Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen (Kamerstuk 31765-973)
31 765 Kwaliteit van zorg
31 865
Verbetering verantwoording en begroting
Nr. 984
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 10 maart 2026 inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen (Kamerstuk 31 765, nr. 973).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 april 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 9 juni 2026 zijn de vragen door de Ministers
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
8
II.
Reactie van de Minister
8
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de CW3.1 kaders
voor de AZWA-onderdelen. Daartoe hebben deze leden een aantal vragen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnakkoord (AZWA) is het transformatiedoel geformuleerd
om (gelijkwaardige) toegang tot de zorg te bevorderen. Een van de meest dringende
opgaven daarbij is de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) verbeteren,
onder andere door het schrappen van de exclusiecriteria bij GGZ-aanbieders. De leden
van de D66-fractie achten dit van groot belang, om ervoor te zorgen dat passende zorg
ook beschikbaar wordt voor de mensen die daar nu tussen wal en schip vallen. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie de Minister hoe het hier nu mee staat, en of zij
de Kamer kan informeren over de voortgang.
Daarnaast, in het kader van gelijkwaardige toegang tot zorg bevorderen, hebben deze
leden verdere vragen over de opschoning van en inzicht in de wachtlijsten. Het streven
was om het schonen van de huidige wachtlijsten en meer inzicht in de wachtlijsten
in Q1 van 2026 af te ronden. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hier de
huidige stand van zaken van is. Is er daadwerkelijk beter zicht in de wachtlijsten?
Zijn de zorgverzekeraars hierdoor momenteel al beter in staat om zorg gerichter in
te kopen? Zijn er hierdoor al minderingen in de wachtlijsten te zien, specifiek voor
de mensen die wachten op complexe GGZ?
De leden van de D66-fractie hebben ook kennisgenomen van het kader op doorbraakmiddelen.
Deze leden vragen op welke manier wordt samengewerkt met de staatsecretaris voor Digitale
Economie en Soevereiniteit om effectiviteit, soevereiniteit en veiligheid van deze
initiatieven te waarborgen. In het bijzonder vragen deze leden om een reflectie op
hoe afhankelijkheid van specifieke aanbieders wordt meegenomen in deze beleidsontwikkeling.
In het kader over regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) lezen de leden
van de D66-fractie het doel over het ondersteunen van hechte wijkverbanden. Hoe verhoudt
dit doel zich tot de doelen uit het coalitieakkoord op het versterken van wijken en
buurten? Op welke manier kan het kader over de RESV’s ook aan deze doelstelling uit
het coalitieakkoord bijdragen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de CW3.1 kaders
voor AZWA-onderdelen en hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief van de Minister CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er oplopend tot € 50 miljoen beschikbaar
wordt gesteld voor het voorkomen van fraude in de zorg. Kan nader worden toegelicht
waar dit voor wordt ingezet? Hoeveel financiële middelen zijn er naar verwachting
nodig om het volledige bedrag van € 10 miljard fraude in de zorg tegen te gaan? Kan
in een tabel worden weergegeven wat er naar verwachting per jaar aan fraude kan worden
voorkomen of teruggevorderd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag een toelichting van de Minister
hoe de twee afspraken D5 en D6 er in de praktijk uit gaan zien.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er € 35 miljoen wordt vrijgemaakt
voor het opschalen van het aantal IC-bedden. Hoe groot is het tekort van het aantal
IC-bedden? Hoever zit het aantal bedden verwijderd van het streven van 1.150 bedden?
Hoeveel kost het beschikbaar stellen van een gemiddeld IC-bed? Hoeveel geld is er
dan nodig om het streven van 1.150 bedden te halen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog
enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het kader Medische preventie. De leden van de PVV-fractie hebben
kennisgenomen van het CW3.1 kader voor AZWA-onderdelen. Zij constateren dat voor 2027
en 2028 telkens € 45 miljoen uit het Zvw-kader wordt gereserveerd voor maatregelen
op het gebied van medische preventie, maar dat nog niet duidelijk is welke concrete
maatregelen daaruit zullen worden bekostigd, welke beleidsinstrumenten worden ingezet
en op basis van welke harde criteria keuzes worden gemaakt.
Deze leden lezen dat potentiële maatregelen nog nader moeten worden onderbouwd voordat
deze structureel met Zvw-middelen kunnen worden bekostigd. Ook staat vermeld dat de
financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren nog onbekend zijn en dat er nog
geen evaluaties bekend zijn. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom
welke concrete maatregelen thans op de ontwikkelagenda staan, op basis van welke criteria
deze zijn geselecteerd en wanneer de Kamer daar inhoudelijk over wordt geïnformeerd.
Voorts vragen deze leden de Minister hoe wordt voorkomen dat geld voor medische preventie
wordt gereserveerd zonder dat vooraf voldoende duidelijk is wat de daadwerkelijke
gezondheidswinst, de besparing in het Zvw-kader en de uitvoerbaarheid zijn. Deze leden
vragen de Minister per voorgenomen maatregel inzichtelijk te maken welke verwachte
gezondheidswinst, welke kosten en welke terugverdieneffecten worden voorzien.
Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarom al middelen worden gereserveerd terwijl
de evaluatieparagraaf expliciet vermeldt dat er nog geen evaluaties bekend zijn. Deze
leden vragen hoe de Kamer in staat wordt gesteld haar controlerende taak uit te oefenen
zolang concrete uitwerking, financiële effecten voor sectoren en toetsbare evaluatie-indicatoren
nog ontbreken.
Naar aanleiding van het kader Aanpak zorgfraude. De leden van de PVV-fractie steunen
een stevige aanpak van zorgfraude. Zorggeld is bedoeld voor zorg en niet voor fraudeurs,
tussenpersonen of malafide aanbieders. Deze leden lezen dat er vanaf 2027 oplopend
structureel extra geld beschikbaar komt voor de aanpak van zorgfraude. Kan de Minister
concreet uiteenzetten hoe deze middelen per jaar zullen worden ingezet? Welk deel
gaat naar toezicht, welk deel naar opsporing, welk deel naar handhaving en welk deel
naar eventuele aanscherping van wet- en regelgeving? Kan de Minister daarnaast per
maatregelen een tijdspad schetsen?
Deze leden lezen daarnaast dat wordt ingezet op meer eenduidig beleid, basiseisen
aan vergunningen en mogelijk een verbreding van de vergunningplicht. Kan de Minister
concreet maken wat zij hier precies onder verstaat? Welke maatregelen wil zij nemen
om zorgfraude eerder te signaleren en sneller aan te pakken? Wordt daarbij ook gekeken
naar strengere toelating aan de voorkant, zodat malafide zorgaanbieders niet eerst
kunnen starten en pas veel later worden aangepakt?
De leden van de PVV-fractie vragen verder hoe straks wordt vastgesteld of deze extra
investering ook echt effect heeft. Op welke manier wordt gemeten of sprake is van
meer opgespoorde fraude, meer terugvorderingen, meer interventies en minder weglekkend
zorggeld? Wanneer kan de Kamer de eerste concrete resultaten verwachten?
Naar aanleiding van het kader Basisfunctionaliteiten en basisinfrastructuur. De leden
van de PVV-fractie lezen dat voor basisfunctionaliteiten en basisinfrastructuur zeer
grote bedragen naar gemeenten gaan. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen
dat dit geld vooral opgaat aan gemeentelijke processen, coördinatie, overlegtafels
en extra beleidslagen, in plaats van aan concrete verbetering voor mensen die zorg
of ondersteuning nodig hebben.
Kan de Minister helder maken wat inwoners, zorgverleners en mantelzorgers hier straks
in de praktijk van moeten merken? Wanneer is dit volgens de Minister geslaagd? Wanneer
moeten de eerste resultaten worden behaald? En hoe wordt vastgesteld of deze investeringen
inderdaad leiden tot minder druk op de Zorgverzekeringswet, betere samenwerking en
snellere toegang tot passende ondersteuning?
Deze leden lezen dat de financieringsvorm nog wordt uitgewerkt in overleg tussen VNG,
fondsbeheerders en VWS. Waarom is daar nog geen duidelijkheid over, terwijl het wel
om forse bedragen gaat? Kan de Minister toezeggen dat de Kamer vooraf inzicht krijgt
in de gekozen financieringsvorm, de verdeelsleutel en de voorwaarden waaronder gemeenten
deze middelen ontvangen?
De leden van de PVV-fractie vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat opnieuw grote
verschillen ontstaan tussen gemeenten en regio’s, waardoor inwoners afhankelijk van
hun woonplaats met andere werkwijzen, toegangseisen of kwaliteitsniveaus te maken
krijgen.
Naar aanleiding van het kader Intensive Care-basiscapaciteit. De leden van de PVV-fractie
vinden het van groot belang dat Nederland bij crises, pandemieën of andere calamiteiten
beschikt over voldoende IC-capaciteit. Deze leden lezen echter dat nog altijd onduidelijk
is met welk beleidsinstrument wordt toegewerkt naar een basiscapaciteit van ten minste
1.150 IC-bedden. Waarom is daar nog steeds geen duidelijkheid over?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat inmiddels de stand van zaken is
van de aangekondigde verkenning naar wet- en regelgeving. Wanneer verwacht de Minister
de Kamer hierover concreet te informeren? Is zij het met deze leden eens dat wettelijke
borging steeds logischer wordt, nu het de betrokken partijen al jaren niet lukt om
hier onderling sluitende afspraken over te maken?
Deze leden lezen dat jaarlijks middelen zijn gereserveerd voor IC-opschaling. Waarop
is dat bedrag precies gebaseerd? Is dit bedrag volgens de Minister voldoende om de
gewenste basiscapaciteit daadwerkelijk te realiseren en in stand te houden? Zo nee,
welk tekort verwacht zij dan?
Ook vragen deze leden hoe de Minister straks wil toetsen of die basiscapaciteit in
de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald en behouden, en niet alleen op papier bestaat.
Naar aanleiding van het kader Opleiden en ontwikkelen als vanzelfsprekendheid. De
leden van de PVV-fractie lezen dat fors wordt ingezet op strategisch opleiden, vervolgopleidingen,
instroom, doorstroom en bij- en nascholing. Deze leden delen de opvatting dat het
personeelstekort in de zorg een van de grootste problemen van dit moment is. Tegelijkertijd
vragen zij hoe wordt voorkomen dat deze middelen te veel blijven hangen in subsidieregelingen,
procesafspraken en algemene ontwikkeltrajecten, zonder dat dit voldoende merkbaar
wordt op de werkvloer.
Kan de Minister concreet aangeven wat deze investering volgens haar moet opleveren?
Hoeveel extra instroom, hoeveel extra opleidingscapaciteit en hoeveel minder uitval
of uitstroom verwacht zij hiermee te realiseren? Kan zij dit ook uitsplitsen naar
sectoren of tekortberoepen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat in 2026 uitvoering wordt gegeven via de subsidie
Strategisch Opleiden Zorg en Welzijn. Welke partijen kunnen van deze regeling gebruikmaken?
Op basis van welke voorwaarden gebeurt dat? En hoe wordt gewaarborgd dat middelen
daadwerkelijk terechtkomen op plekken waar de personeelstekorten het grootst zijn?
Deze leden vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat geld vooral terechtkomt bij brede
scholingstrajecten, plannen of organisatieontwikkeling, terwijl het grootste probleem
juist zit in het tekort aan mensen op de werkvloer. Welke concrete resultaatsafspraken
worden gemaakt om te borgen dat deze middelen ook echt bijdragen aan meer inzetbaar
personeel, minder uitstroom en meer capaciteit in tekortsectoren? Ook vragen deze
leden wanneer de Kamer de eerste concrete resultaten van deze investering kan verwachten.
