Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van der Werf en Becker over het bericht 'Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen'
Vragen van de leden Van der Werf (D66) en Becker (VVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen» (ingezonden 26 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Ministers
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en van Asiel en Migratie (ontvangen 3 juni 2026).
Vraag 1
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers
van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
Antwoord 1
In december 2025 heeft uw Kamer de beleidsreactie op dit onderzoek ontvangen. Daarin
is benoemd dat zal worden verkend of en hoe preventieve beschermingsbevelen kunnen
worden mogelijk gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk
huisverbod waarin onder meer wordt bezien of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen
moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. De Kamer wordt
voor het einde van het jaar over de voortgang geïnformeerd.
Vraag 2
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel
in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer
wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
Antwoord 2
In het coalitieakkoord wordt de mogelijkheid tot een uitreisverbod bij risico op vrouwelijke
genitale verminking en huwelijksdwang benoemd. In de beleidsverkenning naar de preventieve
beschermingsbevelen wordt dit meegenomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag
1 is deze beleidsverkenning gestart en wordt de Kamer voor het einde van het jaar
geïnformeerd over de voortgang.
Vraag 3
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland
er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing
en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Antwoord 3
Tot op heden heeft er één vervolging plaatsgevonden, maar er zijn nog geen veroordelingen
voor vrouwelijke genitale verminking of het aanzetten daartoe. Uit diverse onderzoeken2 blijkt dat de daadwerkelijke handhaving en opsporing complex is, onder meer door
een gebrek aan concrete signalen en informatie over mogelijke dreiging.
Het overheidsbeleid richt zich met name op preventie en vroegtijdige signalering.
Het kabinet zet in op bewustwording, bescherming en het versterken van de samenwerking
tussen zorgprofessionals, politie en justitie om vrouwelijke genitale verminking te
voorkomen en sneller in te grijpen bij vermoedens van dreiging. Voorbeelden hiervan
zijn de meldcode eergerelateerd geweld, de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, de
e-learning voor professionals over deze geweldsvorm en diverse voorlichtingsactiviteiten
en campagnes.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld
omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen
neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Antwoord 4
Het is van belang dat ieder slachtoffer, ongeacht of zij de Nederlandse taal machtig
is of niet, passende hulp ontvangt. Het kabinet zet zich in om de toeleiding naar
hulpverlening te versterken en drempels richting passende ondersteuning en zorg te
verlagen. Daarbij wordt onder meer ingezet op de versterking van de brugfunctie van
sleutelpersonen binnen (gesloten) gemeenschappen.
Sleutelpersonen spelen een belangrijke rol bij het bereiken van mensen die de weg
naar zorg niet vanzelfsprekend weten te vinden. Zij kunnen signalen vroegtijdig opvangen,
bespreekbaar maken en toeleiden naar passende hulp. Het kabinet werkt op dit moment
al samen met organisaties die specifieke contacten en ingangen hebben bij deze gemeenschappen.
Deze organisaties zijn onderdeel van het Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken dat
met subsidie van het Ministerie van VWS door Pharos wordt georganiseerd. Het netwerk
zorgt voor het delen van informatie tussen relevantie organisaties en het versterken
van samenwerking. Ook de betrokken departementen maken onderdeel uit van dit netwerk.
Op deze manier wordt de inzet van sleutelpersonen, onder andere bij gemeenten en maatschappelijke
organisaties, verder ondersteund. Daarnaast bestaan er diverse maatschappelijke initiatieven
en organisaties die inzetten op het bereiken van deze doelgroepen, bijvoorbeeld Dokters
van de Wereld.
Vrouwen en meisjes die zijn besneden kunnen met fysieke, mentale en seksuele klachten
bijvoorbeeld naar de huisarts. De huisarts geeft reguliere zorg en kan doorverwijzen
naar een specialist indien nodig. Om goede zorg te leveren kan de inzet van professionele
tolk noodzakelijk zijn. Er zijn signalen bekend dat er knelpunten bestaan in de bekostiging
van deze tolken. Het Ministerie van VWS, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het
Zorginstituut werken op dit moment bekostigingsopties uit voor de inzet van tolken
in de huisartsenzorg en andere vormen van zorg. Daarnaast worden ook binnen de Jeugdgezondheidzorg
(JGZ) tolken ingezet indien nodig. De inzet van de JGZ is met name gericht op preventie;
zij voeren gesprekken met ouders, geven voorlichting en voeren bij toestemming medische
controles uit.
Dat vrouwen in asielzoekerscentra moeilijk hulp kunnen vinden is overigens niet een
signaal dat als zodanig blijkt uit het onderliggende onderzoek van Pharos of uit het
betreffende NRC-artikel.
Op of in de nabijheid van ieder asielzoekerscentrum is laagdrempelige toegang tot
medische zorg geregeld via de zogeheten gezondheidszorg asielzoekers (GZA). In deze
(huisartsen)praktijk is naast de huisarts ook een praktijkondersteuner voor geestelijke
gezondheidszorg aanwezig. Om de taalbarrière te slechten kunnen tolken worden ingezet
binnen de medische zorg voor asielzoekers maar ook door de medewerkers van het COA.
In het NRC-artikel komt overigens wel naar voren dat vrouwen in asielzoekerscentra
vaak nog in de overlevingsstand zitten waardoor ze soms nog niet toe zijn aan voorlichting
over besnijdenis. Dat is reden om niet enkel tijdens de fase van asielopvang aandacht
en voorlichting te bieden over dit vraagstuk, maar dit ook te laten doorlopen in de
latere fasen van het proces, bijvoorbeeld bij de inburgering en na gemeentelijke huisvesting.
Vraag 5
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij
huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze
groep wordt weggenomen?
Antwoord 5
De huisarts speelt een actieve rol in de vroegsignalering, aangezien de huisarts regelmatig
in contact is met uiteenlopende doelgroepen. Tijdens consulten kan de huisarts signalen
opvangen die wijzen op mogelijke onveiligheid. Huisartsen zijn verplicht te werken
volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin specifieke stappen
voor handelen bij vermoedens van huiselijk geweld zijn vastgelegd. Ook andere zorgprofessionals,
waaronder artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams, vallen
onder de Wet verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Zij zijn
verplicht de meldcode toe te passen en te handelen volgens de vijf stappen. Beroepsgroepen
werken met eigen afwegingskaders, gebaseerd op het landelijke basismodel, die ondersteunen
bij de afweging om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Om kennis en vaardigheden te vergroten wordt ingezet op deskundigheidsbevordering
via opleidingen en trainingen, richtlijnen en handreikingen. Het verminderen van handelingsverlegenheid
is daarbij een groot aandachtspunt. Professionals worden ondersteund met concrete
handvatten voor signalering, gespreksvoering en het maken van afwegingen met aandacht
voor cultuursensitief werken. Daarnaast worden professionals gestimuleerd om tijdig
te overleggen en te consulteren, bijvoorbeeld met Veilig Thuis, zodat professionals
zich gesteund voelen en eerder tot handelen overgaan bij vermoedens van onveiligheid.
Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen werkt Pharos aan opleidingsmateriaal
over vrouwelijke genitale verminking dat kan worden meegenomen in de beroepsopleiding.
Voor de jeugdgezondheidszorg wordt een vernieuwde richtlijnmodule ontwikkeld die professionals
handvatten biedt bij de gespreksvoering en registratie in geval van (vermoedens van)
vrouwelijke genitale verminking. Daarnaast werkt het kabinet aan een verkenning voor
een adviesplicht, waarbij meldcodeplichtige professionals verplicht advies zouden
moeten vragen als zij vermoedens hebben van huiselijk geweld, waaronder vrouwelijke
genitale verminking.
Dit jaar is voor onderwijsprofessionals extra scholingsaanbod georganiseerd door de
Landelijke Vereniging van Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling, in samenwerking
met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Hierin is specifiek aandacht voor
het werk van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze bijeenkomsten vinden
door het hele land plaats en zijn gratis toegankelijk voor professionals uit het onderwijs.
In het verleden is er voor het onderwijs een specifiek handelingskader opgesteld gericht
op goed gebruik van de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. OCW besteedt
zelf geregeld aandacht aan alertheid op signalen via nieuwsbrieven gericht op scholen
in het primair en voortgezet onderwijs.
Vraag 6
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale
verminking?
Antwoord 6
Het onderwerp vrouwelijke genitale verminking heeft binnen het beleid onverminderd
de aandacht. Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de aanpak van schadelijke praktijken
en de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt uw Kamer jaarlijks
middels een integrale voortgangsbrief geïnformeerd over de voortgang, ook over de
voortgang van de aanpak van genitale verminking.
Vraag 7
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke
Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke
genitale verminking?
Antwoord 7
Omdat de grenswachter aandacht moet hebben voor meerdere vormen van grensgerelateerde
criminaliteit, is het initiatief genomen om een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon
te ontwikkelen die snel toegang geeft tot de indicatoren, waaronder die van vrouwelijke
genitale verminking. Ook wordt er in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens
gewerkt aan een uitbreiding van de beschikbare gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling.
Inzicht in de gezinssamenstelling kan een bijdrage leveren bij het onderkennen van
indicatoren die onder andere gerelateerd kunnen worden aan vrouwelijke genitale verminking.
Hier wordt nog steeds aan gewerkt.
Vraag 8
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes
tegen vrouwelijke genitale verminking?
Antwoord 8
Ja. Het kabinet werkt in overleg met Schiphol aan een campagne gericht op potentiële
slachtoffers van huwelijksdwang, achterlating, vrouwelijke genitale verminking en
mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te
reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde
risico’s. De afgelopen maanden hebben we samen met veldorganisaties gekeken naar de
opvolging door de KMar, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en
zorg (via Veilig Thuis). We werken op dit moment de campagne(uitingen) verder uit.
De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Vraag 9
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in
het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker
op 22 mei 2025?
Antwoord 9
Deze verkenning is uitgevoerd door het vorige kabinet, om inzichten uit de praktijk
op te halen voor eventuele nieuwe acties binnen de aanpak van schadelijke praktijken.
Tegen die achtergrond is middels een expertsessie gekeken naar knelpunten in de aanpak,
de behoeften van partijen in het veld en effectieve interventies. Deze verkenning
heeft waardevolle inzichten opgeleverd, waaronder het belang van de inzet van sleutelpersonen
en de noodzaak van een samenhangende interdepartementale aanpak. Deze inzichten worden
binnen het huidig beschikbare financiële kader meegenomen in lopende of nog op te
starten projecten en subsidies, onder meer gericht op het versterken van de samenwerking
tussen betrokken partijen, het bevorderen van deskundigheid en het beter benutten
van bestaande initiatieven.
De inzichten over de aanpak van vrouwelijke genitale verminking (en andere vormen
van geweld zoals huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld) zullen ook
worden meegenomen in het nog op te stellen Nationaal Actieplan Geweld tegen vrouwen
en Huiselijk Geweld.
Vraag 10
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar
kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
Antwoord 10
Momenteel is het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale
verminking in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden
aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers
sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen
wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes
om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr).
In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel
ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk
geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte
termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat
een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere
om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt
om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee
wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda
van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25,
29 279, nr. 9619), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9). Hierdoor worden ook degenen die vrouwen of meisjes – ook zonder dat sprake
is van dwang – (proberen) over te halen om zich te onderwerpen aan vrouwelijke genitale
verminking, strafbaar.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.