Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Tijmstra en Steen over het bericht 'Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: 'Dit is het enige dat aan haar herinnert''
Vragen van de leden Tijmstra en Steen (beiden CDA) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»». (ingezonden 27 mei 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 12 juni 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet
nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de situatie dat kinderen die hun ouder(s) verliezen, maar ouder zijn
dan 27 jaar, gedwongen worden hun woning te verlaten of maar heel kort in de (sociale)
huurwoning mogen blijven wonen waar zij op dat moment wonen of zelfs zijn opgegroeid
en een sociaal netwerk hebben?
Antwoord 2
Het is ontzettend verdrietig om een ouder te verliezen. Ik begrijp dat het in een
dergelijke situatie nodig is om enige tijd en rust voor rouwverwerking te hebben,
waarbij het niet wenselijk is om tegelijkertijd ook per direct op zoek te moeten gaan
naar een andere woning.
In de wet zijn voor dergelijke situaties enkele zaken geregeld. Sinds 1 januari 2024
geldt Wet huurbescherming weeskinderen, naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel
van de Kamerleden Koerhuis (VVD), Van der Plas (BBB), Grinwis (ChristenUnie) en Westerveld
(GroenLinks)2. Dit initiatiefwetsvoorstel is ingediend om de huurbescherming van jongvolwassen
wezen in huurwoningen van woningcorporaties wettelijk te verankeren. Deze wet biedt
huurbescherming aan bij hun hurende overleden ouder(s) inwonende wezen tussen de 16
en 28 jaar in huurwoningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen).
Tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer is een motie
van het lid Ceder c.s.3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om te zorgen dat alle weeskinderen van
18 jaar en ouder het recht krijgen om een bepaalde tijd, bijvoorbeeld twee jaar, in
de ouderlijke huurwoning te blijven wonen en niet uitgezet kunnen worden, ook wanneer
de overleden ouder(s) bij een particuliere verhuurder huurde(n). Daarom werk ik in
samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel,
dat aan alle bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen huurbescherming voor
een bepaalde periode biedt, ongeacht hun leeftijd en ongeacht wie de verhuurder is.
Het voornemen voor dit ontwerpwetsvoorstel is door een eerder kabinet reeds aangekondigd4.
Zolang dat wetsvoorstel nog niet als wet in werking is getreden, kunnen verhuurders
bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen die geen duurzame gemeenschappelijke
huishouding met die ouder(s) voerden helpen door een tijdelijk huurcontract van maximaal
twee jaar aan te bieden. Bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen behoren
tot de specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst5.
Vraag 3
Hoe vaak komt deze situatie voor, zowel de situatie dat een kind onder de 27 jaar
is als de situatie dat een kind 27 jaar of ouder is?
Antwoord 3
Ik beschik niet over precieze gegevens van wezen die de leeftijd «onder de 27 jaar»
hadden toen zij wees werden, wel over wezen in de leeftijd van 16 tot en met 30 jaar
en over wezen van 28 jaar en ouder.
Wezen 16 t/m 30 jaar
Over wezen die de leeftijd van 16–30 jaar hadden op het moment dat zij wees werden
en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20216. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 80–90 personen per jaar, waarvan
ca. 70–80 personen (ca. 60–70 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie
en ca. 5–20 personen (ca. 5–15 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was
dat opgelopen naar ca. 130 personen (ca. 105 huishoudens) in een huurwoning, waarvan
115 personen (96 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 14 personen
(11 huishoudens) in een andere huurwoning.
Wezen 28 jaar en ouder
Over wezen die de leeftijd van 28 jaar of ouder hadden op het moment dat zij wees
werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20237. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 850–950 personen per jaar, waarvan
ca. 650–750 personen (ca. 600–840 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie
en ca. 135–250 personen (ca. 125–230 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021
was dat opgelopen naar ruim 1.000 personen (ca. 960 huishoudens) in een huurwoning,
waarvan 903 personen (837 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie
en 127 personen (124 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2023 was dat iets gedaald
naar bijna 1.000 personen (ca. 930 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 865 personen
(800 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 131 personen (128
huishoudens) in een andere huurwoning.
Vraag 4
In hoeverre is het handelen van de verhuurder in lijn met de gedragscode voor verhuurders,
waar in ieder geval in staat dat de verhuurder altijd een persoonlijke aanpak moet
hanteren?
Antwoord 4
Ik kan niet oordelen over individuele gevallen. In de gedragscode is afgesproken dat
verhuurders (in gevallen die buiten de geldende Wet huurbescherming weeskinderen vallen)
individueel maatwerk zullen toepassen. Dat maatwerk is afhankelijk van de omstandigheden
van het geval. Een verhuurder kan zulk maatwerk toepassen door een andere passende
woning aan te bieden, maar ook door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar
aan te bieden waarmee de wees tijd en rust krijgt voor rouwverwerking en voor het
zoeken naar een andere woning.
Maar wanneer de (inwonende) wees kan aantonen dat hij met de overleden hurende ouder(s)
een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde – niet een gebruikelijke ouder-kindrelatie
in de huurwoning van de ouder(s) – kan de verhuurder de wees de positie van medehuurder
geven waarna de wees de huurovereenkomst van de overleden ouder(s) van rechtswege
voor onbepaalde tijd als huurder voortzet. Indien de verhuurder de wees desgevraagd
niet de positie van medehuurder verschaft, kan de wees de rechter vragen hem die positie
te verschaffen. De rechter zal bij het oordeel of de (inwonende) wees de positie van
medehuurder krijgt, alle omstandigheden in het geval in die beoordeling betrekken.
Vraag 5
Wat vindt u ervan dat ouder-kindrelaties in rechterlijke uitspraken meestal niet aangemerkt
worden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat er bij inwonende kinderen
vanuit wordt gegaan dat zij ongeacht hun leeftijd altijd op een gegeven moment op
zichzelf gaan wonen? Acht u deze uitleg nog passend bij de huidige woningmarkt? En
deelt u de mening dat in dergelijke situaties wel degelijk sprake kan zijn van een
duurzaam gemeenschappelijk huishouden gebaseerd op de relatie wanneer het kind na
het 27ste levensjaar nog niet op zichzelf is gaan wonen of teruggekeerd is zonder
intentie tot vertrek?
Antwoord 5
Ouder-kindrelaties worden niet per definitie aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke
huishouding, doordat van inwonende kinderen verwacht wordt dat zij op enig moment
een eigen huishouden gaan vormen. Er kan in individuele gevallen wel sprake zijn van
een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de ouder(s) met een inwonend volwassen,
bijvoorbeeld wanneer een volwassene (weer) bij zijn of haar ouder(s) is ingetrokken
om mantelzorg aan die ouder(s) te verlenen en zij gezamenlijk activiteiten ondernemen
en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen. Ook wanneer een volwassen
kind van de (overleden) huurder nog bij de huurder inwoont – en dus niet het spreekwoordelijke
nest heeft verlaten – kan er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding,
bijvoorbeeld als zij veel gezamenlijke activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten,
inclusief de huur, betalen.
Bij een geschil over de vraag of het inwonende kind van de overleden huurder(s) aangemerkt
wordt als medehuurder (en die dan na het overlijden van de huurder van rechtswege
de huur voortzet), kan de inwonende wees de rechter vragen om als medehuurder aangemerkt
te worden. De rechter zal bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.
Wanneer ouder-kindrelaties wel per definitie zouden worden aangemerkt als duurzame
gemeenschappelijke huishouding, en inwonende volwassen kinderen van huurders per definitie
aangemerkt zouden worden als medehuurder, zou het huurrecht in de praktijk een overerfbaar
recht worden: de huur zou dan van generatie op generatie overgaan. Bij DAEB-woningen
van woningcorporaties zou dat bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een eenmaal verhuurde
DAEB-woning in feite niet meer vrij zou komen voor de doelgroep. Voor commerciële
en particuliere verhuurders zou het betekenen dat een eenmaal (voor onbepaalde tijd)
verhuurde woning mogelijk niet meer vrijkomt om tegen leegwaarde te kunnen verkopen
of tegen een meer marktconforme huurprijs opnieuw te kunnen verhuren; dat zou een
nadelig effect hebben op het rendement voor verhuurders, waardoor beleggers mogelijk
uit de verhuur van woningen stappen of alleen tijdelijke huurcontracten van maximaal
twee jaar (aan de daarvoor aangewezen specifieke groepen) aanbieden.
