Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Ceulemans en Boomsma over het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad
Vragen van de leden Ceulemans en Boomsma (JA21) aan de Minister van Asiel en Migratie over het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. (ingezonden 18 maart 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 29 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1556.
Vraag 1
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof
inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Antwoord 2
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan asielverzoeken,
inclusief opvang en asielzaken die we niet in behandeling willen nemen op grond van
de Dublinverordening. Zaken die gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en
-vergunningen, laat ik hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde
prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken,
in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021
om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om
14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Vraag 3
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen
tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Antwoord 3
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het Hof van Justitie
van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Vraag 4
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren
op één of enkele specifieke rechter(s)?
Antwoord 4
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden gepubliceerd op openbaar
te raadplegen bronnen. De namen van de rechters worden daarbij vermeld. In zoverre
is dus na te gaan welke rechters daarbij betrokken zijn.
Vraag 5
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende
rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
Antwoord 5
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate bepaald door
de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij dat rechters onafhankelijk en onpartijdig
zijn. In algemene zin merk ik op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier
waarop asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende zittingsplaatsen
van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door alle rechtbanken beroepen tegen
de weigering een verblijfsvergunning asiel te verlenen (of in geval van intrekking)
ter zitting behandeld. De rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van
de Awb verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de individuele
zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het besluit zal mede bepalen
of een rechter aanleiding ziet om al dan niet meer regie te voeren, door een geconstateerd
motiveringsgebrek te laten herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een
meervoudige kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker
aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering
van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet
om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken
wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt.
Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend
wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt,
het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of
iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen.
Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent
aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of
de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger
beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de
rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te
vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat
de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een
verblijfsvergunning asiel.
Vraag 6
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of
de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen?
Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Antwoord 6
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in nationale regelgeving
of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten gewezen vanuit het HvJEU, in zowel
Nederlandse zaken als andere lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder
vergaande impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende
doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te implementeren
was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.2 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het
voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren
omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke
of vernederende behandeling in de zin van artike 4 van het Handvest. Het Hof komt
in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus
van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland
is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing
en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal
Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet
niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere
lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te
krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale
bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er
desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier
en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze
periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het
dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook
omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 20233 waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn
niet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie
in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit land. Ook individuele en persoonlijke
omstandigheden van de vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van
de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder
c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van
17 juli 20244 geoordeeld dat er geen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden
in het kader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er
sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal
of binnenlands conflict is er een verplichting voor de IND om deze individuele aspecten
te betrekken. Indien de mate van willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een
zeer beperkt aantal burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele
omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat de vreemdeling
een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de
Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee extra motiveringslasten terwijl het niet
leidt tot vaker bescherming moeten bieden.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en
tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen
en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden
ziet u om dit effect tegen te gaan?
Antwoord 7
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds complexer en
daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel impact heeft op de uitvoering.
Belangrijk is dat migratierecht uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen
niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding
tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan
het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact
en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt
het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen.
Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet
hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded
lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen
noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte
van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Vraag 8
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen
als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
Antwoord 8
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het asielbeleid. Het
past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al
naar gelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet
of uw Kamer, of actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen
die tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het recht van
de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Het is dus inherent
aan het op Europees niveau willen streven naar één gemeenschappelijk asielsysteem.
Het kabinet acht het niet passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele
gevolgen van de jurisprudentie als «onwenselijk» te typeren. Uiteraard kan het wel
zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat een uitleg van een
Unierechtelijke asielbepaling door het Hof verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering.
Het kabinet zal bij een dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze
uitleg aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de betreffende
Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan zal worden meegenomen.
Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de Nederlandse inzet op het punt van de toetsing
van het beginsel van non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag
heeft gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Vraag 9
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving
op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u
dit toelichten?
Antwoord 9
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de Terugkeerverordening waarin,
in reactie op de uitleg van het Hof van bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele
bepalingen zijn verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief terugkeersysteem.
Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en migratiepact, hebben meerdere
van de Nederlandse standpunten een plaats gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal
het kabinet ook naar aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over
de uitleg van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de uitwerking
daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een aanpassing van de regelgeving.
Het behoud van een efficiënte asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij.
Hierbij is ook van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen
dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag uitbrengt
aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordeningen in
de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.
Vraag 10 en 11
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie-
en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe
te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen
jaren ontwikkeld?
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke
rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Antwoord 10 en 11
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet in de systemen
geregistreerd wanneer een rechtbank naast gegrondverklaring van het beroep tevens
de opdracht geeft om een verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn
geen aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt dit
naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het overige verwijs
ik naar het antwoord op vraag 4.
Vraag 12
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders
of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie
op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december
2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel
en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning
tot nu toe opgeleverd?
Antwoord 12
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Vraag 13
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in
februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot
de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is
om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Antwoord 13
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke
rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat het de taak is van de rechter
om over een concrete zaak te oordelen die aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van
de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden
waaronder de overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de
rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt om in de motivering
daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt genomen niet noodzakelijk is,
maar wat hij toch naar aanleiding van de zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan
bijvoorbeeld een signaal betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of geen hoger
beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen van de vreemdeling worden
meegenomen, als de belangen van de Staat en de samenleving bij rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid vanwege mogelijke precedentwerking.
Vraag 14
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken
en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt
u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Antwoord 14
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als bewindspersoon niet
om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens
aangegeven in het antwoord op vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een
overweging ten overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan bijvoorbeeld
een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering. Rechterlijke uitspraken in zaken die
in de maatschappelijke belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie.
Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de rechtspraak.
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.