Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ellian over het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’'
Vragen van het lid Ellian (VVD) aan de Minister van Asiel en Migratie over het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»» (ingezonden 15 april 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 28 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1829.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»:
«Grootste deel is Palestijn»»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie-
en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»
zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel
procent?
Antwoord 2
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen
met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130
eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger
dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Vraag 3 en 4
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder
de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse
achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door
de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Antwoord 3 en 4
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand
staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in
december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter
bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde
personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke
Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde
personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de
aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet
naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet
worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen
jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse
gebieden.
Vraag 5
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden
geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie
de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge
en onverwachte toename van de asielinstroom?
Antwoord 5
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een
onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke
nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland
geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen
die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland
niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige
Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen
of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos
kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen
dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke
woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond
beoordeeld worden.
Vraag 6
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers
met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft
deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo
ja, wat is hiervan de oorzaak?
Antwoord 6
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en
herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit
en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich
bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND
eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en
of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn
de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag
op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van
een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.
Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die
bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus.
Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer
de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of
onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict),
tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn,
toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van
het geldende kader of landenbeleid.
Vraag 7 en 8
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen
maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken
om een verblijfsvergunning te krijgen?
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen
van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7 en 8
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker
in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op
opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse
beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk
verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel
de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben
gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van
28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien
in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding
van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk,
tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen,
heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend
van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming
heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een
uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële
vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik
de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen.
Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar
zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat
kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen
voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele
organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in
Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie
in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten
dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen
maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk»
worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met
Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en
de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing
voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te
behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland.
Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming
verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling
aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Vraag 9
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met
een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent
u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom
van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar
inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in
belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In
het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten
om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk
is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen,
maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie
en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni
aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
Vraag 10
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden
dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen
worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in
de instroomcijfers?
Antwoord 10
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde
om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een
derde land tegenwerpen als veilig derde land:
i. als er een band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land, op grond waarvan
het redelijk zou zijn naar dat land terug te keren,
ii. als de vreemdeling op weg naar de lidstaat door het land is gereisd, of
iii. als er sprake is van een overeenkomst tussen de Unie, een of meer lidstaten of een
of meer lidstaten en derde landen, enerzijds, en het betreffende derde land anderzijds.
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste
dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND
maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming
vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Vraag 11 en 12
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers
met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit
Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging
wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend
in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in
Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen
hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Antwoord 11 en 12
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven
van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand
een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële
nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele
toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er
daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent
daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke
gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten
en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken
wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of
de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen
van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure.
Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen
te onderkennen die hier op wijzen.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Boomsma (JA21),
ingezonden 15 april 2026 (vraagnummer 2026Z07898).
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.