Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Teunissen en Van Oosterhout over overwinsten van olie- en gasbedrijven
Vragen van de leden Teunissen (PvdD) en Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Financiën over overwinsten van olie- en gasbedrijven (ingezonden 15 april 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën), van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën)
en van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat), mede namens de Ministers van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Klimaat en Groene Groei (ontvangen
15 juni 2026)
Vraag 1
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of Warvan Energy Comment Hamburg, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de
EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80
miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn
gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige
winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Antwoord 2
In de Kamerbrief over de «Acties weerbaarheid energieschok»1 heeft het kabinet een eerste analyse gemaakt van mogelijke overwinsten in de olie-
en gassector. In deze analyse is geconcludeerd dat de marges met name bij de productie
van ruwe olie zijn opgelopen, maar dit wordt vrijwel volledig in het buitenland gematerialiseerd.
Daarnaast heeft het kabinet ook indicaties van toegenomen marges in de raffinagesector.
Hierbij is echter een belangrijke kanttekening dat het kabinet geen zicht heeft op
de prijsafspraken die individuele bedrijven maken. Operators verhandelen olievolumes
bijvoorbeeld (deels) middels een vast-prijscontract tegen een vooraf vastgestelde
prijs, waardoor de invloed van hogere prijzen op de winsten mogelijk uitblijft. Bovendien
betekent een hogere marge nog niet dat sprake is van een (in Nederland eventueel te
belasten) overwinst. Tot slot heeft het kabinet geen indicatie dat de marges bij pomphouders
zijn toegenomen. In de onlangs gepubliceerde monitor brandstofprijzen van het ACM
worden deze conclusies bevestigd.
Vraag 3
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge
koopkracht, waaronder Nederland?
Antwoord 3
Het kabinet heeft geen onderzoek gedaan naar de prijsontwikkeling in andere Europese
lidstaten.
Vraag 4
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het
Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen
voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees
land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen
dit rapport en deze conclusies?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Vraag 5
Is er in dit geval volgens u sprake van graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken
van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven
extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening
betalen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Het is in een vrije markteconomie normaal dat winsten fluctueren, afhankelijk van
vraag-aanbod en prijsontwikkelingen. In Nederland hebben raffinaderijen bijvoorbeeld
periodes van lagere winsten, maar ook periodes van hogere winsten. Dat gezegd hebbende
is het niet de bedoeling dat fossiele bedrijven profiteren van geopolitieke spanningen
en oorlog.
Vraag 7
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van
oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Antwoord 7
Het kabinet deelt het belang om de kosten- en prijsontwikkeling bij olie- en gasbedrijven
goed in de gaten te houden. De ACM publiceert sinds halverwege deze maand daarom iedere
week een monitor brandstofprijzen. Op basis hiervan concludeert het kabinet dat er
geen aanwijzingen zijn dat pomphouders momenteel hogere winstmarges realiseren als
gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. Dit is naar verwachting wel het geval
in de raffinagesector, waarvan een deel in Nederland staat. Daarnaast worden ook extra
winsten gemaakt bij de productie van ruwe olie. Dit zit echter vrijwel volledig in
het buitenland. Conform de aangenomen motie van de leden Klaver en Paternotte2 pleit het kabinet in Europees verband voor een aanpak van eventuele overwinsten bij
energiebedrijven.
Vraag 8
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent
extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen
en versnelling van de energietransitie?
Antwoord 8
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van
de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere
termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen.
Eventuele extra winsten in de olie- en gassector leiden ook tot meer inkomsten in
de vennootschapsbelasting. Deze sectoren zijn sterk internationaal verweven. Voor
het belasten van eventuele extra winsten bovenop de vennootschapsbelasting, kiest
het kabinet daarom een Europese aanpak. Zo roept het kabinet de Europese Commissie
op tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en
gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast roept het kabinet op
om de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op
overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten.
Vraag 9
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van
fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Antwoord 9
De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting
te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april
jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van nationale maatregelen
toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse
oliemarkt is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over
het belasten van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met
andere Europese lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar
heeft het nog niet tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet
blijft echter aandacht vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak
voor het belasten van eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk
optrekken met andere gelijkgestemde lidstaten.