Naar aanleiding van het kader Doorbraakmiddelen. De leden van de PVV-fractie lezen
dat in 2027 en 2028 jaarlijks € 400 miljoen beschikbaar komt voor doorbraakmiddelen,
onder meer voor AI, medische technologie en hulpmiddelen. Deze leden vinden dat innovatie
alleen zin heeft als die daadwerkelijk leidt tot minder werkdruk, meer tijd voor de
patiënt en betere toegankelijkheid van zorg. Kan de Minister daarom concreet aangeven
aan welke voorwaarden projecten moeten voldoen om voor deze middelen in aanmerking
te komen?
Genoemde leden lezen dat het kabinet wil voorkomen dat opnieuw het principe geldt
van wie het eerst komt, die het eerst maalt. Welke governance wordt hiervoor precies
uitgewerkt? Wie beslist straks over de toekenning, op basis van welke criteria en
hoe wordt voorkomen dat vooral grote partijen of instellingen met de sterkste lobby
er met het grootste deel van de middelen vandoor gaan?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe de Minister voorkomt dat deze middelen
terechtkomen bij tijdelijke pilots, adviestrajecten of technologische projecten die
na afloop niet worden opgeschaald of uiteindelijk onvoldoende opleveren. Welke eisen
worden gesteld aan aantoonbare arbeidsbesparing, opschaalbaarheid en structurele inbedding?
Ook vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat technologie juist leidt tot extra registratielast,
extra scholingsdruk of nieuwe afhankelijkheden van commerciële leveranciers, in plaats
van tot verlichting op de werkvloer.
Naar aanleiding van het kader Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV's).
De leden van de PVV-fractie lezen dat structureel extra middelen worden toegevoegd
voor regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden. Deze leden begrijpen dat samenwerking
belangrijk is, maar zijn ook kritisch op nieuwe structuren waarvan het risico bestaat
dat opnieuw geld verdwijnt in organisatie, overleg en vertegenwoordiging, in plaats
van in directe zorg voor de patiënt. Kan de Minister daarom concreet uiteenzetten
hoeveel van deze middelen naar verwachting terechtkomt bij bestuur, coördinatie, ondersteuning
en organisatie, en hoeveel daadwerkelijk ten goede komt aan betere zorgverlening in
de wijk?
De leden van de PVV-fractie lezen dat een RESV vijf hoofdtaken krijgt. Kan de Minister
per hoofdtaak toelichten waarom deze niet binnen bestaande samenwerkingsstructuren
of bestaande organisaties kan worden ondergebracht? Waarom is hiervoor een nieuwe
regionale laag nodig?
Deze leden vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat eerstelijnszorgaanbieders juist
meer tijd kwijt zijn aan afstemming, vertegenwoordiging en regionale processen. Hoe
wordt gemeten of deze RESV’s daadwerkelijk bijdragen aan minder druk op de werkvloer
en betere toegankelijkheid van zorg?
Deze leden lezen verder dat sprake is van een experimentbekostiging tot en met 2032.
Waarom is gekozen voor zo’n lange looptijd? Wanneer wordt tussentijds geëvalueerd?
En op welk moment kan worden besloten om bij tegenvallende resultaten te stoppen of
bij te sturen?
Naar aanleiding van onderdeel Algemeen. De leden van de PVV-fractie merken op dat
in meerdere kaders wordt verwezen naar monitoring via brede AZWA-voortgangsrapportages.
Deze leden vragen de Minister of zij bereid is de Kamer per onderdeel ook afzonderlijk
en concreet te informeren over de besteding van middelen, de voortgang, de uitvoeringsproblemen
en de meetbare resultaten, zodat de Kamer niet alleen op hoofdlijnen maar ook echt
inhoudelijk en financieel kan controleren.
Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister over de volle breedte wil voorkomen dat
AZWA-middelen vooral neerslaan in bestuurlijke drukte, regionale overlegstructuren,
experimenten en proceskosten, terwijl de problemen op de werkvloer en de druk op de
toegankelijkheid van zorg onverminderd groot blijven.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om per onderdeel zo concreet
mogelijk inzichtelijk te maken welk effect zij in 2027, 2028 en daarna verwacht op
de toegankelijkheid van zorg, de arbeidsmarkttekorten, de wachttijden en de doelmatige
inzet van zorggeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister over de CW3.1 kaders van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en
hebben op dit moment geen aanvullende vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de CW3.1 kaders
voor verschillende onderdelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat met de subsidie Strategisch Opleiden Zorg en
Welzijn wordt ingezet op het versterken van de lerende omgeving, onder meer door extra
opleidingsplekken te realiseren voor beroepen waar de tekorten het grootst zijn. Deze
leden onderschrijven het belang daarvan, zeker gezien de groeiende personeelstekorten
in de zorg. Zij vragen in dit verband hoe de Minister de adviezen van het Capaciteitsorgaan
betrekt bij de invulling van deze opleidingsinspanningen. Kan de Minister bevestigen
dat het kabinet bij de verdeling van opleidingsplaatsen blijft uitgaan van de onafhankelijke
adviezen van het Capaciteitsorgaan? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve afwegingen
worden dan gemaakt?
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat er momenteel in sommige medische specialismen
een groot aantal vacatures bestaat, terwijl er tegelijkertijd voldoende belangstelling
is voor de opleiding. Zo staan er volgens signalen uit het veld ruim honderd vacatures
open voor spoedeisende hulpartsen, terwijl het aantal sollicitanten voor de opleiding
groot is en de opleidingscapaciteit aanwezig zou zijn. Deze leden vragen hoe de Minister
deze discrepantie verklaart en wat er wordt gedaan om ervoor te zorgen dat beschikbare
opleidingscapaciteit daadwerkelijk wordt benut voor beroepen waar de tekorten het
grootst zijn.
Daarnaast vragen deze leden hoe bij het vergroten van de instroom ook rekening wordt
gehouden met de regionale spreiding van zorgprofessionals. Zij wijzen erop dat personeelstekorten
zich niet alleen per beroepsgroep voordoen, maar ook sterk regionaal verschillen.
Wordt bij het beleid rondom opleidingsplaatsen en instroom ook expliciet gekeken naar
de regionale verdeling van zorgprofessionals?
De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op onderzoek van het UMC Utrecht
waaruit blijkt dat het huidige toelatingsbeleid van de geneeskundeopleiding regionale
huisartsentekorten in stand kan houden, doordat studenten vaak afkomstig zijn uit
regio’s waar al relatief veel artsen zijn en daar later ook terugkeren. In verschillende
landen bestaan daarom selectieregelingen waarbij studenten uit regio’s met tekorten
extra kans krijgen op een opleidingsplek, mits zij zich later voor een bepaalde periode
aan die regio verbinden. Deze leden vragen hoe de Minister naar dergelijke modellen
kijkt. Worden de inzichten uit dit onderzoek betrokken bij het beleid rond de instroom
in medische opleidingen? Ziet de Minister mogelijkheden om, bijvoorbeeld via selectie,
regionale opleidingsplaatsen of andere instrumenten, meer studenten uit (en binnen)
regio’s met tekorten op te leiden, zodat zij later ook in die regio’s aan het werk
gaan?
De leden van de BBB-fractie lezen dat vanaf 2027 € 70 miljoen structureel wordt toegevoegd
aan het budgettair kader multidisciplinaire zorg om de regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden
(RESV’s) te financieren. Deze leden onderschrijven het belang van goede regionale
samenwerking in de eerstelijnszorg. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de tekorten
in de eerstelijnszorg in sommige regio’s zeer groot zijn. In verschillende delen van
het land staan huisartsenpraktijken onder zware druk of verdwijnen zelfs uit regio’s,
waardoor inwoners steeds verder moeten reizen voor basiszorg. De leden van de BBB-fractie
vragen daarom hoe de Minister heeft bepaald dat het beschikbare budget toereikend
zal zijn voor de uitvoering van de taken van de RESV’s. Op welke aannames is dit bedrag
gebaseerd, en is daarbij rekening gehouden met de grote regionale verschillen in zorgvraag
en personeelsbeschikbaarheid? Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister wil voorkomen
dat verschillen tussen regio’s verder toenemen. Is de Minister het met deze leden
eens dat het in een land als Nederland onwenselijk is dat de toegang tot eerstelijnszorg
sterk afhankelijk wordt van de postcode van een patiënt? Op welke manier dragen de
RESV’s concreet bij aan het verkleinen van regionale verschillen in toegankelijkheid
van zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden van de brief en
bijlagen inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zij willen hierover nog enkele
vragen stellen.
Met betrekking tot het doel aanpak van zorgfraude: op basis waarvan zijn deze bedragen
vastgesteld? En op basis waarvan verwacht de Minister dat dit genoeg is? Zijn er als
dit nodig blijkt, mogelijkheden om dit te intensiveren?
Ten aanzien van de IC-Basiscapaciteit: op welke termijn wil de Minister meer duidelijkheid
hebben? Gezien de urgentie is een open einde immers niet gewenst.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken
en wachten de reactie van de Minister met belangstelling af.
Reactie van de Minister
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de CW3.1 kaders
voor de AZWA-onderdelen. Daartoe hebben deze leden een aantal vragen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnakkoord (AZWA) is het transformatiedoel geformuleerd
om (gelijkwaardige) toegang tot de zorg te bevorderen. Een van de meest dringende
opgaven daarbij is de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) verbeteren,
onder andere door het schrappen van de exclusiecriteria bij GGZ-aanbieders. De leden
van de D66-fractie achten dit van groot belang, om ervoor te zorgen dat passende zorg
ook beschikbaar wordt voor de mensen die daar nu tussen wal en schip vallen. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie de Minister hoe het hier nu mee staat, en of zij
de Kamer kan informeren over de voortgang.
In het AZWA is afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren
van exclusiecriteria, behalve wanneer dit zorginhoudelijk strikt noodzakelijk is voor
zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Alleen voor een aantal «laag
volume, hoog complexe zorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan
vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke (hoogspecialistische)
voorziening. Het uitgangspunt is dat er in elke regio voldoende kwalitatief goed aanbod
gecontracteerd wordt.
Betrokken partijen en het Ministerie van VWS erkennen breed dat mensen met complexe
en/of meervoudige problematiek niet tussen wal en schip mogen vallen. Zorgverzekeraars
hebben het inperken van exclusiecriteria opgenomen in het inkoopbeleid voor de ggz
vanaf 2027. Omdat op dit moment nog geen landelijk kader aanwezig is, wordt de AZWA-afspraak
door de verschillende verzekeraars op dit moment verschillend ingevuld. Enkele landelijke
ggz-partijen (Meerggz, NIP, LVvP) werken nu een nadere duiding van de afspraak uit,
in het bijzonder van het criterium «wanneer dit zorginhoudelijk strikt noodzakelijk
is». Op basis daarvan voeren zij gesprekken met ZN over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk
kader. Daarbij wordt gezocht naar werkbare, generiek toepasbare afspraken rondom het
afschaffen van exclusiecriteria die in de praktijk kunnen worden toegepast. Het streven
is om voor 1 juli 2026 tot een gemeenschappelijk kader te komen. Dit zal ervoor zorgen
dat exclusiecriteria consistent niet meer worden toegepast, waardoor naar verwachting
minder mensen tussen wal en schip zullen vallen.
Daarnaast, in het kader van gelijkwaardige toegang tot zorg bevorderen, hebben deze
leden verdere vragen over de opschoning van en inzicht in de wachtlijsten. Het streven
was om het schonen van de huidige wachtlijsten en meer inzicht in de wachtlijsten
in Q1 van 2026 af te ronden. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hier de
huidige stand van zaken van is. Is er daadwerkelijk beter zicht in de wachtlijsten?
Zijn de zorgverzekeraars hierdoor momenteel al beter in staat om zorg gerichter in
te kopen? Zijn er hierdoor al minderingen in de wachtlijsten te zien, specifiek voor
de mensen die wachten op complexe GGZ?
Er is nog geen beter zicht op de wachtlijsten omdat er op dit moment nog onvoldoende
declaratiedata beschikbaar is. Per 1 januari 2026 is een nieuwe werkwijze ingegaan
voor het inzichtelijk maken van wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg. Wachttijdinformatie
wordt door zorgaanbieders met één vestiging sindsdien niet langer handmatig door zorgaanbieders
aangeleverd bij de NZa, maar retrospectief afgeleid uit declaratiedata. Het streven
is dat vanaf 2027 hetzelfde geldt voor zorgaanbieders met meerdere vestigingen. Deze
wijziging is doorgevoerd omdat deze werkwijze administratieve lastendruk verlicht
en omdat de eerdere gegevens onvoldoende betrouwbaar bleken, onder meer door dubbelregistraties,
variatie in registratiewijze en het meerekenen van cliënten die bewust op een wachtlijst
bleven staan vanwege een voorkeur voor een specifieke aanbieder. De eerste cijfers
worden in de loop van 2026 verwacht, nadat voldoende declaratiedata is verzameld om
deze te kunnen analyseren.
Het is daarom ook nog te vroeg om te zeggen wat de impact is op de zorginkoop aangezien
de zorgverzekeraars de komende tijd pas de eerste bruikbare inzichten krijgen uit
de binnenkomende declaratiedata. Sinds 1 januari 2026 ontvangen de individuele verzekeraars
op basis van de verplichting van de NZa steeds meer informatie over de wachttijden
voor hun eigen verzekerden. De inzichten die hiermee ontstaan worden door verzekeraars
gebruikt in de zorgbemiddeling (die zorgverzekeraars sinds april proactief toepassen)
en de zorginkoop. Dit wordt verder versterkt wanneer vanaf 1 januari 2027 ook informatie
over de behandellocatie wordt toegevoegd aan de declaratieberichten.
Het is op dit moment daarmee nog te vroeg om conclusies te trekken over de landelijke
ontwikkelingen in wachttijden, inclusief de wachttijden binnen de complexe ggz en
het terugdringen van wachtlijsten. Omdat de meetmethode is gewijzigd, zijn de nieuwe
cijfers niet één-op-één vergelijkbaar met eerdere gegevens. Pas na een langere periode
van dataverzameling via declaratiedata kan dit wel worden gedaan.
De leden van de D66-fractie hebben ook kennisgenomen van het kader op doorbraakmiddelen.
Deze leden vragen op welke manier wordt samengewerkt met de staatsecretaris voor Digitale
Economie en Soevereiniteit om effectiviteit, soevereiniteit en veiligheid van deze
initiatieven te waarborgen. In het bijzonder vragen deze leden om een reflectie op
hoe afhankelijkheid van specifieke aanbieders wordt meegenomen in deze beleidsontwikkeling.
Voor de doorbraakmiddelen zal worden gewerkt met landelijke, gestandaardiseerde modelplannen
die per gekozen toepassingsgebied als format dienen voor uitwerking en opschaling.
Bij de uitwerking van de modelplannen voor de doorbraakmiddelen is als basiseis opgenomen
dat deze in lijn moeten zijn met geldende wet- en regelgeving, landelijke afspraken
en standaarden, en dat relevante expertise wordt betrokken in de uitwerking. Daarmee
wordt, wanneer van toepassing, ook aandacht besteed aan aspecten als veiligheid en
digitale autonomie. Ten aanzien van deze specifieke aspecten wordt aangesloten bij
de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (2023) en de daarin opgenomen acties.
Daarnaast is met het Ministerie van Economische Zaken afgesproken dat waar nodig wordt
samengewerkt bij de toetsing van deze randvoorwaarden, zodat expertise op het gebied
van digitale economie en soevereiniteit structureel wordt meegenomen in het proces.
Ten aanzien van de afhankelijkheid van specifieke leveranciers geldt dat als basiseis
voor de modelplannen is opgenomen dat wordt toegelicht hoe ongewenste marktverstorende
effecten worden voorkomen. Daarbij geldt dat toepassingsgebieden in de modelplannen
functioneel worden omschreven, in plaats van leveranciersspecifiek. Op die manier
wordt geborgd dat verschillende aanbieders kunnen aansluiten en dat voldoende ruimte
blijft bestaan voor concurrentie tussen verschillende aanbieders, softwareleveranciers
en bedrijven die producten ontwikkelen.
In het kader over regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) lezen de leden
van de D66-fractie het doel over het ondersteunen van hechte wijkverbanden. Hoe verhoudt
dit doel zich tot de doelen uit het coalitieakkoord op het versterken van wijken en
buurten? Op welke manier kan het kader over de RESV’s ook aan deze doelstelling uit
het coalitieakkoord bijdragen?
Door betere samenwerking tussen zorg- en welzijnsprofessionals op wijkniveau, versterken
we de wijk of buurt zelf. De ondersteuning van RESV’s aan hechte wijkverbanden betekent
dat de professionals in de wijk worden gefaciliteerd om steviger samen te werken.
Naast betere cohesie tussen zorgaanbieders binnen de eerste lijn, is ook de verbinding
met welzijn een belangrijk speerpunt. Dat is relevant voor mensen die bijvoorbeeld
bij de huisarts komen met klachten waarvan de oorzaak niet zozeer ligt in het medische
domein.
Voor het versterken van wijken en buurten is nog meer nodig. Daarom investeert het
kabinet in samenhang hiermee ook in de basisinfrastructuur. In het AZWA zijn afspraken
gemaakt over de beschikbaarheid van basisvoorzieningen op het gebied van gezondheid,
ondersteuning, welzijn en zorg (afspraak D6). Met deze afspraak wordt ontmoeting en
verbinding gestimuleerd en wordt o.a. ingezet op het versterken van de lokale kracht
van inwoners en van de netwerksamenwerking in wijken en buurten. Sterke lokale gemeenschappen
waarin inwoners, informele netwerken en formele zorg- en welzijnsorganisaties samenwerken
om elkaar te ondersteunen bij hulpvragen zijn nodig omdat professionals niet alle
hulpvragen alleen kunnen opvangen. Daarom investeert dit kabinet naast de AZWA-middelen
aanvullend in gemeenschapsontwikkeling en zorgzame buurten waar ontmoeting en de opbouw
van sterke netwerken centraal staat. Het kabinet heeft van 2027 tot en met 2029 jaarlijks
40 miljoen gereserveerd om de sociale cohesie in wijken en buurten verder te versterken.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de CW3.1 kaders
voor AZWA-onderdelen en hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief van de Minister CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er oplopend tot € 50 miljoen beschikbaar
wordt gesteld voor het voorkomen van fraude in de zorg. Kan nader worden toegelicht
waar dit voor wordt ingezet? Hoeveel financiële middelen zijn er naar verwachting
nodig om het volledige bedrag van € 10 miljard fraude in de zorg tegen te gaan? Kan
in een tabel worden weergegeven wat er naar verwachting per jaar aan fraude kan worden
voorkomen of teruggevorderd?
Met de beschikbare middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt
ingezet op een substantiële versterking van de aanpak van zorgfraude. Deze middelen
worden in samenhang ingezet op de volgende prioriteiten:
• het versterken van de integrale en multidisciplinaire samenwerking tussen ketenpartners,
aangezien geen enkele partij zorgfraude zelfstandig effectief kan bestrijden;
• het aanscherpen van toetsing aan de poort, om te voorkomen dat malafide zorgaanbieders
toetreden tot het zorgstelsel;
• het uitbreiden van operationele capaciteit bij betrokken organisaties;
• het verbeteren van gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, binnen de geldende juridische
kaders;
• het vergroten van de slagkracht in de uitvoering door optimaal gebruik te maken van
bestaande bevoegdheden;
• het versterken van de maatschappelijke verantwoording over de resultaten van de aanpak.
Het is niet mogelijk om eenduidig vast te stellen hoeveel financiële middelen nodig
zijn om de genoemde € 10 miljard aan zorgfraude tegen te gaan. Dit bedrag betreft
een brede schatting met aanzienlijke onzekerheidsmarges, terwijl de effectiviteit
van maatregelen afhankelijk is van diverse factoren, zoals gedragseffecten, opsporingsmogelijkheden
en preventieve werking.
Om diezelfde redenen kan ook niet betrouwbaar in een tabel worden weergegeven hoeveel
fraude jaarlijks kan worden voorkomen of teruggevorderd. Wel is de inzet van het kabinet
erop gericht om zowel preventie als opsporing en handhaving te versterken, zodat fraude
zoveel mogelijk wordt voorkomen en onterecht bestede middelen worden teruggehaald.
In de Kamerbrief over zorgfraude die juni 2026 aan de Kamer wordt verzonden, zal het
kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking van deze versterkte en samenhangende
aanpak, inclusief de beoogde inzet van middelen en de wijze waarop de voortgang inzichtelijk
wordt gemaakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag een toelichting van de Minister
hoe de twee afspraken D5 en D6 er in de praktijk uit gaan zien.
De afspraken D5 en D6 uit het AZWA zijn bedoeld om de samenwerking tussen het zorgdomein
en het sociaal domein structureel te versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen enerzijds de zogenoemde basisfunctionaliteiten (D5) en anderzijds de daarvoor
benodigde basisinfrastructuur (D6).
Voor D5 betekent dit concreet dat gemeenten, zorgverzekeraars en aanbieders van zorg
en ondersteuning per leefgebied afspraken maken over een gecombineerde inzet vanuit
zorg en sociaal domein met onderbouwde interventies. Gemeenten committeren zich aan
het aanbieden van interventies en een aanbod in het sociaal domein en gezondheidsdomein.
Het gaat om een concreet aanbod waar inwoners gebruik van kunnen maken: laagdrempelige
steunpunten, sociaal verwijzen, valpreventie, ketenaanpak overgewicht volwassenen,
en kansrijke start: integrale gezinspoli en nu niet zwanger. De afgelopen jaren zijn
hier al de nodige stappen op gezet. Met het AZWA moeten deze basisfunctionaliteiten
uiteindelijk in alle regio’s beschikbaar zijn en worden opgenomen in regionale plannen.
Een aantal aanpakken op de ontwikkelagenda deel 1 wordt de komende periode nog uitgewerkt
om aan de criteria van basisfunctionaliteiten te voldoen, zoals voldoende bewijs over
de verwachte besparing in Zvw of Wlz. Voorbeelden hiervan zijn de ketenaanpak dementie,
rookvrije start of mentale gezondheidsnetwerken.
Voor de uitvoering van de basisfunctionaliteiten is een goede structuur en basis vereist
(D6). Partijen hebben onder meer afgesproken dat hiertoe basisvoorzieningen in wijken
en buurten op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg beschikbaar
zijn. Daarbij gaat het onder meer om herkenbare inloopvoorzieningen in wijken, verbinding
tussen eerstelijnszorg en sociaal domein, (mentaal) gezonde school en versterking
van verbinding tussen lokale teams en de jeugdgezondheidszorg. In de praktijk krijgen
gemeenten middelen om hierin te investeren. Hiervoor wordt onder meer een handreiking
voor inloopvoorzieningen ontwikkeld, deze is voor de zomer afgerond. Ook wordt ingezet
op versterking van de sociale basis in buurten en ondersteuning van burgerinitiatieven
en stevige lokale teams met een verbinding met de hechte wijkverbanden van de eerstelijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er € 35 miljoen wordt vrijgemaakt
voor het opschalen van het aantal IC-bedden. Hoe groot is het tekort van het aantal
IC-bedden? Hoever zit het aantal bedden verwijderd van het streven van 1150 bedden?
