvinden.
VV (3A:122a)
Ter implementatie van artikel 53 IRRD wordt een nieuw artikel toegevoegd aan paragraaf
3a.2.4.5. dat de bijzondere bevoegdheden van DNB regelt. Aan deze bijzondere bevoegdheden
wordt nu toegevoegd dat DNB de terugbetalingsrechten van verzekeringnemers ingevolge
een levensverzekeringsovereenkomst tijdelijk kan beperken of opschorten indien en
zolang dat nodig is om de toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken.
De duur van de opschorting wordt opgenomen in het te publiceren besluit tot opschorting
van DNB.
DNB dient het besluit bekend te maken op de in artikel 65, derde lid, IRRD voorgeschreven
wijze. Dit komt neer op publicatie op de websites van DNB, Eiopa en de entiteit in
afwikkeling.
WW tot en met YY (3A:123 tot en met 3A:125)
De wijzigingen van de artikelen 3A:123, vierde lid, 3A:124, tweede lid, en 3A:125,
vierde lid, Wft, betreffen een verduidelijking van de opsomming van partijen ten aanzien
van wie de bevoegdheid geregeld in dat artikel niet kan worden uitgeoefend. Deze verduidelijking
heeft mede als doel om de opsomming gelijkluidend te maken met de vergelijkbare artikelen
in Hoofdstuk 3A.1 Wft en volgt uit de IRRD.
Naast een wijziging aan het vierde lid van artikel 3A:125 Wft wordt tevens een nieuw
vijfde lid ingevoegd. In algemene zin kan DNB op basis van artikel 3A:125 de bevoegdheid
opschorten van een derde tot het beëindigen van een overeenkomst met de entiteit in
afwikkeling. Artikel 51 IRRD en artikel 3A:125 zijn vrijwel gelijk, echter verduidelijkt
de IRRD de situatie waarin een derde partij de overeenkomst toch kan beëindigen tijdens
de periode waarin DNB de bevoegdheid van de derde heeft opgeschort. Dit betreffen
de twee situaties waarin DNB de derde partij heeft geïnformeerd dat de onder het contract
vallende rechten en verplichtingen (i) niet aan een andere entiteit worden overgedragen,
of (ii) onderworpen zijn aan bail-in.
DNB dient besluiten ingevolge de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 bekend te maken
op de in artikel 65, derde lid, IRRD voorgeschreven wijze. Voor een verdere toelichting
van de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 wordt verwezen naar de memorie van toelichting
bij de Whav.65
ZZ (3A:126)
Ter vervanging van de verwijzing naar 3A:128 wordt een verwijzing naar 3A:80c opgenomen.
AAA (3A:127a)
Ook wordt een nieuw artikel 3A:127a ingevoegd, dat zorgt voor een implementatie van
artikel 68, derde lid, IRRD. Het artikel schrijft voor dat DNB bij een rechterlijke
instantie de opschorting kan verzoeken van maatregelen of procedures indien dit noodzakelijk
is voor de toepassing van afwikkelingsmaatregelen. De bevoegdheid moet worden gezien
als een hulpmiddel om te zorgen dat het afwikkelingsraamwerk effectief kan worden
toegepast en niet onnodig wordt gefrustreerd door andere lopende procedures. De bevoegdheid
tot opschorting ziet op maatregelen of procedures die de doeltreffende toepassing
van afwikkelingsmaatregelen kunnen belemmeren. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan handhavingsprocedures die lopen ten aanzien van de entiteit in afwikkeling en
die (tijdelijk) niet nodig zijn als DNB bezig is met de afwikkeling. Deze opschorting
duurt voor zolang het noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te bereiken.
BBB (3A:128)
Artikel 3A:128 Wft vervalt omdat de inhoud ervan nu wordt opgenomen in artikel 3A:80c
Wft.
CCC (3A:131)
Artikel 58 IRRD is een zogenaamd kapstokartikel op basis waarvan geen zelfstandige
bescherming voor contractspartijen van de entiteit in afwikkeling bij bepaalde overeenkomsten
wordt gecreëerd. Dit artikel hoeft daarom niet in een separaat artikel te worden geïmplementeerd.
Om die reden wordt voorgesteld om artikel 3A:131 Wft te laten vervallen. De bescherming
van de in artikel 58 IRRD opgesomde overeenkomsten, type verzekeringen en portefeuilles
volgt uit de artikelen 59 tot en met 61 IRRD. Deze beschermingsartikelen zijn geïmplementeerd
in artikel 3A:132 Wft.
Uit de memorie van toelichting bij de Whav66 volgt dat artikel 3A:131 Wft als hoofdregel werd gezien waarop kon worden teruggevallen
indien 3A:132 Wft geen bescherming bood. Volgens de memorie van toelichting kwam dit
er op neer dat een overgang in strijd met de eerste drie leden weliswaar niet nietig
of vernietigbaar was, maar wel beschermd werd door 3A:131 Wft. Uit deze beschermingssystematiek
blijkt dat een terugvalmogelijkheid nodig is, omdat strijdigheid met de eerste drie
leden niet nietigheid of vernietigbaarheid als rechtsgevolg kan hebben. Daarom wordt
ter implementatie van de artikelen 59 – 62 IRRD een zin aan artikel 3A:132 (nieuw)
lid 6 Wft toegevoegd.
DDD (3A:132)
Artikel 3A:132 Wft bevat beperkingen waaraan DNB is gebonden bij een besluit tot overgang
van een gedeelte van de activa of passiva of het beëindigen of wijzigen van een overeenkomst.
Voor een algemene toelichting wordt verwezen naar de MvT van de Whav.67 De voorgestelde wijzigingen van artikel 3A:132 Wft dienen ter implementatie van de
artikelen 59 tot en met 61 van de IRRD. Vanwege meerdere aanpassingen aan het bestaande
artikel 3A:132, wordt het artikel opnieuw vastgesteld.
Artikel 59, eerste lid, tweede alinea, IRRD wordt geïmplementeerd door toevoeging
van een nieuw tweede lid. De voorgestelde toevoeging geldt als extra waarborg ter
bescherming van de rechten die voortvloeien uit de overeenkomsten bedoeld in het eerste
lid van artikel 3A:132 Wft. Onderdeel c van 3A:132, eerste lid, vervalt omdat de daarin
opgenomen beperking niet voortvloeit uit artikel 59, eerste lid, IRRD. Daarnaast zou
het behouden van onderdeel c tot ongewenste gevolgen kunnen leiden, zoals bij het
overdragen van herverzekeringsovereenkomsten met de onderliggende (herverzekerde)
portefeuille.
Het bestaande derde lid wordt herschreven om meer aan te sluiten bij de tekst van
artikel 61, eerste lid, IRRD, en wordt hernummerd tot het vierde lid. Met dit lid
worden de rechten gewaarborgd die voortvloeien uit een gestructureerde financieringsregeling,
beleggingsverzekering (wat een accuratere vertaling is van «unit-linked policy» dan
«fractieverzekering) of andere geoormerkte portefeuilles met inbegrip van regelingen
als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdelen e en g IRRD, door te regelen dat
(i) de overgang van activa, rechten of passiva gezamenlijk gebeurt en niet gedeeltelijk
(de oorspronkelijke tekst is positief geformuleerd ten opzichte van de gewijzigde
tekst), en (ii) een besluit door DNB tot overgang van activa en passiva niet leidt
tot wijziging of beëindiging van de overeenkomsten genoemd in dit lid. Dit laatste
onderdeel wordt toegevoegd ter implementatie van artikel 61, eerste lid, onderdeel
b, IRRD.
In het voorstel wordt nog een nieuw lid ingevoegd (het zesde lid) ter implementatie
van de artikelen 59, tweede lid, 60, tweede lid, en 61, tweede lid, IRRD. In algemene
zin wordt met dit lid geregeld dat DNB, in afwijking van de waarborgen uit artikel
3A:132 Wft delen van activa, rechten of passiva kan overdragen dan wel portefeuilles
of overeenkomsten kan wijzigen of beëindigen. Tussen de genoemde IRRD artikelen zit
echter verschil. Zo hebben de artikelen 59, tweede lid, en 60, tweede lid, als doel
het beschermen van verzekeringsnemers en strekken deze leden voornamelijk tot het
waarborgen van de rechten die voortvloeien uit overgedragen verzekeringspolissen.
Artikel 61, tweede lid, heeft een bredere reikwijdte en regelt dat DNB een uitzondering
kan maken indien dit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen beter te kunnen verwezenlijken.
Aan het zevende lid (voorheen vijfde lid) wordt, in lijn met de hiervoor beschreven
beschermingssystematiek, een zin toegevoegd.
EEE (3A:133)
Aan artikel 3A:133, eerste lid, aanhef en onderdeel c, worden kleine toevoegingen
gedaan om het artikel in lijn te brengen met artikel 26, vijfde lid, IRRD. Aangezien
het nieuwe instrument van de solvabele run-off wordt geïntroduceerd met dit wetsvoorstel,
wordt dat instrument toegevoegd aan onderdeel c. De IRRD schrijft verder voor dat
«redelijke» uitgaven in verband met de toepassing van afwikkelingsinstrumenten kunnen
worden verhaald op de opbrengsten. Dat is een inperking van de huidige ruimere formulering.
Alle netto-opbrengsten van een overgang van activa of passiva van de entiteit in afwikkeling
moeten bij toepassing van het instrument van overgang van de onderneming, toevallen
aan de onderneming die in de liquidatieprocedure is verwikkeld. Alle netto-opbrengsten
uit de overgang van aandelen of andere bij de toepassing van het instrument van overgang
van de onderneming door de entiteit in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten,
moeten toevallen aan de eigenaren van die aandelen of andere eigendomsinstrumenten.
Bij de berekening dienen de uit het falen van de verzekeraar en uit het afwikkelingsproces
voortvloeiende kosten te worden afgetrokken van de opbrengsten.
FFF (3A:133a)
Met dit onderdeel wordt artikel 28, zevende lid, IRRD geïmplementeerd. Daarin wordt
opgenomen dat aandeelhouders of schuldeisers van de entiteit in afwikkeling en andere
derden wier activa, rechten of passiva niet worden overgedragen, geen rechten of vorderingen
hebben op of in activa, rechten of passiva die wel zijn overgedragen of jegens het
bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan of het hoger management van
de overbruggingsonderneming of het vehikel voor activa- en passivabeheer die deze
activa, rechten of passiva heeft verkregen.
GGG (3A:135)
De voorschriften uit artikel 67 IRRD vloeien in Nederland voort uit artikel 8:1 van
de Awb en artikel 3A:135 Wft. Zie voor een toelichting bij het kader voor rechtsbescherming
ten aanzien van dit hoofdstuk de MvT bij de Whav.68 Volledigheidshalve wordt nog een zevende lid toegevoegd, waarmee nadere invulling
wordt gegeven aan artikel 67, derde lid, tweede alinea. Dit lid schrijft voor dat
rechterlijke instanties zich bij hun eigen toetsing baseren op de economische beoordeling
van de feiten zoals uitgevoerd door DNB. Dat biedt duidelijkheid ten aanzien van de
grondslag voor de rechterlijke toets.