Om een evenwicht te vinden tussen de belangen van volwassenen die bij hun overleden
hurende ouder(s) inwonen/inwoonden en van verhuurders die ervan op aan willen kunnen
gaan dat de huurwoning op termijn weer vrijkomt voor nieuwe verhuring of voor verkoop
tegen leegwaarde, werk ik zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 met de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat dergelijke inwonende wezen huurbescherming
biedt voor een bepaalde periode. Op dit moment kunnen verhuurders aan inwonende kinderen
van overleden huurders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden
om hen tijd en rust te bieden voor rouwverwerking en het zoeken naar een andere woning
(zie ook het antwoord op vraag 2).
Dat laat onverlet dat een volwassen kind dat inwoont/inwoonde bij zijn of haar (overleden)
hurende ouder(s), kan vragen om aangemerkt te worden als medehuurder omdat hij/zij
meent een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de hurende ouder(s) te voeren
of met de overleden hurende ouder(s) te hebben gevoerd. Bij een geschil daarover tussen
inwonende en de verhuurder is het oordeel aan de rechter.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat kinderen die hun ouder(s) verliezen tenminste
voor een voldoende lange periode in de woning moeten kunnen blijven wonen, vanuit
sociaal oogpunt maar ook om verlies van sociaal vangnet en dakloosheid met alle gevolgen
van dien te voorkomen?
Antwoord 6
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik zoals gezegd in het antwoord op de vragen 2
en 5 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan
inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een
bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de inwonende wees en ongeacht wie de woning
verhuurt.
Vraag 7
Klopt het dat verhuurders momenteel de vrijheid hebben om te kiezen of zij wezen die
inwoonden bij hun overleden hurende ouders een tijdelijk huurcontract van maximaal
twee jaar aanbieden? Zo ja, zou u inzichtelijk willen maken hoe vaak hier wel of niet
voor wordt gekozen door verhuurders?
Antwoord 7
Ja, dat klopt. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5. Ik beschik niet over gegevens
over hoe vaak verhuurders van die mogelijkheid gebruik maken.
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat het beter zou zijn als verhuurders in deze gevallen voortzetting
van het huurcontract voor een afgebakende periode, bijvoorbeeld twee jaar, moeten
accepteren? Zo ja, bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen?
Antwoord 8
Ja, ik deel die opvatting. En zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2, 5 en
6 werk ik met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel
dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt
voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de wees en ongeacht wie de woning
verhuurt.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken of het begrip «duurzame gemeenschappelijke huishouding»
in het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt moet worden, zodat langdurig inwonende kinderen
beter beschermd worden tegen gedwongen dakloosheid na overlijden van hun ouder(s)?
Antwoord 9
Wanneer het hierboven genoemde nog uit te werken ontwerpwetsvoorstel door de Kamers
wordt aangenomen en als wet in werking treedt, krijgen (langdurig) bij hun hurende
ouder(s) inwonende kinderen bij het overlijden van die hurende ouder(s) per definitie
het recht om een bepaalde periode in de woning te blijven wonen. Zij hoeven dan niet
aan te tonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke
huishouding hebben gevoerd.
En (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende volwassenen die langer dan die bepaalde
periode na het overlijden van de hurende ouder(s) in de woning willen blijven wonen,
kunnen de verhuurder – en bij een geschil hierover de rechter – binnen die periode
vragen om aangemerkt te worden als medehuurder om de huur voor onbepaalde tijd te
kunnen voortzetten; in dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij met de overleden
hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dus verdergaand
dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie. De bestaande jurisprudentie hierover blijft
dan ook relevant. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 zie ik geen verdere
aanleiding om te onderzoeken of een ouder-kindrelatie per definitie aangemerkt moet
worden als duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat daarmee in feite een overerfbaar
huurrecht gecreëerd zou worden.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.