Binnen het kader msz is sinds 2022 € 35 miljoen beschikbaar voor de Intensive Care
(IC)-opschaling. Hiermee is ruimte geboden om eventuele meerkosten van IC opschalen
tot 1150 bedden te bekostigen. Vanaf 2023 waren deze middelen onderdeel van het afgesproken
msz kader in het Integraal Zorgakkoord. In de VWS begroting 2026 is deze € 35 miljoen
buiten het msz kader gereserveerd omdat nog niet duidelijk is hoeveel middelen er
precies nodig zijn.
Het aantal beschikbare IC-bedden in Nederland komt tot stand op basis van de zorgvraag.
Binnen het stelsel kopen zorgverzekeraars de zorg in die nodig is voor hun verzekerden.
Zorgverzekeraars kopen in op basis van de reguliere zorgvraag en de geldende afspraken
over kwaliteit, waaronder de huidige kwaliteitstandaard.1 Hierin is ook opgenomen dat er sprake moet zijn van overcapaciteit omdat de IC zorgvraag
fluctueert gedurende het jaar. De precieze landelijke IC bezetting wordt momenteel
niet gemonitord. Tijdens de Covid-19 pandemie werd de IC bezetting wel landelijk gemonitord
maar ziekenhuizen hebben in juni 2024 besloten dat dit niet langer noodzakelijk is.
De Nederlandse Vereniging voor Intensive Care geeft bij navraag aan dat de huidige
operationele capaciteit op 850–900 bedden ligt. Er zijn in het de afgelopen periode
geen structurele beddentekorten geweest, ook niet gedurende de griepseizoenen.
Veldpartijen doorlopen momenteel een traject om te bepalen hoe de IC-zorg zo goed
mogelijk kan worden ingericht en welke basiscapaciteit daarbij wenselijk is. Daarnaast
verkent het Ministerie van VWS de mogelijkheid om een basiscapaciteit wettelijk vast
te leggen.2 Het kabinet zal u voor de zomer informeren over de tussentijdse uitkomsten van beide
sporen.
Hoeveel kost het beschikbaar stellen van een gemiddeld IC-bed?
Een eerder uitgevoerd kostprijsonderzoek3 laat zien dat de kosten, inclusief personeelsinzet, voor het beschikbaar stellen
van een IC-bed tussen de € 242.500 (voor ziekenhuizen met meer dan 20 IC-bedden) en
€ 442.500 (voor ziekenhuizen met minder dan 20 IC-bedden) per jaar liggen.
De organisatie en kosten van de IC zorg zijn onderdeel van de medisch specialistische
zorg. Zorgaanbieders moeten zorgen voor onder andere personeel, materialen en apparatuur
wanneer zij een IC-bed beschikbaar stellen. Ongeveer 75% procent van de kosten voor
IC-zorg zijn voor personeelsinzet.4 De kosten van een IC-bed hangen daarmee sterk af van de personeelsbezetting. Het
is aan zorgaanbieders om te bepalen hoe zij personeel inzetten, waarbij rekening gehouden
dient te worden met landelijke afspraken vanuit o.a. de beroepsgroepen. Extra inzet
van personeel op de IC betekent dat personele capaciteit wordt weggehaald in de overige
medisch specialistische zorg waar reeds schaarste bestaat.
Hoeveel geld is er dan nodig om het streven van 1.150 bedden te halen?
De kosten zijn eerder geraamd op 35 miljoen euro. Dit bedrag is destijds gebaseerd
op de beschikbaarheidsvergoeding die zorgverzekeraars in 2021 aan ziekenhuizen hebben
verstrekt voor de opschaling tot 1.150 IC-bedden in fase 1 van het Opschalingsplan
COVID-19. Daarmee is financiële ruimte gecreëerd om eventuele meerkosten van het realiseren
van een hogere basiscapaciteit op te kunnen vangen. Een meer gespecificeerde of geactualiseerde
raming is op dit moment niet beschikbaar. In praktijk zullen de kosten afhankelijk
zijn van afspraken die worden gemaakt tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog
enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het kader Medische preventie. De leden van de PVV-fractie hebben
kennisgenomen van het CW3.1 kader voor AZWA-onderdelen. Zij constateren dat voor 2027
en 2028 telkens € 45 miljoen uit het Zvw-kader wordt gereserveerd voor maatregelen
op het gebied van medische preventie, maar dat nog niet duidelijk is welke concrete
maatregelen daaruit zullen worden bekostigd, welke beleidsinstrumenten worden ingezet
en op basis van welke harde criteria keuzes worden gemaakt.
Deze leden lezen dat potentiële maatregelen nog nader moeten worden onderbouwd voordat
deze structureel met Zvw-middelen kunnen worden bekostigd. Ook staat vermeld dat de
financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren nog onbekend zijn en dat er nog
geen evaluaties bekend zijn. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom
welke concrete maatregelen thans op de ontwikkelagenda staan, op basis van welke criteria
deze zijn geselecteerd en wanneer de Kamer daar inhoudelijk over wordt geïnformeerd.
De acht maatregelen op de ontwikkelagenda omvatten drie maatregelen gericht op seksuele
gezondheid, mpox-vaccinatie, huidkankerpreventie, coeliakie-screening door de Jeugdgezondheidszorg
(JGZ), belonen van stoppen met roken van toekomstige ouders en mondzorg voor minima.
De maatregelen op de ontwikkelagenda zijn geselecteerd op basis van de mate waarin
er reeds wetenschappelijk bewijs beschikbaar is van de effectiviteit en/of op basis
van beschikbare kennis redelijkerwijs kan worden verwacht dat er een positief gezondheidseffect
is. Hierbij is in belangrijke mate gebruik gemaakt van eerdere adviezen van de Gezondheidsraad
en de kennis van onder andere het RIVM. Daarbij is ook meegewogen welke vermindering
van de zorgvraag wordt verwacht.
Voorts vragen deze leden de Minister hoe wordt voorkomen dat geld voor medische preventie
wordt gereserveerd zonder dat vooraf voldoende duidelijk is wat de daadwerkelijke
gezondheidswinst, de besparing in het Zvw-kader en de uitvoerbaarheid zijn. Deze leden
vragen de Minister per voorgenomen maatregel inzichtelijk te maken welke verwachte
gezondheidswinst, welke kosten en welke terugverdieneffecten worden voorzien.
Met de Voorjaarsnota 2026 zijn de financiële middelen voor de ontwikkelagenda van
AZWA onderdeel B4 overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van VWS.5 In 2027 en 2028 wordt jaarlijks € 27,5 miljoen besteed aan drie maatregelen gericht
op seksuele gezondheid, mpox-vaccinatie, huidkankerpreventie, coeliakie-screening
door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ), belonen van stoppen met roken van toekomstige
ouders en mondzorg voor minima. Met de overige € 35 miljoen (de jaarlijks resterende
€ 17,5 miljoen in 2027 en 2028 van de ontwikkelagenda) wordt de vaccinatiecampagne
in 2027 tegen Covid-19 mede mogelijk gemaakt.6
Voor het genoemde pakket aan maatregelen is nu voor twee jaar, te weten in 2027 en
2028, geld beschikbaar voor implementatie. Dit is gericht op het nader onderbouwen
van de gezondheidswinst en kostenbesparing in het Zvw-kader. Over de eventuele structurele
voortzetting van deze maatregelen is nog budgettaire besluitvorming nodig binnen de
reguliere begrotingsprocessen. Hiervoor dient eerst voldoende bewijs verzameld te
worden over de effecten van de maatregelen conform de richtlijn passend bewijs voor
preventie.
Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarom al middelen worden gereserveerd terwijl
de evaluatieparagraaf expliciet vermeldt dat er nog geen evaluaties bekend zijn. Deze
leden vragen hoe de Kamer in staat wordt gesteld haar controlerende taak uit te oefenen
zolang concrete uitwerking, financiële effecten voor sectoren en toetsbare evaluatie-indicatoren
nog ontbreken.
De Tweede Kamer wordt hierbij betrokken via de reguliere begrotingsprocessen. Gedurende
het gehele traject, zowel tot nu toe als in de komende periode, vindt nauwe afstemming
plaats met de andere AZWA-partijen.
Naar aanleiding van het kader Aanpak zorgfraude. De leden van de PVV-fractie steunen
een stevige aanpak van zorgfraude. Zorggeld is bedoeld voor zorg en niet voor fraudeurs,
tussenpersonen of malafide aanbieders. Deze leden lezen dat er vanaf 2027 oplopend
structureel extra geld beschikbaar komt voor de aanpak van zorgfraude. Kan de Minister
concreet uiteenzetten hoe deze middelen per jaar zullen worden ingezet? Welk deel
gaat naar toezicht, welk deel naar opsporing, welk deel naar handhaving en welk deel
naar eventuele aanscherping van wet- en regelgeving? Kan de Minister daarnaast per
maatregelen een tijdspad schetsen?
Met de beschikbare middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt
ingezet op een substantiële versterking van de aanpak van zorgfraude. Deze middelen
worden in samenhang ingezet op de volgende prioriteiten:
• het versterken van de integrale en multidisciplinaire samenwerking tussen ketenpartners,
aangezien geen enkele partij zorgfraude zelfstandig effectief kan bestrijden;
• het aanscherpen van toetsing aan de poort, om te voorkomen dat malafide zorgaanbieders
toetreden tot het zorgstelsel;
• het uitbreiden van operationele capaciteit bij betrokken organisaties;
• het verbeteren van gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, binnen de geldende juridische
kaders;
• het vergroten van de slagkracht in de uitvoering door optimaal gebruik te maken van
bestaande bevoegdheden;
• het versterken van de maatschappelijke verantwoording over de resultaten van de aanpak.
In de Kamerbrief over zorgfraude die juni 2026 aan de Kamer wordt verzonden, zal het
kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking van deze versterkte en samenhangende
aanpak, inclusief de beoogde inzet van middelen en de wijze waarop de voortgang inzichtelijk
wordt gemaakt.
Deze leden lezen daarnaast dat wordt ingezet op meer eenduidig beleid, basiseisen
aan vergunningen en mogelijk een verbreding van de vergunningplicht. Kan de Minister
concreet maken wat zij hier precies onder verstaat? Welke maatregelen wil zij nemen
om zorgfraude eerder te signaleren en sneller aan te pakken? Wordt daarbij ook gekeken
naar strengere toelating aan de voorkant, zodat malafide zorgaanbieders niet eerst
kunnen starten en pas veel later worden aangepakt?
Een belangrijk onderdeel van de versterkte aanpak is het voorkomen van toetreding
van malafide zorgaanbieders. Daarom zet het kabinet in op het aanscherpen van toetsing
aan de voorkant. Vanuit de verantwoordelijkheid binnen de Wet toetreding zorgaanbieders
(Wtza) verkent het kabinet onder andere een bredere vergunningplicht, het verplicht
stellen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor bestuurders en betrokkenen,
en periodieke toetsing aan de vergunningseisen. Ook wordt de vergunningplicht uitgebreid
naar jeugdhulpaanbieders en wordt verkend of dit voor het Wmo-domein passend is.
Aanvullend gaat het kabinet, voorafgaand aan vergunningverlening, meer inzetten op
gerichte fysieke controles bij risicovolle (nieuwe en herstartende) aanbieders. Door
samenwerking tussen betrokken partijen en selectie op basis van risicoanalyses kunnen
signalen eerder worden opgepakt en kan ongewenste toetreding effectiever worden voorkomen.
De leden van de PVV-fractie vragen verder hoe straks wordt vastgesteld of deze extra
investering ook echt effect heeft. Op welke manier wordt gemeten of sprake is van
meer opgespoorde fraude, meer terugvorderingen, meer interventies en minder weglekkend
zorggeld? Wanneer kan de Kamer de eerste concrete resultaten verwachten?
De inzet van het kabinet is erop gericht om zowel preventie als opsporing en handhaving
te versterken, zodat fraude zoveel mogelijk wordt voorkomen en onterecht bestede middelen
worden teruggehaald. In de Kamerbrief over zorgfraude die in juni 2026 aan de Kamer
wordt verzonden, zal het kabinet nader ingaan op de concrete uitwerking van deze versterkte
en samenhangende aanpak, inclusief de beoogde inzet van middelen en de wijze waarop
de voortgang inzichtelijk wordt gemaakt.
Naar aanleiding van het kader Basisfunctionaliteiten en basisinfrastructuur. De leden
van de PVV-fractie lezen dat voor basisfunctionaliteiten en basisinfrastructuur zeer
grote bedragen naar gemeenten gaan. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen
dat dit geld vooral opgaat aan gemeentelijke processen, coördinatie, overlegtafels
en extra beleidslagen, in plaats van aan concrete verbetering voor mensen die zorg
of ondersteuning nodig hebben.
Het uitgangspunt is dat middelen zoveel mogelijk terechtkomen in de praktijk en zichtbaar
bijdragen aan betere ondersteuning voor inwoners. Daarom worden afspraken gemaakt
over concrete resultaten, die vervolgens worden gemonitord. Daarbij geldt dat zoveel
mogelijk wordt voortgebouwd op bestaande structuren en samenwerkingsverbanden. Gemeenten
en regio’s moeten inzichtelijk maken, bijvoorbeeld in het regioplan, hoe ze op de
afspraken D5 en D6 in gaan zetten en wat daarmee wordt gerealiseerd voor inwoners,
professionals en mantelzorgers. Inwoners moeten gaan merken dat ze sneller op de juiste
plek worden geholpen en dat er bijvoorbeeld goede laagdrempelige inloopvoorzieningen
gerealiseerd zijn in de wijk die bijdragen aan preventie van zwaardere zorg, ondersteuning,
en sociale samenhang.
Kan de Minister helder maken wat inwoners, zorgverleners en mantelzorgers hier straks
in de praktijk van moeten merken? Wanneer is dit volgens de Minister geslaagd? Wanneer
moeten de eerste resultaten worden behaald? En hoe wordt vastgesteld of deze investeringen
inderdaad leiden tot minder druk op de Zorgverzekeringswet, betere samenwerking en
snellere toegang tot passende ondersteuning?
Het uiteindelijke doel is dat inwoners sneller passend ondersteund worden in het zorgdomein
en het sociaal domein. Ondersteuning is dan sneller toegankelijk, mensen worden minder
vaak tussen verschillende loketten doorverwezen en hulp sluit beter aan op de situatie
van de inwoner. Zorgverleners en mantelzorgers moeten profiteren van betere samenwerking
tussen organisaties en duidelijkere aanspreekpunten. Ook moet vroegsignalering verbeteren,
zodat problemen eerder kunnen worden aangepakt en zwaardere zorg kan worden voorkomen.
Door middel van data en monitoring worden de eerste resultaten zichtbaar, jaarlijks
wordt de recente regioscan herhaald bijvoorbeeld. Ook zullen alle regio’s gaan werken
met sociaal verwijzen, waarbij inwoners gemakkelijk doorverwezen worden vanuit de
huisarts naar het sociaal domein. Uiteindelijk moet dit in 2030 breed beschikbaar
zijn. In de monitoring worden ook indicatoren opgenomen om te meten welke invloed
deze afspraken hebben op de druk op de Zvw.
Deze leden lezen dat de financieringsvorm nog wordt uitgewerkt in overleg tussen VNG,
fondsbeheerders en VWS. Waarom is daar nog geen duidelijkheid over, terwijl het wel
om forse bedragen gaat? Kan de Minister toezeggen dat de Kamer vooraf inzicht krijgt
in de gekozen financieringsvorm, de verdeelsleutel en de voorwaarden waaronder gemeenten
deze middelen ontvangen?
Inmiddels is hier meer duidelijkheid over. In een zorgvuldig proces zijn de fondsbeheerders,
het Ministerie van VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), als belangenbehartiger
van gemeenten, tot enkele uitgangspunten voor de inrichting van een financieringsinstrument
gekomen. Over de uitkomsten van dit proces zijn de gemeenten daarbij op 22 april 2026
via de VNG geïnformeerd. Ter inzage vindt de Kamer deze brief toegevoegd bij de beantwoording
van deze vraag.7
De leden van de PVV-fractie vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat opnieuw grote
verschillen ontstaan tussen gemeenten en regio’s, waardoor inwoners afhankelijk van
hun woonplaats met andere werkwijzen, toegangseisen of kwaliteitsniveaus te maken
krijgen.
Juist door het werken met landelijke kaders, basisfunctionaliteiten en gezamenlijke
afspraken over kwaliteit en toegankelijkheid wordt in de samenwerking tussen sociaal
domein en zorgdomein een landelijke basis gelegd. Gemeenten krijgen ruimte voor maatwerk,
maar het uitgangspunt blijft dat inwoners in iedere regio kunnen rekenen op een herkenbaar
niveau van voorzieningen gericht op ondersteuning en samenwerking.
Naar aanleiding van het kader Intensive Care-basiscapaciteit. De leden van de PVV-fractie
vinden het van groot belang dat Nederland bij crises, pandemieën of andere calamiteiten
beschikt over voldoende IC-capaciteit. Deze leden lezen echter dat nog altijd onduidelijk
is met welk beleidsinstrument wordt toegewerkt naar een basiscapaciteit van ten minste
1.150 IC-bedden. Waarom is daar nog steeds geen duidelijkheid over? De leden van de
PVV-fractie vragen de Minister wat inmiddels de stand van zaken is van de aangekondigde
verkenning naar wet- en regelgeving. Wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover
concreet te informeren? Is zij het met deze leden eens dat wettelijke borging steeds
logischer wordt, nu het de betrokken partijen al jaren niet lukt om hier onderling
sluitende afspraken over te maken?
Het kabinet spant zich in om uitvoering te geven aan de moties die in de Tweede Kamer
zijn aangenomen om te streven naar IC-zorg die ook in tijden van crises zo goed mogelijk
beschikbaar is. Daarom is het kabinet gestart met een verkenning naar wet- en regelgeving
voor het vastleggen van een basiscapaciteit van het aantal beschikbare IC-bedden.8
Ook zijn vertegenwoordigers van ziekenhuizen, intensivisten, IC-verpleegkundigen,
verzekeraars en patiënten vorige jaar gestart met een intensief traject om samen landelijke
kaders voor een toekomstbestendig IC-landschap op te stellen. Een onderdeel van dit
traject is het zo goed mogelijk borgen van IC-beschikbaarheid in situaties met een
hogere zorgvraag zoals een pandemie. Voor de zomer zullen zij het ministerie informeren
over de voorlopige uitkomsten. Het kabinet vindt het belangrijk om de uitkomsten van
dit traject mee te wegen alvorens wet- en regelgeving op te stellen. Het kabinet zal
u in Q2 informeren over de uitkomsten van dit traject en de verkenning naar wet- en
regelgeving.
Deze leden lezen dat jaarlijks middelen zijn gereserveerd voor IC-opschaling. Waarop
is dat bedrag precies gebaseerd?
Het Ministerie van VWS heeft het gereserveerde bedrag van € 35 miljoen destijds gebaseerd
op de beschikbaarheidsvergoeding die zorgverzekeraars in 2021 aan ziekenhuizen hebben
verstrekt voor de opschaling tot 1.150 bedden (fase 1 van het Opschalingsplan COVID-19).
Hiermee is financiële ruimte om op te kunnen schalen.
Is dit bedrag volgens de Minister voldoende om de gewenste basiscapaciteit daadwerkelijk
te realiseren en in stand te houden? Zo nee, welk tekort verwacht zij dan?
Zorgverzekeraars hebben de zorgplicht om voldoende medisch-specialistische zorg in
te kopen voor hun verzekerden. Onderdeel daarvan is het inkopen van voldoende IC-zorg.
De totale uitgaven aan medisch specialistische zorg inclusief IC zorg zijn onderdeel
van het macrokader msz.
Binnen het kader msz is sinds 2022 € 35 miljoen beschikbaar voor de Intensive Care
(IC)-opschaling. Hiermee is ruimte geboden om eventuele meerkosten van IC opschalen
tot 1150 bedden te bekostigen. Vanaf 2023 waren deze middelen onderdeel van het afgesproken
msz kader in het Integraal Zorgakkoord. In de VWS begroting 2026 is deze € 35 miljoen
buiten het msz kader gereserveerd omdat nog niet duidelijk is hoeveel middelen er
precies nodig zijn.
Ook vragen deze leden hoe de Minister straks wil toetsen of die basiscapaciteit in
de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald en behouden, en niet alleen op papier bestaat.
Het kabinet wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze trajecten. Verdere uitwerking
is nodig alvorens er uitspraken over de haalbaarheid en toezicht kunnen worden gedaan.
Naar aanleiding van het kader Opleiden en ontwikkelen als vanzelfsprekendheid. De
leden van de PVV-fractie lezen dat fors wordt ingezet op strategisch opleiden, vervolgopleidingen,
instroom, doorstroom en bij- en nascholing. Deze leden delen de opvatting dat het
personeelstekort in de zorg een van de grootste problemen van dit moment is. Tegelijkertijd
vragen zij hoe wordt voorkomen dat deze middelen te veel blijven hangen in subsidieregelingen,
procesafspraken en algemene ontwikkeltrajecten, zonder dat dit voldoende merkbaar
wordt op de werkvloer. Kan de Minister concreet aangeven wat deze investering volgens
haar moet opleveren? Hoeveel extra instroom, hoeveel extra opleidingscapaciteit en
hoeveel minder uitval of uitstroom verwacht zij hiermee te realiseren? Kan zij dit
ook uitsplitsen naar sectoren of tekortberoepen?
Het opleiden en ontwikkelen van professionals in zorg en welzijn is een randvoorwaarde
om de transitiedoelen in het AZWA te halen. Partijen in het AZWA hebben zich onder
meer het doel gesteld om tot en met 2028 het stijgende arbeidsmarkttekort met 40.000
personen lager uit te laten komen, dan anders het geval zou zijn geweest. De investering
die dit kabinet doet met de AZWA middelen voor het opleiden, draagt hier op twee manieren
aan bij. Ten eerste door professionals met de juiste bij- en nascholing in staat te
stellen de benodigde transities te kunnen maken zoals de beweging naar de voorkant,
inzet van passende zorg en gebruik van technologische innovatie en AI. Ten tweede
wordt beoogd dat de investering bijdraagt aan het verhogen van de instroom en het
verlagen van de uitstroom van personeel. Met de beschikbare AZWA-middelen voor 2026
is de subsidie Strategisch Opleiden in Zorg en Welzijn (SO-Z&W) opgezet, waarmee een
impuls wordt gegeven aan de in- en doorstroom en bij- en nascholing van medewerkers
in zorg en welzijn in sectoren buiten het ziekenhuis. Momenteel worden gesprekken
gevoerd met de AZWA-partijen over de wijze van besteding van de middelen per 2027
en verder. Om een concrete inschatting te maken van de lange termijn effecten op instroom
en behoud van personeel is echter eerst een verdere uitwerking van de afspraken op
het gebied van opleiding en scholing nodig. Daarbij stelt het Ministerie van VWS de
middelen beschikbaar en worden de doelen en monitoring samen met de betrokken AZWA-partijen
verder uitgewerkt. In een eerdere brief is toegezegd dat de Kamer in de tweede helft
van dit jaar nader geïnformeerd wordt over de opzet van de geïntegreerde IZA/AZWA
monitor.9 Daarin zal de Kamer tevens op de hoogte worden gebracht van de voortgang op de inrichting
van de doelen en monitoring voor de investering in opleiden en ontwikkelen zoals afgesproken
in het AZWA.
De leden van de PVV-fractie lezen dat in 2026 uitvoering wordt gegeven via de subsidie
Strategisch Opleiden Zorg en Welzijn. Welke partijen kunnen van deze regeling gebruikmaken?
Op basis van welke voorwaarden gebeurt dat? En hoe wordt gewaarborgd dat middelen
daadwerkelijk terechtkomen op plekken waar de personeelstekorten het grootst zijn?
De subsidie SO-Z&W is bedoeld voor alle werkgevers uit de sector zorg en welzijn buiten
de msz. In het AZWA zijn middelen beschikbaar gesteld voor opleiding en bij- en nascholing
buiten het ziekenhuis (en dus buiten de medisch-specialistische zorg). Organisaties
die medisch-specialistische zorg verlenen kunnen daarom geen aanspraak maken op deze
middelen en dus geen gebruik maken van deze subsidie (er is voor hen overigens wel
een andere subsidie beschikbaar). Werkgevers in zorg en welzijn kunnen door deelname
een financiële bijdrage ontvangen voor opleidingsactiviteiten met als doel het versterken
van de instroom en doorstroom (activiteit 1) én het versterken van de kennis en vaardigheden
op de thema’s genoemd in het AZWA (activiteit 2). Onder activiteit 1 wordt op basis
van een vooraf vastgestelde lijst bepaalde mbo- (BBL of derde leerweg) en hbo- (duaal
of deeltijd) beroepsopleidingen gesubsidieerd. Het gaat hierbij alleen om opleidingen
voor beroepen waar de tekorten groot zijn en/of die bijdragen aan de beweging naar
voorkant. Onder activiteit 2 gaat het enkel om bij- en nascholingen die passen in
de beweging van het AZWA. RegioPlus is de uitvoerder van deze subsidie en heeft op
basis van de afspraken uit het AZWA een beoordelingskader opgenomen in het programma
van eisen van het project.
Deze leden vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat geld vooral terechtkomt bij brede
scholingstrajecten, plannen of organisatieontwikkeling, terwijl het grootste probleem
juist zit in het tekort aan mensen op de werkvloer. Welke concrete resultaatsafspraken
worden gemaakt om te borgen dat deze middelen ook echt bijdragen aan meer inzetbaar
personeel, minder uitstroom en meer capaciteit in tekortsectoren? Ook vragen deze
leden wanneer de Kamer de eerste concrete resultaten van deze investering kan verwachten.
Zoals op de vraag hierboven toegelicht wordt alleen subsidie verstrekt voor twee typen
activiteiten, waarbij de aanvragen worden getoetst aan de hand van een beoordelingskader.
Deze activiteiten zijn zo vastgesteld, omdat ze bijdragen aan het creëren van meer
capaciteit in tekortsectoren. In het najaar van 2026 en in het voorjaar van 2027 deelt
RegioPlus de voorlopig cijfers van de realisatie van de subsidie met het Ministerie
van VWS. Het gaat hier om de realisatie van de subsidieactiviteiten, dus niet om effecten
op instroom en behoud. Dit voorlopige beeld van de realisatie zal voor de zomer van
2027 gedeeld worden met de Kamer. Het is niet mogelijk om deze realisatiecijfers direct
te relateren aan de instroom en het behoud van personeel. Bij de concretisering van
de overige afspraken uit het AZWA rond opleiden en ontwikkelen, is het streven om
hier wel een uitspraak over te kunnen doen. Zie hiervoor ook het antwoord op de vragen
hierboven die gaan over wat de investering in opleiden en ontwikkelen uit het AZWA
moet opleveren en wanneer de Kamer daarover een update ontvangt.
Naar aanleiding van het kader Doorbraakmiddelen. De leden van de PVV-fractie lezen
dat in 2027 en 2028 jaarlijks € 400 miljoen beschikbaar komt voor doorbraakmiddelen,
onder meer voor AI, medische technologie en hulpmiddelen. Deze leden vinden dat innovatie
alleen zin heeft als die daadwerkelijk leidt tot minder werkdruk, meer tijd voor de
patiënt en betere toegankelijkheid van zorg. Kan de Minister daarom concreet aangeven
aan welke voorwaarden projecten moeten voldoen om voor deze middelen in aanmerking
te komen?
Het kabinet deelt deze opvatting. Een belangrijke voorwaarde voor de inzet van de
doorbraakmiddelen is dat de impact op fte (arbeidsbesparing) leidend is om zo de zorg
ook toegankelijk te houden. Daarom is gekeken naar de impact op de arbeidsinzet van
initiatieven die er nu al zijn en die voor een deel tot stand zijn gekomen met de
IZA-transformatiemiddelen. De initiatieven/toepassingsgebieden met de meeste potentie
voor impact worden opgeschaald. Het gaat dus om toepassingsgebieden die daadwerkelijk
leiden tot minder werkdruk, meer tijd voor de patiënt en een betere toegankelijkheid.
Voor een nadere toelichting, de onderliggende onderzoeksrapportage en de opbouw van
de modelplannen verwijst het kabinet de Kamer naar de recent toegezonden Kamerbrief
over de doorbraakmiddelen.10 Daarnaast deelt het kabinet de opvatting van deze leden dat structurele inbedding
essentieel is. Daarom geldt als basiseis dat de inzet van doorbraakmiddelen moet leiden
tot duurzame effecten in de zorgpraktijk. Hiervoor is van belang dat er breed draagvlak
bestaat bij zowel aanbieders als financiers. Dit draagvlak wordt via het bestuurlijke
proces geborgd en waar relevant expliciet uitgewerkt in de modelplannen.
Genoemde leden lezen dat het kabinet wil voorkomen dat opnieuw het principe geldt
van wie het eerst komt, die het eerst maalt. Welke governance wordt hiervoor precies
uitgewerkt? Wie beslist straks over de toekenning, op basis van welke criteria en
hoe wordt voorkomen dat vooral grote partijen of instellingen met de sterkste lobby
er met het grootste deel van de middelen vandoor gaan?
Er wordt expliciet afgeweken van het «wie het eerst komt, wie het eerst maalt»-principe
door te werken met vooraf uitgewerkte modelplannen en één gelijktijdig beoordelingsmoment
voor alle aanvragen. Plannen worden dus niet op volgorde van indiening beoordeeld.
Zorgaanbieders kunnen een aanvraag doen die gebaseerd is op deze modelplannen. Doordat
uitgegaan wordt van modelplannen is de beoordeling veel beperkter en uniformer. Deze
modelplannen bevatten zoveel mogelijk normerende elementen, waaronder een onderbouwde
businesscase, een beschrijving van randvoorwaarden, concrete mijlpalen en inhoudelijke
en financiële kaders. Hiermee wordt beoogd de beoordelingslast te beperken en de uitvoerbaarheid
en uniformiteit te vergroten.
Alleen in gevallen waarin regionale of lokale nadere invulling nodig is, of wanneer
wordt afgeweken van het normatieve kader, vindt een aanvullende inhoudelijke beoordeling
plaats. Voordat de daadwerkelijke aanvragen een beschikking krijgen geven de zorgverzekeraars
een overzicht van het totaal aan aanvragen, zodat er door de AZWA partijen kan worden
bijgestuurd als er onvoorzien sprake is van een over- of onderschrijding.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe de Minister voorkomt dat deze middelen
terechtkomen bij tijdelijke pilots, adviestrajecten of technologische projecten die
na afloop niet worden opgeschaald of uiteindelijk onvoldoende opleveren. Welke eisen
worden gesteld aan aantoonbare arbeidsbesparing, opschaalbaarheid en structurele inbedding?
Zoals eerder toegelicht worden de doorbraakmiddelen ingezet om toepassingsgebieden
waarvan verwacht wordt dat deze de meeste impact hebben op de arbeidsinzet. De selectie
van toepassingsgebieden is vooraf zorgvuldig uitgevoerd op basis van het leidende
criterium arbeidsbesparing (fte) en de daarmee samenhangende structurele impact op
de zorgcapaciteit. Het betreft uitsluitend concreet uitgewerkte toepassingen die landelijk
opschaalbaar zijn en aantoonbaar bijdragen aan het verminderen van personeelstekorten.
In sommige gevallen gaat het om bestaande initiatieven die eerder met IZA-transformatiemiddelen
zijn ontwikkeld, maar nog niet landelijk zijn opgeschaald.
Daarnaast deelt het kabinet de opvatting van deze leden van de Kamer dat structurele
inbedding essentieel is. Daarom geldt als basiseis dat de inzet van doorbraakmiddelen
moet leiden tot duurzame effecten in de zorgpraktijk. Hiervoor is van belang dat er
breed draagvlak bestaat bij zowel aanbieders als financiers. Dit draagvlak wordt via
het bestuurlijke proces geborgd en waar relevant expliciet uitgewerkt in de modelplannen.
Ook vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat technologie juist leidt tot extra registratielast,
extra scholingsdruk of nieuwe afhankelijkheden van commerciële leveranciers, in plaats
van tot verlichting op de werkvloer.
De inzichten en lessen vanuit de IZA-transformatiemiddelen zijn gebruikt voor de inzet
en governance van de doorbraakmiddelen. In plaats van bottom-up plannen te laten ontwikkelen
is met de doorbraakmiddelen gekozen voor focus: een aantal impactvolle en bestaande
toepassingsgebieden, soms ontstaan met de inzet van IZA-transformatiemiddelen, worden
landelijk opgeschaald. Door te werken met landelijke, generieke modelplannen blijven
de administratieve lasten beperkter en verloopt het beoordelingsproces eenvoudiger.
Tegelijkertijd erkent het kabinet dat de inzet van de middelen wel degelijk enige
registratie en verantwoording vereist bovenop de reguliere bedrijfsvoering. Ook de
inzet van een andere manier van werken brengt met zich mee dat zorgpersoneel hiervoor
opgeleid moet worden.
Het kabinet is echter gezamenlijk met partijen van oordeel dat met de gekozen aanpak
een goede balans is gevonden tussen noodzakelijke verantwoording en het beperken van
administratieve lasten.
Ten aanzien van de afhankelijkheid van specifieke leveranciers is als basiseis voor
de modelplannen opgenomen dat wordt beschreven hoe wordt voorkomen dat er ongewenste
marktverstorende effecten optreden. Daarbij geldt dat toepassingsgebieden functioneel
worden omschreven, in plaats van leverancierspecifiek. Op die manier wordt geborgd
dat verschillende aanbieders kunnen aansluiten en dat voldoende ruimte blijft bestaan
voor concurrentie, innovatie en toekomstige overstapmogelijkheden.
Naar aanleiding van het kader Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV's).
De leden van de PVV-fractie lezen dat structureel extra middelen worden toegevoegd
voor regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden. Deze leden begrijpen dat samenwerking
belangrijk is, maar zijn ook kritisch op nieuwe structuren waarvan het risico bestaat
dat opnieuw geld verdwijnt in organisatie, overleg en vertegenwoordiging, in plaats
van in directe zorg voor de patiënt. Kan de Minister daarom concreet uiteenzetten
hoeveel van deze middelen naar verwachting terechtkomt bij bestuur, coördinatie, ondersteuning
en organisatie, en hoeveel daadwerkelijk ten goede komt aan betere zorgverlening in
de wijk?
Deze middelen zijn bedoeld om te worden ingezet voor het goed samenwerken in hechte
wijkverbanden en voor regionale coördinatie en afstemming daarvan. Deze regionale
ondersteuning wordt niet geleverd door de zorgprofessionals zelf, maar door bijvoorbeeld
regio- of wijkcoördinatoren. Daardoor kunnen de zorgverleners zich beter richten op
– en tijd vrijhouden voor – hun kerntaak: passende zorg leveren in goede samenhang
met andere aanbieders in de eerste lijn en het sociaal domein. Daarmee komen de middelen
dus allemaal ten goede aan betere en meer samenhangende zorgverlening in de wijk.
De leden van de PVV-fractie lezen dat een RESV vijf hoofdtaken krijgt. Kan de Minister
per hoofdtaak toelichten waarom deze niet binnen bestaande samenwerkingsstructuren
of bestaande organisaties kan worden ondergebracht? Waarom is hiervoor een nieuwe
regionale laag nodig?
De eerstelijnszorg is nu niet samenhangend georganiseerd. Er zijn bestaande structuren,
maar die zijn per beroepsgroep ingericht en lang niet alle beroepsgroepen in de eerste
lijn hebben dit al (goed) staan. Het RESV is dus de verbindende factor waar in plaats
van per beroepsgroep echt multidisciplinair gewerkt wordt, dit geldt voor alle vijf
de hoofdtaken. Voor de inrichting van RESV’s wordt het advies meegegeven aan regio’s
om gebruik te maken van bestaande structuren en afspraken en dit verder uit te bouwen.
Hierdoor hoeft vaak niet iets nieuws ingericht te worden maar worden bestaande structuren
verstevigd en verrijkt.
Deze leden vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat eerstelijnszorgaanbieders juist
meer tijd kwijt zijn aan afstemming, vertegenwoordiging en regionale processen. Hoe
wordt gemeten of deze RESV’s daadwerkelijk bijdragen aan minder druk op de werkvloer
en betere toegankelijkheid van zorg?
RESV’s ontlasten zorgaanbieders door ze taken uit handen te nemen en de zorg meer
in samenhang te organiseren. Ten aanzien van het «meten», wordt de gehele inzet op
de versterking eerstelijnszorg gemonitord. Dit heeft het kabinet ook aan de NZa meegegeven
in de aanwijzing voor financiering van RESV’s. Er is daarom expliciet gekozen voor
een experimentbekostiging, waarin monitoring meeloopt en waar nodig kan worden bijgestuurd.
Daarnaast financiert het kabinet, via ZonMw, een onderzoeksconsortium (MOVE11) dat onderzoek doet naar de werkende mechanismen in het anders organiseren van de
eerstelijnszorg. De onderzoeksresultaten daarvan worden verwacht in 2028/2029.
Deze leden lezen verder dat sprake is van een experimentbekostiging tot en met 2032.
Waarom is gekozen voor zo’n lange looptijd? Wanneer wordt tussentijds geëvalueerd?
En op welk moment kan worden besloten om bij tegenvallende resultaten te stoppen of
bij te sturen?
De genoemde experimentfase kent een standaard looptijd van maximaal vijf jaar, deze
start per 2027 en loopt tot en met 2031. Dit is een logisch tijdspad omdat met alle
betrokken partijen in de eerstelijnszorg bij de opstart een fasering is afgesproken.
De ingezette verandering heeft tijd nodig om regionaal en in de wijken gerealiseerd
te worden. RESV’s ondergaan een ontwikkeling met een looptijd tot 2030, waarin uiteindelijk
alle hoofdtaken worden uitgevoerd. Pas na 2030 zal een volledige evaluatie over de
voortang van de RESV ontwikkeling in relatie tot de beleidsregel plaats kunnen vinden.
Vervolgens is er tijd nodig om de bekostiging structureel in te regelen en op te nemen
in het inkoopbeleid van verzekeraars. Daarom moet uiterlijk medio 2030 duidelijk zijn
hoe de bekostiging per 2032 verder gaat.
Het kabinet heeft de NZa daarnaast meegegeven dat minimaal jaarlijks de voortgang
zal worden gemonitord en met de betrokken partijen in de eerstelijnszorg wordt geëvalueerd.
Indien gewenst, kan er zodoende al tijdens de looptijd van het experiment op bepaalde
punten worden bijgestuurd.
Naar aanleiding van onderdeel Algemeen. De leden van de PVV-fractie merken op dat
in meerdere kaders wordt verwezen naar monitoring via brede AZWA-voortgangsrapportages.
Deze leden vragen de Minister of zij bereid is de Kamer per onderdeel ook afzonderlijk
en concreet te informeren over de besteding van middelen, de voortgang, de uitvoeringsproblemen
en de meetbare resultaten, zodat de Kamer niet alleen op hoofdlijnen maar ook echt
inhoudelijk en financieel kan controleren.
In de Kamerbrief van 9 april jl. is toegelicht dat met de totstandkoming van het AZWA
de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor te komen.12 Met deze geïntegreerde monitor wil het kabinet effectiever kunnen sturen op de voortgang.
De Kamer wordt in de tweede helft van 2026 over de opzet van deze geïntegreerde monitor
geïnformeerd. Tegelijkertijd ontvangt de Kamer dan de resultaten van de jaarlijkse
reeds bestaande landelijke IZA-monitoring.
Daarnaast zijn er voor financiële verantwoording, inclusief doelmatige besteding,
reguliere processen ingericht om de Kamer te informeren. Dit gebeurt bij de verschillende
begrotingsstukken. Zo bevat de ontwerpbegroting een subsidieoverzicht en wordt in
het jaarverslag gereflecteerd op de effectiviteit van de begrotingsgefinancierde uitgaven.
Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister over de volle breedte wil voorkomen dat
AZWA-middelen vooral neerslaan in bestuurlijke drukte, regionale overlegstructuren,
experimenten en proceskosten, terwijl de problemen op de werkvloer en de druk op de
toegankelijkheid van zorg onverminderd groot blijven.
Vooropgesteld staat dat zowel iedereen werkzaam in zorg en welzijn, alsmede het kabinet,
wil dat middelen nuttig besteed worden aan goede zorg en ondersteuning voor wie dat
nodig heeft. Het is een gezamenlijke inspanning om middelen zoveel mogelijk op de
juiste plek te laten landen.
Daarom is onder andere afgesproken bij de verdere uitwerking van de AZWA-afspraken
expliciet aandacht te besteden aan de regeldrukeffecten, bijvoorbeeld door het doen
van praktijkchecks met zorgprofessionals en uitvoeringstoetsen. Ook worden de inzichten
en lessen vanuit de IZA-transformatiemiddelen gebruikt voor de inzet en governance
van de doorbraakmiddelen. In plaats van bottom-up plannen te laten ontwikkelen is
met de doorbraakmiddelen gekozen voor focus: een aantal impactvolle en bestaande toepassingsgebieden,
vaak ontstaan met de inzet van transformatiemiddelen, worden landelijk opgeschaald.
Door te werken met landelijke, generieke modelplannen blijven de administratieve lasten
beperkt en verloopt het beoordelingsproces eenvoudiger. Modelplannen zijn landelijke,
gestandaardiseerde plannen die per gekozen toepassingsgebied als format dienen voor
de uitwerking en opschaling, zodat administratieve lasten beperkt blijven en beoordeling
eenvoudiger wordt.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om per onderdeel zo concreet
mogelijk inzichtelijk te maken welk effect zij in 2027, 2028 en daarna verwacht op
de toegankelijkheid van zorg, de arbeidsmarkttekorten, de wachttijden en de doelmatige
inzet van zorggeld.
Met het AZWA hebben het Ministerie van VWS en de betrokken partijen twee transitiedoelen
toegevoegd rondom toegankelijkheid en het arbeidsmarkttekort. Daarnaast is aan het
AZWA een financiële opgave gekoppeld, namelijk het doortrekken van de groeipercentages
van het laatste IZA-jaar (2026). Deze doelstellingen worden behaald door het samenhangende
geheel van de AZWA-afspraken. Het is niet mogelijk om dit uit te splitsen naar verschillende
afspraken.
In de Kamerbrief van 9 april jl. is toegelicht dat met de totstandkoming van het AZWA
de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor te komen.13 Met deze geïntegreerde monitor wil het kabinet effectiever kunnen sturen op de voortgang.
De Kamer wordt in de tweede helft van 2026 over de opzet van deze geïntegreerde monitor
geïnformeerd. Tegelijkertijd ontvangt de Kamer dan de resultaten van de jaarlijkse
reeds bestaande landelijke IZA-monitoring.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister over de CW3.1 kaders van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en
hebben op dit moment geen aanvullende vragen of opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de CW3.1 kaders
voor verschillende onderdelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat met de subsidie Strategisch Opleiden Zorg en
Welzijn wordt ingezet op het versterken van de lerende omgeving, onder meer door extra
opleidingsplekken te realiseren voor beroepen waar de tekorten het grootst zijn. Deze
leden onderschrijven het belang daarvan, zeker gezien de groeiende personeelstekorten
in de zorg. Zij vragen in dit verband hoe de Minister de adviezen van het Capaciteitsorgaan
betrekt bij de invulling van deze opleidingsinspanningen. Kan de Minister bevestigen
dat het kabinet bij de verdeling van opleidingsplaatsen blijft uitgaan van de onafhankelijke
adviezen van het Capaciteitsorgaan? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve afwegingen
worden dan gemaakt?
De subsidie SO-Z&W en de ramingen van het Capaciteitsorgaan staan los van elkaar.
Met de subsidie SO-Z&W worden de werkgeverskosten voor zowel kwalificerende beroepsopleidingen
op MBO/HBO als de kosten voor bij- en nascholing binnen AZWA-thema’s gesubsidieerd.
Binnen dit instrument wordt geen subsidie verstrekt voor de medische vervolgopleidingen
die onderdeel zijn van de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan.
De ramingen voor (medische) (vervolg)opleidingen worden wél gebruikt bij het beschikbaar
stellen van opleidingsplekken via de beschikbaarheidsbijdrage en/of via de begroting
van het Ministerie van VWS. Het kabinet zal bij de beschikbaarstelling van opleidingsplaatsen
voor (medische) (vervolg)opleidingen blijven uitgaan van de onafhankelijke adviezen
van het Capaciteitsorgaan. Hoewel de adviezen in de basis zoveel mogelijk worden gevolgd
kunnen er inhoudelijke en/of budgettaire reden zijn om af te wijken van een advies.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat er momenteel in sommige medische specialismen
een groot aantal vacatures bestaat, terwijl er tegelijkertijd voldoende belangstelling
is voor de opleiding. Zo staan er volgens signalen uit het veld ruim honderd vacatures
open voor spoedeisende hulpartsen, terwijl het aantal sollicitanten voor de opleiding
groot is en de opleidingscapaciteit aanwezig zou zijn. Deze leden vragen hoe de Minister
deze discrepantie verklaart en wat er wordt gedaan om ervoor te zorgen dat beschikbare
opleidingscapaciteit daadwerkelijk wordt benut voor beroepen waar de tekorten het
grootst zijn.
De bekostiging van deze opleiding loopt via de beschikbaarheidbijdrage en staat los
van de middelen die met het AZWA beschikbaar zijn gekomen voor opleiden en bij- en
nascholing buiten het ziekenhuis.
Volgens de raming van het Capaciteitsorgaan (2025) is er bij de spoedeisende geneeskunde
inderdaad een groot tekort. Tevens is er voor de SEH sprake van een toenemende en
complexere acute zorgvraag. Het Capaciteitsorgaan adviseert mede daarom om de instroom
voor SEH fors op te hogen van 42 naar 61 opleidingsplaatsen. Voor veel (andere) (medische)
vervolgopleidingen adviseert het Capaciteitsorgaan in 2025 overigens een lichte stijging
van opleidingsaantallen, mede door de vervangingsvraag, de bestaande tekorten en de
groeiende zorgvraag. Tegelijk blijven in sommige perifere regio’s vacatures moeilijk
te vervullen waardoor de werkdruk en het werkplezier afnemen en het risico op vroegtijdige
uitval toeneemt. Er kan een regionale mismatch zijn, hoewel er voldoende belangstelling
voor de opleiding bestaat.
De Tweede Kamer is recent geïnformeerd over de ophoging van het aantal opleidingsplaatsen
voor SEH artsen voor 2027 door middel van de kabinetsreactie op de ramingen van het
Capaciteitsorgaan voor de periode 2027–2030.14
Daarnaast vragen deze leden hoe bij het vergroten van de instroom ook rekening wordt
gehouden met de regionale spreiding van zorgprofessionals. Zij wijzen erop dat personeelstekorten
zich niet alleen per beroepsgroep voordoen, maar ook sterk regionaal verschillen.
Wordt bij het beleid rondom opleidingsplaatsen en instroom ook expliciet gekeken naar
de regionale verdeling van zorgprofessionals?
Voor de (medische) vervolgopleidingen die worden bekostigd via de beschikbaarheidbijdrage
worden, naast de totale aantallen per specialisme, verdeelcriteria vastgelegd in een
aanwijzing aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Over de verdeling van de opleidingsplaatsen
brengen de Stichting BOLS en TOP Opleidingsplaatsen advies uit. Voor de medisch-specialistische
opleidingsplaatsen is in 2024 het verdeelcriterium 100% adherentie voor alle instellingen
geïntroduceerd. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Paulusma, die vraagt
om een verdeling van opleidingsplaatsen voor medisch specialisten die aansluit bij
de bevolkingsomvang naar regio (Kamerstuk 29 247, nr. 369). Met dit criterium is een eerste stap gezet om een evenwichtige spreiding van medisch
specialisten over de regio’s te bewerkstelligen. Met Stichting BOLS vinden op dit
moment gesprekken plaats over de uitwerking van een nieuw verdeelcriterium dat uitgaat
van de toekomstige regionale zorgvraag. Daarnaast gaan opleiders in ggz steeds meer
in regionale samenwerkingsverbanden werken. In het toewijzingsproces van TOP Opleidingsplaatsen
wordt dit gestimuleerd met een beperkt aantal plaatsen.
De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op onderzoek van het UMC Utrecht
waaruit blijkt dat het huidige toelatingsbeleid van de geneeskundeopleiding regionale
huisartsentekorten in stand kan houden, doordat studenten vaak afkomstig zijn uit
regio’s waar al relatief veel artsen zijn en daar later ook terugkeren. In verschillende
landen bestaan daarom selectieregelingen waarbij studenten uit regio’s met tekorten
extra kans krijgen op een opleidingsplek, mits zij zich later voor een bepaalde periode
aan die regio verbinden. Deze leden vragen hoe de Minister naar dergelijke modellen
kijkt. Worden de inzichten uit dit onderzoek betrokken bij het beleid rond de instroom
in medische opleidingen? Ziet de Minister mogelijkheden om, bijvoorbeeld via selectie,
regionale opleidingsplaatsen of andere instrumenten, meer studenten uit (en binnen)
regio’s met tekorten op te leiden, zodat zij later ook in die regio’s aan het werk
gaan?
Om meer zicht op het vraagstuk van regionale tekorten aan huisartsen(zorg) en mogelijke
beleidsopties te krijgen wordt momenteel, in samenwerking met het veld en het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), een verkenning uitgevoerd naar kansrijke
interventies om de spreiding van huisartsen over het land te verbeteren. Dit gebeurt
naar aanleiding van een afspraak in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (afspraak
D3) en is in lijn met de aangenomen motie van het lid Wiersma.15 De Kamer is hierover reeds geïnformeerd.16
In deze verkenning wordt naast kennis over de instroom in de initiële opleiding geneeskunde
ook de door de leden genoemde inzichten en buitenlandse voorbeelden betrokken, waaronder
de relatie tussen herkomst van studenten en latere vestigingsplaats, evenals ervaringen
met selectie- en opleidingsmodellen gericht op regionale binding. Daarbij wordt onder
meer gekeken hoe de inzet op regionaal opleiden in de huisartsenopleiding kan worden
versterkt.
Tegelijkertijd geldt dat de toelating tot de geneeskundeopleiding decentraal is belegd
bij onderwijsinstellingen, binnen de kaders van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (WHW). Dit betekent dat de sturingsmogelijkheden van het kabinet op selectiecriteria
begrensd zijn. Hierover is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd middels een Kamerbrief
en in de beantwoording van een eerder schriftelijk overleg.17
In de verkenning zal het kabinet naast het werving- en selectiebeleid ook breder kijken
naar maatregelen die het vestigingsgedrag van (toekomstig) huisartsen beïnvloeden.
Ook het vestigingsklimaat in de regio’s met tekorten speelt bijvoorbeeld mee bij de
afweging of een student daar later aan de slag wil gaan als huisarts. Het kabinet
onderzoekt met de verkenning welke maatregelen het meest kansrijk zijn om de tekorten
in deze regio’s tegen te gaan.
De uitkomsten van de verkenning worden in het derde kwartaal van 2026 met de Kamer
gedeeld. Op basis hiervan zal het kabinet een vervolgaanpak aan de Kamer voorleggen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat vanaf 2027 € 70 miljoen structureel wordt toegevoegd
aan het budgettair kader multidisciplinaire zorg om de regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden
(RESV’s) te financieren. Deze leden onderschrijven het belang van goede regionale
samenwerking in de eerstelijnszorg. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de tekorten
in de eerstelijnszorg in sommige regio’s zeer groot zijn. In verschillende delen van
het land staan huisartsenpraktijken onder zware druk of verdwijnen zelfs uit regio’s,
waardoor inwoners steeds verder moeten reizen voor basiszorg. De leden van de BBB-fractie
vragen daarom hoe de Minister heeft bepaald dat het beschikbare budget toereikend
zal zijn voor de uitvoering van de taken van de RESV’s. Op welke aannames is dit bedrag
gebaseerd, en is daarbij rekening gehouden met de grote regionale verschillen in zorgvraag
en personeelsbeschikbaarheid?
Dit bedrag is gebaseerd op de subsidies die regio’s op dit moment ontvangen via ZonMw
om onder meer RESV’s op te zetten en hechte wijkverbanden te versterken. Per regio
bestaat de hoogte van het bedrag uit een vast deel en een deel wat is bepaald op basis
van inwonersaantallen. Gedurende het bekostigingsexperiment moet in de komende jaren
blijken of dit bedrag toereikend zal zijn voor de benodigde doorontwikkeling die de
regio’s beogen. Het kabinet heeft de NZa in de aanwijzing meegegeven, dat minimaal
jaarlijks de voortgang zal worden gemonitord en met de betrokken partijen in de eerstelijnszorg
wordt geëvalueerd.
Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister wil voorkomen dat verschillen tussen regio’s
verder toenemen. Is de Minister het met deze leden eens dat het in een land als Nederland
onwenselijk is dat de toegang tot eerstelijnszorg sterk afhankelijk wordt van de postcode
van een patiënt? Op welke manier dragen de RESV’s concreet bij aan het verkleinen
van regionale verschillen in toegankelijkheid van zorg?
De toegang tot zorg mag niet afhankelijk zijn van waar je woont, maar regionale verschillen
komen op dit moment wel voor. Doel van de versterking van de eerstelijnszorg is juist
om de toegankelijkheid overal te verbeteren en zo de verschillen tussen regio’s te
verkleinen. Daarom is één van de vijf hoofdtaken van een RESV het regionaal organiseren
van capaciteit en toegankelijkheid in de eerstelijnszorg. Dat vraagt voor iedere regio
een verschillende inzet, die zich passend verhoudt tot de betreffende zorgvraag en
het beschikbare aanbod. Afhankelijk van de uitdagingen in de regio zal een RESV in
de regio meer of minder inzet leveren op deze hoofdtaak. Deze vrijheid wordt aan regio’s
geboden, gebaseerd op regiobeelden en regioplannen die iedere regio heeft opgesteld.
De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden van de brief en
bijlagen inzake CW3.1 kaders voor AZWA-onderdelen. Zij willen hierover nog enkele
vragen stellen.
Met betrekking tot het doel aanpak van zorgfraude: op basis waarvan zijn deze bedragen
vastgesteld? En op basis waarvan verwacht de Minister dat dit genoeg is? Zijn er als
dit nodig blijkt, mogelijkheden om dit te intensiveren?
De middelen voor de aanpak van zorgfraude vanuit het AZWA zijn gebaseerd op de beleidskeuzes,
zoals uitgewerkt in het CW3.1-kader. In dit kader wordt per maatregel inzicht gegeven
in de doelen, de beoogde inzet van instrumenten, de financiële gevolgen en de verwachte
doeltreffendheid en doelmatigheid. De beschikbare middelen dragen bij om de huidige
aanpak substantieel te versterken. Het betreft een samenhangend pakket van maatregelen,
waaronder versterking van toezicht, betere gegevensuitwisseling, uitbreiding van capaciteit
en met name een stevigere inzet op preventie, zoals het aanscherpen van toetsing aan
de voorkant.
Het kabinet investeert in maatregelen gericht op het voorkomen, signaleren en bestrijden
van zorgfraude, maar zet ook in op een bredere set aan hervormingen binnen het zorgstelsel
die bijdragen aan het vergroten van de weerbaarheid tegen fraude en oneigenlijk gebruik
van zorggeld. In het coalitieakkoord en de beleidsbrief van het Ministerie van VWS
zijn verschillende maatregelen aangekondigd die primair gericht zijn op het toegankelijk,
betaalbaar en houdbaar houden van de zorg. Al deze zaken dragen bij aan het verkleinen
van frauderisico’s. Tegelijkertijd geldt dat fraude in de zorg nooit volledig kan
worden voorkomen. In juni aanstaande volgt een uitgebreide Kamerbrief waarin wordt
ingegaan op deze zaken.
De aard van zorgfraude is complex en veranderlijk, en de effectiviteit van maatregelen
is afhankelijk van diverse gedragseffecten en samenwerking in de keten. Monitoring
en evaluatie van de ingezette maatregelen zijn daarbij relevant, zodat tijdig kan
worden bijgestuurd. Indien hieruit blijkt dat aanvullende inzet nodig en effectief
is, bestaan er mogelijkheden om de aanpak verder te intensiveren. Dit kan bijvoorbeeld
via herprioritering binnen de bestaande middelen.
Ten aanzien van de IC-Basiscapaciteit: op welke termijn wil de Minister meer duidelijkheid
hebben? Gezien de urgentie is een open einde immers niet gewenst.
Het kabinet is gestart met een verkenning naar wet- en regelgeving voor het vastleggen
van een basiscapaciteit van het aantal beschikbare IC-bedden.18 Om een zorgvuldige afweging te maken, wil het kabinet eerst met de veldpartijen in
gesprek over hoe zij het toekomstbestendig IC-landschap voor zich zien. Vertegenwoordigers
van ziekenhuizen, intensivisten, IC-verpleegkundigen, verzekeraars en patiënten zijn
vorige jaar gestart met een intensief traject om samen om landelijke kaders voor een
toekomstbestendig IC-landschap op te stellen. Een onderdeel van dit traject is het
zo goed mogelijk borgen van IC-beschikbaarheid in situaties met een hogere zorgvraag
zoals een pandemie.
Voor de zomer zullen zij het ministerie informeren over de voorlopige uitkomsten.
Het kabinet vindt het belangrijk om de uitkomsten van dit traject mee te wegen alvorens
wet- en regelgeving op te stellen. Het kabinet zal u voor de zomer informeren over
de uitkomsten van dit traject en de verkenning naar wet- en regelgeving.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken
en wachten de reactie van de Minister met belangstelling af.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier