Brief commissie : Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het wijzigen van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers
36 926 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het wijzigen van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers
Nr. 5
BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 4 juni 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke
commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 23 april 2026 besloten, gelet
op het dictum en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een
adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en enkele andere wetten in verband met het wijzigen van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers
(Kamerstuk 36 926). De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hierover geïnformeerd
met een brief van 23 april 2026 (2026Z08898).
Inhoud wetsvoorstel
Met dit wetsvoorstel beoogt de regering kleine en middelgrote werkgevers wendbaarder
te maken door hen sneller duidelijkheid te bieden over wanneer een zieke werknemer
kan worden vervangen. Concreet wordt voorgesteld dat kleine en middelgrote werkgevers1 zich voortaan – onder voorwaarden – vanaf de start van het tweede ziektejaar van
een zieke werknemer volledig kunnen richten op de re-integratie van deze werknemer
bij een andere werkgever, in plaats van zich te richten op re-integratie bij de eigen werkgever.
Het wetsvoorstel biedt werkgevers en werknemers de ruimte om dit gezamenlijk overeen
te komen.2 Wanneer de werknemer niet instemt met een voorstel hiertoe van de werkgever, kan
de werkgever in de 42e ziekteweek een verzoek bij het UWV indienen om de re-integratie bij de eigen organisatie
af te sluiten.3
Onder de huidige regels geldt – kort samengevat – dat wanneer een werknemer ziek wordt,
de werkgever en werknemer gedurende een periode van twee jaar jegens elkaar re-integratieverplichtingen
hebben. Voor werkgevers geldt dat zij zich moeten inspannen om binnen de eigen organisatie
passende arbeid voor de zieke werknemer te vinden (het zogenaamde «eerste spoor»).
Wanneer dit niet mogelijk is, dient er te worden gekeken naar passende arbeid bij
een andere werkgever («tweede spoor»). Voor de werknemer geldt dat deze verplicht
is mee te werken aan de re-integratie. In de praktijk kunnen de twee sporen parallel
lopen. Gedurende de re-integratieperiode kan de arbeidsovereenkomst niet worden opgezegd
en geldt een loondoorbetalingsplicht. Werkgevers kunnen zich voor deze kosten verzekeren,
maar uit onderzoek blijkt volgens de regering dat relatief veel werkgevers hiermee
worstelen en aangeven lang in onzekerheid te verkeren over de vraag wanneer een zieke
werknemer kan worden vervangen.4 Door het wetsvoorstel wordt het mogelijk om de re-integratie in het eerste spoor
na een jaar af te sluiten, waardoor kleine en middelgrote werkgevers eerder weten
of een zieke werknemer terugkeert of niet. De loondoorbetalingsplicht blijft daarbij
ongewijzigd gelden voor de duur van twee jaar.
Grondrechtelijke en constitutionele aspecten van het wetsvoorstel
Omdat niet valt uit te sluiten dat het wetsvoorstel in het bijzonder gevolgen heeft
voor personen met een handicap5, raakt het wetsvoorstel aan het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
handicap (VN-verdrag Handicap) en het recht op gelijke behandeling, dat in dit verdrag
een centrale rol speelt.6 Ook in artikel 1 van de Grondwet is het recht op gelijke behandeling voor personen
met een handicap vastgelegd.7 Het doel van het VN-verdrag Handicap is het bevorderen van de gelijkwaardige deelname
van personen met een beperking aan de samenleving.8 In dit kader bevat het verdrag onder meer een verbod op het maken van direct en indirect
onderscheid9, een bepaling over de gelijkwaardige toegang tot het arbeidsproces en carrièremogelijkheden10 en een bepaling over het recht op effectieve toegang tot de rechter11.
Omdat het UWV voor de uitvoering van het wetsvoorstel (bijzondere) persoonsgegevens
verwerkt – zoals gegevens over de gezondheid van werknemers – raakt het wetsvoorstel
ook aan het recht op bescherming van persoonsgegevens. Dit recht is onder meer opgenomen
in de Grondwet en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).12 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bevat nadere regels over de omgang
met persoonsgegevens. Hieruit volgt onder meer dat er passende waarborgen moeten worden
getroffen om de rechten van burgers te beschermen wanneer er bijzondere persoonsgegevens
worden verwerkt.13
Mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor personen met een handicap
Het College voor de Rechten van de Mens (het College) merkt op dat niet valt uit te
sluiten dat het wetsvoorstel zal leiden tot indirecte discriminatie van personen met
een handicap. Hiervan is sprake wanneer een ogenschijnlijk neutrale wettelijke bepaling
een specifieke groep in het bijzonder treft. In dit geval valt volgens het College
niet uit te sluiten dat een relatief groot deel van de werknemers voor wie op basis
van het wetsvoorstel na het eerste ziektejaar de re-integratie bij de eigen werkgever
wordt afgesloten, personen met een beperking zijn. Het College wijst erop dat dit
ingrijpende gevolgen kan hebben, omdat het streven naar re-integratie bij een andere
werkgever in de praktijk minder vaak succesvol is. Dit betekent dat werknemers in
het zogenaamde tweede spoor een grotere kans lopen om in de WIA in te stromen. Ook
de Raad van State wijst erop dat werknemers waarbij de re-integratie in het eerste
spoor wordt afgesloten, een grotere kans lopen om in de WIA in te stromen.14
Het College merkt op dat het maken van indirect onderscheid alleen geoorloofd is wanneer
dit gebeurt met oog op een legitiem doel. Daarbij moet de desbetreffende maatregel
passend, noodzakelijk en proportioneel zijn.15 Ook wijst het College op het belang van toegankelijke rechtsbescherming in de bestuurlijke
(bezwaar)procedure voor personen met een handicap.16 Het College adviseert de regering om in de memorie van toelichting nader toe te lichten
hoe het wetsvoorstel zich tot dit kader verhoudt.
In reactie op het advies van het College merkt de regering op dat inderdaad niet valt
uit te sluiten dat personen met een handicap een relatief groot aandeel hebben in
de groep werknemers voor wie de re-integratie bij de eigen werkgever na een jaar wordt
afgesloten. Omdat de re-integratie in het tweede spoor minder vaak succesvol is, verwacht
de regering onder deze groep een stijgende instroom in de WIA.17 De regering erkent dat niet valt uit te sluiten dat er indirect onderscheid wordt
gemaakt, maar licht toe dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat: het wetsvoorstel
dient een legitiem doel en de voorgestelde maatregelen zijn volgens de regering passend
en noodzakelijk om dat doel te bereiken. Dit heeft de regering naar aanleiding van
het advies van het College nader onderbouwd in de memorie van toelichting. Zo legt
de regering uit dat kleine en middelgrote werkgevers te maken hebben met specifieke
uitdagingen wanneer een werknemer langdurig ziek wordt, waardoor het nodig is om juist
voor deze groep werkgevers maatregelen te treffen.18 Bij het uitwerken van de maatregelen heeft de regering nadrukkelijk rekening gehouden
met de belangen van werknemers, waaronder werknemers met een handicap. Zo heeft de
regering ervoor gekozen geen wijzigingen aan te brengen in de loondoorbetalingsplicht
voor werkgevers, waardoor deze voor de duur van twee jaar blijft gelden. Ook voert
het UWV een zorgvuldige toets uit wanneer de werkgever verzoekt de re-integratie in
het eerste spoor af te sluiten en treft de regering maatregelen om het re-integratieproces
te stimuleren.19 Wat betreft de rechtsbescherming merkt de regering op dat dit gewaarborgd is doordat
werkgevers en werknemers zich kunnen wenden tot de kantonrechter. De regering heeft
ervoor gekozen om de bestuurlijke bezwaar- en beroepsprocedure ten aanzien van besluiten
van het UWV uit te sluiten, om zo te voorkomen dat er een complexe samenloop tussen
verschillende procedures ontstaat.
