Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Zalinyan over de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa
Vragen van het lid Zalinyan (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa (ingezonden 19 februari 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) en de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 1 juni 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling
in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Antwoord 1
Ja, dit bericht is bekend. Het is belangrijk om naast de baten van het gebruik van
chemische stoffen ook te kijken naar de maatschappelijke kosten. Dit rapport geeft
voor PFAS onder andere een schatting van de kosten voor het verlies aan gezondheid
door blootstelling van mensen aan PFAS en de kosten voor het schoonmaken van bodem
en drinkwater in verschillende scenario’s. Het is belangrijk te melden dat de hoogste
kosten optreden bij ongewijzigd beleid. Nederland heeft al in 2020 het initiatief
genomen voor een brede Europese restrictie; een voorstel om in Europa de productie,
import, in de handel brengen en gebruik van alle PFAS zo veel mogelijk te verbieden,
zie ook het antwoord onder 3.
Vraag 2
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten
en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de
vervuiler betaalt»?
Antwoord 2
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse
als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van
de leden Kostić en Soepboer.2 In de Kamerbrief van 17 april 2025 is toegelicht dat bij het bodembeleid in de regelgeving
(o.a. via de zorgplicht) invulling aan het beginsel gegeven wordt om de kosten van
milieuverontreiniging zoveel mogelijk op de veroorzaker te verhalen. En bij PFAS-bodemsaneringen
wordt steeds bezien in hoeverre kosten op de veroorzaker kunnen worden verhaald.3 Daarnaast geldt dat bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor de kosten die nodig
zijn om hun lozingen te minimaliseren om een vergunning te verkrijgen.
Van belang is te beseffen dat een aanzienlijk deel van de PFAS in de leefomgeving
een historische oorsprong heeft. Ze zijn deels afkomstig uit een periode waarin risico’s
onvoldoende in beeld waren en emissie-eisen minder streng waren. En door het mobiele
karakter van de stofgroep zijn PFAS wijdverspreid geraakt. Daardoor komt het regelmatig
voor dat er geen individuele veroorzaker aan te wijzen is voor verhoogde PFAS-gehalten
in het water.
Vraag 3
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand
nationaal PFAS-verbod?
Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich
tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland?
Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Antwoord 3
Nee, een dergelijke analyse is niet uitgevoerd. Er zijn ook geen plannen daartoe.
Zoals in de Kamerbrief van juli 20254 uiteengezet is, blijft de inzet gericht op een Europees productverbod. In antwoord
op vraag 10 wordt daarop nader ingegaan. Een belangrijk onderdeel van de brede Europese
restrictie voor het gebruik en in de handel brengen van PFAS is de sociaaleconomische
analyse waarbij het risico en de kosten die daarmee gepaard gaan, worden gewogen tegen
de baten. Het onder antwoord 1 genoemde restrictievoorstel is in 2023 ingediend bij
het EU-agentschap voor chemische stoffen, ECHA. Dit voorstel gaf aan dat de baten
van een Europees verbod op PFAS groter zijn dan de kosten, met name indien het verbod
gefaseerd in werking gaat treden. In maart heeft ECHA twee opinies gepubliceerd. De
opinie van de risicoanalyse is hiermee definitief. De openbare raadpleging van de
opinie van het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) is recent gesloten (was t/m
25 mei 2026). De informatie van de openbare raadpleging wordt beoordeeld en dan zal
er een definitieve opinie voor het eind van dit jaar worden vastgesteld en aan de
Europese Commissie gestuurd.
In voorbereiding op de Europese restrictie van PFAS loopt er het Actieprogramma PFAS
met als doel om samen met het bedrijfsleven in Nederland te werken aan bewustwording
rond PFAS, waar mogelijk het gebruik van PFAS versneld uit te faseren en de transitie
naar duurzamere en veilige alternatieven te stimuleren. Veel bedrijven en sectoren
zijn actief bezig met het zoeken naar vervanging van PFAS in hun producten.
Voor de uitfasering is het belangrijk dat er alternatieven zijn voor PFAS. Met name
van een (aankomend) Europees PFAS verbod zal een duidelijke prikkel zijn voor innovaties
ter vervanging van PFAS. Een nationaal verbod is daarvoor te beperkt. Innovaties op
het gebied van duurzame chemie kunnen bijdragen aan verdienvermogen. Het advies van
Peter Wennink vraagt ook aandacht voor het belang van innovatie en verdienvermogen
voor duurzame chemie.5 In het commissiedebat leefomgeving van 2 april 2026 heeft de Staatssecretaris toegezegd
met EZK te gaan kijken naar een bredere innovatieagenda rond alternatieven voor PFAS.
U zal eind 2026 worden geïnformeerd over de rol die innovatie kan spelen bij het zoeken
naar alternatieven voor PFAS6. Vooruitlopend op de Europese restrictie is het belangrijk dat consumenten bewust
PFAS-vrij kunnen kopen. Zoals gemeld aan de Kamer en in het coalitieakkoord, zal met
betrokken partijen bekeken worden voor welke productgroepen de behoefte hiertoe het
grootst is en op welke manier, bijvoorbeeld een vrijwillig label, informatie hierover
aan de consument kan worden overgebracht.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 juli 2025 en benoemd in het coalitieakkoord,
wordt nog nader gekeken naar de mogelijkheden van een nationaal gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod.
Onlangs is de Kamer geïnformeerd over de tussenstand hiervan.7 De uitkomsten van het lopende onderzoek en het vervolg zullen dit najaar met de Kamer
gedeeld worden.
Vraag 4
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen
worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van
natuur en mens steeds groter worden?
Antwoord 4
Uitgangspunt van beleid is dat het gebruik van stoffen, mengsels en producten zo weinig
mogelijk schade aan gezondheid en milieu oplevert. De opgave die we hebben voor PFAS
moeten bezien worden in het licht van de sterke economische situatie en ligging van
Nederland. Het beleid is daarbij risico-gestuurd; daar waar de grootste risico’s zijn,
wordt het eerst actie ondernomen. De basis voor het treffen van maatregelen is wetenschappelijke
kennis en de ontwikkeling van deze kennis. Op die manier is ook het PFAS-probleem
aangepakt. De risico’s van deze stoffen leken in eerste instantie vooral te zitten
bij PFOS en PFOA. Nadat deze stoffen van de markt waren, bleken er vervangers te komen
uit de PFAS-groep die ook schadelijk bleken. Nadat dat duidelijk werd en het EU-agentschap
voor voedselveiligheid EFSA een nieuwe, veel lagere gezondheidskundige grenswaarde
voor blootstelling vaststelde, is de inzet op de aanpak van PFAS vergroot.
PFAS kent risico’s voor onze gezondheid en leefomgeving, maar niet iedere blootstelling
aan PFAS leidt automatisch tot gezondheidsschade: risico’s hangen samen met duur,
mate en type PFAS waaraan wordt blootgesteld. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging
tussen gezondheid, milieu, economische effecten, uitvoerbaarheid en andere maatschappelijke
belangen. Het Rijk hanteert daarom een totaalaanpak van PFAS via vier hoofdlijnen:
1. Een zo breed mogelijk Europees PFAS-verbod. Nederland is één van de initiatiefnemers
voor een voorstel voor een Europees verbod op het gebruik en op de markt brengen van
(producten met) PFAS. Als bedrijven geen PFAS meer gebruiken in hun producten, zal
de vervuiling op termijn afnemen.
2. Het stimuleren van de transitie naar alternatieven voor PFAS. Dit wordt onder meer
ingevuld via het actieprogramma PFAS. Dit programma, gestart in 2021 als samenwerking
tussen het Ministerie van IenW, het bedrijfsleven en kennisinstellingen, richt zich
op het vergroten van bewustwording en het stimuleren van veilige en duurzame alternatieven.
3. Er moet zo weinig mogelijk PFAS in het milieu terechtkomen. PFAS behoren tot de categorie
zeer zorgwekkende stoffen en daarvoor geldt een minimalisatieverplichting. Bedrijven
zijn dan verplicht om hun PFAS-emissies te minimaliseren. Hiervoor stellen zij eens
per 5 jaar zogenaamde Vermijdings- en reductieplannen op. Dit aanvullend op de vergunning
die zij nodig hebben voor het lozen van schadelijke stoffen. Het vergunningenbeleid
is streng, juist om toekomstige kosten zo veel mogelijk te voorkomen. Vergunningen
worden pas afgegeven als er wordt voldaan aan gebruik van beste beschikbare technieken
(BBT-toets) en een toets aan de oppervlaktewaternormen (immissietoets).8
4. We willen de blootstelling aan PFAS zo veel mogelijk voorkomen. Het RIVM doet in opdracht
van de Ministeries van IenW, VWS en LVVN-onderzoek naar de mogelijkheden om de blootstelling
van de mens aan PFAS te verminderen via een onderzoeksprogramma.
Daarmee heeft de overheid steeds effectief en proportioneel maatregelen genomen om
de vervuiling door PFAS te beperken.
Vraag 5
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de
snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Antwoord 5
Nee. Zoals gemeld onder 3 en 4 was al duidelijk dat de kosten door PFAS-vervuiling
zo hoog zijn dat een brede Europese restrictie gerechtvaardigd is. Nederland was een
van de initiatiefnemers voor dit restrictietraject en het huidige kabinet wil dan
ook dat Nederland kartrekker wordt voor een Europees verbod op PFAS. Er zijn ook al
eerder andere trajecten ingezet om substitutie door niet-PFAS te stimuleren en emissies
naar water en lucht zo veel mogelijk te beperken.
Vraag 6
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving
opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Antwoord 6
Zoals al in de eerdere antwoorden naar voren is gekomen, is er sprake van adequaat
handelen. Uiteraard is het onwenselijk dat de kosten van PFAS-vervuiling bij de samenleving
terecht komen. Daarom is het beginsel de vervuiler betaalt een belangrijk uitgangspunt van het beleid, zoals ook toegelicht in het antwoord
op vraag 2. Het is daarbij belangrijk om te markeren dat PFAS afkomstig kunnen zijn
uit heel verschillende maatschappelijke bronnen en activiteiten (en dus niet alleen
via lozingen van enkele bedrijven) en dat de aanwezigheid van PFAS in het milieu en
oppervlaktewater voor een groot deel historisch is en wijdverspreid is, uit een tijd
waarin voornamelijk de baten van PFAS werden ervaren.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten,
zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Antwoord 7
Het bestaande beleid is streng en gericht op een totaalaanpak van PFAS, juist om toekomstige
kosten zoveel mogelijk te voorkomen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 en
5. Er is dus geen sprake van uitstel.
Vraag 8
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening
verder oploopt voor toekomstige generaties?
Antwoord 8
Ja, er is zeker een zorg dat PFAS-verontreiniging gevolgen kan hebben voor toekomstige
generaties. Door nu in te zetten op een totaalaanpak met bronmaatregelen, inzetten
op alternatieven, emissiebeperking en het beperken van de blootstelling, zoals toegelicht
in het antwoord op vraag 3, wordt juist beoogd om de lasten voor toekomstige generaties
te beperken.
Vraag 9
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen
te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming
langer duurt?
Antwoord 9
Zoals uitgelegd onder 4, is het aanpakken van PFAS een prioriteit van het kabinet.
Het beleid is risico-gestuurd waarbij het van belang is dat risico’s zo veel mogelijk
beperkt worden maar ook dat optreden proportioneel moet zijn, en gefundeerd door voldoende
wetenschappelijke onderbouwing. Gezien deze aspecten kent dus ook besluitvorming van
nationale maatregelen een evenredige doorlooptijd. Bij de keuze tussen nationale versus
Europese maatregelen wordt bovendien ook effectiviteit van de maatregelen meegewogen,
zie ook antwoord op vraag 3. Daarnaast wordt nog verkend of en hoe een gedeeltelijk
lozingsverbod vorm kan krijgen.9 Onlangs is de Kamer geïnformeerd over de tussenstand hiervan.10 De uitkomsten van het lopende onderzoek en het vervolg zullen dit najaar met de Kamer
gedeeld worden.
Vraag 10
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten,
ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële
PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Ja, onnodige toepassingen van PFAS moeten zo snel mogelijk verdwijnen. De vraag wat
essentieel is, is echter niet makkelijk te beantwoorden. Specifieke medische of industriële
toepassingen zullen, als er geen gelijkwaardige alternatieven zijn, vermoedelijk onmisbaar
zijn, maar dat geldt niet voor alle toepassingen in die sectoren. En ook bij consumenten
is het niet eenduidig vast te stellen. PFAS zit bijvoorbeeld in vrijwel alle elektronische
apparatuur, van mobiele telefoon tot laptop, van TV tot (elektrische) auto’s. Een
nationaal verbod zal voor de industrie geen enkele prikkel zijn tot innovatie om te
komen tot alternatieven voor PFAS. Daarvoor is de Nederlandse markt te klein. Een
Europees productverbod, een markt van 450 miljoen consumenten, zal bij leveranciers
leiden tot zoeken naar en leveren van PFAS-vrije alternatieven. Ook daarom blijft
een Europese aanpak de voorkeur hebben. Dus de conclusie wordt gedeeld, maar een verbod
dient op EU-niveau te worden vastgelegd.
Vraag 11
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan,
terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Antwoord 11
Zie het antwoord op vraag 10.
Vraag 12
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen
en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Antwoord 12
Zie het antwoord op vraag 10. In het kader van de Europese restrictie is per categorie
toepassingen bekeken wat de verbruiksvolumes zijn en in hoeverre er alternatieven
zijn of binnen afzienbare termijn worden verwacht11. Zoals aangegeven in vraag drie is de verwachting dat beide opinies van ECHA aan
het eind van dit jaar definitief zijn. De verwachting is dat met de Europese restrictie
de toepassingen van PFAS waar goede alternatieven voor zijn, op korte termijn worden
verboden.
Vraag 13
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven
geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan
mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven?
Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
Antwoord 13
Het kabinet zet in op een totaalaanpak van PFAS, zoals toegelicht in het antwoord
op vraag 4. In het coalitieakkoord onderstreept het kabinet het belang van een Europees
verbod, waar we kartrekker van zijn. We willen de vraag naar PFAS-houdende producten
terugdringen en we bezien of en hoe op korte termijn een PFAS-lozingsverbod mogelijk
is, zoals al genoemd bij het antwoord op vraag 9. Daarmee wordt ingezet op een evenwichtige
afweging tussen gezondheid, milieu, uitvoerbaarheid en economische belangen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.