Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over reactie op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen (Kamerstuk 29282-626)
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 634 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
over de brief van 23 april 2026 inzake reactie op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan
en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen (Kamerstuk 29 282, nr. 626).
De vragen en opmerkingen zijn op 18 mei 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
7
II.
Reactie van de Minister
10
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben op dit moment
geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de NVSHA over het
Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen. Zij hebben op dit moment
geen verdere vragen en kijken er naar uit om dit verder te bespreken in het notaoverleg
arbeidsmarktbeleid in de zorg gepland op 8 juni 2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake reactie
op advies van het Capaciteitsorgaan rondom de opleidingsplaatsen. Zij hebben nog wel
enkele vragen en opmerkingen over deze brief.
In de brief lezen deze leden dat er «richtinggevende instructies» zijn gemaakt op
het aantal instroomplaatsen voor 2027. Kan nader worden toegelicht waarom er op 50
opleidingsplaatsen is ingezet in plaats van 60, zoals geadviseerd door het adviesorgaan?
Wat zijn de implicaties voor het personeelstekort als er 50 opleidingsplaatsen worden
gehonoreerd? En wat zijn de daarmee samenhangende gevolgen voor het eventueel moeten
sluiten van SEH’s?
Genoemde leden lezen dat «het kabinet niet vooruit kan lopen op de budgettaire besluitvorming,
zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders.» Kan worden toegelicht
hoeveel extra budgettaire ruimte nodig is om deze extra 10 opleidingsplekken mogelijk
te maken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen aan de Minister.
Op welk moment vindt budgettaire besluitvorming plaats? Waarom is hier niet reeds
over besloten bij Voorjaarsnota? Hoe wordt voorkomen dat de huidige gang van zaken
leidt tot onduidelijkheid of onzekerheid bij artsen die zich willen aanmelden voor
een SEH-opleiding?
Zijn er consequenties te verwachten nu Stichting Bols een start heeft moeten maken
met toewijzingsjaar 2027 op basis van de huidige financiële kaders? Kan verwacht worden
dat indien de Minister het advies van het Capaciteitsorgaan volgt en niet te veel
tijd verloren is gegaan, om toewijzingsjaar 2027 in te richten op basis van het nieuwe
aantal opleidingsplaatsen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op de
brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben op dit moment geen aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen over het Capaciteitsorgaan
en de opleidingsplaatsen voor SEH-artsen.
Deze leden constateren dat de Minister aangeeft dat er nog geen besluit is genomen
over het aantal instroomplaatsen voor 2027. Ook schrijft de Minister dat de integrale
kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan nog wordt voorbereid en dat
de Kamer daarover in mei 2026 zal worden geïnformeerd. De leden van de JA21-fractie
vragen de Minister om bij deze besluitvorming het advies van het Capaciteitsorgaan
zwaarwegend te laten zijn en dit advies, waar het gaat om de benodigde opleidingscapaciteit,
op te volgen.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister daarbij niet alleen te kijken naar
SEH-artsen, maar ook naar andere medisch specialismen waar tekorten dreigen, zoals
neurologen. Indien de Minister voornemens is om af te wijken van de ramingen, vragen
deze leden aan de Minister om dan gemotiveerd aan te geven waarom dat verantwoord
zou zijn in het licht van de toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister specifiek in te gaan op de situatie
rond SEH-artsen. Klopt het dat er veel belangstelling is voor de opleiding tot SEH-arts
en dat er meer geschikte kandidaten zijn dan beschikbare opleidingsplaatsen? Zo ja,
deelt de Minister de opvatting dat dit juist een argument is om voldoende opleidingsplaatsen
beschikbaar te stellen, zeker nu de acute zorg onder druk staat?
Deze leden benadrukken dat acute zorg wezenlijk verschilt van planbare zorg. Patiënten
kiezen bij acute zorg niet zelf naar welk ziekenhuis zij gaan. Het is daarom van groot
belang dat patiënten in acute situaties snel terecht kunnen in een ziekenhuis waar
voldoende deskundige SEH-artsen beschikbaar zijn. Bovendien wordt een diagnose vaak
pas op de spoedeisende hulp gesteld.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of zij deelt dat juist om deze reden
in alle ziekenhuizen voldoende SEH-artsen beschikbaar moeten zijn.
Ook vragen genoemde leden of de Minister erkent dat de samenwerking tussen de SEH-arts
en de huisarts essentieel is voor zowel de kwaliteit als de betaalbaarheid van de
acute zorg. Hoe wordt deze samenwerking betrokken bij de besluitvorming over opleidingsplaatsen
en de spreiding van SEH-artsen over het land?
De leden van de JA21-fractie vinden het van belang dat de kwaliteit van acute zorg
overal in Nederland gelijkwaardig is. Kan de Minister aangeven hoe zij voorkomt dat
regionale verschillen ontstaan doordat sommige ziekenhuizen wel voldoende SEH-artsen
kunnen aantrekken en andere ziekenhuizen niet? Welke analyse heeft de Minister gemaakt
van de oorzaken waardoor sommige ziekenhuizen kampen met tekorten aan SEH-artsen,
terwijl andere ziekenhuizen hierin beter slagen?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de Minister bereid is goede voorbeelden
van regionale samenwerking nadrukkelijker te betrekken bij het beleid. Deze leden
wijzen daarbij onder meer op samenwerkingen zoals Alkmaar-Den Helder, Venlo-Roermond
en Goes. Welke lessen trekt de Minister uit dergelijke voorbeelden en hoe kunnen deze
bijdragen aan een betere spreiding, beschikbaarheid en continuïteit van SEH-artsen
in alle regio’s?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulpartsen (NVSHA) over de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen. Deze leden zien de problemen rondom de opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen als opvallende casus binnen het grotere vraagstuk van de opleidingsplaatsen
voor meerdere groepen specialisten. Zij maken zich grote zorgen over de signalen vanuit
de praktijk over steeds verder oplopende werkdruk, personeelstekorten en de druk op
de toegankelijkheid van de acute zorg. Zij willen de Minister hierover de volgende
vragen voorleggen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het Capaciteitsorgaan in de meest recente
raming expliciet adviseert om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen fors uit
te breiden, van 40 naar 60 plaatsen per jaar. Deze leden constateren dat dit advies
niet lichtvaardig tot stand komt, maar gebaseerd is op onafhankelijke analyses van
toekomstige zorgvraag, uitstroom, vergrijzing, arbeidsmarktontwikkelingen en signalen
uit de praktijk over de oplopende druk op de acute zorg.
De leden van de BBB-fractie merken daarnaast op dat adviezen van het Capaciteitsorgaan
in eerdere jaren veel gewicht kregen bij besluiten over het aantal opleidingsplaatsen
binnen medische vervolgopleidingen, ook wanneer deze adviezen leidden tot een verlaging
van de instroom. Deze leden vinden het daarom opvallend dat nu, bij een dringend advies
om de instroom van SEH-artsen fors te verhogen vanwege oplopende tekorten en toenemende
druk op de acute zorg, wel nadrukkelijk wordt gewezen op financiële kaders en terughoudendheid.
Kan de Minister toelichten waarom het advies van het Capaciteitsorgaan in dit geval
niet zonder meer leidend lijkt te zijn? Welke omstandigheden maken volgens de Minister
dat nu mogelijk van het advies wordt afgeweken? Kan de Minister daarnaast aangeven
of de regio hierbij disproportioneel geraakt wordt?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister het met hen eens is dat
juist in een sector waar sprake is van hoge werkdruk, groeiende personeelstekorten
en toenemende druk op de toegankelijkheid van zorg, terughoudendheid bij het opleiden
van extra zorgprofessionals moeilijk uitlegbaar is. Hoe voorkomt de Minister dat op
korte termijn wordt bespaard op opleidingscapaciteit, terwijl dit op langere termijn
juist kan leiden tot grotere tekorten en hogere maatschappelijke kosten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de NVSHA waarschuwt voor een structureel en
fors tekort aan SEH-artsen, terwijl de druk op de spoedeisende hulp steeds verder
toeneemt door vergrijzing, complexere zorgvragen, problemen in de doorstroming binnen
ziekenhuizen en personeelstekorten elders in de keten. Deelt de Minister de opvatting
van deze leden dat juist op de spoedeisende hulp voldoende personeel van levensbelang
is voor patiënten en voor de veiligheid en houdbaarheid van de acute zorg? De leden
van de BBB-fractie lezen daarnaast dat de NVSHA spreekt over «verborgen vacatures»,
omdat ziekenhuizen uit financiële of strategische overwegingen niet alle openstaande
vacatures tegelijk publiceren. Daarnaast maken deze leden zich zorgen over de aankomende
pensioengolf. Kan de Minister concreet toelichten op welke wijze dit signaal wordt
meegenomen in de beoordeling van de benodigde opleidingscapaciteit? Is de Minister
bereid hierover aanvullend in gesprek te gaan met de NVSHA en het Capaciteitsorgaan,
zodat tekorten niet structureel worden onderschat?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de NVSHA aangeeft dat er momenteel sprake
zou zijn van een tekort van circa 300 opgeleide SEH-artsen. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse? Acht de Minister het wenselijk dat SEH-afdelingen structureel draaien
op minimale bezetting, zonder ruimte voor ziekte, zwangerschap, scholing of uitval?
Hoe verhoudt dit zich volgens de Minister tot duurzame inzetbaarheid en het voorkomen
van burn-outs of uitstroom naar andere beroepen onder zorgprofessionals?
De leden van de BBB-fractie maken zich ernstig zorgen over de hoge werkdruk onder
SEH-artsen. Nu al behoren SEH-artsen internationaal tot de beroepsgroepen met de hoogste
druk en belasting, mede vanwege de onregelmatige diensten en de voortdurende acute
verantwoordelijkheid. Deelt de Minister de opvatting van de leden van de BBB-fractie
dat het onverstandig is om uitsluitend te sturen op «zo krap mogelijk roosteren»,
terwijl dit juist kan leiden tot extra uitval, hogere werkdruk en uiteindelijk nog
grotere personeelstekorten?
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat er ondanks de hoge werkdruk toch voldoende
belangstelling bestaat onder sollicitanten voor de opleiding of omscholing tot SEH-arts
en dat er voldoende opleidingscapaciteit is bij opleidingsziekenhuizen. De opleiding
tot SEH-arts is daarnaast relatief kort. Kan de Minister toelichten waarom in een
sector met zulke grote tekorten en zulke hoge druk dan niet maximaal wordt ingezet
op uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen? En wat doet de Minister om omscholing
voor andere specialisten naar SEH-arts te bevorderen?
De leden van de BBB-fractie begrijpen uit de beantwoording van eerdere Kamervragen
dat het kabinet niet vooruit wil lopen op budgettaire besluitvorming. Deze leden vragen
de Minister echter of zij het met hen eens is dat financiële kaders nooit leidend
mogen zijn boven de toegankelijkheid en veiligheid van acute zorg. Hoe weegt de Minister
het risico mee dat onvoldoende opleidingsplaatsen nu zullen leiden tot grotere personeelstekorten,
meer SEH-noodstops, sluiting of afbouw van ziekenhuizen of afdelingen en hogere maatschappelijke
kosten in de toekomst?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister verwijst naar het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord (AZWA), regionale samenwerking en technologische innovaties. Deze
leden erkennen dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen, maar constateren tegelijkertijd
dat technologie geen extra arts aan het bed zet wanneer de SEH overvol raakt. Deelt
de Minister de opvatting dat voldoende goed opgeleide zorgprofessionals uiteindelijk
de basis vormen van een toegankelijke acute zorgketen? Deelt zij ook de opvatting
dat technologische innovaties dus geen reden kunnen zijn om minder artsen op te leiden?
Zo nee, waarom niet?
Voor de leden van de BBB-fractie is de symbiose tussen huisarts en SEH-arts ook erg
belangrijk voor de kwaliteit en betaalbaarheid van ons systeem. Nederland heeft een
mooi en uniek systeem waarbij patiënten meestal eerst langs de huisarts gaan voor
ze naar de SEH gaan. Voor de huisarts is de SEH-arts een belangrijk contact binnen
het ziekenhuis, terwijl de SEH-arts veel heeft aan de huisarts dichterbij. Internationaal
onderzoek wijst erop dat het vertrek van SEH-artsen grote gevolgen heeft voor huisartsen
en leidt tot zorgwoestijnen. Op welke manier houdt de Minister rekening met deze symbiose
bij de besluitvorming rondom opleidingsplaatsen?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het met deze leden
eens is dat SEH-artsen een cruciale rol vervullen binnen de acute zorgketen en dat
voorkomen moet worden dat deze beroepsgroep overvraagd raakt. Welke concrete maatregelen
neemt de Minister specifiek om de duurzame inzetbaarheid van SEH-artsen te verbeteren
en uitstroom van artsen te voorkomen?
Steeds vaker is sprake van SEH-noodstops (een tijdelijke presentatiestop). Kan de
Minister aangeven hoe vaak dit momenteel voorkomt, hoe deze cijfers zich ontwikkelen
en in hoeverre personeelstekorten hierbij een rol spelen? Acht de Minister het risico
reëel dat SEH’s in de komende jaren vaker tijdelijk moeten afschalen indien de instroom
van nieuwe SEH-artsen onvoldoende groeit? Hoe beoordeelt de Minister voorts aan de
signalen vanuit de NVSHA dat steeds meer SEH’s werken met minimale bezetting, terwijl
de zorgvraag juist complexer wordt. Deelt de Minister de zorg dat dit uiteindelijk
ten koste kan gaan van kwaliteit, veiligheid en werkplezier?
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de spoedeisende hulp een cruciaal onderdeel
vormt van de levensvatbaarheid van regionale ziekenhuizen en van de bereikbaarheid
van acute zorg in de regio. Deze leden wijzen erop dat de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ) recent nog kritisch was op nieuwe alternatieve verschijningsvormen
van acute zorg en dat bovendien recent een nieuw kwaliteitskader voor de acute zorg
is vastgesteld. Is de Minister het met de leden van de BBB-fractie eens dat het sluiten,
afbouwen of verschralen van SEH’s nooit het gevolg mag zijn van een tekort aan opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen? Hoe voorkomt de Minister dat door een gebrek aan voldoende opleidingscapaciteit
uiteindelijk wordt getornd aan de scope, kwaliteit en continuïteit van de spoedeisende
hulp, juist in regionale ziekenhuizen en regio’s waar de druk op de bereikbaarheid
van zorg al groot is? Hoe kijkt de Minister in dat licht naar ontwikkelingen in onder
meer Denemarken, waar juist weer meer wordt ingezet op regionale spreiding van acute
zorg in plaats van verdere concentratie, mede omdat dit helpt om personeel beter te
behouden en aan te trekken. Welke lessen trekt de Minister uit deze ontwikkeling voor
de toekomst van de acute zorg in Nederland?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het ermee eens is
dat acute zorg meer moet zijn dan enkel een voorziening «waar je terecht kan als je
van een keukentrap gevallen bent, met een net te diepe snijwond of met pijn rechtsonder
in je buik» (SIRM, 2026). Hoe borgt de Minister dat regionale SEH’s ook in de toekomst
voldoende capaciteit, deskundigheid en breedte behouden om complexe acute zorg te
kunnen blijven leveren?
Voorts vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de samenhang ziet tussen
het tekort aan SEH-artsen en het tekort aan SEH-verpleegkundigen. In hoeverre versterken
deze tekorten elkaar op de werkvloer, bijvoorbeeld in termen van werkdruk, roosterproblemen
en risico op uitval? Welke integrale aanpak kiest de Minister om beide tekorten tegelijkertijd
aan te pakken?
Vaak zijn SEH-artsen veel tijd kwijt aan het organiseren van uitstroom van patiënten
naar andere afdelingen en instanties. De leden van BBB-fractie hebben het kabinet
eerder verzocht aan te geven welke instrumenten worden ingezet om de uitstroom te
verhogen. Daarop reageerde het kabinet vooral met middelen die de instroom beperken.
Kan de Minister daarom aangeven welke maatregelen specifiek worden genomen om uitstroom
van de SEH te bevorderen?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister bereid is om, mede gelet
op de signalen vanuit het veld, het advies van het Capaciteitsorgaan over substantiële
uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen alsnog volledig over
te nemen. Indien de Minister daartoe niet bereid is, kan zij dan concreet aangeven
welke gevolgen zij acceptabel acht voor de werkdruk, toegankelijkheid en continuïteit
en kwaliteit van de acute zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister
op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Vragen inzake het thema 1 «Het advies van het Capaciteitsorgaan: onderbouwing en opvolging».
Deze leden zijn tevreden dat de Minister de opmerkingen over de absorptiecapaciteit
heeft aangepast voor wat betreft de SEH-artsen. De Minister geeft aan dat de NVSHA
«overtuigend heeft aangetoond dat er onder SEH-artsen meer sollicitanten dan opleidingsplaatsen
zijn». Kan de Minister aangeven of er ook sectoren zijn waar het aantal opleidingsplaatsen
groter is dan het aantal aanmeldingen of succesvolle sollicitaties?
Deze leden hechten sterk aan de objectiviteit van het Capaciteitsorgaan, ondanks het
feit dat hun schattingen wat deze leden betreft jarenlang te laag waren. Nu het advies
niet of wellicht niet overgenomen wordt proberen deze leden het advies en de opvolging
te doorgronden. Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording1 het ramingsmodel beschrijft als een samenstel van factoren – waaronder demografie,
zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit – maar daarbij niet
specifiek ingaat op de verwerking van verborgen vacatures. Kan de Minister daarom
alsnog concreet aangeven op welke manier het Capaciteitsorgaan verborgen vacatures
meeneemt en in hoeverre dit bij eerdere adviezen het geval was?
Kan de Minister aangeven in hoeverre het huidige advies rekening houdt met de vergrijzing
van patiënten en hoeveel SEH-artsen nodig zijn om in dit scenario te voldoen? Kan
de Minister aangeven of op basis van het huidige advies de vergrijzing en pensioen
van SEH-artsen voldoende wordt gecoverd? En kan de Minister aangeven of er meer SEH-artsen
nodig zijn in het kader van weerbaarheid en defensie? En kan de Minister aangeven
op welke manieren deze redeneringen zijn meegenomen in het BOLS-advies?
Deze leden constateren dat de Minister enerzijds aangeeft niet vooruit te kunnen lopen
op de budgettaire besluitvorming, terwijl VWS anderzijds aan Stichting BOLS reeds
richtinggevende instructies voor het toewijzingsjaar 2027 heeft gegeven die uitdrukkelijk
zijn gericht op de huidige financiële kaders. Kan de Minister bevestigen dat het aantal
opleidingsplaatsen voor SEH-artsen voor 2027 daarmee feitelijk reeds door de bestaande
financiële kaders wordt begrensd, nog voordat de Kamer de kabinetsreactie op de ramingen
heeft ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt dat de zorginhoudelijke
raming van het Capaciteitsorgaan leidend is?
Deze leden constateren voorts dat de Minister het oplopende tekort vooral beantwoordt
met brede arbeidsmarktafspraken, zoals het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en
het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, die zien op het totale personeelstekort in zorg
en welzijn. Kan de Minister aangeven welke maatregelen specifiek zijn gericht op de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen, los van deze brede akkoorden?
De Kamer wordt door de Minister in het tweede kwartaal van dit jaar geïnformeerd over
de ramingen van het Capaciteitsorgaan over het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
voor de periode 2027 tot 2030. Kan hierin ook duidelijk gemaakt worden hoe de verdeling
tussen civiel en militair voor deze jaren eruitziet? Zo nee, waarom niet? Kan deze
verdeling ook meegenomen worden in de integrale reactie op de ramingen die op dit
moment wordt voorbereid?
Vragen inzake het thema 2 «Opleidingsplaatsen via het Instituut Samenwerking Defensie
en Relatieziekenhuizen (IDR)». Genoemde leden hebben een aantal vragen over het Instituut
Samenwerking Defensie en Relatieziekenhuizen (IDR). Het IDR verbindt de Nederlandse
krijgsmacht met veertien civiele relatieziekenhuizen, onder andere met het doel om
traumateams te trainen en gereed te houden voor inzet, zodat militaire zorgverleners
hun specialistische vaardigheden op peil kunnen houden. Een van de onderdelen van
deze samenwerking is dat er SEH-artsen werkzaam bij Defensie, worden opgeleid in een
van de relatieziekenhuizen en hierbij op een opleidingsplaats voor een SEH-arts geplaatst
worden. Het gaat hierbij dus specifiek over de medisch specialisten in opleiding tot
spoedeisende hulp arts, de AIOS die via het IDR werken. Gaan de opleidingsplekken
die voor Defensie beschikbaar zijn in de relatieziekenhuizen, ten koste van het landelijke
aantal beschikbare opleidingsplaatsen of zijn dit extra opleidingsplekken? Genoemde
leden vragen hierbij een overzicht van de aantallen SEH-artsen die zijn opgeleid via
het IDR in de afgelopen 10 jaar, met daarbij inzichtelijk hoeveel per jaar in welk
relatieziekenhuis.
Vragen inzake het thema 3. «Financiering van de opleidingsplaatsen». Wie financiert
deze opleiding, het Ministerie van Defensie of het relatieziekenhuis? Wie ontvangt
de beschikbaarheidsbijdrage die vanuit het Ministerie van VWS aan deze opleidingsplek
beschikbaar gesteld wordt, Defensie of het relatieziekenhuis? Hoeveel beschikbaarheidsbijdrage
keert VWS uit voor 1 opleidingsplek van een arts in opleiding tot specialist/AIOS
(SEH-arts)?
Deze leden constateren dat sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige
vervolgopleidingen vanuit de beschikbaarheidsbijdrage worden bekostigd. Tegen die
achtergrond vragen deze leden hoe de financiering voor de mensen in opleiding via
het IDR in brede zin wordt geregeld wanneer de SEH’s bekostigd gaan worden middels
budgetbekostiging.
Kan de Minister aangeven wat de meerkosten zijn voor het opleiden van alle SEH-artsen
conform het advies van het Capaciteitsorgaan? En wat de meerkosten zijn bij het volledig
opleiden van alle medisch specialisten conform het Capaciteitsorgaan?
Vragen inzake het thema 4. «Toegankelijkheid van acute zorg en de positie van regionale
ziekenhuizen». Deze leden benadrukken dat juist acute zorg toegankelijk moet zijn.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt dat acute zorg bij
uitstek tijdsgebonden (spoedeisende) zorg is die moet worden verleend in situaties
waarin direct, of binnen enkele minuten tot uren, medisch ingrijpen noodzakelijk is.
Het doel is het voorkomen van overlijden, blijvende gezondheidsschade of het behandelen
van hevige pijn en acute ongerustheid. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen
van het gebrek aan opleidingscapaciteit voor de regionale ziekenhuizen. Kan de Minister
toelichten in welke ziekenhuizen de personeelstekorten onder artsen het grootst zijn?
Kan de Minister aangeven in hoeverre het gebrek aan opleidingsplaatsen regionale ziekenhuizen
disproportioneel raakt? Kan de Minister benadrukken dat toegankelijke acute zorg een
essentieel onderdeel is van toekomstbestendigheid?
Deze leden constateren dat de Minister de inrichting van de acute zorg, waaronder
de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg, grotendeels belegt bij regionale
afspraken in het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en het Integraal
Zorgakkoord. Deze leden wijzen erop dat juist de regio’s met de grootste personeelstekorten
daarmee voor de zwaarste opgave staan. Kan de Minister aangeven hoe wordt voorkomen
dat het overlaten aan regionale afspraken leidt tot een ongelijke beschikbaarheid
van acute zorg, en welke landelijke ondergrens de Minister daarbij hanteert?
Vragen inzake het thema 5. «Normen en kwaliteitskader voor de acute zorg». Deze leden
vrezen daarbij dat een tekort aan opleidingsplaatsen op (korte) termijn zal leiden
tot nieuwe tijdrovende discussies over kwaliteit of profiel van regionale ziekenhuizen.
Kan de Minister aangeven wat de minimale bezetting van acute zorg en SEH is? Kan de
Minister aangeven of er inmiddels betere normen zijn dan de 45-minutennorm om reisafstand
te meten? Kan de Minister het huidige kwaliteitskader en de workforce SEH waaraan
wordt gerefereerd in Zorgvisie inclusief de looptijd delen met de Kamer?
Deze leden constateren dat de Minister heeft aangekondigd de regelgeving rond het
afschalen of (tijdelijk) sluiten van een SEH aan te scherpen, en dat beide Kamers
hiervan nog voor de zomer een concept ontvangen. Kan de Minister de Kamer informeren
over de stand van zaken en de hoofdlijnen van deze aanscherping, en aangeven hoe deze
zich verhoudt tot het tekort aan opleidingsplaatsen voor SEH-artsen?
Vragen inzake thema 6. «Pandemische paraatheid en opschaalbaarheid van de SEH-capaciteit».
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de SEH bij een pandemie of grootschalige
gezondheidscrisis de eerste piek aan patiënten opvangt, terwijl de opleiding tot SEH-arts
meerdere jaren duurt en dus niet op korte termijn kan worden opgeschaald. Een structureel
tekort betekent daarmee dat er geen buffer is voor crisisopschaling. Kan de Minister
aangeven of de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor SEH-artsen voor 2027–2030 uitsluitend
uitgaan van de reguliere zorgvraag, of dat daarin ook de benodigde opschaalcapaciteit
voor een pandemie of crisis is meegewogen?
Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording op de vraag of het
verantwoord is dat SEH-afdelingen zonder buffer opereren, heeft verwezen naar de mogelijkheid
van een tijdelijke presentatiestop. Deze leden merken op dat een presentatiestop een
noodmaatregel binnen de reguliere zorg is en geen opschaalbare crisiscapaciteit. Kan
de Minister aangeven hoe de acute zorg bij een pandemie of grootschalige crisis kan
opschalen wanneer er in de reguliere situatie reeds geen buffer beschikbaar is?
Genoemde leden constateren dat het kabinet in het kader van pandemische paraatheid
de verkorte opleiding Basis Acute Zorg heeft ingericht, die zich richt op het breder
en flexibeler opleiden van verpleegkundigen, en daarnaast de Nationale Zorgreserve
heeft opgezet. Kan de Minister bevestigen dat deze instrumenten niet voorzien in volwaardig
opgeleide SEH-artsen, en toelichten hoe het tekort aan juist deze beroepsgroep in
een crisissituatie wordt opgevangen? Maken SEH-artsen onderdeel uit van de Nationale
Zorgreserve?
De leden van de Groep Markuszower wijzen erop dat een deel van de SEH-capaciteit via
het IDR verbonden is met Defensie. Kan de Minister aangeven of bij een gelijktijdige
militaire en civiele crisis een spanning ontstaat tussen de inzet van militaire SEH-artsen
voor Defensie en de bezetting van de civiele SEH’s?
Tot slot vragen deze leden of de Minister bereid is om in de integrale reactie op
de ramingen expliciet in te gaan op de vraag of de geadviseerde opleidingsaantallen
voor SEH-artsen volstaan voor een pandemie- of crisisscenario, en zo nodig een afzonderlijke
paraatheidsmarge te benoemen.
Deze leden vragen de Minister aan te geven wat de tijdslijn is om te komen tot een
definitieve beslissing. Kan de Minister deze vragen beantwoorden ten behoeve van het
Notaoverleg arbeidsmarktbeleid in de zorg?
II. Reactie van de Minister
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben op dit moment
geen verdere vragen.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de NVSHA over het
Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen. Zij hebben op dit moment
geen verdere vragen en kijken er naar uit om dit verder te bespreken in het notaoverleg
arbeidsmarktbeleid in de zorg gepland op 8 juni 2026.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake reactie
op advies van het Capaciteitsorgaan rondom de opleidingsplaatsen. Zij hebben nog wel
enkele vragen en opmerkingen over deze brief.
In de brief lezen deze leden dat er «richtinggevende instructies» zijn gemaakt op
het aantal instroomplaatsen voor 2027. Kan nader worden toegelicht waarom er op 50
opleidingsplaatsen is ingezet in plaats van 60, zoals geadviseerd door het adviesorgaan?
Stichting BOLS, die jaarlijks adviseert over de verdeling van de opleidingsplaatsen
voor medisch specialisten, heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(hierna: VWS) verzocht om richtinggevende instructies. Aan de hand van deze richtinggevende
instructies kon alvast worden gestart met de voorbereidingen voor het verdeelproces
voor 2027 in afwachting van de besluitvorming over de definitieve instroomaantallen
in het tweede kwartaal van 2026. Omdat er niet vooruit kon worden gelopen op toekomstige
budgettaire besluitvorming, waren de richtinggevende instructies gebaseerd op de destijds
geldende financiële kaders.
Het Capaciteitsorgaan publiceert het Capaciteitsplan driejaarlijks in december. De
Stichting BOLS start het proces rond de verdeling van opleidingsplaatsen normaliter
jaarlijks in februari. Aangezien een zorgvuldige en integrale beoordeling van het
advies en budgettaire besluitvorming niet mogelijk is voor februari, is het gebruikelijk
dat de stichting BOLS alvast om richtinggevende instructies vraagt in de jaren waarin
de besluitvorming over het nieuwe Capaciteitsplan moet worden afgewacht. Afgelopen
jaar heeft dit proces in combinatie met een relatief flinke ophoging van het aantal
opleidingsplaatsen voor onder andere de SEH-artsen, tot onrust geleid. Het kabinet
gaat met het oog op de volgende driejaarlijkse raming van het Capaciteitsorgaan onderzoeken
hoe dit proces anders kan worden ingericht.
Wat zijn de implicaties voor het personeelstekort als er 50 opleidingsplaatsen worden
gehonoreerd? En wat zijn de daarmee samenhangende gevolgen voor het eventueel moeten
sluiten van SEH’s?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.2 Het kabinet heeft niet in beeld gebracht wat de implicaties (zouden) zijn van een
lager aantal opleidingsplekken dan in de raming geadviseerd.
Genoemde leden lezen dat «het kabinet niet vooruit kan lopen op de budgettaire besluitvorming,
zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders.» Kan worden toegelicht
hoeveel extra budgettaire ruimte nodig is om deze extra 10 opleidingsplekken mogelijk
te maken?
De beschikbaarheidbijdrage voor de vervolgopleiding spoedeisende geneeskunde bedraagt
maximaal € 222.400 per jaar bij een voltijds dienstverband in een algemeen ziekenhuis.
De nominale opleidingsduur bedraagt 3 jaar. Uitbreiding van de opleidingscapaciteit
met 10 plekken leidt daarmee structureel tot maximaal € 6,7 miljoen extra uitgaven
per jaar. Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd3 over het feit dat dit binnen de beschikbare financiële ruimte voor opleiden valt.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van Vragen en opmerkingen
van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen aan de Minister. Op welk moment vindt budgettaire besluitvorming
plaats?
Het hoofdbesluitvormingsmoment van het kabinet vindt plaats in het voorjaar. Dit is
een vast moment waar de discussies rondom de meerjarige uitgaven van de overheid centraal
staan en de begroting voor het komende jaar zoveel mogelijk wordt ingevuld. Voorafgaand
aan Prinsjesdag kan hierover nog aanvullende besluitvorming plaatsvinden op basis
van actuele beleidsmatige en economische ontwikkelingen.
Waarom is hier niet reeds over besloten bij Voorjaarsnota?
De voorbereiding van de Voorjaarsnota start aan het begin van het jaar. Nieuwe voorstellen
en hun budgettaire gevolgen moeten dan al grotendeels ingevuld zijn om meegenomen
te kunnen worden in de besluitvorming. Het Capaciteitsplan 2027–2030 is eind december
2025 afgerond. Een zorgvuldige en integrale beoordeling van het advies was daardoor
niet meer mogelijk voor de afronding van de voorjaarsbesluitvorming.
Hoe wordt voorkomen dat de huidige gang van zaken leidt tot onduidelijkheid of onzekerheid
bij artsen die zich willen aanmelden voor een SEH-opleiding?
In de brief van 22 mei jl.4 wordt duidelijkheid gegeven over de definitieve instroomaantallen voor 2027.
Zijn er consequenties te verwachten nu Stichting Bols een start heeft moeten maken
met toewijzingsjaar 2027 op basis van de huidige financiële kaders?
Stichting BOLS heeft VWS verzocht om richtinggevende instructies aan de hand waarvan
alvast gestart kon worden met de voorbereidingen voor het verdeelproces voor 2027,
in afwachting van de besluitvorming over de definitieve instroomaantallen in het tweede
kwartaal van 2026. De richtinggevende instructies zijn dus gegeven met het doel het
verdeelproces voor 2027 te bespoedigen.
Kan verwacht worden dat indien de Minister het advies van het Capaciteitsorgaan volgt
en niet te veel tijd verloren is gegaan, om toewijzingsjaar 2027 in te richten op
basis van het nieuwe aantal opleidingsplaatsen?
In de brief van 22 mei jl.5 wordt duidelijkheid gegeven over de definitieve instroomaantallen voor 2027. Met
de stichting BOLS worden nadere afspraken gemaakt over het tijdspad om tot een verdeling
van de instroomplaatsen te komen op basis van deze definitieve instroomaantallen.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op de
brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben op dit moment geen aanvullende vragen.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen over het Capaciteitsorgaan
en de opleidingsplaatsen voor SEH-artsen.
Deze leden constateren dat de Minister aangeeft dat er nog geen besluit is genomen
over het aantal instroomplaatsen voor 2027. Ook schrijft de Minister dat de integrale
kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan nog wordt voorbereid en dat
de Kamer daarover in mei 2026 zal worden geïnformeerd.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister om bij deze besluitvorming het advies
van het Capaciteitsorgaan zwaarwegend te laten zijn en dit advies, waar het gaat om
de benodigde opleidingscapaciteit, op te volgen.
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.6
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister daarbij niet alleen te kijken naar
SEH-artsen, maar ook naar andere medisch specialismen waar tekorten dreigen, zoals
neurologen. Indien de Minister voornemens is om af te wijken van de ramingen, vragen
deze leden aan de Minister om dan gemotiveerd aan te geven waarom dat verantwoord
zou zijn in het licht van de toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister specifiek in te gaan op de situatie
rond SEH-artsen. Klopt het dat er veel belangstelling is voor de opleiding tot SEH-arts
en dat er meer geschikte kandidaten zijn dan beschikbare opleidingsplaatsen? Zo ja,
deelt de Minister de opvatting dat dit juist een argument is om voldoende opleidingsplaatsen
beschikbaar te stellen, zeker nu de acute zorg onder druk staat?
In de besluitvorming over beschikbaar te stellen opleidingsplaatsen is het advies
van het Capaciteitsorgaan, en daarmee de vraag naar SEH-artsen en andere medisch specialisten,
leidend. Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal
opleidingsplekken voor de SEH-arts, en de overige medisch specialisten zoals neurologen,
het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.7 Er is dus geen sprake meer van het afwijken van de ramingen.
Deze leden benadrukken dat acute zorg wezenlijk verschilt van planbare zorg. Patiënten
kiezen bij acute zorg niet zelf naar welk ziekenhuis zij gaan. Het is daarom van groot
belang dat patiënten in acute situaties snel terecht kunnen in een ziekenhuis waar
voldoende deskundige SEH-artsen beschikbaar zijn. Bovendien wordt een diagnose vaak
pas op de spoedeisende hulp gesteld. De leden van de JA21-fractie vragen de Minister
of zij deelt dat juist om deze reden in alle ziekenhuizen voldoende SEH-artsen beschikbaar
moeten zijn.
Er zouden altijd voldoende SEH-artsen beschikbaar moeten zijn. Inmiddels heeft het
kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken voor de
SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.8 Op alle SEH’s moet voldaan worden aan het Kwaliteitskader Spoedzorgketen. Dit kwaliteitskader
vereist onder andere dat er op een SEH gedurende openingstijden altijd een arts is
met minimaal 1 jaar klinische ervaring. Daarnaast zijn bijvoorbeeld verpleegkundigen
onmisbaar. Het is aan het ziekenhuis om te zorgen dat de bezetting zo is georganiseerd
dat de patiënten goede zorg krijgen en aan zorgverzekeraars om voldoende acute zorg
in te kopen.
Ook vragen genoemde leden of de Minister erkent dat de samenwerking tussen de SEH-arts
en de huisarts essentieel is voor zowel de kwaliteit als de betaalbaarheid van de
acute zorg. Hoe wordt deze samenwerking betrokken bij de besluitvorming over opleidingsplaatsen
en de spreiding van SEH-artsen over het land?
De samenwerking tussen huisartsen en de SEH is van belang voor de toegankelijkheid,
kwaliteit en betaalbaarheid van de acute zorg. Daarom zitten de huisartsenspoedposten
en de SEH’s vaak op dezelfde locatie en werken ze geregeld samen in de triage of vormen
ze geïntegreerde voorzieningen voor spoedzorg. In de besluitvorming over beschikbaar
te stellen opleidingsplaatsen is het advies van het Capaciteitsorgaan, en daarmee
de vraag naar SEH-artsen, leidend. Met de Stichting BOLS worden de mogelijkheden voor
de regionale spreiding van opleidingsplekken van onder andere de SEH-artsen, onderzocht.
Het kabinet is niet verantwoordelijk voor de spreiding van SEH-artsen. Het is aan
het ziekenhuis om personeel te werven, te binden en te behouden.
De leden van de JA21-fractie vinden het van belang dat de kwaliteit van acute zorg
overal in Nederland gelijkwaardig is. Kan de Minister aangeven hoe zij voorkomt dat
regionale verschillen ontstaan doordat sommige ziekenhuizen wel voldoende SEH-artsen
kunnen aantrekken en andere ziekenhuizen niet? Welke analyse heeft de Minister gemaakt
van de oorzaken waardoor sommige ziekenhuizen kampen met tekorten aan SEH-artsen,
terwijl andere ziekenhuizen hierin beter slagen?
Het is de verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om personeel te werven, te binden
en te behouden en om de zorg zo in te richten dat patiënten goede acute zorg krijgen.
Dat kan met SEH-artsen, maar ook met andere medisch specialisten of artsen. Het kabinet
is niet verantwoordelijk voor de spreiding van SEH-artsen. Samen met de stichting
BOLS wordt echter wel de regionale spreiding van opleidingsplekken van onder andere
de SEH-artsen onderzocht.
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de Minister bereid is goede voorbeelden
van regionale samenwerking nadrukkelijker te betrekken bij het beleid. Deze leden
wijzen daarbij onder meer op samenwerkingen zoals Alkmaar-Den Helder, Venlo-Roermond
en Goes. Welke lessen trekt de Minister uit dergelijke voorbeelden en hoe kunnen deze
bijdragen aan een betere spreiding, beschikbaarheid en continuïteit van SEH-artsen
in alle regio’s?
Regionale samenwerking is cruciaal voor passende acute zorg en een passend zorglandschap.
Het kabinet verwacht van de Regionale Overleggen Acute Zorgketen dat zij afspraken
maken over de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute zorg, passend voor de betreffende
regio. Uiteraard kunnen zij daarbij gebruik maken van goede voorbeelden. Door het
advies van het Capaciteitsorgaan met betrekking tot het aantal op te leiden SEH-artsen
te volgen draagt het kabinet bij aan de beschikbaarheid van SEH-artsen.
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulpartsen (NVSHA) over de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen. Deze leden zien de problemen rondom de opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen als opvallende casus binnen het grotere vraagstuk van de opleidingsplaatsen
voor meerdere groepen specialisten. Zij maken zich grote zorgen over de signalen vanuit
de praktijk over steeds verder oplopende werkdruk, personeelstekorten en de druk op
de toegankelijkheid van de acute zorg. Zij willen de Minister hierover de volgende
vragen voorleggen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het Capaciteitsorgaan in de meest recente
raming expliciet adviseert om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen fors uit
te breiden, van 40 naar 60 plaatsen per jaar. Deze leden constateren dat dit advies
niet lichtvaardig tot stand komt, maar gebaseerd is op onafhankelijke analyses van
toekomstige zorgvraag, uitstroom, vergrijzing, arbeidsmarktontwikkelingen en signalen
uit de praktijk over de oplopende druk op de acute zorg. De leden van de BBB-fractie
merken daarnaast op dat adviezen van het Capaciteitsorgaan in eerdere jaren veel gewicht
kregen bij besluiten over het aantal opleidingsplaatsen binnen medische vervolgopleidingen,
ook wanneer deze adviezen leidden tot een verlaging van de instroom. Deze leden vinden
het daarom opvallend dat nu, bij een dringend advies om de instroom van SEH-artsen
fors te verhogen vanwege oplopende tekorten en toenemende druk op de acute zorg, wel
nadrukkelijk wordt gewezen op financiële kaders en terughoudendheid. Kan de Minister
toelichten waarom het advies van het Capaciteitsorgaan in dit geval niet zonder meer
leidend lijkt te zijn?
Stichting BOLS, die jaarlijks adviseert over de verdeling van de opleidingsplaatsen
voor medisch specialisten, heeft VWS verzocht om richtinggevende instructies. Aan
de hand van deze richtinggevende instructies kon alvast worden gestart met de voorbereidingen
voor het verdeelproces voor 2027 in afwachting van de besluitvorming over de definitieve
instroomaantallen in het tweede kwartaal van 2026. Omdat er niet vooruit kon worden
gelopen op toekomstige budgettaire besluitvorming, waren de richtinggevende instructies
gebaseerd op de destijds geldende financiële kaders.
Welke omstandigheden maken volgens de Minister dat nu mogelijk van het advies wordt
afgeweken? Kan de Minister daarnaast aangeven of de regio hierbij disproportioneel
geraakt wordt?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.9
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister het met hen eens is dat
juist in een sector waar sprake is van hoge werkdruk, groeiende personeelstekorten
en toenemende druk op de toegankelijkheid van zorg, terughoudendheid bij het opleiden
van extra zorgprofessionals moeilijk uitlegbaar is. Hoe voorkomt de Minister dat op
korte termijn wordt bespaard op opleidingscapaciteit, terwijl dit op langere termijn
juist kan leiden tot grotere tekorten en hogere maatschappelijke kosten?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd,10 waardoor van een eventuele besparing op de opleidingscapaciteit geen sprake is.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de NVSHA waarschuwt voor een structureel en
fors tekort aan SEH-artsen, terwijl de druk op de spoedeisende hulp steeds verder
toeneemt door vergrijzing, complexere zorgvragen, problemen in de doorstroming binnen
ziekenhuizen en personeelstekorten elders in de keten. Deelt de Minister de opvatting
van deze leden dat juist op de spoedeisende hulp voldoende personeel van levensbelang
is voor patiënten en voor de veiligheid en houdbaarheid van de acute zorg?
Voldoende personeel om te voldoen aan de vraag naar spoedzorg in de regio is inderdaad
van belang voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van de acute zorg. Het gaat echter
niet alleen om personeel op de spoedeisende hulp, het gaat om medewerkers in de gehele
acute keten. Daarnaast is voor passende acute zorg van belang dat in het Regionaal
Overleg Acute Zorgketen afspraken worden gemaakt over een toekomstbestendige inrichting
van de acute zorg, die rekening houdt met de zorgvraag enerzijds en beschikbare medewerkers
anderzijds.
De leden van de BBB-fractie lezen daarnaast dat de NVSHA spreekt over «verborgen vacatures»,
omdat ziekenhuizen uit financiële of strategische overwegingen niet alle openstaande
vacatures tegelijk publiceren. Daarnaast maken deze leden zich zorgen over de aankomende
pensioengolf. Kan de Minister concreet toelichten op welke wijze dit signaal wordt
meegenomen in de beoordeling van de benodigde opleidingscapaciteit?
In de ramingen van het Capaciteitsorgaan worden diverse parameters over het aanbod
van SEH-artsen en de vraag naar SEH-artsen in samenhang met elkaar bezien. Informatie
wordt afgeleid uit diverse databronnen en naast elkaar gelegd om daaruit nieuwe ontwikkelingen
en trends af te leiden. Onderdeel van deze parameters is een inschatting van de onvervulde
vraag en de verwachte pensioenuitstroom. Deze bronnen staan beschreven in de verantwoordingsrapport
bij de raming Medisch Specialisten.11
Is de Minister bereid hierover aanvullend in gesprek te gaan met de NVSHA en het Capaciteitsorgaan,
zodat tekorten niet structureel worden onderschat?
Het kabinet ziet hier geen noodzaak toe door de systematiek en werkwijze van het Capaciteitsorgaan.
Onderdeel van de werkwijze van het Capaciteitsorgaan is een expertmeeting met de NVSHA
waarin relevante informatie wordt uitgewisseld en nader wordt geduid.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de NVSHA aangeeft dat er momenteel sprake
zou zijn van een tekort van circa 300 opgeleide SEH-artsen. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse?
Het kabinet beschikt zelf niet over gegevens over de exacte tekorten en volgt in de
besluitvorming de analyse van het Capaciteitsorgaan. In de raming van het Capaciteitsorgaan
wordt rekening gehouden met beschikbare data over tekorten en andere informatie over
de toekomstige vraag naar SEH-artsen.
Acht de Minister het wenselijk dat SEH-afdelingen structureel draaien op minimale
bezetting, zonder ruimte voor ziekte, zwangerschap, scholing of uitval?
Het is van belang dat er voldoende ruimte in de bezetting is voor ziekte, zwangerschap,
scholing of uitval. Het is aan het ziekenhuis om te zorgen voor een gezond en veilig
werkklimaat. Daar hoort ook bij dat er bij het roosteren rekening wordt gehouden met
zaken als werkdruk en ruimte voor scholing. Het kabinet kan geen uitspraken doen over
de wijze waarop individuele werkgevers dit invullen.
Hoe verhoudt dit zich volgens de Minister tot duurzame inzetbaarheid en het voorkomen
van burn-outs of uitstroom naar andere beroepen onder zorgprofessionals?
Het kabinet kan geen uitspraken doen die ingaan op de bezetting op specifieke SEH-afdelingen
in relatie tot uitval of uitstroom. In het algemeen is het zo dat een hoge werkdruk
tot een grotere kans op uitval en afname van het werkplezier kan leiden, wat er weer
toe kan leiden dat mensen uitstromen. Echter, de ervaren werkdruk verschilt sterk
per individu. En een hoge werkdruk leidt niet automatisch tot een negatieve werkbeleving.
Het is belangrijk dat er ook energiebronnen zijn waar medewerkers energie uit halen,
zoals autonomie, invloed op het werk, ontwikkelmogelijkheden en steun van leidinggevenden.
Werkdruk en werkplezier moeten dus met elkaar in balans zijn. Hier ligt een belangrijke
taak voor werkgevers die daar een duurzaam belang bij hebben. Daarnaast is het aan
de zorgaanbieders in de regio om in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) en
in overleg met de zorgverzekeraars afspraken te maken over de beschikbaarheid van
goede spoedeisende zorg in de regio en hoe zij daarin kunnen samenwerken.
De leden van de BBB-fractie maken zich ernstig zorgen over de hoge werkdruk onder
SEH-artsen. Nu al behoren SEH-artsen internationaal tot de beroepsgroepen met de hoogste
druk en belasting, mede vanwege de onregelmatige diensten en de voortdurende acute
verantwoordelijkheid. Deelt de Minister de opvatting van de leden van de BBB-fractie
dat het onverstandig is om uitsluitend te sturen op «zo krap mogelijk roosteren»,
terwijl dit juist kan leiden tot extra uitval, hogere werkdruk en uiteindelijk nog
grotere personeelstekorten?
Het is aan werkgevers om te zorgen voor een gezond en veilig werkklimaat. Daar hoort
ook bij dat er bij het roosteren rekening wordt gehouden met zaken als verlof en werkdruk.
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de wijze waarop individuele werkgevers dit
invullen.
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat er ondanks de hoge werkdruk toch voldoende
belangstelling bestaat onder sollicitanten voor de opleiding of omscholing tot SEH-arts
en dat er voldoende opleidingscapaciteit is bij opleidingsziekenhuizen. De opleiding
tot SEH-arts is daarnaast relatief kort. Kan de Minister toelichten waarom in een
sector met zulke grote tekorten en zulke hoge druk dan niet maximaal wordt ingezet
op uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen?
Niet voor alle medische (vervolg)opleidingen is voldoende animo. Het kabinet deelt
de blijdschap dat dat voor de opleiding tot SEH-arts wel het geval is. Inmiddels heeft
het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken voor
de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.12
En wat doet de Minister om omscholing voor andere specialisten naar SEH-arts te bevorderen?
Het kabinet ziet geen aanleiding om andere specialisten om te scholen tot SEH-arts.
De leden van de BBB-fractie begrijpen uit de beantwoording van eerdere Kamervragen
dat het kabinet niet vooruit wil lopen op budgettaire besluitvorming. Deze leden vragen
de Minister echter of zij het met hen eens is dat financiële kaders nooit leidend
mogen zijn boven de toegankelijkheid en veiligheid van acute zorg. Hoe weegt de Minister
het risico mee dat onvoldoende opleidingsplaatsen nu zullen leiden tot grotere personeelstekorten,
meer SEH-noodstops, sluiting of afbouw van ziekenhuizen of afdelingen en hogere maatschappelijke
kosten in de toekomst?
De toegankelijkheid en veiligheid van de acute zorg is van groot belang. Het kabinet
kan echter geen financiële toezeggingen doen zonder dekking. Inmiddels heeft het kabinet
de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken voor de SEH-arts,
het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.13
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister verwijst naar het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord (AZWA), regionale samenwerking en technologische innovaties. Deze
leden erkennen dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen, maar constateren tegelijkertijd
dat technologie geen extra arts aan het bed zet wanneer de SEH overvol raakt. Deelt
de Minister de opvatting dat voldoende goed opgeleide zorgprofessionals uiteindelijk
de basis vormen van een toegankelijke acute zorgketen? Deelt zij ook de opvatting
dat technologische innovaties dus geen reden kunnen zijn om minder artsen op te leiden?
Zo nee, waarom niet?
Voldoende en goed opgeleide professionals zijn nodig om de zorg in ons land kwalitatief
goed en toegankelijk te houden. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat er simpelweg
niet genoeg zorgprofessionals zijn om in alle zorg en ondersteuning te voorzien waar
om gevraagd wordt, ook niet in de acute zorgketen. Wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, volgt het kabinet het advies van het Capaciteitsorgaan. Tegelijkertijd
blijft de zorgvraag groot. Om die reden is het noodzakelijk dat de zorg slimmer georganiseerd
wordt en we volop inzetten op het gebruik van arbeidsbesparende technologische innovaties.
Niet om beschikbaar personeel te vervangen, maar om het werk minder arbeidsintensief
te maken en de druk op het personeel te verlichten. Het is dus geen kwestie van opleiden
óf inzetten op innovaties, maar voldoende opleiden én vol inzetten op arbeidsbesparende
technologische innovaties.
Voor de leden van de BBB-fractie is de symbiose tussen huisarts en SEH-arts ook erg
belangrijk voor de kwaliteit en betaalbaarheid van ons systeem. Nederland heeft een
mooi en uniek systeem waarbij patiënten meestal eerst langs de huisarts gaan voor
ze naar de SEH gaan. Voor de huisarts is de SEH-arts een belangrijk contact binnen
het ziekenhuis, terwijl de SEH-arts veel heeft aan de huisarts dichterbij. Internationaal
onderzoek wijst erop dat het vertrek van SEH-artsen grote gevolgen heeft voor huisartsen
en leidt tot zorgwoestijnen. Op welke manier houdt de Minister rekening met deze symbiose
bij de besluitvorming rondom opleidingsplaatsen?
Bij de besluitvorming rondom opleidingsplaatsen laat het kabinet zich leiden door
het instroomadvies van het Capaciteitsorgaan. In het ramingsmodel van het Capaciteitsorgaan
en in het verantwoordingsrapport bij de raming Medisch Specialist wordt ingegaan op
de diverse parameters en ontwikkelingen en de gegevens waarmee rekening is gehouden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het met deze leden
eens is dat SEH-artsen een cruciale rol vervullen binnen de acute zorgketen en dat
voorkomen moet worden dat deze beroepsgroep overvraagd raakt. Welke concrete maatregelen
neemt de Minister specifiek om de duurzame inzetbaarheid van SEH-artsen te verbeteren
en uitstroom van artsen te voorkomen?
Een gezond en veilig werkklimaat is een belangrijke randvoorwaarde voor duurzame inzetbaarheid.
Het is aan werkgevers om daarvoor te zorgen. Het kabinet ondersteunt werkgevers in
de gehele sector daarbij door het preventieplan Zorg en welzijn te subsidiëren en
implementatie van dit preventieplan te bevorderen. Deze aanpak heeft als doel het
verzuim en verloop in Zorg en Welzijn te verminderen.
Steeds vaker is sprake van SEH-noodstops (een tijdelijke presentatiestop). Kan de
Minister aangeven hoe vaak dit momenteel voorkomt, hoe deze cijfers zich ontwikkelen
en in hoeverre personeelstekorten hierbij een rol spelen?
Sinds 2023 deelt het Landelijk Netwerk Acute Zorg op verzoek van VWS één keer per
kwartaal informatie over het aantal en de duur van de SEH-stops. De gegevens zijn
afkomstig uit het Landelijk Platform Zorg coördinatie (LPZ). De meest recente data
betreffen het eerste kwartaal van 2026: seh-stops_2026-q1.pdf. In 2025 waren er 4835
SEH-stops. Het aantal SEH-stops is in 2024 gedaald met 3,4% en in 2025 met 5,6%. Ook
de duur van de stops neemt af: met 5,1% in 2024 en met 6,4% in 2025. Het LPZ biedt
geen informatie over personeelstekorten als factor voor het afkondigen van een SEH-stop.
Acht de Minister het risico reëel dat SEH’s in de komende jaren vaker tijdelijk moeten
afschalen indien de instroom van nieuwe SEH-artsen onvoldoende groeit?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.14
Hoe beoordeelt de Minister voorts aan de signalen vanuit de NVSHA dat steeds meer
SEH’s werken met minimale bezetting, terwijl de zorgvraag juist complexer wordt. Deelt
de Minister de zorg dat dit uiteindelijk ten koste kan gaan van kwaliteit, veiligheid
en werkplezier?
Voor passende acute zorg is het noodzakelijk dat in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen
afspraken worden gemaakt over een toekomstbestendige inrichting van de acute zorg,
die rekening houdt met de omvang en de aard van de zorgvraag enerzijds en beschikbare
medewerkers anderzijds. Zorgverzekeraars dienen voldoende acute zorg in de keten in
te kopen om aan hun zorgplicht te voldoen. Het is aan werkgevers om te zorgen dat
medewerkers hun werk goed en met werkplezier kunnen doen.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de spoedeisende hulp een cruciaal onderdeel
vormt van de levensvatbaarheid van regionale ziekenhuizen en van de bereikbaarheid
van acute zorg in de regio. Deze leden wijzen erop dat de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ) recent nog kritisch was op nieuwe alternatieve verschijningsvormen
van acute zorg en dat bovendien recent een nieuw kwaliteitskader voor de acute zorg
is vastgesteld. Is de Minister het met de leden van de BBB-fractie eens dat het sluiten,
afbouwen of verschralen van SEH’s nooit het gevolg mag zijn van een tekort aan opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd,15 waardoor van een eventueel dreigend tekort aan opleidingsplaatsen geen sprake meer
is.
Hoe voorkomt de Minister dat door een gebrek aan voldoende opleidingscapaciteit uiteindelijk
wordt getornd aan de scope, kwaliteit en continuïteit van de spoedeisende hulp, juist
in regionale ziekenhuizen en regio’s waar de druk op de bereikbaarheid van zorg al
groot is?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.16
Hoe kijkt de Minister in dat licht naar ontwikkelingen in onder meer Denemarken, waar
juist weer meer wordt ingezet op regionale spreiding van acute zorg in plaats van
verdere concentratie, mede omdat dit helpt om personeel beter te behouden en aan te
trekken. Welke lessen trekt de Minister uit deze ontwikkeling voor de toekomst van
de acute zorg in Nederland?
Zoals het kabinet aangeeft in de brief die een dezer dagen uitgaat over de uitwerking
van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio, is niet iedere regio hetzelfde
en hoeft niet iedere SEH dezelfde rol of omvang te hebben. Verschillen in bevolkingssamenstelling,
patiëntstromen, reisafstanden, beschikbaarheid van professionals, bestaande samenwerkingsrelaties
en het totale zorgaanbod moeten kunnen meewegen als het gaat om de organisatie van
de acute zorg. Keuzes over de inrichting van de acute zorg werken daarom het beste
als ze zoveel mogelijk in de regio worden gemaakt. De ontwikkelroute is daarom gericht
op het ondersteunen van en het bieden van kaders voor noodzakelijke veranderingen
in de regionale inrichting van de acute zorg.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het ermee eens is
dat acute zorg meer moet zijn dan enkel een voorziening «waar je terecht kan als je
van een keukentrap gevallen bent, met een net te diepe snijwond of met pijn rechtsonder
in je buik» (SIRM, 2026). Hoe borgt de Minister dat regionale SEH’s ook in de toekomst
voldoende capaciteit, deskundigheid en breedte behouden om complexe acute zorg te
kunnen blijven leveren?
De voorbeelden in het SIRM-rapport illustreren de complexiteit en de verschillende
zorgvragen die binnenkomen op een SEH. Het kabinet vindt dat het aanbod van spoedzorg
moet passen bij de vraag naar spoedzorg in de regio. Het aanbod van spoedzorg hoeft
niet in elke regio dezelfde vorm of omvang te hebben. Het kabinet verwacht van het
Regionaal Overleg Acute Zorgketen dat er afspraken worden gemaakt over een passende
inrichting van de acute zorg in de regio. Daarbij hoort ook dat wordt bezien waar
zorg anders, minder of op een andere plek wordt georganiseerd, wanneer dit beter aansluit
bij kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid van zorg en personele beschikbaarheid.
Voorts vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de samenhang ziet tussen
het tekort aan SEH-artsen en het tekort aan SEH-verpleegkundigen. In hoeverre versterken
deze tekorten elkaar op de werkvloer, bijvoorbeeld in termen van werkdruk, roosterproblemen
en risico op uitval?
Een tekort aan artsen op de SEH en een tekort aan SEH-verpleegkundigen kunnen zich
versterken. Het is aan het ziekenhuis om te bezien welke zorg zij goed kunnen leveren
gegeven het beschikbare personeel en om dit personeel zo effectief en duurzaam mogelijk
in te zetten. Verder is het aan de aanbieders in de ROAZ-regio om in overleg met de
zorgverzekeraars af te spreken waar welke vorm van spoedeisende zorg wordt geboden
en in welke mate, rekening houdend met de vraag naar zorg en beschikbaarheid van medewerkers.
Welke integrale aanpak kiest de Minister om beide tekorten tegelijkertijd aan te pakken?
Voor de SEH-arts volgt het kabinet het advies van het Capaciteitsorgaan wat betreft
het beschikbaar stellen van opleidingsplaatsen.17 Dit houdt in dat het kabinet het aantal opleidingsplekken voor de SEH-arts zal verhogen.
Ook de opleiding tot SEH-verpleegkundige wordt door VWS bekostigd.
Vaak zijn SEH-artsen veel tijd kwijt aan het organiseren van uitstroom van patiënten
naar andere afdelingen en instanties. De leden van BBB-fractie hebben het kabinet
eerder verzocht aan te geven welke instrumenten worden ingezet om de uitstroom te
verhogen. Daarop reageerde het kabinet vooral met middelen die de instroom beperken.
Kan de Minister daarom aangeven welke maatregelen specifiek worden genomen om uitstroom
van de SEH te bevorderen?
Het kabinet zet specifiek in op betere uitstroom van de SEH via regionale zorgcoördinatie.
Hierdoor kan sneller en gerichter passende vervolgzorg worden georganiseerd voor patiënten
die de acute zorg kunnen verlaten. Door regionaal inzicht in beschikbare capaciteit,
zoals ziekenhuisbedden, verzorging en verpleging en GGZ hoeven zorgverleners minder
tijd te besteden aan het zoeken naar een geschikte vervolgplek. Door brede triage,
wat kennis van en begrip voor het werk en de werkwijze van andere ketenpartners inhoudt,
wordt de samenwerking tussen ziekenhuizen, huisartsen, VVT-instellingen en GGZ verbeterd,
waardoor overdrachten soepeler verlopen. Dankzij zorgcoördinatie kunnen patiënten
sneller doorstromen naar de juiste zorg op de juiste plek en wordt onnodig lang verblijf
op de SEH of in het ziekenhuis voorkomen.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister bereid is om, mede gelet
op de signalen vanuit het veld, het advies van het Capaciteitsorgaan over substantiële
uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen alsnog volledig over
te nemen. Indien de Minister daartoe niet bereid is, kan zij dan concreet aangeven
welke gevolgen zij acceptabel acht voor de werkdruk, toegankelijkheid en continuïteit
en kwaliteit van de acute zorg?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.18
Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister
op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Vragen inzake het thema 1 «Het advies van het Capaciteitsorgaan: onderbouwing en opvolging».
Deze leden zijn tevreden dat de Minister de opmerkingen over de absorptiecapaciteit
heeft aangepast voor wat betreft de SEH-artsen. De Minister geeft aan dat de NVSHA
«overtuigend heeft aangetoond dat er onder SEH-artsen meer sollicitanten dan opleidingsplaatsen
zijn». Kan de Minister aangeven of er ook sectoren zijn waar het aantal opleidingsplaatsen
groter is dan het aantal aanmeldingen of succesvolle sollicitaties?
Er zijn artsenberoepen waarbij het aantal opleidingsplaatsen groter is dan het aantal
aanmeldingen en geschikt bevonden kandidaten, met name bij artsenberoepen buiten het
ziekenhuis, zoals de opleiding tot huisarts en de opleiding tot specialist oudergeneeskunde.
Deze leden hechten sterk aan de objectiviteit van het Capaciteitsorgaan, ondanks het
feit dat hun schattingen wat deze leden betreft jarenlang te laag waren. Nu het advies
niet of wellicht niet overgenomen wordt proberen deze leden het advies en de opvolging
te doorgronden. Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording19 het ramingsmodel beschrijft als een samenstel van factoren – waaronder demografie,
zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit – maar daarbij niet
specifiek ingaat op de verwerking van verborgen vacatures. Kan de Minister daarom
alsnog concreet aangeven op welke manier het Capaciteitsorgaan verborgen vacatures
meeneemt en in hoeverre dit bij eerdere adviezen het geval was?
Het Capaciteitsorgaan maakt met behulp van verschillende bronnen een inschatting van
de onvervulde vraag. Deze bronnen staan beschreven in de verantwoordingsrapport bij
de raming Medisch Specialisten.20
Kan de Minister aangeven in hoeverre het huidige advies rekening houdt met de vergrijzing
van patiënten en hoeveel SEH-artsen nodig zijn om in dit scenario te voldoen? Kan
de Minister aangeven of op basis van het huidige advies de vergrijzing en pensioen
van SEH-artsen voldoende wordt gecoverd?
In de raming houdt het Capaciteitsorgaan rekening met de uitstroom van SEH-artsen
vanwege pensioen en vroegtijdige uitval. Kenmerkend voor de SEH-artsen is overigens
dat het een relatief jonge beroepsgroep betreft.
En kan de Minister aangeven of er meer SEH-artsen nodig zijn in het kader van weerbaarheid
en defensie?
Er zit een verschil in de bekostiging van de twee typen opleidingsplaatsen. De civiele
SEH-opleidingsplaatsen maken onderdeel uit van de reguliere opleidingscapaciteit en
worden door VWS bekostigd via de beschikbaarheidsbijdrage voor medische vervolgopleidingen.
Een voorwaarde om in aanmerking te komen voor een beschikbaarheidbijdrage is dat er
zorg wordt geleverd die onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg
(Wlz) valt. Voor het Ministerie van Defensie ligt dit anders. Defensie-zorgverleners
worden opgeleid voor de militaire gezondheidszorg en de inzetbaarheid van de krijgsmacht.
Daarom vallen deze opleidingsplaatsen niet onder de reikwijdte van de beschikbaarheidsbijdrage.
De vraag of er in het kader van weerbaarheid en defensie behoefte is aan extra SEH-artsen
raakt daarmee primair aan de personeels- en capaciteitsbehoefte van het Ministerie
van Defensie. Eventuele aanvullende opleidingsbehoefte ten behoeve van militaire inzetbaarheid
en weerbaarheid wordt door het Ministerie van Defensie zelf bepaald, gepland en gefinancierd.
De komende jaren wordt het militaire gezondheidszorgsysteem verbeterd en versterkt,
zodat het in staat is om de inzet van de krijgsmacht in het volledige geweldsspectrum
adequaat te ondersteunen. Hierbij groeit ook het bestand aan medisch personeel, waarbij
het aannemelijk is dat de categorie SEH-artsen groeit.
VWS werkt op dit moment de inzet op opschaalbare noodzorg uit, met als doel om in
kaart te brengen wat er nodig is voor het acuut kunnen absorberen van extreem grote
groepen zorgvragers/patiënten bij crisis en conflict.
En kan de Minister aangeven op welke manieren deze redeneringen zijn meegenomen in
het BOLS-advies?
Stichting BOLS heeft VWS verzocht om richtinggevende instructies aan de hand waarvan
alvast kon worden gestart met de voorbereidingen voor het verdeelproces voor 2027
in afwachting van de besluitvorming over de definitieve instroomaantallen in het tweede
kwartaal van 2026. Omdat er niet vooruit kon worden gelopen op toekomstige budgettaire
besluitvorming, waren de richtinggevende instructies gebaseerd op het Capaciteitsplan
2027–2030 (en daarmee grotendeels op bovenstaande redenering), echter binnen de destijds
geldende financiële kaders. Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat
wat betreft het aantal opleidingsplekken voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan
zal worden opgevolgd.21
Deze leden constateren dat de Minister enerzijds aangeeft niet vooruit te kunnen lopen
op de budgettaire besluitvorming, terwijl VWS anderzijds aan Stichting BOLS reeds
richtinggevende instructies voor het toewijzingsjaar 2027 heeft gegeven die uitdrukkelijk
zijn gericht op de huidige financiële kaders. Kan de Minister bevestigen dat het aantal
opleidingsplaatsen voor SEH-artsen voor 2027 daarmee feitelijk reeds door de bestaande
financiële kaders wordt begrensd, nog voordat de Kamer de kabinetsreactie op de ramingen
heeft ontvangen?
Het doel van de richtinggevende instructies was om een handreiking te geven zodat
alvast kon worden gestart met de voorbereidingen voor het verdeelproces voor 2027
in afwachting van de besluitvorming over de definitieve instroomaantallen in het tweede
kwartaal van 2026. Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft
het aantal opleidingsplekken voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan
zal worden opgevolgd.22
Hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt dat de zorginhoudelijke raming van het
Capaciteitsorgaan leidend is?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.23
Deze leden constateren voorts dat de Minister het oplopende tekort vooral beantwoordt
met brede arbeidsmarktafspraken, zoals het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en
het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, die zien op het totale personeelstekort in zorg
en welzijn. Kan de Minister aangeven welke maatregelen specifiek zijn gericht op de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen, los van deze brede akkoorden?
De afspraken die zijn gemaakt in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg zijn inderdaad breder gezien de reikwijdte van het personeelstekort in
geheel zorg en welzijn en gezien de samenhang tussen de sectoren en beroepsgroepen.
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.24
De Kamer wordt door de Minister in het tweede kwartaal van dit jaar geïnformeerd over
de ramingen van het Capaciteitsorgaan over het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
voor de periode 2027 tot 2030. Kan hierin ook duidelijk gemaakt worden hoe de verdeling
tussen civiel en militair voor deze jaren eruitziet? Zo nee, waarom niet? Kan deze
verdeling ook meegenomen worden in de integrale reactie op de ramingen die op dit
moment wordt voorbereid?
De raming voor medisch specialisten (zoals SEH-artsen) geldt alleen de zorg die onder
de Zvw of Wlz valt. Dit betekent dat de opleidingen voor Defensiepersoneel niet zijn
meegenomen in de ramingen van het Capaciteitsorgaan.
Vragen inzake het thema 2 «Opleidingsplaatsen via het Instituut Samenwerking Defensie
en Relatieziekenhuizen (IDR)». Genoemde leden hebben een aantal vragen over het Instituut
Samenwerking Defensie en Relatieziekenhuizen (IDR). Het IDR verbindt de Nederlandse
krijgsmacht met veertien civiele relatieziekenhuizen, onder andere met het doel om
traumateams te trainen en gereed te houden voor inzet, zodat militaire zorgverleners
hun specialistische vaardigheden op peil kunnen houden. Een van de onderdelen van
deze samenwerking is dat er SEH-artsen werkzaam bij Defensie, worden opgeleid in een
van de relatieziekenhuizen en hierbij op een opleidingsplaats voor een SEH-arts geplaatst
worden. Het gaat hierbij dus specifiek over de medisch specialisten in opleiding tot
spoedeisende hulp arts, de AIOS die via het IDR werken. Gaan de opleidingsplekken
die voor Defensie beschikbaar zijn in de relatieziekenhuizen, ten koste van het landelijke
aantal beschikbare opleidingsplaatsen of zijn dit extra opleidingsplekken?
Zoals hierboven toegelicht, staan de opleidingsplekken voor Defensie los van de door
VWS met een beschikbaarheidbijdrage bekostigde opleidingsplekken. Het komt wel voor
dat een algemeen militair arts zich laat specialiseren tot specialist bij Defensie.
Deze opleidingen worden bij civiele instituten gevolgd en door de Minister van Defensie
bekostigd.
Genoemde leden vragen hierbij een overzicht van de aantallen SEH-artsen die zijn opgeleid
via het IDR in de afgelopen 10 jaar, met daarbij inzichtelijk hoeveel per jaar in
welk relatieziekenhuis.
De afgelopen tien jaar zijn er in totaal 22 SEH-artsen opgeleid via het IDR, waarvan
er nu nog 9 in de opleiding zitten.
De locaties waar deze SEH-artsen in opleiding zitten of zijn opgeleid:
• Noordwest ZH Groep, Den Helder
• Albert Schweitzer ZH, Dordrecht
• Antonius ZH, Sneek
• Rode Kruis Ziekenhuis, Beverwijk
• Dijklander ZH, Hoorn
• UMC Radboud, Nijmegen
• Meander ZH, Amersfoort
• Flevoziekenhuis, Almere
• Haga Ziekenhuis, Den Haag
• VUMC, Amsterdam
• LUMC, Leiden
• Maxima MC, Veldhoven
• UMC Groningen
• Isala Zwolle
Vragen inzake het thema 3. «Financiering van de opleidingsplaatsen». Wie financiert
deze opleiding, het Ministerie van Defensie of het relatieziekenhuis?
Het Ministerie van Defensie.
Wie ontvangt de beschikbaarheidsbijdrage die vanuit het Ministerie van VWS aan deze
opleidingsplek beschikbaar gesteld wordt, Defensie of het relatieziekenhuis?
Zoals hierboven toegelicht komen opleidingsplaatsen ten behoeve van Defensie niet
in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage.
Hoeveel beschikbaarheidsbijdrage keert VWS uit voor 1 opleidingsplek van een arts
in opleiding tot specialist/AIOS (SEH-arts)?
De NZa keert de beschikbaarheidbijdrage uit aan de opleidende zorgaanbieders. De plek
voor een SEH-arts bedraagt in 2026 194.300 euro per jaar per aios voor academische
ziekenhuizen en 222.400 euro per jaar per aios voor algemene ziekenhuizen.
Deze leden constateren dat sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige
vervolgopleidingen vanuit de beschikbaarheidsbijdrage worden bekostigd. Tegen die
achtergrond vragen deze leden hoe de financiering voor de mensen in opleiding via
het IDR in brede zin wordt geregeld wanneer de SEH’s bekostigd gaan worden middels
budgetbekostiging.
Kan de Minister aangeven wat de meerkosten zijn voor het opleiden van alle SEH-artsen
conform het advies van het Capaciteitsorgaan?
De beschikbaarheidbijdrage voor de vervolgopleiding spoedeisende geneeskunde bedraagt
maximaal € 222.400 per jaar bij een voltijds dienstverband in een algemeen ziekenhuis.
De nominale opleidingsduur bedraagt 3 jaar. Het Capaciteitsorgaan adviseert uitbreiding
van de opleidingscapaciteit van 42 naar 61 plekken. Deze uitbreiding leidt structureel
tot maximaal € 12,7 miljoen extra uitgaven per jaar.
En wat de meerkosten zijn bij het volledig opleiden van alle medisch specialisten
conform het Capaciteitsorgaan?
De beschikbaarheidbijdrage voor de vervolgopleiding tot medisch specialist bedraagt
maximaal € 222.400 per jaar bij een voltijds dienstverband in een algemeen ziekenhuis.
In het kernrapport voor de medisch en klinisch technologisch specialismen adviseert
het Capaciteitsorgaan een uitbreiding van de opleidingscapaciteit van 1.221 naar 1.320
plekken. Op basis van de nominale opleidingsduren voor de verschillende opleidingen
leidt deze uitbreiding structureel tot maximaal € 108 miljoen extra uitgaven per jaar.
Vragen inzake het thema 4. «Toegankelijkheid van acute zorg en de positie van regionale
ziekenhuizen». Deze leden benadrukken dat juist acute zorg toegankelijk moet zijn.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt dat acute zorg bij
uitstek tijdsgebonden (spoedeisende) zorg is die moet worden verleend in situaties
waarin direct, of binnen enkele minuten tot uren, medisch ingrijpen noodzakelijk is.
Het doel is het voorkomen van overlijden, blijvende gezondheidsschade of het behandelen
van hevige pijn en acute ongerustheid. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen
van het gebrek aan opleidingscapaciteit voor de regionale ziekenhuizen. Kan de Minister
toelichten in welke ziekenhuizen de personeelstekorten onder artsen het grootst zijn?
Het kabinet beschikt niet over gegevens op het niveau van individuele ziekenhuizen.
Kan de Minister aangeven in hoeverre het gebrek aan opleidingsplaatsen regionale ziekenhuizen
disproportioneel raakt?
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.25
Kan de Minister benadrukken dat toegankelijke acute zorg een essentieel onderdeel
is van toekomstbestendigheid?
Ja. Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beleidsbrief VWS van 24 april jl. wil
het kabinet dat de zorg toegankelijk is voor iedereen die dat nodig heeft.26
Deze leden constateren dat de Minister de inrichting van de acute zorg, waaronder
de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg, grotendeels belegt bij regionale
afspraken in het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en het Integraal
Zorgakkoord. Deze leden wijzen erop dat juist de regio’s met de grootste personeelstekorten
daarmee voor de zwaarste opgave staan. Kan de Minister aangeven hoe wordt voorkomen
dat het overlaten aan regionale afspraken leidt tot een ongelijke beschikbaarheid
van acute zorg, en welke landelijke ondergrens de Minister daarbij hanteert?
In de regio bestaat het beste zicht op enerzijds de zorgvraag en anderzijds de beschikbaarheid
van zorgverleners. Het voldoen aan het kwaliteitskader spoedzorgketen (waarvan naar
verwachting na de zomer een nieuwe versie wordt ingeschreven in het register van het
Zorginstituut) beschrijft de minimale vereisten voor de organisatie van de spoedzorg.
Dit kader biedt ruimte om in te spelen op de regionale situatie.
Vragen inzake het thema 5. «Normen en kwaliteitskader voor de acute zorg». Deze leden
vrezen daarbij dat een tekort aan opleidingsplaatsen op (korte) termijn zal leiden
tot nieuwe tijdrovende discussies over kwaliteit of profiel van regionale ziekenhuizen.
Kan de Minister aangeven wat de minimale bezetting van acute zorg en SEH is? Kan de
Minister aangeven of er inmiddels betere normen zijn dan de 45-minutennorm om reisafstand
te meten? Kan de Minister het huidige kwaliteitskader en de workforce SEH waaraan
wordt gerefereerd in Zorgvisie inclusief de looptijd delen met de Kamer?
Het Kwaliteitskader Spoedzorgketen beschrijft hoe partijen in de zorg met elkaar willen
samenwerken om iedere patiënt met een spoedzorgvraag 24/7 spoedzorg van goede kwaliteit
te bieden. Het kwaliteitskader is een landelijk kader voor de samenwerking tussen
ketenpartners en beschrijft de minimale vereisten voor de organisatie van de spoedzorg.
De 45-minutennorm is een norm die bepaalt wie er moet meewerken aan de zorgplicht
van de zorgverzekeraar. Deze norm wordt niet aangepast in het voorstel voor de wijziging
van de Uitvoeringsregeling Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg zoals dat op
19 mei aan de Eerste Kamer en de Tweede Kamer is voorgelegd27. Het huidige kwaliteitskader spoedzorgketen is te vinden op de website van het Zorginstituut28 en de richtlijn workforce SEH op de website van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende
Hulp Artsen.29
Deze leden constateren dat de Minister heeft aangekondigd de regelgeving rond het
afschalen of (tijdelijk) sluiten van een SEH aan te scherpen, en dat beide Kamers
hiervan nog voor de zomer een concept ontvangen. Kan de Minister de Kamer informeren
over de stand van zaken en de hoofdlijnen van deze aanscherping, en aangeven hoe deze
zich verhoudt tot het tekort aan opleidingsplaatsen voor SEH-artsen?
Op 19 mei jl. hebben de Eerste Kamer en de Tweede Kamer het voorstel voor de wijziging
van het Uitvoeringsbesluit Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg en de Uitvoeringsregeling
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg ontvangen30. In de aanbiedingsbrief staan de belangrijkste voorgenomen wijzigingen. De wijzigingen
moeten bijdragen aan een zorgvuldig besluitvormingsproces over het aanbod van acute
zorg. Er is geen direct verband met het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen.
Vragen inzake thema 6. «Pandemische paraatheid en opschaalbaarheid van de SEH-capaciteit».
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de SEH bij een pandemie of grootschalige
gezondheidscrisis de eerste piek aan patiënten opvangt, terwijl de opleiding tot SEH-arts
meerdere jaren duurt en dus niet op korte termijn kan worden opgeschaald. Een structureel
tekort betekent daarmee dat er geen buffer is voor crisisopschaling. Kan de Minister
aangeven of de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor SEH-artsen voor 2027–2030 uitsluitend
uitgaan van de reguliere zorgvraag, of dat daarin ook de benodigde opschaalcapaciteit
voor een pandemie of crisis is meegewogen?
Het Capaciteitsorgaan heeft een inschatting gemaakt van de vraag naar SEH-artsen op
basis van informatie die in 2025 beschikbaar is. Het Capaciteitsorgaan brengt daarbij
zowel de demografische als de niet-demografische vraag in kaart. De ervaring met pandemische
paraatheid tijdens corona heeft geleerd dat het daarbij niet alleen gaat om de inzet
van SEH-artsen, maar een bredere inzet en flexibiliteit van medisch specialisten.
Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording op de vraag of het
verantwoord is dat SEH-afdelingen zonder buffer opereren, heeft verwezen naar de mogelijkheid
van een tijdelijke presentatiestop. Deze leden merken op dat een presentatiestop een
noodmaatregel binnen de reguliere zorg is en geen opschaalbare crisiscapaciteit. Kan
de Minister aangeven hoe de acute zorg bij een pandemie of grootschalige crisis kan
opschalen wanneer er in de reguliere situatie reeds geen buffer beschikbaar is?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg moeten ziekenhuizen en
andere zorgaanbieders een crisisplan hebben. Bij een onverwacht hoge toestroom van
patiënten kan het ziekenhuis ertoe besluiten zijn reguliere zorgcapaciteit (op de
SEH) op te schalen. In het plan hiervoor staat hoe een ziekenhuis de reguliere zorg
opschaalt om bij grootschalige incidenten of rampen in korte tijd een grote stroom
slachtoffers op te vangen en te behandelen. Voor het geval van een langdurige crisis
zijn er in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) werkafspraken over opschalen
van capaciteit en het verdelen van de druk. Waar nodig kan het ROAZ het Regionale
Coördinatiecentrum PatiëntenSpreiding (RCPS) activeren. Wanneer de omvang van een
crisis landelijke of internationale coördinatie van patientenspreiding vraagt, kan
het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) het Landelijk Coördinatiecentrum Patientenspreiding
activeren, hiermee wordt de coördinatiefunctie opgeschaald.
In de covidtijd is hiervoor een landelijk plan uitgewerkt. Het LNAZ werkt aan een
herziene, generieke versie voor dit landelijke plan. Naar verwachting zal deze nieuwe
versie na de zomer gepubliceerd worden.
Genoemde leden constateren dat het kabinet in het kader van pandemische paraatheid
de verkorte opleiding Basis Acute Zorg heeft ingericht, die zich richt op het breder
en flexibeler opleiden van verpleegkundigen, en daarnaast de Nationale Zorgreserve
heeft opgezet. Kan de Minister bevestigen dat deze instrumenten niet voorzien in volwaardig
opgeleide SEH-artsen, en toelichten hoe het tekort aan juist deze beroepsgroep in
een crisissituatie wordt opgevangen? Maken SEH-artsen onderdeel uit van de Nationale
Zorgreserve?
De opleiding Basis Acute Zorg maakt onderdeel uit van het modulaire opleidingsstelsel
voor verpleegkundige vervolgopleidingen en is gericht op het opleiden van verpleegkundigen.
Deze opleiding ziet niet op de opleiding van SEH-artsen. De Nationale Zorgreserve
(NZR) is een landelijk netwerk van (oud)zorgmedewerkers en heeft als doel om in tijden
van crisis, als de zorgcontinuïteit in gevaar is, te kunnen voorzien in de tijdelijke
inzet van zorgreservisten. De NZR kan (oud)zorgmedewerkers tijdens een crisis matchen
met zorgorganisaties. SEH-artsen kunnen ook aangesloten zijn bij de NZR. Echter, de
NZR kan alleen in crisisomstandigheden worden ingezet en maakt geen onderdeel uit
van het reguliere zorgstelsel.
Inmiddels heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat wat betreft het aantal opleidingsplekken
voor de SEH-arts, het advies van het Capaciteitsorgaan zal worden opgevolgd.31
De leden van de Groep Markuszower wijzen erop dat een deel van de SEH-capaciteit via
het IDR verbonden is met Defensie. Kan de Minister aangeven of bij een gelijktijdige
militaire en civiele crisis een spanning ontstaat tussen de inzet van militaire SEH-artsen
voor Defensie en de bezetting van de civiele SEH’s?
Zoals hierboven toegelicht, werken Defensie en VWS parallel aan een militair en een
civiel gezondheidszorgsysteem. Hierdoor hoeft er niet automatisch spanning te ontstaan
tijdens een gelijktijdige militaire en civiele crisis.
Tot slot vragen deze leden of de Minister bereid is om in de integrale reactie op
de ramingen expliciet in te gaan op de vraag of de geadviseerde opleidingsaantallen
voor SEH-artsen volstaan voor een pandemie- of crisisscenario, en zo nodig een afzonderlijke
paraatheidsmarge te benoemen.
De reactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan32 heeft dit schriftelijk overleg gekruist. De ramingen van het Capaciteitsorgaan komen
onafhankelijk tot stand. Er is op dit moment geen reden om deze situatie te wijzigen
en een apart pandemie of crisisscenario te ontwikkelen of te vragen bij het Capaciteitsorgaan.
Deze leden vragen de Minister aan te geven wat de tijdslijn is om te komen tot een
definitieve beslissing. Kan de Minister deze vragen beantwoorden ten behoeve van het
Notaoverleg arbeidsmarktbeleid in de zorg?
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier