Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden El Boujdaini en Kathmann over het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden
Vragen van de leden El Boujdaini (D66) en Kathmann (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden. (ingezonden 24 april 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) en van Staatssecretaris Aerdts
(Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 1 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1929.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in
handen is gevallen van onbevoegden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen
risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke
toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Het is goed om te benadrukken dat de risico’s niet voortkomen uit één specifiek geavanceerd
AI-model. Geavanceerde capaciteiten zijn niet enkel meer voorbehouden aan gesloten,
zogeheten «frontier-only» modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen
steeds dichterbij dergelijke geavanceerde capaciteiten. Zo laat gelekte broncode van
Anthropic’s Claude Code product zien dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel
of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur
(het «harnas») om het AI-model heen.
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel
afhankelijk. Eén van de risico’s die het kabinet ziet, is dat geavanceerde AI-modellen
onder andere kunnen worden ingezet om technische kwetsbaarheden in software op te
sporen. Dit kan dankzij dergelijke AI-modellen in veel kortere tijd en op grotere
schaal worden gedaan dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking
van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt uitgebuit significant worden verkort.
Ook zijn geavanceerde AI-modellen tot dusver afkomstig van commerciële bedrijven en
veelal afkomstig uit niet-Europese landen waar andere wet- en regelgeving geldt dan
in de EU. Dat kan ertoe leiden dat (a) er weinig tot geen inzicht bestaat in de onderliggende
systemen en software van dergelijke systemen en (b) die systemen niet voldoen aan
Europese wet- en regelgeving. Het (verder) integreren van AI-modellen in Nederlandse
digitale (kern)processen, waarbij de AI-modellen op infrastructuur van niet-Europese
aanbieders draait, kan leiden tot toenemende afhankelijkheid.
Ook draaien veel geavanceerde AI-modellen op niet-Europese cloudinfrastructuur. Integratie
in Nederlandse digitale processen vergroot daarmee de afhankelijkheid van niet-Europese
aanbieders, met bijbehorende risico’s op gebied van datasoevereiniteit, continuïteit,
vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Aanbieders kunnen toegang tot specifieke
modellen beperken, updates kunnen de uitkomsten veranderen zonder dat de afnemer dat
in de hand heeft, en de rekenkracht voor geavanceerde AI is geconcentreerd bij een
klein aantal niet-Europese partijen.
Vraag 3
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke
gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek,
voor dit dreigingsbeeld?
Antwoord 3
Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige
dreigingsbeeld. Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om
systemen aan te vallen. Zo kan AI worden ingezet om kwetsbaarheden op te sporen, code
te ontwikkelen, phishing te personaliseren of grote hoeveelheden data te verwerken.
Dit kan ervoor zorgen dat actoren sneller en op grotere schaal cyberaanvallen kunnen
uitvoeren. Anderzijds kunnen AI-modellen worden ingezet ter verdediging. Zo kan AI
worden ingezet voor detectie van afwijkend netwerkverkeer, het geautomatiseerd controleren
van systemen of het reageren op incidenten. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen
sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De mogelijke risico's zoals
beschreven in het antwoord op vraag 2 gelden voor de bredere trend waarbinnen dergelijke
geavanceerde AI-systemen breder beschikbaar worden, waaronder de uitrol van Mythos.
Vraag 4
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen
gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een
veilige en verantwoorde manier?
Antwoord 4
Het kabinet bepleit terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik
van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie.
Drie overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
In de eerste plaats laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen
in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden.
Het verschil tussen frontiermodellen en minder geavanceerde modellen is mogelijk minder
groot dan de berichtgeving rond grote modelaankondigingen suggereert. In de tweede
plaats zijn er nu aanbieders, van modellen zoals Mythos, die de toegang en voorwaarden
bepalen. Toegang via dergelijke constructies kan daarmee ook de afhankelijkheid van
die (niet-Europese) partijen vergroten. In de derde plaats kan preventieve kwetsbaarheidsdetectie
via AI veilig en verantwoord worden ingericht, mits losgekoppeld van één specifieke
leverancier. Het is afhankelijk van de specifieke omstandigheden, voorwaarden en afhankelijkheden
en telkens een brede weging in welke mate toegang noodzakelijk is.
Vraag 5
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard
gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid
van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Antwoord 5
Het beschermen van persoonsgegevens van burgers en het waarborgen van de veiligheid
van systemen van de overheid vraagt voortdurende aandacht. Zoals beschreven in het
antwoord op vraag 2 komen de risico’s die van invloed zijn op het waarborgen hiervan
niet voort uit één specifiek geavanceerd AI-model zoals Mythos. Om die reden is het
noodzakelijk dat overheidsorganisaties rekening houden met bredere ontwikkelingen
die mogelijke risico’s zijn voor de bescherming van persoonsgegevens of de beveiliging
van hun netwerk- en informatiesystemen.