HHH (3A:138)
Artikel 3A:138 betreft de financieringsregeling. Wijzigingen aan dit artikel dienen
ter implementatie van artikel 81 IRRD. De IRRD biedt de lidstaten veel ruimte ten
aanzien van de manier waarop zij de financieringsregeling nationaal inrichten. Met
de komst van de Whav is er in Nederland al een financieringsregeling geïntroduceerd.
Met deze implementatie van de IRRD wordt vastgehouden aan het bestaande kader. De
doelstellingen waarvoor de financieringsregeling kan worden ingezet komen vrijwel
overeen met de doelstellingen waarvoor de financieringsregeling op grond van de IRRD
tenminste aangewend moet kunnen worden. Zie de memorie van toelichting bij de Whav
voor uitleg hierover en een beschrijving van de doelen waarvoor deze financieringsregeling
kan worden aangewend.69
Het eerste lid wordt aangepast aan de nieuwe definitie van Uniebijkantoor en meer
in lijn gebracht met de reikwijdtebepaling van 3A:78. Door het eerste lid in lijn
te brengen met de reikwijdtebepaling van 3A:78, wordt ook aansluiting gezocht bij
artikel 81 lid 3 IRRD dat regelt dat bij de financieringsregeling uit wordt gegaan
van het home state perspectief. Dat betekent dat de vergunning het aanknopingspunt voor het recht op
compensatie ingevolge artikel 3A:138, derde lid, onderdelen a en b, is en dat het
recht op compensatie kan gelden ongeacht de verblijfplaats van de gerechtigde. Met
andere woorden, de financieringsregeling geldt niet alleen ten gunste van bijvoorbeeld
polishouders woonachtig in Nederland.
De wijzigingen van onderdelen a en c van het derde lid dienen ertoe om nauwer aan
te sluiten bij de IRRD. De wijziging aan onderdeel a betreft het peilmoment voor de
waardering van het bedrag aan compensatie dat kan worden betaald in het geval dat
een houder van eigendomsinstrumenten, verzekeringnemer, begunstigde, indiener van
vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, verzekeringsgarantiestelsels
op grond van het toepasselijk nationaal recht, grotere verliezen heeft geleden dan
hij zou hebben geleden indien de betreffende entiteit op het moment van het besluit
tot afwikkeling van de entiteit in faillissement zou zijn geliquideerd. De wijziging
aan onderdeel c bakent de kosten die kunnen worden gefinancierd vanuit de financieringsregeling
(en dus uit ex post bijdrages van de sector) verder af tot operationele kosten die
aan twee voorwaarden voldoen: (i) ze zijn gemaakt ten behoeve van een effectieve toepassing
van de afwikkelingsinstrumenten; en (ii) het vergoeden van deze kosten vanuit de financieringsregeling
is noodzakelijk om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Het praktische
gevolg van deze wijziging kan zijn dat de drempel om de financieringsregeling toe
te passen, hoger wordt. Immers, DNB moet niet alleen kijken of de kosten gemaakt zijn
in het kader van effectieve toepassing van afwikkelingsinstrumenten, maar moet daarnaast
ook kijken of het aanwenden van de financieringsregeling ook zelfstandig bijdraagt
aan het verwezenlijken van een of meer afwikkelingsdoelstellingen in kwestie en die
doelen niet in gelijke mate zouden kunnen worden bereikt zonder de bijdrage uit de
financieringsregeling.
Er wordt met dit onderdeel ook een nieuw lid toegevoegd aan artikel 3A:138. Het nieuwe
vijfde lid vormt een implementatie van artikel 81, tweede lid, IRRD. Daarin is voorgeschreven
dat de financieringsregeling in overeenstemming dient te zijn met de algemene beginselen
voor afwikkeling, opgenomen in artikel 22 IRRD. Voor de volledigheid en consistentie
wordt dat ook opgenomen in artikel 3A:138.
Ten behoeve van de financieringsregeling worden bijdragen geheven van verzekeraars
met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, en Uniebijkantoren
in Nederland. Het betreft een «ex post» bijdrage. DNB zal de hoogte van de bijdrage
aan de financieringsregeling vaststellen en de heffing verzorgen. De grondslag voor
de heffing is geregeld in het Bbpm. De bijdragen worden berekend op basis van de omvang
van de technische voorzieningen van een verzekeraar. Aan deze heffingssystematiek
wordt met deze implementatie van de IRRD niks gewijzigd. Net als voorheen – en anders
dan voor banken – zal met de implementatie van de IRRD met dit wetsvoorstel dus geen
«ex ante» fonds worden gevormd. De Europese Commissie onderzoekt ten tijde van dit
wetsvoorstel of er een geharmoniseerd Europees kader voor verzekeringsgarantiestelsels
moet worden opgesteld en zal haar bevindingen daarover begin 2027 presenteren. Met
dit wetsvoorstel wordt niet vooruit gelopen op de mogelijke uitkomsten van deze evaluatie.70
III en JJJ (Bijlagen bij artikel 1:79 en 1:80 Wet op het financieel toezicht)
Aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft worden een aantal artikelen toegevoegd.
Op grond van artikel 82 IRRD heeft de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid om administratieve
sancties en maatregelen op te leggen. De IRRD schrijft in artikel 83, eerste lid,
voor dat tenminste bij een aantal artikelen een administratieve sanctie of een maatregel
opgelegd kan worden opgelegd indien niet aan de verplichting wordt voldaan. Dit betreft
de artikelen 5 (3:57c Wft), 7 (3:288i1 Wft) en 63, lid 1 (3A:85a Wft). De implementatie
van artikel 12 IRRD, dat ook genoemd wordt in artikel 83, eerste lid, geschiet niet
op wetsniveau en wordt om die reden niet in de lijst van bijlagen bij 1:79 en 1:80
Wft meegenomen.
De artikelen die in de lijst van bijlage bij 1:79 Wft staan kunnen gehandhaafd worden
op grond van een last onder dwangsom, in de vorm van een herstel sanctie. Dit geldt
voor de artikelen 3:57c, 3:288i1, 3A:80a, 3A:80b, 3A:83, 3A:83a, tweede lid, en 3A:111a
Wft. De hier opgesomde artikelen uit Deel 3a Wft, zijn niet op grond van de IRRD toegevoegd,
maar zijn toegevoegd aan de bijlage bij 1:79 Wft om nakoming van deze verplichtingen
te bevorderen en te verbeteren en om DNB de bevoegdheid te geven hier op te kunnen
handhaven.
Artikel 1:80 Wft betreft punitieve sancties in de vorm van een bestuurlijke boete.
De verplichtingen die volgen uit de artikelen die in de bijlage van 1:80 Wft zijn
opgesomd kunnen bij niet nakoming dus leiden tot sancties ter ondersteuning van het
bewaren van marktdiscipline. De lijst aan artikelen die wordt toegevoegd aan de bijlage
bij 1:80 Wft is gelijk aan de lijst bij bijlage 1:79 Wft, met dien verstande dat ook
artikel 3A:85a en 3A:119a, derde en vierde lid, Wft worden toegevoegd. Artikel 3A:85a
betreft een meldingsplicht bij FOLTF-scenario van een entiteit. Om te voorkomen dat
deze meldingsplicht niet wordt nageleefd, leent een bestuurlijke boete zich hier beter
voor dan een herstelsanctie. Ook voor overtredingen van regels of beperkingen opgelegd
door DNB bij een solvabele run-off is een boete een beter handhavingsinstrument dan
een herstelsanctie.
ARTIKEL II (Faillissementswet)
A (213)
Artikel 213 wordt op drie onderdelen gewijzigd.
Ten eerste wordt in de definitie van verzekeraar aan de opsomming nu ook expliciet
«herverzekeraar» toegevoegd. Dit is geen inhoudelijke wijziging. Op 1 januari 2024
is Afdeling 11B van de Faillissementswet reeds gaan gelden voor herverzekeraars.71 Met dat doel is toen aan artikel 213 een definitie van herverzekeraar ingevoegd als
onderdeel f en is aan de definitie van verzekeraar in onderdeel a een verwijzing naar
dat nieuwe onderdeel f toegevoegd. Daarbij is echter vergeten het begrip herverzekeraar
toe te voegen. Dat wordt nu hersteld.
Ten tweede wordt in onderdeel g de definitie van zetel aangepast en komt de definitie
van moedermaatschappij in onderdeel r te vervallen. Deze wijzigingen houden verband
met het voorstel tot verval van artikel 213ar, dat ziet op moedermaatschappijen van
verzekeraars, en het voorstel tot invoegen van een nieuwe regeling in de artikelen
213kkb en 213kkc die zien op entiteiten als bedoeld in onderdelen b tot en met d van
artikel 3A:78 Wft, zijnde verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders
van essentiële diensten. Zie voor een verdere toelichting hiervan onderdelen E en
J van artikel II.
Ten derde wordt in onderdeel r de IRRD toegevoegd aan de lijst van definities in deze
titel van de Faillissementswet.
B (213abis)
Met dit onderdeel wordt artikel 213abis integraal gewijzigd onder andere om aan te
sluiten bij de wijzigingen aan de Wft als gevolg van de implementatie van de IRRD
en om bepaalde artikelen uit de IRRD te implementeren in de Fw.
Het eerste lid van dit artikel geeft DNB momenteel de bevoegdheid om het faillissement
van een verzekeraar aan te vragen indien deze voldoet aan de eerste twee afwikkelingsvoorwaarden,
zoals opgenomen in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, Wft. Ter implementatie
van artikel 21 IRRD, en in lijn met de door de Wet NUB beoogde aanpassingen van artikel
212ha Wft, wordt nu voorgesteld om DNB in dat geval te verplichten om binnen een redelijke
termijn van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daartoe moet ook aan de voorwaarden
worden toegevoegd dat afwikkeling van de verzekeraar niet in het algemeen belang is,
om onbedoelde samenloop te voorkomen tussen deze verplichting tot aanvraag van het
faillissement en de uit artikel 3A:85 Wft volgende verplichting tot het nemen van
resolutiemaatregelen.
Het nieuwe tweede en derde lid zijn inhoudelijk gelijk aan het tweede en derde lid
van het huidige artikel 213abis. Met deze leden wordt geregeld dat ongeacht of DNB
de vergunning van een verzekeraar heeft ingetrokken, Afdeling 11B van de Fw nog steeds
van toepassing is op deze entiteit. Daarnaast wordt geregeld dat alleen DNB het faillissement
van een verzekeraar, die een vergunning heeft of heeft gehad, kan aanvragen. In het
derde lid wordt een verwijzing naar het vierde lid opgenomen om tot uitdrukking te
brengen dat de «exclusieve» bevoegdheid van DNB om het faillissement van de verzekeraar
aan te vragen geen afbreuk doet aan de in het vierde lid geïntroduceerde bevoegdheid
van de verzekeraar om aangifte te doen van haar eigen faillissement.
Het vierde tot en met het zevende lid bieden de mogelijkheid tot en de waarborgen
rondom een eigen faillissementsaanvraag bij de rechtbank door een verzekeraar. De
mogelijkheid voor een eigen faillissementsaanvraag door de verzekeraar is een nationale
keuze bovenop voorschriften in de richtlijn. Met deze wijziging wordt beoogd op een
evenwichtige wijze rekening te houden met de verantwoordelijkheden van de verzekeraar
zelf. Zij is immers niet meer volledig afhankelijk van het initiatief van DNB tot
het doen van een faillissementsaanvraag, maar kan ook zelf actie ondernemen ten behoeve
van alle belanghebbenden (waaronder polishouders). Conform artikel 68 IRRD dient DNB
gehoord te worden door de faillissementsrechter. Door het opnemen van de mogelijkheid
om een eigen faillissement aan te vragen, wordt bovendien aangesloten bij het kader
voor banken. Uit de artikelen 213a en 213ag Fw volgt overigens ook dat voor de eigen
aangifte de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is en het criterium van 213ag (failing or likely to fail en geen alternatieve maatregelen) geldt.
Het vierde tot en met zesde lid betreffen gezamenlijk de implementatie van artikel
68, tweede lid, IRRD. De procedure volgend uit het vijfde lid houdt in dat DNB in
kennis wordt gesteld van de eigen aangifte en dat vanaf dat moment een termijn van
zeven dagen gaat lopen. De rechtbank mag pas op de eigen aangifte beslissen of het
faillissement pas uitspreken als die termijn voorbij is, tenzij DNB eerder binnen
die zeven dagen aangeeft niet voornemens te zijn een afwikkelingsmaatregel te nemen.
Deze kennisgeving stelt DNB in de gelegenheid de rechtbank te informeren over een
eventueel voornemen om de entiteit in afwikkeling te nemen en om te worden gehoord
over haar oordeel ten aanzien van het voldoen aan de eerste twee afwikkelingsvoorwaarden.
Deze procedure betreft een nuancering binnen de systematiek van artikel 213ag, eerste
lid, Fw, op basis waarvan de rechter wordt geacht het faillissement uit te spreken
indien summierlijk blijkt dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 213a bis,
eerste lid, voordoet. Het zesde lid bepaalt dat indien DNB aangeeft een afwikkelingsbesluit
te hebben genomen of voornemens is een afwikkelingsmaatregel te nemen, de rechtbank
het faillissement afwijst. Ook indien de verzekeraar zelf een verzoek indient tot
faillietverklaring (eigen aangifte), geldt de procedure uit de leden vier tot en met
zes, en zal de rechter de termijn en voorwaarden uit deze leden in acht moeten nemen.
Ten slotte wordt in het zevende lid de advisering van DNB aan de curator optioneel
gemaakt. Onder het huidige vierde lid dient DNB standaard een advies aan de curator
te overleggen. Na de voorgestelde wijziging is het aan DNB om te bepalen of zij een
dergelijk advies overlegt, zodat er ruimte is voor afweging of een advies in het specifieke
geval meerwaarde heeft.
C (213af) en D (213ag)
Het huidige artikel 213af, eerste lid, verwijst, net als artikel 213ag, eerste lid,
naar «een situatie als bedoeld in artikel 213abis». Onder deze situatie vallen alleen
de gevallen waarin de eerste twee resolutievoorwaarden zijn vervult, maar niet de
derde voorwaarde (dat afwikkeling in het algemeen belang is). Met de toevoeging van
een referentie aan de negatieve «algemeen-belang-toets» in artikel 213abis in dit
wetsvoorstel, moet ook de redactie van de artikelen 213af en 213ag worden aangepast.
Het oordeel van DNB ten aanzien van de negatieve algemeen-belang-toets dient immers
niet vatbaar te zijn voor verweer door de verzekeraar en maakt geen deel uit van het
faillissementscriterium waaraan de rechter dient te toetsen. Het aan artikel 213af
equivalente 212hf Fw voor banken wordt in soortgelijke zin aangepast in de Wet NUB.
Daarnaast wordt in de tekst van artikel 213ag, eerste lid, duidelijk gemaakt dat artikel
213abis, zesde lid, onverminderd van toepassing is. De rechtbank dient het verzoek
op eigen aangifte daarmee af te wijzen als wel aan de eerste twee resolutievoorwaarden
is voldaan, maar DNB laat weten afwikkelingsmaatregelen te (zullen) nemen. Zie ook
de toelichting op artikel 213abis, zesde lid. Het derde lid van artikel 213ag wordt
aangepast om de tekst kloppend te maken met voorgaande artikelen.
E (213ar)
Artikel 213ar vervalt vanwege overlap met de nieuwe Afdeling 11BA. Voor een nadere
toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van onderdeel I van
artikel II.
F (213ml)
Om een schending van het NCWO-beginsel te voorkomen is gewenst dat de instrumenten
die onderworpen kunnen worden aan het instrument van bail-in in afwikkeling, in de
nationale faillissementsrechtelijke rangorde worden gespecificeerd. Bij de beoordeling
of een schuldeiser in afwikkeling al dan niet slechter af is dan in faillissement,
dient immers uit te worden gegaan van de rang die de vordering van de betreffende
crediteur zou hebben gehad in een hypothetisch faillissement. Om volledigheid te waarborgen
en om te voorkomen dat er in faillissement een andere rangorde is dan bij de toepassing
van bail-in in een afwikkelingscenario, wordt dus de rangorde van eigenvermogensbestanddelen
vastgelegd met het nieuwe artikel 213ml. De IRRD vereist in artikel 38, eerste lid,
laatste alinea, dat de vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen
een lagere rang hebben in de faillissementsprocedure dan vorderingen die niet voortvloeien
uit eigenvermogensbestanddelen, oftewel andere typen vorderingen. Hoewel dit in de
regel reeds het geval zal zijn, is nieuw aan deze regel bijvoorbeeld dat bij een gelijke
mate van achterstelling, vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen een
lagere rang innemen dan vorderingen die niet of niet langer voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen.
Binnen de vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen geldt dat eerst de
vorderingen uit hoofde van tier 3 vermogen op de boedel kunnen worden verhaald, gevolgd
door die uit hoofde van tier 2- respectievelijk tier 1 vermogen.
Onder de richtlijn solvabiliteit II worden eigenvermogensbestanddelen ingedeeld in
drie «tiers». De indeling is onder meer afhankelijk van de vraag of het vermogensbestanddeel
deel uitmaakt van het kernvermogen of van het aanvullend vermogen en de mate van permanente
beschikbaarheid en achterstelling. Hierbij geeft tier 1 het meest «hoogwaardig» vermogen
weer, bezien vanuit het perspectief van verliesabsorptie, gevolgd door tier 2 en tier
3.
Hoe verder een vordering voortvloeiend uit een eigenvermogensbestanddeel is achtergesteld,
hoe lager de rang van de crediteur van een dergelijke vordering is in faillissement.
Tier 1 vermogen, waaronder het gestorte aandelenkapitaal, is het diepst achtergesteld
en moet in faillissement dan ook als laatste in rang in aanmerking komen voor uitkering.
Daarbij wordt voor de goede orde opgemerkt dat aandeelhouders van de failliete entiteit
in het faillissement van die entiteit in hun hoedanigheid van aandeelhouder in het
geheel geen vordering ter verificatie kunnen indienen en dus geen aanspraak kunnen
maken op een uitkering in het faillissement. Zij kunnen hooguit aanspraak maken op
een eventueel surplus dat resteert na afwikkeling van het faillissement.
Voor een toelichting bij het tweede, derde en vierde lid, wordt verwezen naar de toelichting
bij onderdeel K, over artikel 212rf Faillissementswet dat leden van gelijke strekking
bevat, in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet verliesabsorptie- en
herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen.72
G (213gg)
In het eerste lid wordt explicieter de bevoegdheid opgenomen van DNB om het faillissement
van een verzekeraar met beperkte risico-omvang aan te vragen. Deze bevoegdheid bestaat
al op basis van de verwijzing naar artikel 213abis lid 3 in het bestaande artikel
213gg. Er blijft sprake van een bevoegdheid in plaats van een verplichting voor DNB,
omdat de IRRD de verplichting niet bevat. Zoals toegelicht bij onderdeel K (artikel
3A:78) hierboven, is ervoor gekozen om in Nederland deze categorie verzekeraars ook
onder de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2 te scharen.
In het nieuwe tweede lid wordt de opsomming opgenomen van artikelen die van overeenkomstige
toepassing zijn op verzekeraars met beperkte risico-omvang. In verband met de wijzigingen
aan artikel 213abis en het nieuwe artikel 213ml moet deze opsomming gewijzigd worden.
Daarnaast wordt de opsomming gewijzigd om tot een completere regeling ten aanzien
van verzekeraars met beperkte risico-omvang te komen die nauwer aansluit bij de regeling
voor verzekeraars in de zin van artikel 213. Zo worden de regels van internationaal
privaatrecht uit paragraaf 3 van Afdeling 11B expliciet van overeenkomstige toepassing
verklaard, aangezien ook verzekeraars met beperkte risico-omvang van het toepassingsgebied
van de Europese Insolventieverordening zijn uitgesloten.73 Ook zijn de artikelen die op grond van het huidige artikel 213kka van overeenkomstige
toepassing worden verklaard op verzekeraars met beperkte risico-omvang opgenomen in
de deze opsomming, waardoor dat artikel kan komen te vervallen.
H (213kka)
Dit artikel kan komen te vervallen zoals toegelicht onder onderdeel G.
I (Afdeling 11BA)
Algemeen
Afdeling 11B van de Faillissementswet ziet op verzekeraars en bepaalde bijkantoren
van verzekeraars. De IRRD en de in dit wetsvoorstel voorgestelde implementatie daarvan
in hoofdstuk 3A.2 Wft zien daarnaast echter ook op verzekeringsholdings, gemengde
financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten. Deze nieuwe afdeling 11BA
geeft speciale regels voor faillissementsaanvragen en faillissementsprocedures ten
aanzien van die entiteiten. Die regels worden deels vereist door artikel 68 van de
IRRD en hangen daar voor het overige nauw mee samen. Het huidige artikel 213ar, op
grond waarvan DNB het faillissement van bepaalde moedermaatschappijen van verzekeraars
kan aanvragen, sluit minder goed aan op de reikwijdte, vereisten en voorwaarden van
de IRRD en wordt door deze nieuwe afdeling vervangen. Dat is tevens in lijn met de
door de Wet NUB beoogde toevoeging van een nieuw artikel 212pp aan afdeling 11AB van
de faillissementswet, ten aanzien van bepaalde groepsentiteiten van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 213kkb
Om efficiënte afwikkeling te bevorderen en bevoegdheidsconflicten te voorkomen, vereist
artikel 68 IRRD bepaalde beperkingen op normale insolventieprocedures ten aanzien
van de verzekeraars, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings die onder
IRRD vallen, zoals opgesomd in artikel 1, eerste lid, onderdelen a tot en met e, IRRD.
In het eerste lid van artikel 68 IRRD wordt vereist dat ten aanzien van een dergelijke
entiteit die in afwikkeling is of waarvan is vastgesteld dat deze voldoet aan de afwikkelingsvoorwaarden
volgend uit artikel 19, eerste lid, IRRD, zoals geïmplementeerd in artikel 3A:85 van
de Wft, geen faillissementsprocedure wordt gestart behalve als dit op initiatief van
de afwikkelingsautoriteit wordt gedaan en dat een dergelijke entiteit ook in andere
gevallen niet failliet wordt verklaard zonder toestemming van de afwikkelingsautoriteit.
In praktijk betekent dit hetgeen is uitgewerkt in het tweede lid van artikel 68 IRRD,
namelijk dat de toezichthoudende autoriteit en afwikkelingsautoriteit onverwijld in
kennis worden gesteld van een faillissementsaanvraag ten aanzien van een dergelijke
entiteit en dat een gerechtelijke beslissing op de aanvraag vervolgens niet eerder
mag worden genomen dan zeven dagen na de kennisgeving, tenzij de afwikkelingsautoriteit
al sneller dan die zeven dagen heeft aangegeven dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel
te nemen.
Artikel 68 IRRD brengt dus mee dat DNB onder voorwaarden bevoegd moet zijn het faillissement
van een dergelijke entiteit aan te vragen en dat ten aanzien van aanvragen door anderen
dan DNB de vereiste procedurele beperkingen in acht moeten worden genomen. Deze vereisten
worden voor verzekeraars al geregeld in artikel 213abis. Ten aanzien van verzekeringsholdings
en gemengde financiële holdings worden deze vereisten geïmplementeerd in het voorgestelde
nieuwe artikel 213kkb.74 Voor een verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting van artikel 213abis, vierde
tot en met zesde lid.
Door artikel 3A:78 Wft worden ter implementatie van artikel 45 van de IRRD ook aanbieders
van essentiële diensten binnen het toepassingsbereik van afwikkeling gebracht. Daarom
wordt voorgesteld om ook aanbieders van essentiële diensten in de reikwijdte van artikel
213kkb mee te nemen. Het door artikel 68 IRRD gediende belang van efficiënte afwikkeling
en het voorkomen van bevoegdheidsconflicten tussen afwikkeling en faillissement die
afwikkeling zouden kunnen doorkruisen, geldt immers evenzeer voor hen.
Het huidige artikel 213ar ziet op alle moedermaatschappijen met zetel in Nederland
van bepaalde verzekeraars, inclusief gemengde verzekeringsholdings. Gemengde verzekeringsholdings
vallen echter buiten de reikwijdte van IRRD en dit wetsvoorstel stelt op basis daarvan
voor deze entiteiten uit de reikwijdte van artikel 3A:78 te verwijderen. Om die reden
en omwille van consistentie wordt voorgesteld om deze entiteiten ook buiten de reikwijdte
van dit nieuwe artikel 213kkb te houden. DNB zal derhalve niet langer het faillissement
van gemengde verzekeringsholdings kunnen aanvragen.
Het eerste lid geeft, onverminderd de hoofdregel in artikel 1 Fw, DNB de bevoegdheid
het faillissement aan te vragen van verzekerholdings, gemengde financiële holdings
en aanbieders van essentiële diensten. Deze bevoegdheid en de voorwaarden daarvan
zijn vrijwel gelijk aan de in dit wetsvoorstel gewijzigde bevoegdheid van DNB op grond
van artikel 213abis, eerste lid, het faillissement van een verzekeraar aan te vragen.
In tegenstelling tot artikel 213abis, eerste lid, geeft het nieuwe artikel 213kkb,
eerste lid, echter niet een imperatieve bevoegdheid, op grond waarvan DNB het faillissement
van de entiteit moet aanvragen, maar een discretionaire bevoegdheid, op grond waarvan DNB het faillissement
kan aanvragen. De reden daarvoor is dat – anders dan voor verzekeraars en herverzekeraars
– artikel 21 van de IRRD ten aanzien van verzekerholdings, gemengde financiële holdings
en aanbieders van essentiële diensten niet voorschrijft dat indien ten aanzien van
dergelijk entiteiten de eerste twee voorwaarden voor afwikkeling zijn vervuld, maar
niet de derde, een liquidatieprocedure wordt geopend. Gelet daarop is het niet nodig
DNB een vergelijkbare imperatieve bevoegdheid op te leggen ten aanzien van het indienen
van een faillissementsverzoek. Voor de overige elementen wordt verwezen naar de toelichting
bij artikel 213abis, eerste lid.
Het tweede lid waarborgt dat een schuldeiser niet het faillissement kan aanvragen
van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding, maar dat de bevoegdheid
daartoe alleen bij DNB of de entiteit zelf ligt. Dit is dus een afwijking van artikel
1 Fw, waarin de hoofdregel is opgenomen dat alle schuldeisers het faillissement van
de schuldenaar kunnen aanvragen. Hiermee wordt voorkomen dat door een aanvraag van
een schuldeiser deze type entiteiten volgens het reguliere faillissementsproces failliet
zouden kunnen gaan zonder betrokkenheid van de afwikkelingsautoriteit en hierdoor
de correcte afwikkeling van een groep verstoord zou kunnen worden. In lijn met het
huidige artikel 213ar, blijft voor het overige artikel 1 Fw, onverkort van toepassing.
Bij een aanvraag van een faillissement door de entiteit zelf of (in geval van aanbieders
van essentiële diensten als bedoeld in artikel 3A:78, onderdeel d) door een schuldeiser
gelden derhalve niet de eerste twee resolutievoorwaarden, zoals bij een aanvraag door
DNB op grond van het eerste lid, maar geldt de algemene toets van artikel 1 Fw of
de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Omdat
in die gevallen niet aannemelijk is dat de entiteit zelf onder toezicht staat en afwikkeling
van die ene entiteit in het algemeen belang zal zijn, is afwijking van de hoofdbeginselen
van het faillissementsrecht niet altijd nodig. Indien de entiteit betrokken is in
een groepsafwikkelingsplan, heeft DNB op basis van dit hoofdstuk de mogelijkheid om
de regie te nemen.
Het tweede lid verwijst niet naar aanbieders van essentiële diensten, onderdeel d
van artikel 3A:78 Wft. De reden hiervoor is dat het type entiteiten dat onder deze
definitie vallen, bijvoorbeeld entiteiten die goederen of diensten aanbieden zoals
IT-diensten, nutsvoorzieningen en de verhuur, exploitatie en onderhoud van gebouwen,
ook buiten het verzekeringswezen werkzaam kunnen zijn. Op grond van de IRRD kunnen
alleen entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep als een verzekeraar kwalificeren
als «aanbieder van essentiële diensten». Deze informatie zal vaak ook uit openbare
gegevens over die entiteit blijken. Het gegeven dat een aanbieder van essentiële diensten
ook buiten het verzekeringswezen werkzaam zou kunnen zijn neemt echter niet met zich
mee dat dit in veel van de gevallen ook zo is, echter is het toch van belang ook het
reguliere regime deels van toepassing te laten zijn en andere schuldeisers de mogelijkheid
te geven het faillissement aan te kunnen vragen. Er is geen rechtvaardiging dat alleen
DNB het faillissement zou moeten kunnen aanvragen. Het is daarentegen wel belangrijk
dat het forum voor de faillissementsaanvraag gecentraliseerd is bij de rechtbank Amsterdam.
Op die manier wordt de continuïteit van de dienstverlening aan de onder toezicht staande
instelling bevorderd als DNB op de hoogte is van het faillissement. Een schuldeiser
zal niet altijd op de hoogte zijn van het feit dat zijn schuldenaar kwalificeert als
aanbieder van essentiële diensten onder de IRRD. Het is daarom van belang dat de betreffende
entiteiten, de rechtbank en DNB (voor zover DNB op de hoogte is van een dergelijke
aanvraag) zelf ook scherp zijn op dit forumvereiste.
Het derde lid regelt dat voor alle entiteiten genoemd in het eerste lid (verzekeringsholdings,
gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten), de aanvraag van
het faillissement bij de rechtbank Amsterdam geschiedt, in afwijking van artikel 2
van de Faillissementswet. Door deze forumkeuze in de wet, wordt overzicht bevorderd
en centreren de mogelijke casus met betrekking tot falende verzekeraars zich bij één
gerecht.
Het vierde en vijfde lid regelen voor verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings
en aanbieders van essentiële diensten, overeenkomstig het vierde en vijfde lid van
artikel 213abis, de hierboven toegelichte procedurele voorschriften voortvloeiend
uit artikel 68, tweede lid, IRRD. De toelichting bij artikel 213abis, vierde en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 213kkc
In artikel 213kkc, eerste lid, worden een aantal artikelen uit paragraaf 2 van Afdeling
11B ten aanzien van verzekeraars van overeenkomstige toepassing verklaard op faillissementsaanvragen
en -procedures ten aanzien van verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings
en aanbieders van essentiële diensten. Artikelen 213ad1, 213ae, 213af en 213ag, 213b,
213g, eerste lid, 213i, 213j en 213k zien op het proces van de faillissementsaanvraag
en de faillietverklaring en bevatten regels die ook ten aanzien van andere entiteiten
nuttig zijn. Artikel 213ml implementeert het eerste lid van artikel 38 IRRD, dat ziet
op de rangorde van vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen. De
werking van artikel 38 IRRD is niet beperkt tot verzekeraars en kan ook relevant zijn
voor andere entiteiten die in aanmerking kunnen komen van bail-in. Daarom dient ook
dit artikel hier van overeenkomstige toepassing te worden verklaard.
Het tweede lid verduidelijkt dat de overeenkomstige toepassing op grond van het eerste
lid niet geldt voor de verwijzing in artikel 213g, eerste lid, naar de machtigingen
bedoeld in artikel 213aga, eerste lid, en artikel 213agb, eerste lid. Die machtigingen
voor overgang en wijziging van rechten en verplichtingen krachtens overeenkomsten
van verzekering gelden immers alleen voor verzekeraars.
Het derde lid bepaalt dat een aantal artikelen alleen van overeenkomstige toepassing
zijn als DNB het faillissement verzoekt. Artikelen 213af en 213b Fw zien naar hun
aard alleen op verzoeken door DNB. Artikel 213ag, eerste lid, ziet op de door de rechtbank
te verrichten toets. Als een ander dan DNB het faillissement aanvraagt, wordt daarvoor
in lijn met het huidige artikel 213ar de algemene insolventietoets (of de schuldenaar
in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen) uit artikel 1 gebruikt
en behoeft niet te worden getoetst aan de specifieke voorwaarden genoemd in artikel
213abis. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting van artikel 213abis,
tweede lid.
J tot en met P (Titel II)
In Titel II, betreffende de surseance van betaling, worden een aantal wijzigingen
doorgevoerd in de artikelen 215, 218, 242, 248, 272, 277 en 280. Deze wijzigingen
hangen samen met de introductie van de nieuwe Afdeling 11BA over het faillissement
van verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële
diensten en de wens om de rol van DNB in een surseance van verzekeraars met beperkte
risico-omvang beter vast te leggen en de samenloop met een faillissementsaanvraag
te regelen.
Surseance van betaling is momenteel beschikbaar voor moedermaatschappijen met zetel
in Nederland van verzekeraars met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27
of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht. Titel II bevat verschillende bijzondere
regels die rekening houden met de rol van DNB ten aanzien van dergelijke moedermaatschappijen.
Vanwege het komen te vervallen van de regeling uit artikel 213ar en de introductie
van Afdeling 11BA Fw, moeten verwijzingen in deze bijzondere regels naar voornoemde
moedermaatschappijen en artikel 213ar worden vervangen door verwijzingen naar alle
in Afdeling 11BA genoemde entiteiten.
Verzekeraars met beperkte risico-omvang zijn naar de letter van artikel 214, vierde
lid, niet uitgesloten van het toepassingsbereik van de regeling van surseance van
betaling, omdat zij geen verzekeraar zijn in de zin van artikel 213. Dit is het geval
sinds de wijziging van de definitie van «verzekeraar» in artikel 213 met ingangsdatum
van 1 januari 2016. Uit de toelichting bij die wetswijziging volgt niet dat is voorzien
of beoogd dat daarmee (naar de letter) de procedure van surseance van betaling open
werd gesteld voor verzekeraars met beperkte risico-omvang.75 Titel II bevat echter momenteel geen bijzondere regels ten aanzien van verzekeraars
met beperkte risico-omvang. Met de voorgestelde wijzigingen komen er ook bijzondere
regels voor verzekeraars met beperkte risico-omvang te gelden, vergelijkbaar met die
ten aanzien van de in Afdeling 11BA bedoelde entiteiten.
ARTIKEL III (Bankwet 1998)
Met de Whav is de Bankwet 1998 gewijzigd, met als doel om de afwikkeling van verzekeraars
toe te voegen aan de taakstelling van DNB. Het taakstellingsartikel (artikel 4, eerste
lid) is daarbij verbreed van alleen de afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen
naar tevens verzekeraars, door de taak te formuleren als «e. het uitoefenen van afwikkelingstaken
met betrekking tot bepaalde financiële ondernemingen». Daarnaast is de formulering
op gelijke wijze verbreed naar verzekeraars in artikel 12b, dat in samenhang met de
andere artikelen in Hoofdstuk III., waarin de taken en de scheiding van taken en verantwoordelijkheden
van de directie van DNB zijn vastgelegd.
Artikel 3, eerste en derde lid, IRRD verplicht de aanstelling van een nationale afwikkelingsautoriteit
en het voorkomen van belangenconflicten tussen de verschillende functies van de autoriteit,
zoals toezicht en resolutie. Een groot deel hiervan is al geregeld in de bovengenoemde
artikelen in de Bankwet. Met dit wetsvoorstel worden vooral wetstechnische wijzigingen
voorgesteld. Waar nodig, wordt voor de volledigheid een verwijzing naar het afwikkelingskader
voor verzekeraars toegevoegd of geactualiseerd, in lijn met de door dit wetsvoorstel
gemaakte wijzigingen in de Wft. De wijziging leidt niet tot de toevoeging van een
nieuwe taak onder de Bankwet 1998.
In artikel 4a wordt een verwijzing naar artikel 3A:84 Wft ingevoegd, omdat een verwijzing
naar de afwikkelingsdoelstellingen ten aanzien van verzekeraars nog ontbrak in dit
artikel.
ARTIKEL IV (Inwerkingtreding)
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel
100 IRRD schrijft voor dat de IRRD uiterlijk op 29 januari 2027 moet zijn omgezet
in nationaal recht.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
BIJLAGE TRANSPONERINGSTABEL
Bepaling EU-regeling
Bepaling in implementatieregeling (waar van toepassing) en bestaande regeling
(Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft)
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1 (1)
Artikel I, onderdeel K, IHAV1
Het bestaande artikel 3A:78 Wet op het financieel toezicht (Wft) is aangepast aan
de IRRD.
Minimum harmonisatie, op basis van artikel 1, lid 2, IRRD
Verzekeraars met beperkte risico-omvang en aanbieders van essentiële diensten (AED’s)
vallen onder de reikwijdte van het hoofdstuk 3A.2 Wft. Dit was op basis van het nationale
kader al zo en wordt met dit wetsvoorstel gehandhaafd.
1 (2)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
2
Artikel I, onderdeel J, IHAV
3A:77 Wft
N.v.t.
N.v.t.
3 (1)
Reeds onderdeel van bestaand recht in 4, lid 1, sub e, Bankwet 1998
Vrijheid keuze aan te wijzen afwikkelingsautoriteit.
Dit betrof al De Nederlandsche Bank, de bestaande situatie wordt hiermee gehandhaafd.
3 (2)
Reeds onderdeel van bestaand recht in 4, lid 1, sub e, Bankwet 1998
N.v.t.
N.v.t.
3 (3)
Reeds onderdeel van bestaand recht in 12b en 12c, Bankwet 1998
N.v.t.
N.v.t.
3 (4)
Reeds onderdeel van bestaand recht in 12b en 12c, Bankwet 1998
N.v.t.
N.v.t.
3 (5)
Implementatieregeling
Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 Wft en toevoeging van bijlage [PM] in Regeling
taakuitoefening toezichthouders Wft (Rtt Wft).
N.v.t.
N.v.t.
3 (6)
Implementatieregeling
Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 Wft en toevoeging van bijlage [PM] in Rtt
Wft.
N.v.t.
N.v.t.
3 (7)
Reeds aangewezen als «Onze Minister» in 1:1 Wft
Vrijheid keuze aan te wijzen ministerie.
Dit betrof al het Ministerie van Financiën, door de Wft op dit punt ongewijzigd te
laten wordt de bestaande situatie gehandhaafd.
3 (8)
Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 en 1:90, lid 5 Wft
N.v.t.
N.v.t.
3 (9)
Behoeft geen implementatie.
Lidstaatoptie
Wordt niet toegepast waarmee het bestaande systeem van een afwikkelingsautoriteit
wordt gehandhaafd.
3 (10)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
Gericht aan EIOPA.
3 (11)
Reeds onderdeel van bestaand recht, artikel
1:25d, lid 1 en 3, sub h, Wft gewijzigd.
Lidstaatoptie
Optie wordt gebruikt om het bestaande recht te handhaven.
4 (1)
Artikel I, onderdelen G, H en O, IHAV
3:57c, lid 3, 3:288i1 lid 4, 3A:83b Wft
N.v.t.
N.v.t.
4 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
4 (3)
Implementatieregeling
Reeds onderdeel van 1:69, lid 2, Wft en toevoeging bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
4 (4)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan EIOPA.
5 (1)
Artikel I, onderdeel G, IHAV.
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3:17, lid 2, sub c, nr 4, Wft ter nadere implementatie
nu ook in 3:57c, lid 1, Wft, wijziging artikel 26.5 Besluit prudentiële regels (Bpr).
N.v.t.
Bestaande wetgeving betrof een algemene grondslag, nieuw artikel werkt de reikwijdte
verder uit.
5 (2)
Artikel I, onderdeel G, IHAV.
3:57c, lid 1, Wft
Discretionaire bevoegdheid voor DNB om marktdekkingsniveau te bepalen.
Via een dynamische verwijzing gericht aan DNB geïmplementeerd.
5 (3)
Artikel I, onderdeel G, IHAV.
3:57c, lid 1 en 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
5 (4)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 2, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (5)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (6)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (7)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (8), eerste alinea
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (8), tweede alinea
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 3, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (8), derde alinea
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (9)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.8, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (10)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 1, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
5 (11)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
5 (12) (a) en (b)
Artikel I, onderdeel G
3:57c, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
5 (12) (c)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5 Bpr
N.v.t.
N.v.t.
6 (1)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
6 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
6 (3)
Implementatieregeling
1:51 en 1:69 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
6 (4)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.7, lid 2 en 3, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
6 (5)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.7, lid 4 en 5, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
7 (1), eerste alinea
Artikel I, onderdeel H, IHAV.
Artikel 3:288i1, lid 1, Wft aangepast ter verwijzing naar de richtlijn artikelen.
N.v.t.
N.v.t.
7 (1), tweede alinea
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
7 (2)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
7 (3)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
7 (4)
Artikel I, onderdeel H, IHAV.
Gewijzigd artikel 3:288i1, lid 3, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
7 (5)
Artikel I, onderdeel H, IHAV.
Gewijzigd artikel 3:288i1, lid 2 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
7 (6)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
7 (7)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.6, lid 1, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
7 (8)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.5, lid 5, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
8 (1)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
8 (2)
Implementatiebesluit
Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr
N.v.t.
N.v.t.
9 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
9 (4)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Gewijzigd artikel 3A:81, lid 4 en 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
9 (6)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (7)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (8)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
9 (9)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd
N.v.t.
N.v.t.
10 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
N.v.t.
N.v.t.
10 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
N.v.t.
N.v.t.
10 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
10 (4)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Gewijzigd artikel 3A:81, lid 2, Wft, invoeging afwikkelingsplannen voor de daarin
bedoelde entiteiten
N.v.t.
N.v.t.
10 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
N.v.t.
N.v.t.
10 (6)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
N.v.t.
N.v.t.
11 (1), eerste alinea
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:80e Wft, verwijzing naar 5:20, eerste lid, Awb. Toegevoegd aan bijlage
[PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
11 (1), tweede alinea
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
11 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
11 (3)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 2, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen
Toegevoegd aan bijlage [PM] in Rtt Wft.
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Verplichting toegevoegd voor een uiteindelijke moederonderneming om DNB in te lichten
bij een situatie in het geval van artikel 11, lid 3, IRRD. Deze informatieplicht geldt
voor verzekeraars op grond van artikel 9, lid 5, tweede alinea, IRRD. Dit is overgenomen
voor uiteindelijke moederondernemingen.
