Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer en Van Asten over het bericht op NPO Radio 1 “Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?”
Vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer en Van Asten (beiden D66) aan de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht «Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?» (ingezonden 11 mei 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 15 juni
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2070.
Vraag 1
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen
zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte,
klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
Antwoord 1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is
gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel
bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit
voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met
drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder
al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan
naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende
afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek
is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt
douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen
van de druk op de drinkwatervoorziening?
Antwoord 2
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier
kan.
Vraag 3
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van
het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
Antwoord 3
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd
dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking
van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen
van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat
de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie
met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen
voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Vraag 4
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf
pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer,
en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing4 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt
u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer
de eerste resultaten worden verwacht?
Antwoord 4
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak.
De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners
doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit
van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen
met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie
Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen
en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater
van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag.
Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit
soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater
verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Vraag 5
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en
regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen?
Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid
en regelgeving?
Antwoord 5
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren
hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen
we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut
KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een
cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de
toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner
zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Vraag 6
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen
in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering,
toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Antwoord 6
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar
maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname
van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het
voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen
zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari
jl. is dit nader toegelicht.
Vraag 7
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en
beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s
te beperken?
Antwoord 7
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie
die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Vraag 8
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw
uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
Antwoord 8
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister
van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we
dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Vraag 9
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit
(of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en
ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Antwoord 9
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater
risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de
regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging
van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De
komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig
te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en
onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht
om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie
naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden,
zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende
schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Vraag 10
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot
de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
Antwoord 10
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van
Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem
€ 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten
van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke
systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw
worden genomen.
Vraag 11
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol
ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Antwoord 11
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt
het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma
beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven
te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk
wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing
om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon
per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt
het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar
een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Vraag 12
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande
instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Antwoord 12
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan
besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als
in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend
aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt
is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of
uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers
mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande
nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen
met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Vraag 13
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete
maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen?
Zo ja, welke?
Antwoord 13
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te
rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig
te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit
en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Vraag 14
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt
geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht
besluitvorming kan plaatsvinden?
Antwoord 14
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt
geïnformeerd.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.