Voor de bescherming van persoonsgegevens geldt dat dit wordt geregeld in de Algemene
verordening gegevensbescherming (AVG). De AVG kent onder meer de verplichting tot
het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging
bij de verwerkingen van persoonsgegevens. Daarbij geldt dat een beoordeling van het
passende beveiligingsniveau moet worden uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden
met de risico’s met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaand
aan een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens, die waarschijnlijk een hoog risico
inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, moet voorts een data protection
impact assessment (DPIA) uitgevoerd worden om de risico’s voor de rechten en vrijheden
van betrokkenen in kaart te brengen. Daarbij moet onder meer worden beoordeeld welke
maatregelen getroffen worden om de risico’s aan te pakken, waaronder veiligheidsmaatregelen
en een mechanisme om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen. Ook volgt
uit de AVG de verplichting om voor het verrichten van verwerkingen van persoonsgegevens
uitsluitend gebruik te maken van andere partijen die namens de overheid persoonsgegevens
verwerken als verwerkers, indien zij voldoende garanties bieden met betrekking tot
het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen, zodat aan de
(andere) verplichtingen op grond van de AVG wordt voldaan. Op de naleving van verplichtingen
uit de AVG houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht.
Vanuit de AI-verordening gelden bovendien regels voor de ontwikkeling en het gebruik
van AI-systemen, ook aan de cyberveiligheid van hoog-risico systemen. Bovendien kent
de AI-verordening de verplichting tot uitvoering van een Fundamental Rights Impact
Assessment (FRIA) bij hoog-risico AI-systemen, om impact van deze systemen op fundamentele
rechten van de mens te beoordelen. In de Kamerbrief van 20 april heeft de Staatssecretaris
van Digitale Economie en Soevereiniteit u geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet
voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.2
Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet, waarin de Europese
NIS2-richtlijn zal worden geïmplementeerd, gelden op grond van die wet verplichtingen
voor de in die wet genoemde organisaties met betrekking tot de beveiliging van hun
netwerk- en informatiesystemen. Het voorstel voor deze wet ligt op dit moment ter
behandeling voor bij de Eerste Kamer. Deze wet zal gaan gelden voor organisaties uit
verschillende sectoren, waaronder ook de overheid. Onderdeel van deze wet zal een
zorgplicht zijn die inhoudt dat organisaties die onder de wet vallen verplicht zijn
tot het nemen van passende en evenredige, technische, operationele en organisatorische
maatregelen, om de risico’s met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en
informatiesystemen te beheersen. Daarbij geldt dat organisaties maatregelen moeten
nemen die zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico’s die voor
hun organisatie gelden. Deze risico’s kunnen voor die organisaties als gevolg van
onder meer veranderende dreigingen of nieuwe technologieën wijzigen, waardoor zij
aanvullende maatregelen zullen moeten nemen. Deze zorgplicht wordt in het Cyberbeveiligingsbesluit,
de algemene maatregel van bestuur onder de Cyberbeveiligingswet, en in ministeriële
regelingen van de voor de sectoren verantwoordelijke vakministers, nader uitgewerkt.
De maatregelen die organisaties, die onder de Cyberbeveiligingswet vallen, moeten
nemen betreffen onder meer beleid over risicoanalyses en incidentenbehandeling en
de beveiliging van de toeleveringsketen. Krachtens het Cyberbeveiligingsbesluit geldt
als maatregel onder meer ook dat organisaties bij attenderingen op voor hun relevante
kwetsbaarheden of, dreigingen en beveiligingsadviezen door relevante partijen zoals
CSIRTs, moeten beoordelen of op basis hiervan aanpassingen of aanvullingen nodig zijn
op hun maatregelen (art. 17 Cbb). Daarnaast is voor overheidsorganisaties die onder
de Cbw vallen, voorzien dat in de regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties als maatregel, die zij in het kader van de zorgplicht moeten
nemen, komt te gelden dat zij de normen en overheidsmaatregelen in de Baseline Informatiebeveiliging
Overheid (BIO2), het reeds bestaande normenkader voor informatiebeveiliging bij de
overheid, toepassen. Op de naleving van de verplichtingen in de Cyberbeveiligingswet
en de daar onderliggende regelgeving wordt toezicht gehouden. Voor overheidsorganisaties
zal de Rijksinspectie voor Digitale infrastructuur (RDI) als toezichthouder optreden.
Terugkomend in bovengenoemde wet- en regelgeving is dat gegevensbescherming en beveiliging
van netwerk- en informatiesystemen een continue en cyclisch proces is. Organisaties
dienen voortdurend te toetsen of bestaande maatregelen nog steeds voldoende zijn om
risico’s te beheersen. Ook risico’s als gevolg van het bestaan van AI-modellen, waaronder
Mythos, zullen onderdeel zijn van deze continue risico-inschatting door organisaties.
Vraag 6
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six
Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af
te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Antwoord 6
Het kabinet onderschrijft het belang van het monitoren en beheersen van veiligheidsrisico’s
van geavanceerde AI en deelt de opvatting dat dit een aanpak vereist die stevig is
verankerd in inhoudelijke expertise. Mede naar aanleiding van de aangenomen motie
over een onafhankelijke AI-raad3, ingediend op 29 september 2025, is gekeken naar een passende structuur om hier invulling
aan te geven.
Zoals eerder aan de Kamer gemeld4, werd in eerste instantie bezien welke rol de NDS-raad hierin kon vervullen. Nu besloten
is om de oprichting van de raad niet te formaliseren5, worden alternatieve invullingen verkend. Zo loopt er tot september 2026 onder andere
een interdepartementale verkenning, uitgevoerd door de Digitale Doetank, naar de inrichting
van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut, naar voorbeeld van internationale initiatieven
zoals het AI Safety Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet houdt
daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten die de overheid en private
organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI.
Vraag 7
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa?
Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen
neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Antwoord 7
Aanbieders van bepaalde AI-systemen, zoals systemen met een hoog risico en AI-modellen
voor algemene doeleinden, inclusief modellen met een systeemrisico, moeten op grond
van de Europese AI-verordening bepaalde informatie over deze systemen openbaar maken.
De regels voor AI-modellen voor algemene doeleinden en die met een systeemrisico zijn
op 2 augustus 2025 in werking getreden. Voor krachtige AI-modellen met systeemrisico’s
gelden volgens deze verordening aanvullende verplichtingen om deze risico’s in kaart
te brengen. Hierdoor hebben lidstaten en de Europese Commissie meer zicht op deze
risico’s. De AI-verordening kent hiervoor een toezichtstelsel, waarbij zowel nationale
toezichthouders als de Europese Commissie nauwlettend toezicht houden op deze risico’s.
Zo kunnen zij hoog-risico AI-systemen die niet aan de verplichtingen voldoen van de
markt halen. Daarnaast vindt er kennisuitwisseling plaats tussen (nationale) toezichthouders,
de Europese Commissie en experts uit de lidstaten binnen de door de AI-verordening
opgerichte Comité voor Artificiële Intelligentie (European AI Board).
Vraag 8
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen
voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de
implementatie van de AI-verordening?
Antwoord 8
De Europese AI-verordening stelt regels aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij
de regels steviger zijn voor dit soort modellen met systeemrisico’s, deze regels zijn
op 2 augustus 2025 in werking getreden. Hier vallen de meest krachtige AI-modellen
onder. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen
waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden
en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop
risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Daarnaast moeten
zij ernstige incidenten en mogelijk corrigerende maatregelen bijhouden. Het toezicht
op al deze modellen is Europees centraal belegd bij de Europese Commissie. Daarnaast
kunnen aanbieders aansluiten bij de Europese General-Purpose AI Code of Practice die op 10 juli 2025 is gepubliceerd. Deze vrijwillige praktijkcode bevat onder andere
informatie over hoe aanbieders kunnen voldoen aan de beveiligingsnormen uit de AI-verordening.
Het kabinet is positief over deze vereisten en stimuleert aanbieders om zich aan te
sluiten bij de praktijkcode. Het is nog niet mogelijk een sluitend oordeel te vellen
over de effectiviteit van deze eisen. Samen met de Europese Commissie en andere lidstaten
houden we de werking van deze vereisten nauwlettend in de gaten en dragen we bij aan
de evaluaties hiervan.
Vraag 9
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid
te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Antwoord 9
Zie antwoord vraag 3.
Vraag 10
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte
samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja,
op welke wijze?
Antwoord 10
Organisaties zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen digitale
weerbaarheid en daarmee onder meer ook voor het voorkomen en detecteren van cyberincidenten.
De recente ontwikkelingen rondom AI benadrukken nogmaals het belang van het versterken
van de digitale weerbaarheid van organisaties en de samenwerking daartoe bij digitale
dreigingen, kwetsbaarheden en incidenten. In Nederland zijn er verschillende organisaties,
zoals CSIRTS, die organisaties kunnen ondersteunen door het geven van adviezen en
handelingsperspectieven, het verstrekken van informatie over dreigingen en incidenten
en het assisteren bij incidentmanagement.
In het geval van grensoverschrijdende incidenten coördineert het Nationaal Cyber Security
Centrum (NCSC), vanuit de Nederlandse overheid, de samenwerking met internationale(cyber)
partners en werkt daartoe intensief samen met die partijen in onder meer het Europese
CSIRT-netwerk. Binnen dit netwerk kunnen CSIRTs snel en effectief operationele informatie
met elkaar uitwisselen met ondersteuning door het European Network and Information
Security Agency (ENISA). Bovendien wordt binnen dit netwerk en diverse andere EU-samenwerkingsverbanden
(zoals de NIS Cooperation Group en het CyCLONe-netwerk) aandacht besteed aan de invloed
van de ontwikkeling van AI-modellen op cybersecurity.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders
van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Antwoord 11
Zoals ook opgenomen in het antwoord op vraag 8 is het nog te vroeg om aanvullende
eisen op te stellen. De verplichtingen vanuit de AI-verordening zijn immers pas recent
van kracht geworden.
Vraag 12
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek
cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Antwoord 12
Aangezien niet alle benodigde informatie op tijd was ontvangen is het niet gelukt
de beantwoording met uw Kamer te delen voor het rondetafelgesprek cyberveiligheid
en informatiebeveiliging van 20 mei 2026.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.