11 (4)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
12 (1)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 5:16, 5:20 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
en 1:74 Wft, nieuwe schakelbepaling 3A:80e, lid 1 en 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
12 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
12 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
Gericht aan EIOPA, maar de hieruit voortvloeiende technische uitvoeringsnormen worden
onderdeel van de Rtt Wft
13 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen
naar de richtlijn artikelen.
N.v.t.
N.v.t.
13 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen
naar de richtlijn artikelen.
N.v.t.
N.v.t.
13 (3)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen
naar de richtlijn artikelen.
N.v.t.
N.v.t.
13 (4)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 5:16, 5:20 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
en 1:74 Wft, nieuwe schakelbepaling 3A:80e, lid 1 en 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
13 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen
naar de richtlijn artikelen.
N.v.t.
N.v.t.
14 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
14 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
14 (3)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
14 (4)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
14 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
15 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:83, lid 1, Wft, artikel gewijzigd ter nadere
implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
15 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:81a, lid 1 Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid
groep.
N.v.t.
N.v.t.
15 (3)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:83, lid 2, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
15 (4), eerste alinea
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht, maar ter implementatie artikel 3A:83, lid 3 Wft
gewijzigd en een nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van
de belemmeringen afwikkelbaarheid groep.
N.v.t.
N.v.t.
15 (4), tweede alinea
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
15 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht, maar ter implementatie artikel 3A:83, lid 3 Wft
gewijzigd en een nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van
de belemmeringen afwikkelbaarheid groep.
N.v.t.
N.v.t.
15 (6)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd en Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
15 (7), eerste alinea
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd.
N.v.t.
N.v.t.
15 (7), tweede alinea
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft en volgt reeds uit het systeem van de Awb.
N.v.t.
N.v.t.
15 (8)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd.
N.v.t.
N.v.t.
16 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen
afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
16 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen
afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
16 (3), eerste alinea
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Nieuw artikel 3A:83a, lid 2, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen
afwikkelbaarheid groep.
N.v.t.
N.v.t.
16 (3), tweede alinea
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
16 (4)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Nieuw artikel 3A:83a, lid 3, Wft, ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen
afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (2)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (3)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t
17 (4)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan artikel 3A:81, lid 3, het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage
[PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (5)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (6)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (7)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (8)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
17 (9)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatieregeling
Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
18 (1)
Artikel I, onderdeel P, IHAV
Onderdeel van bestaande regelgeving in gewijzigd 3A:84 Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
18 (2), eerste alinea
Artikel I, onderdeel P, IHAV.
Onderdeel van bestaande regelgeving in gewijzigd 3A:84 Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
18 (2), tweede t/m vierde alinea
Implementatieregeling
Onderdeel van de taakuitoefening van op grond van 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt
Wft.
N.v.t.
N.v.t.
18 (3)
Artikel I, onderdeel P, IHAV.
Toegevoegd in gewijzigd 3A:84 Wft
N.v.t.
N.v.t.
19 (1)
Artikel I, onderdeel P, IHAV.
Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
19 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening (binnen) de Nederlandsche
Bank
N.v.t.
N.v.t.
19 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening
N.v.t.
N.v.t.
19 (4)
Artikel I, onderdeel P, IHAV.
Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
19 (5)
Artikel I, onderdeel P, IHAV
Implementatieregeling
Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 3, Wft, artikel wordt gewijzigd om aan
te sluiten bij de IRRD en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
20 (1)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:86, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
20 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
20 (3)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:86, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
21
Artikel II, onderdeel F, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 213abis, lid 1, Faillissementswet (Fw), artikel
gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
Inrichting procedure door lidstaat waarbij ordelijke uitstap uit de markt wordt gewaarborgd
Bestaand kader voor insolventieprocedures voor verzekeraars, wordt hiermee gehandhaafd,
waarbij DNB nu de verplichting heeft het faillissement aan te vragen.
22 (1), a
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), b
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), c
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), d
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:74 Wft en 5:20 Awb en de schakelbepaling 3A:80e
Wft
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), e
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 9 en 248 van het Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten, vermelding naar
de artikelen 3:57 (solvabiliteit) en 3:63 (liquiditeit) Wft
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), f
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 277 en 278, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), g
Artikel I, onderdelen R en T, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:88 en 3A:91, Wft artikelen gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
22 (1), h
Artikel I, onderdelen R, T en HHH, IHAV
Volgt uit de samenhang tussen de artikelen 3A:88, 3A:91, 3A:138 en § 3A.2.4.7. Waarborgen
Wft.
N.v.t.
N.v.t.
22 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
22 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
22 (4)
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 666, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek
N.v.t.
N.v.t.
22 (5)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
22 (6)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
23 (1)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
23 (2)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
23 (3)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
23 (4)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
23 (5)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 3A:89, tweede lid, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
24 (1)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
24 (2)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
24 (3)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
24 (4)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
24 (5)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, nu toegevoegd aan lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
24 (6)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
Gericht aan EIOPA, maar meegenomen in de wet wanneer deze informatie is vastgesteld
door EIOPA.
25 (1)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
25 (2)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
25 (3)
Artikel I, onderdelen R, CC en MM, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, 3A:101, eerste lid, en 3A:115 Wft
N.v.t.
N.v.t.
25 (4)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t.
Gericht aan EIOPA, maar meegenomen in de wet wanneer deze informatie is vastgesteld
door EIOPA.
26 (1)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:92, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
26 (2), eerste alinea
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Toegevoegd aan 3A:92, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
26 (2), tweede alinea
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
26 (2), derde alinea
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Toegevoegd aan 3A:92, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
26 (3), eerste alinea
Artikel I, onderdeel J, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in de definitie van afwikkelingsinstrument in 3A:77,
instrument van de solvabele run-off wordt toegevoegd.
N.v.t.
N.v.t.
26 (3), tweede alinea
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Toegevoegd aan 3A:92, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
26 (4)
Artikel I, onderdelen GG en MM, IHAV
Onderdeel van bestaand recht in 3A:106 en 3A:115 Wft, artikelen gewijzigd om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
26 (5)
Artikel I, onderdeel EEE, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:133, lid 1 en lid 2, Wft, artikelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
Discretie aan DNB.
N.v.t.
26 (6)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:129 Wft, behoeft geen nadere aanpassing.
N.v.t.
N.v.t.
26 (7)
Artikel I, onderdelen T en U, IHAV
3A:92 (2), 3A:93 (1)(a) Wft
Lidstaatoptie
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven
t.a.v. de inzetbaarheid van het instrument van bail-in.
26 (8)
Behoeft geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
27 (1)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (2)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1 en lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (3)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (4)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (5)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (6)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (7)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (8)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119b, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
27 (9)
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119b, lid 2, Wft
Discretie aan DNB.
N.v.t.
28 (1)
Artikel I, onderdelen M, EE, GG en GGG, IHAV.
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m lid 3, Wft, op onderdelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. Reeds onderdeel van bestaand recht in
3A:103, 3A:109 en 3A:135, Wft, artikelen worden aangepast om aan te sluiten bij de
tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
28 (2)
Artikel I, onderdeel GG en MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:107 en 3A:115, Wft, artikelen aangepast om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
28 (3)
Artikel I, onderdeel PP, IHAV
Nieuw artikel 3A:118a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
28 (4)
Artikel I, onderdelen R, T en HHH, IHAV
Volgt uit 3A:88, 3A:91, 3A:138 en § 3A.2.4.7. Waarborgen Wft
N.v.t.
N.v.t.
28 (5)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Toevoeging aan 3A:92, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
28 (6)
Artikel I, onderdelen II, MM en QQ, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, 3A:115 en 3A:119 Wft
N.v.t.
N.v.t.
28 (7)
Artikel I, onderdeel FFF, IHAV
Nieuw artikel toegevoegd 3A:133a Wft
N.v.t.
N.v.t.
29 (1)
Artikel I, onderdelen GG, MM en QQ, IHAV
Geïmplementeerd door aanpassing aan 3A:105, lid 2, 3A:115 en 3A:119, Wft
N.v.t.
N.v.t.
29 (2)
Artikel I, onderdelen GG, MM en QQ, IHAV
Geïmplementeerd door aanpassing aan 3A:105, lid 2 en 3, 3A:115 en 3A:119, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
29 (3)
Artikel I, onderdelen GG, MM en QQ, IHAV
Aangepast artikel 3A:105, lid 4, 3A:115 en 3A:119, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
30 (1)
Artikel I, onderdeel OO, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
30 (2) a & b
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit 3A:118 Wft (behoeft geen aanpassing) en 7d Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
30 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 3, Wft, behoeft geen aanpassing.
N.v.t.
N.v.t.
30 (4)
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:118, lid 1, Wft (behoeft geen aanpassing) en
gewijzigd artikel 7d, lid 3, Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
30 (5)
Artikel I, onderdeel OO, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
30 (6)
Artikel I, onderdeel PP, IHAV
Geïmplementeerd via nieuw artikel 3A:118a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
30 (7)
Artikel I, onderdeel OO, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
30 (8)
Artikel I, onderdeel PP, IHAV
Geïmplementeerd via een nieuw artikel 3A:118b, Wft
N.v.t.
N.v.t.
30 (9), eerste alinea
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:118, lid 1, Wft (behoeft geen aanpassing) en
gewijzigd artikel 7d, lid 4, Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
30 (9), tweede alinea
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:25d, lid 3, onderdeel e
Lidstaatoptie
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand recht te handhaven.
31 (1)
Artikel I, onderdeel FF, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, onderdeel b, Wft, artikel aangepast om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
31 (2)
Artikel I, onderdeel FF, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:105, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
31 (3)
Artikel I, onderdeel GG, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:108, Wft
N.v.t.
N.v.t.
31 (4)
Artikel I, onderdeel GG, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:109, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
31 (5)
Artikel I, onderdelen EE en GG, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:103 en 3A:109, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
31 (6)
Artikel I, onderdelen EE en GG, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:103 en 3A:109 Wft
N.v.t.
N.v.t.
31 (7)
Artikel I, onderdeel HH, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:110 Wft, artikel aangepast om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
32 (1)
Artikel I, onderdeel KK, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:112, onderdeel b, Wft, artikel aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
32 (2)
Artikel I, onderdeel LL, IHAV
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, lid 1, Wft en 7b en 7c Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
32 (3)
Artikel I, onderdeel LL, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:113, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
32 (4)
Artikel I, onderdeel MM, IHAV
Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:114, lid 2 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
32 (5)
Artikel I, onderdeel MM, IHAV
Toegevoegd aan artikel 3A:114, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
32 (6)
Artikel I, onderdelen HH, II en MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:110, 3A:111, 3A:115 Wft
N.v.t.
N.v.t.
32 (7), eerste alinea
Artikel I, onderdeel LL, IHAV
Implementatiebesluit
Volgt uit artikel 3A:113, lid 1, Wft en aangepast artikel 7b, lid 4, Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
32 (7), tweede alinea
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:25d, lid 3, onderdeel c en d
Lidstaatoptie
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand recht te handhaven.
33 (1) a
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 7b en 7c Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
33 (1) b
Implementatiebesluit
Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
33 (1) c
Implementatiebesluit
Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
33 (1) d
Implementatiebesluit
Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
33 (1) e
Artikel I, onderdeel MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 1, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
33 (1) f
Implementatiebesluit
Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm.
N.v.t
N.v.t.
33 (1) g
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
33 (1), tweede alinea
Artikel I, onderdeel MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 2, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
33 (2)
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, Wft, aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm.
N.v.t.
N.v.t.
33 (3)
Implementatiebesluit
Volgt op onderdelen reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, Wft, artikel 7f, lid
1, Bbpm wordt aangepast.
N.v.t.
N.v.t.
33 (4)
Artikel I, onderdelen GG en MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:107 en 3A:115, Wft, gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
34
Wordt niet geïmplementeerd.
Lidstaatoptie
Geen instelling van een verzekeringsgarantiestelsel.
35 (1), eerste alinea
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (1), tweede alinea
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122 Wft en de richtlijn wordt toegevoegd bijlage
[PM] in Rtt Wft als onderdeel van de taakuitoefening van DNB.
N.v.t.
N.v.t.
35 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 3, en 3A:101 Wft, wordt niet nader aangepast
ter implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
35 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:121, lid 1, Wft, wordt niet nader aangepast ter
implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
35 (4)
Artikel I, onderdeel V, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (5)
Artikel I, onderdeel V, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (6)
Artikel I, onderdeel V, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, sub g, Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (7)
Artikel I, onderdeel V, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, sub a, Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (8)
Artikel I, onderdeel V, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
35 (9)
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Ter implementatie toegevoegd aan 3A:93, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
36 (1)
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Ter implementatie toegevoegd aan 3A:93, lid 1 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
36 (2), sub a
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft
N.v.t
N.v.t.
36 (2), sub b
Artikel I, onderdelen R en W, IHAV
Volgt uit 3A:89, lid 1, 3A:95 en geïmplementeerd in 3A:95a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
36 (3)
Artikel I, onderdeel EE, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 1 en 2, Wft, artikel aangepast om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
36 (4)
Artikel I, onderdeel EE, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
37
Artikel I, onderdelen U en Y, IHAV
Toegevoegd aan 3A:93, lid 3, Wft, ter implementatie artikel 3A:97 Wft vervallen
N.v.t.
N.v.t.
38 (1) aanhef
Artikel II, onderdeel F, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:95 Wft en geïmplementeerd in 213ml Fw.
N.v.t.
N.v.t.
38 (1) a t/m d
Artikel I, onderdeel W, IHAV
Geïmplementeerd met een nieuw artikel 3A:95a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
38 (1), tweede alinea
Artikel I, onderdeel CC, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:101, Wft
N.v.t.
N.v.t.
38 (1), derde alinea
Artikel I, onderdeel W, IHAV
Geïmplementeerd met een nieuw artikel 3A:95a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
38 (1), vierde alinea
Artikel II, onderdeel F, IHAV
Geïmplementeerd met een nieuw artikel 213ml Fw
N.v.t.
N.v.t.
38 (2)
Artikel I, onderdeel AA, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:99 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij
de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
38 (3), eerste alinea
Artikel I, onderdeel X, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 1, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Stichting administratiekantoor als entiteit ten behoeve van houder van rechten toegevoegd
aan 3A:96, lid 2.
38 (3), tweede alinea
Artikel I, onderdeel X, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
38 (4)
Artikel I, onderdeel X, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 2 en 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
39 (1)
Artikel I, onderdeel M, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 3 en 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
39 (2)
Artikel I, onderdeel Z, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:98, lid 2, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
39 (3)
Artikel I, onderdeel BB, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:100, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te
sluiten bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
39 (4)
Artikel I, onderdeel BB, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:100, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
40 (1)
Artikel I, onderdeel DD, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 1 en 2, Wft, behoeft geen nadere aanpassing
N.v.t.
N.v.t.
40 (2)
Artikel I, onderdeel DD, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 3, Wft, behoeft geen nadere aanpassing
N.v.t.
N.v.t.
40 (3)
Artikel I, onderdeel DD, IHAV
Toegevoegd ter implementatie aan 3A:102, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
40 (4)
Artikel I, onderdeel DD, IHAV
Toegevoegd ter implementatie aan 3A:102, lid 4, Wft
N.v.t.
Gericht aan EIOPA, echter zo worden de technische reguleringsnormen meegenomen in
de verplichting
41 (1)
Artikel I, onderdeel O, IHAV
Implementatiebesluit
Geïmplementeerd in 3A:82, lid 1, en 3A:82a, lid 1, Wft en 5, lid 2 en wijziging Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
41 (2)
Artikel I, onderdeel M, IHAV
Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m 3, Wft, artikelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), a
Volgt reeds uit bestaand recht in 5:16 en 5:17 Awb, 1:74 Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), b
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:120 Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie.
42 (1), c
Artikel I, onderdeel RR, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:119a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), d
Artikel I, onderdeel NN, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), e
Artikel I, onderdelen FF en KK, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, onderdeel a, 3A:112, onderdeel a, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), f
Artikel I, onderdelen FF, KK en MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, 3A:112, Wft en 3A:114 Wft gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de richtlijn.
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), g
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de richtlijn
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), h
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, sub b, Wft, artikel gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de richtlijn
N.v.t
N.v.t.
42 (1), i
Artikel I, onderdeel U, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, sub a, en uit samenhang met 3A:94,
Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), j
Artikel I, onderdelen U, AA en BB, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, 3A:99 en 3A:100, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), k
Artikel I, onderdeel X, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:96, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), l
Artikel I, onderdeel WW, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 2, en 3A:123, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), m
Artikel I, onderdeel DD, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 2, en 3A:122, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), n
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:120a Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
42 (1), o
Artikel I, onderdelen EE en GG, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 1 t/m 3 en 3A:109, Wft, artikelen gewijzigd
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
42 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening
N.v.t.
N.v.t.
42 (3)
Artikel I, onderdeel M, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
42 (4)
Artikel I, onderdeel TT, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht, 3A:121, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
42 (5)
Artikel I, onderdelen R, T en HHH. IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in en samenhang tussen 3A:88, 3A:91 en 3A:138 en §
3A.2.4.7. Waarborgen Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), a
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122 Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), b
Artikel I, onderdeel M, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), c
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:127, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), d
Artikel I, onderdelen II en MM, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, lid 1 en 2 en 3A:115
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), e
Artikel I, onderdeel II, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:111, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), f
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (1), g
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (2)
Artikel I, onderdeel P, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:85, lid 3, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
43 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, lid 1, 3a:122, lid 1, Wft en 3:80 BW
N.v.t.
N.v.t.
43 (4), sub a
Behoeft geen implementatie, mogelijkheid opzeggen arbeidsovereenkomst wordt niet uitgesloten
in hoofdstuk 3A Wft
N.v.t.
N.v.t.
43 (4), sub b
Behoeft geen implementatie, de in die artikelen genoemde artikelen sluiten sub b,
niet uit.
N.v.t.
N.v.t.
44 (1)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
3A:120, lid 1, Wft
Lidstaatoptie
Optie om meerdere bijzondere bestuurders te benoemen
44 (2)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 3, 5 en 6, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie.
44 (3)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 4, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie.
44 (4)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 7
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie en
44 (5)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 2, Wft en
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie.
44 (6)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 2, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken
resolutie.
45 (1)
Artikel I, onderdeel JJ, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
45 (2)
Artikel I, onderdelen K en JJ, IHAV
3A:78, sub e, 3A:111a, lid 4, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Afwikkelingsautoriteit een AED in staat te stellen diensten te blijven leveren door
ook in afwikkeling te kunnen nemen.
45 (3)
Artikel I, onderdeel JJ, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
45 (4)
Artikel I, onderdeel JJ, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
46 (1)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
46 (2)
Behoeft geen implementatie, volgt uit samenwerking «Onze Minister» en DNB
N.v.t.
N.v.t.
46 (3)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
46 (4)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 1, en volgt reeds uit 1:24 Wft
N.v.t.
N.v.t.
46 (5)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
46 (6)
Artikel I, onderdeel GGG, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht uit de algemene regels Hoofdstuk 6 Awb en 3A:135 Wft
op basis waarvan beroep mogelijk is.
N.v.t.
N.v.t.
47 (1) aanhef
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:79, Wft
N.v.t.
N.v.t.
47 (1) sub a en b
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
47 (1) sub c
Artikel I, onderdelen EEE en HHH, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:133 en 3A:138, lid 3, sub c, Wft, artikelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
47 (2)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Implementatieregeling
Geïmplementeerd in 3A:80a Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Geldt ook voor AED’s en verzekeraars met beperkte risico-omvang
47 (3)
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve
van taakuitoefening DNB.
N.v.t.
N.v.t.
48 (1)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 1 tot en met 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
48 (2)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
48 (3)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
48 (4)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 5, sub d, Wft
N.v.t.
N.v.t.
48 (5)
Artikel I, onderdeel ZZ, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:126 Wft
N.v.t.
N.v.t.
48 (6)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 6, Wft
N.v.t.
N.v.t.
49 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
49 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
49 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
49 (4)
Artikel I, onderdeel WW, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:123, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
49 (5)
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24, Wft en richtlijn toegevoegd aan Bijlage [PM]
in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
50 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:124, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
50 (2)
Artikel I, onderdeel XX, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:124, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
50 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB.
N.v.t.
N.v.t.
51 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, lid 1 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
51 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, lid 2 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
51 (3)
Artikel I, onderdeel YY, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:125, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
51 (4)
Artikel I, onderdeel YY, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:125, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
51 (5)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, (nieuw) lid 6, Wft
N.v.t.
N.v.t.
52 (1)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 1, Wft
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Geldt ook voor AED’s en verzekeraars met beperkte risico-omvang.
52 (2)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 2, Wft
Lidstaatoptie
Discretie aan DNB om overweging te maken verplichting op te leggen aan een uiteindelijke
moederonderneming.
52 (3)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 4, Wft
N.v.t.
N.v.t.
52 (4)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
52 (5)
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
53 (1)
Artikel I, onderdeel VV, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:122a Wft
N.v.t.
N.v.t.
53 (2)
Artikel I, onderdeel VV, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:122a Wft
N.v.t.
N.v.t.
54 (1)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1 en 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
54 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in Hoofdstuk 1.4 Wft, afdeling 3A.2.3 en 3A.2.4 Wft
zijn van toepassing
N.v.t.
N.v.t.
54 (3)
Artikel I, onderdeel SS, IHAV
Implementatieregeling
Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1, en 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
54 (4)
Behoeft geen implementatie.
