Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van der Plas en Flach over de afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen
Vragen van de leden Van der Plas (BBB) en Flach (SGP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid, van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen (ingezonden 30 april 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
10 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1958.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel
reageren nodig»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom
voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking
is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie
van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen
expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Antwoord 2
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker,
maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene
wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari
2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure.
Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor
dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze
mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Vraag 3
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de
gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op
een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat
de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover
binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Antwoord 3
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie
over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden
die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de
betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal
belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond
deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan
is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende
de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek
om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in
beroep zijn gegaan.
Vraag 4
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven
over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen
hieraan ten grondslag?
Antwoord 4
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist
rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn
interne processen aangescherpt.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt
van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere
eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt
van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen)
en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op
wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder
kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de
weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de
overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de
onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er
samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd
is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure
complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en
vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase
afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht
dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de
rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar
maken?
Antwoord 6
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken
over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie
is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers
zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact
gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet
door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst
een beroep instelt en kosten maakt.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat,
na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele
dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen
zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan
de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor
een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen
aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig
mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank
een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht
– het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond
voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde
gegevens openbaar gemaakt.
Vraag 8
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid
zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Antwoord 8
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Vraag 9
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in
een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het
verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten
en procedurele vereisten?
Antwoord 9
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt
een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Vraag 10
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid,
de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over
hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Antwoord 10
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij
onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging
van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere
groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij
in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig
mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door
te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden
om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet
vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet
te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene
nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter,
deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens
en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe
termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 11
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Vraag 12
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en
besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen
van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Antwoord 12
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
Vraag 13
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen
om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant
opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Antwoord 13
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed
ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist
opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet
mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat
is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we
zien dat transparantie meer is dan woorden.
Vraag 14
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende
werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen
om openbaarmaking te voorkomen?
Antwoord 14
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar
zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar
bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt
draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm
van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan
besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting
bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden
twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd
te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt
de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking
in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek
heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie
al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de
héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel
mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het
geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige
bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere
maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen.
Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de
wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig
belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Vraag 15
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit
soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel
altijd worden toegekend?
Antwoord 15
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte
voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen
kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten
van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep
– toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar
is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk
uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld
omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op
grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden
van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel
altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden
gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet
beschikbaar.5
Vraag 16
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening
leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het
doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt
zou kunnen worden?
Antwoord 16
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit
jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter
toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch
opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk
32 802, nr. 114).
Vraag 17
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking
standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige
voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 17
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Vraag 18
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over
openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend
(Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische
procedures te voorkomen?
Antwoord 18
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Vraag 19
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid
van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja,
wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Antwoord 19
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut
voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang
van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende
gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.