Motie : Motie van het lid Faber over nederland niet indirect binden aan de islamitische mensenrechten
36 688 (R2205) Goedkeuring van het op 18 december 2023 te Rabat tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering (Trb. 2024, 1)
Nr. 8
MOTIE VAN HET LID FABER
Voorgesteld 28 mei 2026
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de bepalingen uit het verdrag tussen Nederland en Marokko worden
geleid door de wens dat de mensenrechten van elke partij worden geëerbiedigd;
constaterende dat Marokko sinds de oprichting in 1969 van de Organisation of Islamic
Cooperation (OIC) lid is en dat de Verklaring van Caïro in 1990 is geaccepteerd door
het OIC;
overwegende dat de Verklaring van Caïro de islamitische mensenrechten omvat, die haaks
staan op de westerse mensenrechten;
constaterende dat binnen de Verklaring van Caïro alle mensenrechten zijn onderworpen
aan de sharia, die voorziet in onder andere het opleggen van de doodstraf en de ongelijke
behandeling van vrouwen, en die niet voorziet in de vrijheid van godsdienst;
overwegende dat de islamitische mensenrechten een extra blokkade vormen voor uitlevering
naar Marokko;
verzoekt de regering Nederland niet indirect te binden aan de islamitische mensenrechten
die volgen uit de verklaring van Caïro en te onderschrijven dat dit geen factor is
inzake uitlevering,
en gaat over tot de orde van de dag.
Faber
Ondertekenaars
Marjolein Faber, Tweede Kamerlid