N.v.t.
Niet van toepassing in het nationaal recht.
55 (1)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:88 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij
de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
55 (2)
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:88 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij
de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
56 (1)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
56 (2)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
56 (3)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten
bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
56 (4)
Artikel I, onderdeel T, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 3A:91, eerste lid, Wft.
N.v.t.
N.v.t.
57
Artikel I, onderdelen T en HHH, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 2, en 3A:138, lid 3, Wft, artikelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
58 (1)
Behoeft geen separate implementatie omdat de vereiste bescherming is uitgewerkt in
59–62 IRRD die geïmplementeerd worden in 3A:130 en 3A:132 Wft.
N.v.t.
N.v.t.
58 (2)
Behoeft geen separate implementatie omdat de vereiste bescherming is uitgewerkt in
59–62 IRRD die geïmplementeerd worden in 3A:130 en 3A:132 Wft.
N.v.t.
N.v.t.
58 (3)
Behoeft geen implementatie, het nationaal wettelijk kader maakt geen onderscheid tussen
een «hoeveelheid» van partijen en andere genoemde factoren.
N.v.t.
N.v.t.
59 (1)
Artikel I, onderdeel DDD, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 1, Wft, artikel is gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
59 (2)
Artikel I, onderdeel DDD, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
60 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
60 (2)
Artikel I, onderdeel DDD, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
61 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 3, Wft, artikel is gewijzigd om aan
te sluiten bij de tekst van de IRRD.
N.v.t.
N.v.t.
61 (2)
Artikel I, onderdeel DDD, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
62 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:130, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
62 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:130, lid 2, Wft
N.v.t.
N.v.t.
63 (1)
Artikel I, onderdeel Q, IHAV
Nieuw artikel ter implementatie ingevoegd, 3A:85a, Wft
N.v.t.
N.v.t.
63 (2)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie uitwisseling.
N.v.t.
N.v.t.
63 (3)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie uitwisseling.
N.v.t.
N.v.t.
64 (1)
Artikel I, onderdeel P, IHAV
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:85, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten
behoeve van grensoverschrijdende samenwerking.
N.v.t.
N.v.t.
64 (2)
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 3:46 Awb en 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft
ten behoeve vaan informatie uitwisseling
N.v.t.
N.v.t.
65
Artikel I, onderdelen F en M, IHAV
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 3:41, lid 2, Awb, 1:24 en toevoeging van de richtlijn
aan 1:90, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
66 (1)
Artikel I, onderdeel F, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:89, lid 1, en toevoeging van de richtlijn aan
1:90 Wft
N.v.t.
N.v.t.
66 (2)
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:89, lid 2 en 4, en 1:24 Wft en bijlage [PM] in
Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening van DNB
N.v.t.
N.v.t.
66 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24 en 1:93d Wft
N.v.t.
N.v.t.
66 (4)
Artikel I, onderdeel F, IHAV
Toevoeging richtlijn aan 1:90, lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
66 (5), onderdeel a
Volgt reeds uit 1:89 (1) en (4) Wft
Lidstaatoptie
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven.
66 (5), onderdeel b
Volgt reeds uit 1:93d en 1:93e Wft
Lidstaatoptie
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven.
66 (5), onderdeel c
Artikel I, onderdeel F, IHAV
Richtlijn toegevoegd aan 1:90 (1) Wft
Lidstaatoptie
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven.
66 (6)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
66 (7)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan EIOPA.
67 (1)
Wordt niet geïmplementeerd.
Lidstaatoptie
N.v.t.
67 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:135 Wft en 8:1 Awb
N.v.t.
N.v.t.
67 (3)
Artikel I, onderdeel GGG, IHAV
Toegevoegd aan 3A:135, zevende lid, Wft en volgt reeds uit bestaand recht in 8:1 Awb
N.v.t.
N.v.t.
67 (4)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:136 en 3A:137 Wft en 6:16 Awb
N.v.t.
N.v.t.
68 (1)
Artikel II, onderdelen B en I, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 213abis en 213kkb Fw
N.v.t.
N.v.t.
68 (2)
Artikel II, onderdelen B en I, IHAV
Geïmplementeerd in artikel 213abis en 213kkb Fw
N.v.t.
N.v.t.
68 (3)
Artikel I, onderdeel AAA, IHAV
Geïmplementeerd in 3A:127a Wft
N.v.t.
N.v.t.
69
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB
N.v.t.
N.v.t.
70
Artikel I, onderdeel D, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51e, Wft volgt reeds uit bestaand recht in 1:65, lid 6,
Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking.
N.v.t.
N.v.t.
71
Artikel I, onderdeel D, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51e, en volgt reeds uit bestaand recht in 1:65, lid 6,
Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking
N.v.t.
N.v.t.
72 (1)
Artikel I, onderdelen D en F, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51 en 1:90 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van
grensoverschrijdende samenwerking en informatie uitwisseling
N.v.t.
N.v.t.
72 (2)
Artikel I, onderdeel D, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51e Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende
samenwerking en informatie uitwisseling
N.v.t.
N.v.t.
72 (3)
Artikel I, onderdeel F, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:65 en richtlijn toegevoegd aan 1:90 Wft
N.v.t.
N.v.t.
73
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft.
N.v.t.
N.v.t.
74
Artikel I, onderdeel D, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51e en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende
samenwerking
N.v.t.
N.v.t.
75 (1) & (2)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan de Europese Commissie
75 (3)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Is aan de discretie van een lidstaat.
76 (1)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Uitleg van de andere leden.
76 (2)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Nieuw artikel 3A:79b, lid 1, Wft ter implementatie
N.v.t.
N.v.t.
76 (3)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Nieuw artikel 3A:79b, lid 2, Wft ter implementatie
N.v.t.
N.v.t.
76 (4)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Nieuw artikel 3A:79b, lid 2, Wft ter implementatie
N.v.t.
N.v.t.
76 (5)
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Nieuw artikel 3A:79b, lid 3, Wft ter implementatie
N.v.t.
N.v.t.
77
Artikel I, onderdeel L, IHAV
Nieuw artikel 3A:79b, lid 4, Wft ter implementatie
N.v.t.
N.v.t.
78
Artikel I, onderdeel R, IHAV
Artikel 3A:87 gewijzigd ten behoeve van implementatie
N.v.t.
N.v.t.
79
Implementatieregeling
Bijlage [PM] bij Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
80 (1)
Artikel I, onderdeel F, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:51, lid 3, Wft en richtlijn toegevoegd aan 1:90,
lid 1, Wft
N.v.t.
N.v.t.
80 (2)
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:90, lid 2 en 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
81 (1), eerste alinea
Artikel I, onderdelen T en HHH, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91 lid, 3A:138 lid 1, 3 en 4 Wft, artikelen aangepast
om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD
N.v.t.
N.v.t.
81 (1), tweede alinea
Artikel I, onderdeel HHH, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:138, lid 3, sub c, Wft
Lidstaatoptie
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven.
81 (1), derde alinea
Behoeft geen implementatie.
Lidstaatoptie
Er wordt geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat het nationale recht geen
algemeen verzekeringsgarantiestelsel kent.
81 (2)
Artikel I, onderdeel HHH, IHAV
Nieuw lid ingevoegd ten behoeve van implementatie in 3A:138, lid 5, Wft
N.v.t.
N.v.t.
81 (3)
Artikel I, onderdeel HHH, IHAV
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:138, lid 1, Wft en 7jd Bbpm
N.v.t.
N.v.t.
81 (4)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
Gericht aan de Europese Commissie.
82 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht 1:75, 1:79 en 1:80 Wft. Artikelen IRRD toegevoegd aan
bijlagen bij 1:79 en 1:80 Wft
N.v.t.
N.v.t.
82 (2)
Artikel I, onderdelen JJJ en KKK, IHAV
Volgt reeds uit bestaand recht in 5:1, lid 3, Awb
N.v.t.
N.v.t.
82 (3)
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:46, 1:51, 1:74 Wft en Titel 5.2 Awb
N.v.t.
N.v.t.
82 (4)
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB
N.v.t.
N.v.t.
82 (5)
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:135 Wft en 8:5 en bijlage 1 en 2 Awb
N.v.t.
N.v.t.
83 (1)
Artikel I, onderdelen III en JJJ, IHAV
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:79 en 1:80 en toevoeging richtlijn artikelen in
de bijlagen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbf)
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD
Ook handhaving 3A:138, tweede lid, hiermee wordt het bestaande kader gehandhaafd.
83 (2), a
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:94, lid 1, sub i, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft
ten behoeve van taakuitoefening DNB
N.v.t.
N.v.t.
83 (2), b
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:75 Wft
N.v.t.
N.v.t.
83 (2), c
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:87 Wft
N.v.t.
N.v.t.
83 (2), d
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:81, lid 3 en 1:82, lid 1, Wft en Bbbf
N.v.t.
N.v.t.
83 (2), e
Implementatiebesluit
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:81, lid 2 en 3 Wft en Bbbf
N.v.t.
N.v.t.
83 (2), f
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:83 Wft
N.v.t.
N.v.t.
83, laatste alinea
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:82, lid 3, Wft
N.v.t.
N.v.t.
84 (1)
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:97 Wft
N.v.t.
N.v.t.
84 (2)
Implementatieregeling
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:98 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve
van grensoverschrijdende samenwerking
N.v.t.
N.v.t.
85 (1), eerste alinea
Artikel I, onderdeel D, IHAV
Implementatieregeling
Richtlijn toegevoegd aan 1:51e Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie
uitwisseling.
N.v.t.
N.v.t.
85 (1), tweede en derde alinea
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan EIOPA.
85 (2)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan EIOPA.
86
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:88a Wft, 5:1, lid 3, en 5:46 Awb en Bbbf
N.v.t.
N.v.t.
87
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Ter implementatie toegevoegd aan 3A:80c, lid 1, sub a, Wft
N.v.t.
N.v.t.
88
Artikel I, onderdeel N, IHAV
Nieuw artikel 3A:80e, Wft en volgt reeds uit bestaand recht in 5:70–71 Wft
N.v.t.
N.v.t.
90
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
91
Implementatieregeling
Bijlage [PM] in Rtt Wft
N.v.t.
N.v.t.
92
Artikel I, onderdeel M, IHAV
Artikel 3A:80 Wft
N.v.t.
N.v.t.
93
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Rechtstreekse werking
94
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Rechtstreekse werking
95
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Rechtstreekse werking
96
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Rechtstreekse werking
97
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:69 Wft
N.v.t.
N.v.t.
98
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan de Europese Commissie
99
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
Gericht aan de Europese Commissie
100 (1)
Artikel V IHAV
N.v.t.
N.v.t.
100 (2)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
101 (1)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
101 (2)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
X Noot
1
Implementatiewet Herstel en Afwikkeling van Verzekeraars.
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.