Vraag 10
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband,
en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Antwoord 10
Het kabinet heeft tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse
van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van
de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische
mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als
er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als
op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Deze oproep heeft vooralsnog niet geleid
tot een nadere analyse of voorstel van de Europese Commissie (hierna: Commissie).
De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting
te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april
jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van maatregelen toegespitst
op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse oliemarkt
is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over het belasten
van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met andere Europese
lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar heeft het nog niet
tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet blijft aandacht
vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak voor het belasten van
eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk optrekken met andere
gelijkgestemde lidstaten.
Vraag 11
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal
en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Antwoord 11
Zie het antwoord op vraag 10.
Vraag 12
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van
oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Antwoord 12
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van
de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere
termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen.
Het tijdelijk of permanent extra belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven
is daar geen onderdeel van, hier kiest het kabinet namelijk een Europese aanpak.
Vraag 13
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten
gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven,
onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures
er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot
de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Antwoord 13
De betreffende EU Verordening c.q. de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage (en de
tijdelijke verhoging van de cijns) leiden tot meerdere procedures. Het gaat daarbij
zowel om nationaalrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures als om arbitrageprocedures.
Tegen de tijdelijke solidariteitsbijdrage en tijdelijke verhoging van de cijns zijn
in totaal 33 bezwaren ingediend bij de Belastingdienst, met een gezamenlijk bestreden
bedrag van circa 2,7 miljard euro. Van deze bezwaren zijn er inmiddels twee in beroep
aanhangig bij de rechtbank. De overige bezwaren zijn nog in behandeling. Daarnaast
is een aantal partijen een arbitrageprocedure gestart, bijvoorbeeld op grond van het
Energiehandvestverdrag. Het is onder meer met het oog op de fiscale geheimhoudingsplicht
van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de vertrouwelijkheid
van de arbitrageprocedures niet aan het kabinet om een volledig overzicht van de betrokken
partijen en de geschilpunten te geven. Het kabinet verwijst voor de arbitragezaken
waarvan de Kamer reeds op de hoogte is gebracht naar de brieven aan uw Kamer van 20 januari
jl. en 18 mei jl.3 Een aantal bedrijven uit de olie- en gassector hebben daarnaast rechtstreeks beroep
tegen de EU-verordening ingediend bij het Europees Hof van Justitie.
Vraag 14
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures
– zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage
uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand
van zaken?
Antwoord 14
Zie het antwoord op vraag 13.
Vraag 15
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse
rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof
van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Antwoord 15
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Vraag 16
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op
welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Antwoord 16
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Vraag 17
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van
bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld
in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Antwoord 17
Ik kan bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere
juridische geschillen tussen Shell en ExxonMobil en de Staat. Uw Kamer is hierover
eerder geïnformeerd, onder meer in de Kamerbrief inzake de start van de AoH-arbitrage.4 Ik kan ook bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt
van een arbitrageprocedure tussen Petrogas en het Koninkrijk der Nederlanden.5 Indien gewenst kan uw Kamer een vertrouwelijke briefing ontvangen over deze procedures.
Dit vanwege de verplichte geheimhouding ten aanzien van de inhoud van de arbitrageprocedure.
Vraag 18
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen
Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere
belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en
dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden
deze claims ingediend?
Antwoord 18
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief van het kabinet aan uw Kamer van 20 januari
jl. en 18 mei jl.6
Vraag 19
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale
investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking
heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?7
Antwoord 19
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief aan uw Kamer van 18 mei jl.8
Vraag 20
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage«waarschijnlijk kwetsbaar»was en dat deze kwetsbaarheid
zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid
precies uit bestaat?
Antwoord 20
Het kabinet heeft inderdaad aangegeven dat een overwinstbelasting aandachtspunten
kent. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afbakening van het subject (de belastingplichtige)
en het object (de belastbare grondslag). Om die reden zijn vorige kabinetten terughoudend
geweest met het invoeren van een solidariteitsbijdrage.9 Als gevolg van de geopolitieke situatie en de daaruit ontstane zeer uitzonderlijke
omstandigheden in 2022 is een EU-verordening aangenomen met daarin een tijdelijke
solidariteitsbijdrage. Het kabinet Rutte IV heeft – ingevolge deze EU-verordening
– de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor 2022 ingevoerd. Over deze tijdelijke solidariteitsbijdrage
worden momenteel meerdere juridische procedures gevoerd (zie ook het antwoord op vraag
13). Indien gewenst kan uw Kamer hier een vertrouwelijke briefing over ontvangen.