De tijdelijke commissie merkt op dat de regering in de aangevulde memorie van toelichting
specifiek ingaat op de positie van personen met een handicap en de verhouding van
het wetsvoorstel tot het recht op gelijke behandeling voor deze groep, zoals onder
meer besloten ligt in het VN-verdrag Handicap. In dit licht merkt de tijdelijke commissie
op dat het voor een zorgvuldige weging van het wetsvoorstel nog van toegevoegde waarde
zou zijn om een duidelijker beeld te krijgen in hoeverre personen met een handicap
naar verwachting concreet méér dan andere groepen werknemers te maken krijgen met
de gevolgen van het wetsvoorstel.20 Op die manier wordt het nog beter mogelijk om inzicht te krijgen in de verwachte
gevolgen van het wetsvoorstel voor verschillende groepen werknemers.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om de regering te vragen nader te concretiseren
in hoeverre het wetsvoorstel raakt aan de positie van werknemers met een handicap
op de arbeidsmarkt, en om daarbij aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre deze
groep naar verwachting meer de gevolgen van het wetsvoorstel zal ervaren dan andere
groepen werknemers.
Wat betreft de rechtsbescherming benadrukt de tijdelijke commissie dat de regering
met de keuze voor het openstellen van de procedure bij de kantonrechter voorziet in
onafhankelijke rechtsbescherming voor zowel werkgevers als werknemers.21 Daarbij merkt de tijdelijke commissie op dat het, in het licht van het VN-verdrag
Handicap, nog van toegevoegde waarde zou zijn om meer inzicht te krijgen in de verschillen
tussen de bestuurlijke bezwaar- en beroepsprocedure enerzijds en de procedure bij
de kantonrechter anderzijds. In dit verband wijst de tijdelijke commissie erop dat
de regering in de memorie van toelichting aangeeft dat de bestuurlijke bezwaar- en
beroepsprocedure een relatief laagdrempelig rechtsmiddel is, zeker voor zieke werknemers
en kleine werkgevers.22 Voor de procedure bij de kantonrechter geldt dat hier naar verwachting minder gebruik
van zal worden gemaakt.23 Het UWV merkt over de procedure bij de kantonrechter op dat dit voor zieke werknemers
extra belastend en een hoge drempel kan zijn.24 Dit roept de vraag op in hoeverre de keuze om de bestuurlijke bezwaar- en beroepsprocedure
uit te sluiten gevolgen heeft voor de toegankelijkheid van de rechtsbescherming in
het licht van het VN-verdrag Handicap. Voor het wegen van de verschillende belangen
zou het van toegevoegde waarde zijn wanneer de regering dit punt nog betrekt in de
toets aan het VN-verdrag Handicap, die de regering naar aanleiding van het advies
van het College heeft uitgevoerd.
Ook adviseert de tijdelijke commissie de leden om de regering te vragen om te reflecteren
op de verschillen tussen de procedure bij de kantonrechter en de bestuurlijke bezwaar-
en beroepsprocedure in het licht van (toegankelijke) rechtsbescherming voor werknemers
met een handicap.
De bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens over de gezondheid
Bij de uitvoering van het wetsvoorstel verwerkt het UWV bijzondere persoonsgegevens,
zoals gegevens over de gezondheid van werknemers. De Raad van State merkt op dat uit
de AVG volgt dat deze gegevens niet langer mogen worden verwerkt dan noodzakelijk
is, maar dat het wetsvoorstel geen bewaartermijn voor deze gegevens bevat. Ook uit
de toelichting blijkt niet hoe lang deze gegevens worden bewaard. De Raad van State
adviseert om in de toelichting in te gaan op de bewaartermijn en adviseert om deze
termijn bij voorkeur in de wet op te nemen.
De tijdelijke commissie constateert dat de regering haar keuze om de bewaartermijn
in dit geval niet in het wetsvoorstel of de toelichting op te nemen naar aanleiding
van het advies van de Raad van State nader heeft gemotiveerd. Zo zet de regering uiteen
waarom het in dit geval – op basis van beleid25 – niet noodzakelijk wordt geacht om de bewaartermijn wettelijk vast te leggen. De
regering benadrukt dat het UWV deze termijn in eigen beleid zal vaststellen en wijst
erop dat het UWV hier de nodige ervaring mee heeft. Gezien deze nadere onderbouwing
heeft de tijdelijke commissie op dit punt geen verdere opmerkingen.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van
het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, griffier