Schriftelijke vragen : Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring (ingezonden 9 juni 2026).
Vraag 1
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden
voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Vraag 2
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks
ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Vraag 3
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving
voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde
strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Vraag 4
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust
door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving
beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks
maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten
strafzaken?
Vraag 6
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg
over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van
de opgelegde straffen zelf?
Vraag 7
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving
dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Vraag 8
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering
van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen
daders van ernstige delicten?
Vraag 9
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten
ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere
tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door
in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Vraag 10
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen
zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode
geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Vraag 11
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte
bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn
daarvan de uitkomsten?
Vraag 12
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak
slecht tot niet zijn onderbouwd?
Vraag 13
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige
doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 14
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens
het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Vraag 15
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en
het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om
bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 16
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen
zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient
te staan?
Vraag 17
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin
de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders
die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Vraag 18
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet
strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling,
rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Vraag 19
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en
richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter
aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 20
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke
lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming
van de samenleving en rechtszekerheid?
Vraag 21
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid
te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Vraag 22
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor
geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Indieners
-
Gericht aan
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Ingrid Coenradie, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.