Vraag 21
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst
nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Antwoord 21
Het introduceren van een nieuwe overwinstbelasting of crisisheffing is niet per definitie
onmogelijk, maar elke specifieke situatie vergt een afzonderlijke weging. Voor nu
kiest het kabinet voor een Europese aanpak bij het belasten van eventuele extra winsten
bij olie- en gasbedrijven.
Vraag 22
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen
die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het
beschermen van het publieke belang?
Antwoord 22
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 20 en 21.
Vraag 23
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald
als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen
die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens
en de samenleving?
Antwoord 23
Het staat in onze rechtsstaat vrij om naar de rechter te stappen tegen overheidsmaatregelen.
Daarnaast heeft Nederland afspraken gemaakt over basisstandaarden van goed bestuur
in verdragen waardoor bedrijven die hebben geïnvesteerd vanuit een ander land waarmee
Nederland een dergelijk verdrag heeft onder bepaalde omstandigheden een arbitrageprocedure
kunnen starten. Het gaat hierbij om basisstandaarden zoals we die ook in ons nationale
recht kennen.
Het staat partijen vrij om gerechtelijke toetsing van maatregelen te vragen bij een
tribunaal dat daarover rechtsmacht heeft, wat afhangt van de specifieke omstandigheden
van elk afzonderlijk geval. Uiteraard zal de Staat in dergelijke procedures verweer
voeren. Het indienen van een vordering staat derhalve niet gelijk aan het toegewezen
krijgen daarvan.
Vraag 24
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren
bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie,
en niet in private arbitrageprocedures?
Antwoord 24
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 23.
Vraag 25
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale
investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie
tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Antwoord 25
De Nederlandse overheid handelt bij de voorbereiding en uitvoering van (fiscale) maatregelen
binnen de geldende nationale en internationale juridische kaders. Het staat investeerders
echter op grond van investeringsbeschermingsovereenkomsten met ISDS-clausules vrij
om een geschil aan te spannen bij een tribunaal wanneer zij menen dat de in het verdrag
vastgelegde bescherming is geschonden. In investeringsbeschermingsovereenkomsten betreft
dat afspraken over goed bestuur zoals we die ook in het nationale recht kennen. Maar
een zaak aanspannen wil niet zeggen dat die zaak ook gewonnen wordt. Wanneer een tribunaal
in een concreet geval toch tot het oordeel komt dat Nederland een verdragsverplichting
heeft geschonden, kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van
schadevergoeding.
Vraag 26
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming
en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies
over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Antwoord 26
In beginsel worden de materiële bepalingen van investeringsbeschermingsovereenkomsten
opgesteld om wederzijdse investeringen tussen twee staten aanvullende bescherming
te bieden. Dit beoogt het investeringsklimaat in beide landen te versterken. Wanneer
een investeerder van de andere verdragspartij meent dat de staat een dergelijke beschermingsbepaling
schendt kan deze, onder voorwaarden, op basis van de in de overeenkomst opgenomen
procedures een geschil aanhangig maken bij een arbitragetribunaal. Het kabinet hecht
hierbij belang aan het expliciet verduidelijken van de beleidsruimte van overheden
in investeringsbeschermingsovereenkomsten en helder afgebakende beschermingsstandaarden.
Dit vormt daarom ook een onderdeel van de moderniseringsinzet van het kabinet. De
modernisering van dat stelsel herbevestigt expliciet het recht van Staten om in het
publieke belang te reguleren, zoals op het terrein van klimaat- en energiebeleid.
De gemoderniseerde Nederlandse modeltekst bevat daarbij ook bepalingen over duurzame
ontwikkeling, waaronder een bepaling waarin de verplichtingen uit multilaterale overeenkomsten
op het gebied van milieubescherming, zoals het Klimaatakkoord van Parijs, worden bevestigd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede namens
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede ondertekenaar
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.