Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 36945-XXII-2)
36 945 XXII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2025
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 11 juni 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over
het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 36 945 XXII, nr. 2).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Vraag 1:
Deelt u de conclusie in het nieuwsbericht van de Algemene Rekenkamer dat de doelen
die de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zich heeft gesteld voor
de nieuwbouw ver afblijven van de praktijk?
Antwoord:
In 2022 bedroeg het aantal nieuw gerealiseerde woningen 90.000 woningen. Sindsdien
hebben de economische omstandigheden die ontstonden na de inval in Oekraïne (hogere
rente en hogere bouwkosten) de woningbouw negatief beïnvloed. Het aantal opgeleverde
woningen is daardoor sindsdien jaarlijks gedaald en was vorig jaar 80.000. Dit blijft
inderdaad achter bij de doelstelling van 100.000 woningen. ABF Research verwacht,
onder andere op basis van de ontwikkeling in het aantal verleende bouwvergunningen,
voor 2026 en 2027 echter een sterke toename van de woningbouw. Het is zaak voor marktpartijen,
corporaties en overheden, waaronder het Rijk, ervoor te zorgen dat deze verwachting
realiteit gaat worden.
Vraag 2:
Kan u, gelet op het rapport van de Algemene Rekenkamer over «Resultaten verantwoordingsonderzoek
2025 bij het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening», pagina acht,
waar staat dat voor het subartikel Woningbouw in 2025 € 731 miljoen was begroot maar
daarvan slechts € 327 miljoen daadwerkelijk is uitgegeven, feitelijk uitsplitsen welk
deel van dit verschil per regeling of instrument is doorgeschoven naar latere jaren,
welk deel definitief niet tot besteding is gekomen en welke concrete knelpunten daarbij
per post doorslaggevend waren?
Antwoord:
Het klopt dat er op artikel 1.2 Woningbouw voor € 730 mln. aan uitgaven was begroot,
maar hiervan € 327 mln. tot besteding is gekomen. De grootste oorzaken hiervoor zijn:
– Gebiedsbudget voor grootschalige woningbouw: in 2025 is € 180 mln. verschoven naar
2027 conform afspraken van het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur,
Ruimte en Transport (MIRT).
– Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT): er is circa € 80 mln. verschoven
naar latere jaren. Door wijzigingen in de regeling zullen middelen veelal pas in latere
jaren tot besteding komen. Daarnaast was er in 2025 circa € 10 mln. aan onderuitputting,
omdat het aantal aanvragen en plaatsingen van deze woningen achter is gebleven. Door
de verbeterde voorwaarden en de uitbreiding met splitsen van woonruimte wordt verwacht
dat niet langer sprake zal zijn van onderuitputting voor de jaren 2026 en 2027.
– Woningbouwimpuls (Wbi): circa € 107 mln. is verschoven naar latere jaren. Er zijn
minder middelen aangevraagd dan eerder geraamd. Het is op jaarbasis lastig te ramen
hoeveel middelen daadwerkelijk worden aangevraagd, omdat we voor de aanvragen afhankelijk
zijn van de bouwstroom van gemeenten. Deze bouwstroom kan om allerlei redenen fluctueren,
zoals vertraging in de vergunningverlening of door de stikstofproblematiek. Bij het
debat over de Najaarsnota 2025 is het amendement-Flach (Kamerstuk 36 850 XXII, nr. 8) aangenomen dat verzoekt om de onderuitputting op de woningbouwimpuls (€ 57 mln.)
beschikbaar te houden voor de WBI in 2026. Dit bedrag is als additionele eindejaarsmarge
toegevoegd aan de VRO-begroting bij de Voorjaarsnota.
– Opschalen woningbouw: de kasuitgaven waren € 9,6 mln. lager dan begroot. Er zijn minder
subsidies aangevraagd en toegekend op het gebied van industrieel bouwen of innovatie
in de bouw dan vooraf was ingeschat.
Vraag 3:
Kan er nader worden ingegaan op het statement van de Algemene Rekenkamer dat zij nog
steeds het risico zien dat de betaalbaarheid op lange termijn niet is gegarandeerd?
Antwoord:
De instandhoudingstermijn is een belangrijk instrument om te waarborgen dat een betaalbare
woning die wordt gerealiseerd, vaak met inzet van publieke middelen, ook gedurende
een bepaalde termijn in stand wordt gehouden als betaalbare woning. Het ontwerpbesluit
versterking regie regelt dat een woning alleen als betaalbare woning wordt aangemerkt
als de instandhoudingstermijn is gewaarborgd conform de definities in dit ontwerpbesluit.
Gemeenten waarborgen deze instandhouding via het privaatrecht, zoals via een anterieure
overeenkomst of erfpacht, of publiekrechtelijk via regels in het omgevingsplan, al
dan niet gecombineerd.
Vraag 4:
Kan toelichting worden gegeven op de uitspraak dat «het aangeboden pakket voor flexwoningen
complementair en volledig is en flexwoningen kwalitatief enorm zijn verbeterd»?
Antwoord:
Het aangeboden pakket voor flexwoningen bestaat uit verschillende (financiële) regelingen.
Door de bijdrage van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT)
wordt het tekort van de businesscase verminderd en wordt voorzien in een bijdrage
voor sociaal beheer. De Regeling Tegemoetkoming Herplaatsing Flexwoningen (RTHF) dekt
grotendeels het financiële risico af bij corporaties dat kan ontstaan bij herplaatsing
van de flexwoningen. De Flexcity’s zijn alternatieve locaties voor flexwoningen indien
herplaatsing op een hiervoor geschikte locatie bij een gemeente op dat moment niet
beschikbaar is. De Marktmeester Verplaatsbare Woningen brengt kopers en verkopers
van verplaatsbare woningen met elkaar in contact, waardoor flexwoningen een tweede
leven krijgen en langer hun waarde behouden. Hiermee wordt een complementair en volledig
pakket aangeboden.
Gedurende de afgelopen periode van circa tien jaar hebben de flexwoningen een enorme
ontwikkeling doorgemaakt van woningen met een tijdelijke kwaliteit (containers) naar
woningen die vaak voldoen aan technische eisen die hoger zijn dan de eisen aan permanente
woningen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bewoners zijn zeer positief over
het woongenot van de flexwoningen (dit volgens een onderzoek van Platform 31).
Vraag 5:
Hoe realistisch is het dat de voorrang voor statushouders op korte termijn kan worden
afgeschaft, kijkende naar de huidige instroom van migranten?
Antwoord:
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 20 maart schreef (Kamerstuk II 2025–2026, 32 847, nr. 1407) werk ik met gemeenten en andere maatschappelijke partners aan een convenant over
de realisatie van alternatieve huisvesting waar statushouders, Oekraïners en andere
woningzoekenden die tijdelijke huisvesting nodig hebben, terechtkunnen als alternatief
voor het gebruik van sociale huurwoningen. Zodra deze alternatieve huisvesting er
in voldoende mate is, zal de mogelijkheid van voorrang voor statushouders in sociale
huurwoningen niet langer wettelijk mogelijk zijn. Ik wil in het convenant duidelijke
afspraken maken met medeoverheden en corporaties over hoe verschillende vormen van
alternatieve huisvesting kunnen worden opgeschaald en over de concrete aantallen die
moeten worden gerealiseerd. Voor de zomer stuur ik het conceptconvenant naar de Kamer.
Op dit moment kan ik daarop nog niet vooruitlopen.
Vraag 6:
Kan u onderbouwen waarop de nieuwe verwachting van jaarlijks 5.000 flexwoningen is
gebaseerd, welke aannames daarbij zijn gehanteerd en hoe realistisch deze verwachting
is gelet op locatie-, draagvlak- en businesscaseproblemen? (blz: 40)
Antwoord:
De verwachting van de realisatie van jaarlijks 5.000 flexwoningen is gebaseerd op
de aanvragen/beschikkingen van regelingen zoals de Stimuleringsregeling Flexwoningen
2022 (STIM), Stimuleringsregeling Flex- en Transformatie (SFT), Regeling Tegemoetkoming
Herplaatsing Flexwoningen (RTHF) en Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA). Daarnaast
worden er flexwoningen gerealiseerd zonder regeling. Naast corporaties hebben ook
verschillende marktpartijen zoals Van Wijk, Rabobank en ASR zich positief uitgelaten
over flexwoningen, zij gaan deze ook realiseren op vaak eigen locaties. Op basis van
deze regelingen kan ik stellen dat de prognose realistisch is.
Het aantal gerealiseerde flexwoningen hangt mede samen met het vinden van geschikte
locaties, participatietrajecten, bezwaarprocedures en in sommige gevallen het moeilijk
rond krijgen van de businesscases bij corporaties.
Vraag 7:
Waar is de verwachting van 5.000 flexwoningen gemiddeld per jaar op gebaseerd? En
hoe wordt voorkomen dat door de verschillende, bredere doelen waaraan beleid voor
flexwoningen moet voldoen, het moeilijk wordt om te bepalen of beleid effectief is?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 6. Het enige bredere doel waaraan voldaan moet worden is
de 30%-eis voor statushouders/ontheemden om in aanmerking te komen voor een bijdrage
uit de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT). Om te voorkomen
dat een SFT-project vertraging oploopt, is in de SFT opgenomen dat statushouders of
ontheemden ook elders in de gemeente mogen worden gehuisvest.
Het wordt niet moeilijker om te bepalen of het beleid effectief is omdat we het aantal
bewoners met betrekking tot statushouders en Oekraïners bijhouden. Daarnaast houden
we bij hoeveel flexwoningen worden gerealiseerd. Daarbij weten we ook dat gezien de
negatieve businesscase veel projecten geen doorgang kunnen vinden zonder de bijdrage
van de SFT.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier