Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 23 maart 2026, over de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (36765) en Cyberbeveiligingswet (36764)
36 764 Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333) (Cyberbeveiligingswet)
36 765
Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten
en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten)
Nr. 32
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 28 mei 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid en de vaste commissie voor Digitale
Zaken hebben op 23 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Van Weel, Minister van Justitie
en Veiligheid, over:
– het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees
Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk
niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014
en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022,
L 333) (Cyberbeveiligingswet) (Kamerstuk 36 764);
– het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees
Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke
entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333)
(Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) (Kamerstuk 36 765).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans
De voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken, Dekker
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Tilburg
Voorzitter: Kathmann
Griffier: Paauwe
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van den Berg, El Boujdaini, Emiel van
Dijk, Faber, Kathmann, Martens-America, Vermeer en Zwinkels,
en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
We gaan van start, want we hebben een drukke ochtend waarop we twee wetten bespreken:
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet. De heer Van den
Berg, die naast mij zit, heeft superfancy boekjes, die hij nog uit gaat delen. Hij
laat ze nu even zien. Voor straks bij de tweede termijn wil ik nog even de volgende
bijsluiter geven. Omdat wij twee wetten in één keer bespreken, is het handig voor
de griffie als u bij het indienen van moties even goed aangeeft bij welke wet de motie
hoort.
Dat gezegd hebbende, beginnen we bij de heer Vermeer, want ik weet dat hij zich helaas
rot rent van debat naar debat in dit gebouw. Hij moet helaas zo vertrekken, dus daarom
geef ik als eerste graag het woord aan de heer Vermeer van de fractie van BBB. Uiteraard
ook van harte welkom aan de Minister.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Heel hartelijk dank dat u mij toestaat aan de voorkant te
spreken, zodat ik hier straks weer op een nette manier kan vertrekken.
Voorzitter. Eind april 2025 rond 14.00 uur 's middags werd het plotseling stil in
twintig Nederlandse stadhuizen en provinciehuizen. Dat was niet omdat ambtenaren massaal
aan de lunch zaten, maar omdat hun digitale voordeur met brute kracht werd ingeramd.
Websites van gemeenten en provincies gingen plat door ddos-aanvallen van de pro-Russische
hackersgroep NoName. Dit lijkt misschien een technisch incident, maar het is in werkelijkheid
een politiek signaal, dat laat zien in welke wereld deze Cyberbeveiligingswet landt.
Dat is een wereld waarin digitale ontwrichting geen uitzondering meer is, maar een
dagelijks instrument in wat we inmiddels «hybride oorlogsvoering» noemen. We moeten
daarover eerlijk zijn. Cyberaanvallen zijn niet langer alleen het werk van criminelen
die geld willen verdienen. Steeds vaker zijn het geopolitieke instrumenten, gericht
op onze democratische instituties, onze economie en het vertrouwen van burgers in
de overheid. Wanneer lokale overheden, die het dichtst bij de burger staan, doelwit
worden, dan raakt dat ook direct het vertrouwen in onze publieke sector.
Voorzitter. Onze soevereiniteit in het digitale domein staat steeds vaker onder druk.
Die constatering is niet overdreven, zeker nu de internationale verhoudingen veranderen
en de geopolitieke rugdekking waarop Europa lange tijd kon rekenen, minder vanzelfsprekend
lijkt. Dat betekent dat Nederland zijn eigen digitale weerbaarheid op orde moet hebben.
We moeten onze digitale ophaalbruggen kunnen optrekken wanneer dat nodig is.
Voorzitter. In dat licht begrijpt BBB heel goed waarom deze Cyberbeveiligingswet er
ligt. Met deze wet implementeren we de Europese cyberbeveiligingsregels uit de NIS2-richtlijn.
Het doel is het verhogen van de digitale weerbaarheid van vitale en belangrijke organisaties.
Dat onderschrijven we, maar tegelijkertijd zien we een patroon dat we vaker zien bij
de implementatie van Europese regelgeving: Nederland wil weer het braafste jongetje
van de klas zijn. Boven op de Europese verplichtingen worden nationale koppen gezet.
Regels worden zwaarder, breder of ingewikkelder dan strikt noodzakelijk is. Dat roept
vragen op, zeker omdat het Adviescollege toetsing regeldruk bij deze wet een kritisch
en zelfs negatief advies heeft gegeven over de regeldruk. De vraag aan de Staatssecretaris
is dan ook simpel, of in dit geval aan de Minister; sorry. Waarom kiest dit kabinet
ervoor om dit ondanks dat negatieve advies toch door te zetten, zonder eerst de uitvoerbaarheid
volledig inzichtelijk te maken?
Voorzitter. Vooral onze medeoverheden, provincies, gemeenten en waterschappen, maken
zich grote zorgen. Zij zijn immers niet alleen uitvoerders van beleid; ze worden met
deze wet zelf ook onder toezicht geplaatst. Organisaties zoals het Interprovinciaal
Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten waarschuwen al langere tijd dat
de impact van deze wet zowel financieel als organisatorisch aanzienlijk zal zijn.
Toch lezen wij in de stukken dat de kosten voor decentrale overheden nog in kaart
moeten worden gebracht conform de Financiële-verhoudingswet. Dat baart mijn fractie
zorgen. Daarom heb ik een aantal concrete vragen aan de Minister. Waarom is er geen
volledige Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, een zogenaamde UDO, afgerond
en gedeeld met de Kamer? Wanneer kan de Kamer die toets verwachten? Kan de Minister
toezeggen dat de wet pas volledig in werking treedt wanneer duidelijk is dat provincies
en gemeenten de uitvoering daadwerkelijk aankunnen? Daarnaast speelt natuurlijk de
financiële kant een rol, want we kennen allemaal het principe dat wie beleid maakt,
ook betaalt voor de uitvoering, oftewel: knaken moeten taken volgen. Toch blijft het
op dit punt stil. Is de Minister bereid expliciet te garanderen dat provincies en
gemeentes niet zelf voor de kosten van deze nieuwe verplichtingen opdraaien? Komt
er structurele financiering vanuit het Rijk voor de extra cyberbeveiligingstaken die
deze wet oplegt? Kan hij inzicht geven in de orde van grootte van de kosten waar we
hier over spreken?
Voorzitter. Dan de waterschappen. Voor de BBB zijn onze waterschappen een cruciale
bestuurslaag. Zij zorgen er dagelijks voor dat Nederland droog blijft, dat we schoon
drinkwater hebben en dat onze landbouw kan functioneren. In deze wet worden de waterschappen
aangemerkt als essentiële entiteiten. Dat begrijpen wij, want drinkwater en waterveiligheid
zijn vitale infrastructuur. Maar ook hier gaat het kabinet verder dan de Europese
richtlijn. Ook het keren en beheren van waterkwantiteit wordt onder de wet gebracht,
maar dat is niet verplicht volgens de Europese regels. Met andere woorden, opnieuw
zien we een nationale kop. Daarom hebben wij de volgende vragen. Waarom kiest de regering
ervoor om verder te gaan dan de Europese richtlijn voorschrijft? Welke concrete risicoanalyse
rechtvaardigt deze uitbreiding? Heeft het kabinet de signalen van de waterschappen
serieus genomen dat juist de uitvoeringslast van het Cyberbeveiligingsbesluit voor
hen groot kan worden? Met andere woorden, voegen we hier daadwerkelijk veiligheid
toe of vooral administratieve lasten?
Voorzitter. Een ander punt van zorg ligt in de voedselketen. Voor BBB is die uiteraard
een essentieel onderwerp. De Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, oftewel Wwke, is
een mond vol iets wat in de kern heel simpel zou moeten zijn: hoe beschermen we de
zaken die ons land draaiende houden? BBB vindt het dan ook een goede zaak dat de Wwke
de sector productie, verwerking en distributie van levensmiddelen eindelijk bestempelt
als kritiek en als een sector van maatschappelijk belang. Het is de erkenning waar
BBB al jaren voor pleit, want zonder boeren, zonder voedselproductie, zonder transport
staat Nederland stil. Een land dat zijn eigen voedselketen niet op orde heeft, is
chanteerbaar en kwetsbaar. Die erkenning is terecht, maar erkenning alleen is niet
genoeg. Wat hier dreigt, is een fundamentele tegenstrijdigheid in beleid. Wat hier
gebeurt, is eigenlijk niet uit te leggen aan de mensen. Aan de ene kant bestempelen
we de landbouw en voedselketen als kritiek, als onmisbaar voor onze nationale veiligheid
en weerbaarheid, maar aan de andere kant stapelen we regels, verplichtingen en beperkingen
op: stikstofbeleid, geluidsnormen, geurnormen, vergunningen die op slot zitten. Hierdoor
krijgt juist diezelfde sector het steeds moeilijker om te blijven bestaan.
Voorzitter. Dat is geen consistent beleid, dat is beleid dat zichzelf tegenspreekt,
bijvoorbeeld bij Mercosur. Hier zie je dat we de productie willen beschermen, maar
we zetten wel de deur open voor producten tegen veel lagere standaarden uit Zuid-Amerika.
Wat doet dit kabinet? Het zegt tegen onze boeren «jullie zijn cruciaal», maar tegelijkertijd
maakt dit kabinet het ze bijna onmogelijk om hun werk nog te doen. Dan dringt zich
de fundamentele vraag op of dit kabinet het nu echt meent als het zegt dat de voedselketen
kritiek is. Of is het alleen een mooi label, terwijl het beleid in werkelijkheid gericht
is op het steeds verder inperken en uit het land jagen van diezelfde sector? Wat gaat
het kabinet hieraan doen? Graag een reflectie van de Minister hierop. Geen verwijzing
naar ontijdigheid of andere Ministers a.u.b. Immers, als iets echt van levensbelang
is voor je land, ga je het beschermen, versterken en ondersteunen en niet uitknijpen
met steeds nieuwe regels.
Voorzitter. BBB kiest duidelijk: wie cruciaal is voor Nederland, geef je ruimte. Juist
daar wringt het. Als we kijken naar de praktijk, zien we iets anders gebeuren. De
wet legt verantwoordelijkheden bij grote bedrijven, maar die schuiven hun verplichtingen
weer door naar hun leveranciers. Wie zijn dat? Bijvoorbeeld bij voedselveiligheid
en voedselzekerheid zijn dat de boeren, tuinders, transporteurs, mkb'ers. Dit zijn
ondernemers die vaak niet eens onder deze wet vallen, maar wel geconfronteerd worden
met eisen rond cyberveiligheid, certificering en rapportages. Het zijn eisen waarvoor
zij niet de middelen, kennis of schaal hebben.
Voorzitter. We hebben het al eerder genoemd in diverse debatten, ook over rapportages
rond duurzaamheid: er kan wel een uitzondering komen voor bedrijven onder de 250 medewerkers,
maar zoals de ketenverantwoordelijkheid en ketensystemen werken, vallen mkb-bedrijven
daar ook automatisch onder, want zij moeten juist de informatie aanleveren die grote
bedrijven moeten ... Uhm ... Ik wou «factureren» zeggen, maar ik moet zeggen «rapporteren».
Factureren doen ze zelf wel; daar maak ik mij geen zorgen over. Zo wordt weerbaarheid
in de praktijk een papieren werkelijkheid, die vooral druk legt op de schouders van
de kleinste schakels in de keten, en dat terwijl juist die schakels essentieel zijn.
Zonder boer geen voedsel, zonder mkb geen keten en zonder keten geen zekerheid.
Voorzitter. Hoe voorkomt de Minister dat grote ketenpartners hun verantwoordelijkheden
simpelweg afwentelen op kleine ondernemers? Komt er duidelijkheid over wat wel en
niet redelijk is om van leveranciers te eisen? Wordt, zoals het ATR, het Adviescollege
toetsing regeldruk, adviseert, een volwaardige mkb-toets uitgevoerd, zodat de gevolgen
voor kleine ondernemers vooraf inzichtelijk zijn? Als we de voedselketen echt als
kritiek beschouwen, moeten we ’m ook beschermen, niet alleen tegen cyberdreigingen,
maar vooral tegen beleid dat ’m van binnenuit onder druk zet.
Voorzitter. Dan het toezicht.
De voorzitter:
Voordat u naar het toezicht gaat, heeft u een interruptie van mevrouw Zwinkels van
het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik begrijp het punt van de heer Vermeer als het gaat om het papierwerk dat druk kan
leggen op het mkb, maar tegelijkertijd zie je in de waardeketens die de heer Vermeer
beschrijft juist ook dat die kleinere bedrijven enorm kunnen meeliften op de cyberbeveiligingsmaatregelen
van de grotere bedrijven, en dat ze elkaar zo kunnen versterken en daarop kunnen samenwerken.
Deelt de heer Vermeer dat met mij en kunnen we het op die manier ook als een heel
grote kans zien?
De heer Vermeer (BBB):
Ik zie dat nog totaal niet voor me, dus als mevrouw Zwinkels een voorbeeld zou willen
noemen van hoe ze daarvan kunnen profiteren, dan hoor ik dat graag. Maar het is hier
volgens mij niet de bedoeling om vragen terug te gaan stellen.
De voorzitter:
Nee, dat is niet de bedoeling. Maar het is wel aan mevrouw Zwinkels of zij nog een
interruptie wil plaatsen. Zij heeft zo ook haar inbreng. Misschien komt zij er daarin
op terug. Ik kijk even naar mevrouw Zwinkels of ze nog een interruptie heeft. Ja.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, het kan kort. Ik denk dat er voldoende bedrijven zijn – bij een paar ben ik ook
op bezoek geweest – waar dit aan de orde is, namelijk dat echt grote bedrijven hun
leveranciers juist betrekken bij het beleid op cybersecurity. Ik hoop dat de heer
Vermeer net als ik die kansen ziet. Voor de rest ga ik er in mijn eigen inbreng verder
op in.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk zeker dat grote bedrijven kleinere bedrijven betrekken bij het beleid rond
cybersecurity, maar dat betekent nog lang niet dat ze daarmee praktisch geholpen worden
of dat überhaupt de kosten daarvoor gedeeld worden. Integendeel. Als er ook maar iets
van een maatregel is die kostprijsverhogend werkt, dan is het over het algemeen zo
– dat hebben we ook gezien bij de bakkers met de energieprijzen – dat men zegt «ja,
maar dat is jullie bedrijfsaansprakelijkheid en jullie bedrijfsrisico; dat zijn jullie
bedrijfskosten». Het klinkt dus mooier dan het is. Ik hoop dat mevrouw Zwinkels dit
met fantastische voorbeelden gaat onderbouwen en dat wij dat ook in de praktijk gaan
zien. Maar ik heb er vanuit mijn eigen ervaringen zware bedenkingen over hoe dat uiteindelijk
uitpakt voor de kleinere bedrijven.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, u kunt verder met uw betoog.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Dan het toezicht. In verschillende sectoren zien we dat meerdere toezichthouders
erbij betrokken raken. Een voorbeeld is de nucleaire sector, waar de Autoriteit Nucleaire
Veiligheid en Stralingsbescherming al toezicht houdt, terwijl in dit wetsvoorstel
ook de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een rol krijgt. Het kabinet zegt
dat er samenwerkingsafspraken komen tussen de toezichthouders, maar eerlijk gezegd
is dat nogal vaag en klopt het, denk ik, ook niet met de kaders en taken die zij toebedeeld
gekregen hebben, omdat die duidelijk zijn over wat zij allemaal zelf moeten doen.
Organisaties willen duidelijkheid. Zij willen weten waar ze aan toe zijn als er een
incident plaatsvindt. Daarom de volgende vragen. Hoe wordt voorkomen dat organisaties
met meerdere toezichthouders tegelijk te maken krijgen? Kan de Minister garanderen
dat één incident niet leidt tot meerdere onderzoeken en meerdere sancties? Is de Minister
bereid om, zoals het IPO voorstelt, een wettelijk verbod op dubbele boetes op te nemen?
Dat zou een hoop onzekerheid wegnemen.
Voorzitter. Dan de evaluatie van deze wet. Volgens het wetsvoorstel wordt de wet pas
na vijf jaar geëvalueerd. Op veel beleidsterreinen is dat een redelijke termijn, maar
in de digitale wereld verandert alles razendsnel. Technologie ontwikkelt zich sneller
dan wetgeving kan bijhouden. Daarom adviseert het ATR om al na één jaar een eerste
evaluatie uit te voeren. Waarom wordt dit advies niet overgenomen? Is de Minister
bereid om in ieder geval een tussentijdse evaluatie na een of twee jaar te organiseren,
zodat we tijdig kunnen bijsturen? Deze wet raakt naar schatting ruim 8.000 organisaties
direct. Dan lijkt het BBB verstandig om eerder te luisteren naar de ervaringen uit
de praktijk.
Voorzitter, ik rond af. De digitale luwte waarin Nederland lange tijd heeft geopereerd,
bestaat niet meer. Cyberaanvallen worden agressiever, geopolitieke spanningen nemen
toe en digitale infrastructuur is een strategisch doelwit geworden. Juist daarom is
het belangrijk dat we onze digitale weerbaarheid versterken. Laten we er echter ook
voor zorgen dat we een ophaalbrug bouwen die daadwerkelijk beschermt, en niet een
constructie die zo zwaar is dat onze eigen medeoverheden en ondernemers eronder bezwijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. U heeft een interruptie van de heer Van den Berg van
JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank aan de heer Vermeer voor zijn bijdrage. Ik hoor best wel wat interessante punten
terugkomen. Wij delen dezelfde zorgen op het gebied van toezicht op elkaar door de
ANVS, zoals benoemd, maar ook wat betreft de evaluatietermijn en als laatste ook nog
de dubbele boetes. Zou het in deze fase niet veel beter zijn om dat zelf als Kamer
te amenderen, zodat we er zeker van zijn dat we zelf de regie kunnen pakken? Zoals
u zegt, verandert de wereld namelijk inderdaad snel.
De heer Vermeer (BBB):
Als Kamer worden wij geacht kaders te stellen en te controleren. Ik heb liever dat
de Minister, vanuit de volle overtuiging dat dit goede ideeën zijn, zelf nog met een
nota van wijziging komt, dan dat wij dat allemaal moeten gaan amenderen. Dat is niet
omdat ik bang ben voor extra werk, want volgens mij liggen er al een aantal voorstellen
van verschillende leden voor, maar omdat ik vind dat hier ook binnen de ministeries
goed over moet worden nagedacht en dat men dit ook moet internaliseren. Dat werkt
beter als men het zelf aanpast dan als wij een onderdeeltje eruit gaan amenderen.
De heer Van den Berg (JA21):
Daar ben ik het eigenlijk ook helemaal mee eens. Ik heb zelf de stukken doorgenomen
en ik moet zeggen dat ik net als u wel verrast was dat die evaluatietermijn op vijf
jaar staat. Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig hoe de heer Vermeer ernaar kijkt dat
het ministerie tot zulke conclusies is gekomen. Ik blijf dat bijzonder vinden.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk dat ministeries hun tijd liever niet aan evaluaties besteden, zeker op korte
termijn. Als zo'n wet doorgevoerd wordt, duurt het vaak vrij lang voordat je daarvan
de effecten zou kunnen zien. Dat is in ieder geval het algemene idee. Als je nu al
ziet wat voor reacties er allemaal op de wet zijn, zou ik zeggen: ga hem eerst eens
even aanpassen. Daarnaast lijken evaluatietermijnen van twee of drie jaar veel redelijker,
met name omdat dingen op het gebied van digitale zaken zo snel veranderen, zoals ik
aangaf. Dan is een evaluatie op korte termijn het beste, al is het maar om de Kamer
daarmee de kans te geven zich er even op te focussen en vervolgens ook met wijzigingsvoorstellen
te komen aan de hand van signalen uit sectoren of juridische procedures et cetera.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank, voorzitter, Minister en alle aanwezigen, fysiek en digitaal. Het is goed dat
de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vandaag op de agenda
staan. Cyberbeveiliging en een weerbare maatschappij zijn tenslotte zeer belangrijk.
Vandaag behandelen wij de implementatie van de Network and Information Security Directive 2,
die eigenlijk al in 2024 geïmplementeerd had moeten worden. Het is duidelijk dat we
deze termijn niet hebben gehaald. Hoewel deze wetten nauw met elkaar verbonden zijn,
richten zij zich op verschillende terreinen en hebben zij een andere uitwerking. De
Cyberbeveiligingswet richt zich voornamelijk op de digitale veiligheid en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten ziet op de fysieke weerbaarheid.
Als je beide wetten inhoudelijk bekijkt, wordt al snel duidelijk dat grove verschillen
zichtbaar zijn. De Cyberbeveiligingswet noemt specifiek de CSIRT's, de Computer Security
Incident Response Teams, voor bijstand bij incidenten. In de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten wordt daarentegen geen specifiek fysiek Incident Response Team benoemd,
maar ligt de nadruk op ondersteuning door de vakminister, terwijl de Minister van
Justitie en Veiligheid als centraal contactpunt de nationale en internationale coördinatie
verzorgt. Ook wat betreft de meldplicht lijkt de Cyberbeveiligingswet strikter. Om
aan de meldplicht te voldoen, wordt de melder geacht vier fasen te doorlopen, in tegenstelling
tot de meldplicht in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, die slechts bestaat
uit twee fasen. Eveneens ontbreekt in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten de bestuurlijke
trainingsverplichting in zijn geheel. Dit zijn pas enkele verschillen. Of de wetten
dan ook gezamenlijk besproken hadden moeten worden, gezien de complexiteit, blijft
de vraag.
Voorzitter. Nederland heeft belang bij heldere en goed werkende wetgeving. Deze twee
wetten, die nu en in de toekomst van groot belang zullen zijn, moeten niet onderschat
worden. Ondanks dat vele entiteiten duidelijkheid willen en behoefte hebben aan een
snelle implementatie vinden wij dat implementatie pas verantwoord is zodra alle onduidelijkheden
zijn weggenomen, zodat entiteiten daadwerkelijk weten waar zij aan toe zijn. Daarbij
is het zo dat nog niet alle bedrijven zijn benoemd als belangrijke, essentiële of
kritieke entiteit. Hoewel de entiteiten worden ondergebracht in een van de drie soorten
entiteiten en de desbetreffende sector daarbij leidend is, zijn sommige entiteiten
nog niet aangewezen. Als belangrijke of essentiële diensten zijn bijvoorbeeld wel
de drinkwatersector en de vervoersector aangewezen. Deze sectoren worden beschermd
tegen ontwrichting. Als kritieke entiteiten zijn onder andere de gassector, elektriciteitssector
en de oliesector aangewezen. Deze sectoren moeten beschermd worden tegen sabotage,
natuurrampen en terroristische misdrijven. De wetten zijn al een aan aantal reparaties
onderworpen geweest, laten we de wetgeving dan ook pas implementeren als deze echt
gereed is.
Net zoals de Minister de belangrijke zaken vaak in blokjes bespreekt, zal ik ook vandaag
in blokjes de punten afgaan.
Voorzitter. Het eerste blokje betreft de bestuurlijke boete. Dit is mijn eerste punt.
De Minister geeft in de schriftelijke beantwoording aan dat de hoogte van de maximale
boetes voortvloeit uit de NIS2-richtlijn en dat bij de toepassing daarvan het evenredigheidsbeginsel
uit de Algemene wet bestuursrecht leidend is. Maar juist op dat punt blijft voor mijn
fractie een belangrijke vraag liggen. Het gaat hier namelijk om zeer substantiële
bedragen; boetes kunnen oplopen tot wel 7 à 10 miljoen euro of zelfs tot 2% van de
omzet – dus niet van de winst, maar van de omzet. Dat zijn bedragen die in absolute
zin voor elke organisatie groot zijn, maar die in relatieve zin heel verschillend
kunnen uitpakken. Ondanks het feit dat microbedrijven en kleine bedrijven buiten het
toepassingsbereik van de Cyberbeveiligingswet vallen, blijft er bij JA21 zorg bestaan
voor de middelgrote ondernemingen. Voor de mensen thuis: dit zijn dus entiteiten met
50-plus werknemers en bedrijven die jaarlijks meer dan 10 miljoen euro aan omzet genereren.
Om het concreet te maken: een onderneming met een omzet van 100 miljoen euro wordt
door een boete van bijvoorbeeld 7 miljoen euro relatief zwaarder geraakt dan een onderneming
met een omzet van 500 miljoen euro. In dat laatste geval is de financiële impact beperkter
in verhouding tot de schaal van de organisatie.
In tegenstelling tot de Cyberbeveiligingswet kan dit in de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten ook kleinere kritieke entiteiten omvatten omdat het toepassingsbereik gebaseerd
is op het belang van de entiteit voor de fysieke infrastructuur, ongeacht de omvang
van de organisatie. Dat verschil in reikwijdte maakt het extra belangrijk om helder
te hebben hoe de boetes en de handhavingspraktijk proportioneel en effectief worden
toegepast.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een verhelderende vraag. De heer Van den Berg heeft het over de verhoudingen
tussen een groot en een klein bedrijf. Hij sprak over 500 miljoen omzet tegenover
100 miljoen omzet. Maar het gaat in feite toch om de winst, om wat je overhoudt? Je
kunt een bedrijf hebben met 500 miljoen dat maar 1 miljoen winst heeft en je kunt
een bedrijf hebben van 100 miljoen dat 50 miljoen winst heeft. Dus volgens mij gaat
de vergelijking enigszins mank.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik snap dat punt van zorg, maar het gaat in deze wet alleen over een boete die is
gebaseerd op de omzet en niet op de winst. Daar wordt dus inderdaad geen rekening
mee gehouden. Om het te illustreren het volgende. Stel dat je een bedrijf hebt met
een omzet van 100 miljoen euro. Dan val je dus onder die maximale tranche van 10 miljoen
euro aan boete. Dat is dus 10%. Maar voor een bedrijf dat 500 miljoen euro groter
is, valt onder de boete van 2%. Kortom, hoe groter je bent, hoe lager de relatieve
zwaarte van de boete. Dat vinden wij een bezwaar.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind toch dat u het winstaspect hierin niet meeneemt. Dat zou u juist wel mee moeten
nemen, want hoeveel je overhoudt, heeft ook te maken met winst. Dat bepaalt hoe zwaar
de boete is. Ik geef toe dat als de omzet hoger is, de boete lager kan zijn. Maar
je moet het ook zien in relatie tot de winst.
De heer Van den Berg (JA21):
Zoals ik al zei, ben ik het daarmee eens. Ik heb daartoe een amendement in voorbereiding
dat zegt dat je dat proportionele aspect moet afwegen bij het bedrijf: hoe staat het
bedrijf ervoor en heeft het al eerder overtredingen begaan? Dan is het duidelijk wat
het kader is. Ik denk dat winst daar wellicht een onderdeel van zou kunnen zijn, maar
feit is hier wel dat bij een kleiner bedrijf de relatieve zwaarte van de boete in
het meest ongunstige geval toch hoger kan uitvallen. Dat vinden wij eigenlijk een
heel slecht signaal aan de markt. Daar moet je gewoon gelijk in zijn, of het nou gaat
om een groot of klein bedrijf.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, u kunt verder met uw betoog.
De heer Van den Berg (JA21):
In omliggende landen – denk aan Frankrijk, Estland, Duitsland en België – waar het
wetsvoorstel reeds is geïmplementeerd of zich nog in de implementatiefase bevindt,
valt op dat dezelfde maxima worden gehanteerd, maar dat de praktische toepassing veel
meer maatwerk kent dan vandaag bij ons voorligt. Dat werd al even genoemd. Boetes
worden aangepast aan de omvang en financiële draagkracht van de organisatie, er wordt
gewerkt met omzetgerelateerde berekeningen of gefaseerde handhaving, en toezichthouders
geven vaak eerst waarschuwingen of richten zich op het afdwingen van compliance voordat
hoge boetes worden opgelegd, zodat kleine entiteiten niet disproportioneel zwaar worden
getroffen. De Minister geeft aan dat ook in Nederland in de praktijk vaak eerst met
waarschuwingen wordt gewerkt. Dat is op zichzelf positief, maar het verschil lijkt
te zijn dat het in andere landen meer structureel en expliciet is ingericht, terwijl
het hier vooral als praktijk wordt beschreven.
Ik wil de Minister daarom ook het volgende vragen. Hoe kijkt hij naar deze methode
die andere landen hanteren? Ziet hij mogelijkheden om in Nederland een vergelijkbare
praktijk te volgen om zowel middelgrote als kleinere entiteiten te beschermen? Mijn
volgende vraag aan de Minister is: hoe wordt in de praktijk voorkomen dat dit boetesysteem
juist leidt tot een ongelijke uitwerking tussen kleine en grote entiteiten? De verwijzing
naar het evenredigheidsbeginsel is op zichzelf belangrijk, maar dat blijft ook vrij
abstract. Kan de Minister daarom concreet toelichten op welke wijze bij het bepalen
van de hoogte van een boete rekening wordt gehouden met de omvang en de draagkracht
van een onderneming? Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar de omzet of andere financiële
indicatoren zoals winst? Als dat niet structureel gebeurt, hoe voorkomt de Minister
dan dat kleine organisaties in de praktijk relatief zwaarder worden getroffen dan
grotere spelers, terwijl het doel van deze wet juist is om de weerbaarheid in de gehele
breedte te versterken? Graag een nadere, concrete toelichting op dit punt.
Voorzitter. Als tweede punt wil ik namens de fractie van JA21 graag ingaan op mogelijke
groepsregistratie bij de meldplicht voor multinationals. Het gaat hierbij om grote
organisaties die uit meerdere entiteiten bestaan, zoals moeder- en dochterondernemingen,
waarbij de vraag is hoe de meld- en registratieplicht van de Cyberbeveiligingswet
in de praktijk voor hen wordt vormgegeven. In een nota van toelichting op het Cyberbeveiligingsbesluit
staat dat er wordt gewerkt aan een functionaliteit in het meld- en registratieportaal
waarmee groepen van entiteiten meerdere entiteiten binnen een groep kunnen bundelen
voor registraties en meldingen. Dat is een belangrijke stap. Kan de Minister toelichten
wanneer deze functionaliteit beschikbaar is en hoe precies wordt omgegaan met moeder-
en dochterondernemingen? Hoe wordt voorkomen dat een entiteit die in meerdere sectoren
actief is, dubbel of tegenstrijdig wordt geregistreerd of gemeld?
Voorzitter. Mijn derde punt: de samenloop tussen de Cyberbeveiligingswet en de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten. Het uitgangspunt is dat alleen binnen de digitale
sector de Cyberbeveiligingswet als lex specialis voorgaat. In andere gevallen kunnen
entiteiten dus gewoon onder beide wetten vallen. Dat betekent dat niet alleen in de
energiesector, maar ook in sectoren als vervoer, drinkwater, gezondheidszorg en de
productie, verwerking en distributie van de levensmiddelensector, organisaties met
beide wetten te maken kunnen krijgen. Het kabinet geeft aan dat het doel is om administratieve
lasten te beperken, onder andere door afstemming en informatie-uitwisseling tussen
de bevoegde autoriteiten. Dat is het belangrijkste uitgangspunt. Maar daarbij wordt
vooral gekeken naar de meld- en registratieplicht. Zo wordt duidelijk dat er één centraal
meldpunt zal komen en de risicobeoordeling samengenomen mag worden. Wat echter onderbelicht
blijft, is het risico op dubbel toezicht.
Dit beeld wordt bevestigd door de Autoriteit Persoonsgegevens, die aangeeft dat het
huidige stelsel leidt tot inefficiënt toezicht. Waar sectorale toezichthouders slechts
zicht hebben op hun eigen domein, beschikt de Autoriteit Persoonsgegevens over een
breder, sectoroverstijgend beeld. Juist dat totaaloverzicht ontbreekt nu in de samenwerking,
terwijl cyberbedreigingen zich niet beperken tot één sector. Daarnaast waarschuwt
de Autoriteit Persoonsgegevens dat zonder goede afstemming, organisaties bij incidenten
met meerdere toezichthouders te maken kunnen krijgen die vergelijkbare informatie
opvragen, wat in crisissituaties dan weer zeer onwenselijk is.
De Minister benadrukt dat het uitsluiten van volledige overlap niet mogelijk is. Wel
hebben toezichthouders op grond van artikel 55 Cyberbeveiligingswet en artikel 25
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten de verplichting om zo veel mogelijk samen te
werken bij toezicht op de entiteiten. De heer Vermeer noemde dit net al. Tegelijkertijd
blijft het formeel zo dat het toezicht vanuit beide wetten naast elkaar blijft bestaan,
met eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Samenwerking en informatie-uitwisseling
zijn natuurlijk belangrijk, maar bieden op zichzelf nog geen garantie dat dubbel toezicht
in de praktijk wordt voorkomen.
Mijn vragen. Hoe wordt voorkomen dat een en dezelfde entiteit te maken krijgt met
parallel toezicht door meerdere toezichthouders, ieder vanuit een eigen wettelijk
kader? Betekent dit in de praktijk dat bedrijven alsnog met verschillende inspecties,
beoordelingen en handhavingslijnen te maken kunnen krijgen? Kan de Minister concreet
toelichten hoe dit wordt gecoördineerd? Is er sprake van één leidende toezichthouder
of blijft het bij samenwerking tussen meerdere autoriteiten? Hoe wordt geborgd dat
dit voor bedrijven daadwerkelijk leidt tot minder lasten in plaats van een stapeling
van toezicht? Kan de Minister bovendien reflecteren op een alternatief waarbij de
coördinatie sterker wordt geborgd, bijvoorbeeld door te werken met één leidende toezichthouder
per entiteit, een soort van one audit-principe, of een meer geïntegreerde handhavingsaanpak?
Voorzitter. Ik zou graag willen ingaan op mijn vierde punt. Artikel 18 van het Cyberbeveiligingsbesluit
gaat over een specifieke en vergaande bevoegdheid van de overheid in het kader van
nationale veiligheid. Op grond van dit artikel kan een vakminister, in overeenstemming
met de Minister van Justitie en Veiligheid, een entiteit verplichten om producten
of diensten van bepaalde leveranciers te weren uit kritieke onderdelen van hun netwerk
en informatiesystemen. Deze bevoegdheid kan worden ingezet wanneer er risico's zijn
voor de nationale veiligheid, bijvoorbeeld als een leverancier mogelijk onder invloed
staat van een staat die offensieve cyberactiviteit tegen Nederland ontplooit. Het
gaat dus om situaties waarin de betrouwbaarheid van leveranciers direct raakt aan
de veiligheid van vitale infrastructuur. Het is wel wonderlijk dat de artikelen van
het Cyberbeveiligingsbesluit niet onder de relevante documenten zijn geschaard, maar
dat dit document enige tijd geleden wel is verstuurd naar de Kamer en dat het Cyberbeveiligingsbesluit
bovendien wel door de Raad van State wordt aangehaald.
Voorzitter. De Minister heeft eerder duidelijk gemaakt dat artikel 18 van het Cyberbeveiligingsbesluit
wordt gezien als een nadere uitwerking van de zorgplicht uit artikel 21 uit de Cyberbeveiligingswet,
en dat het daarom op het niveau van een algemene maatregel van bestuur is geregeld.
Tegelijkertijd roept dit bij de fractie van JA21 wel een fundamentele vraag op. De
bevoegdheid om specifieke leveranciers te weren uit kritieke onderdelen van systemen
is namelijk geen technische uitwerking, maar een zeer ingrijpende maatregel met grote
gevolgen voor bedrijven. Kan de Minister aangeven of dat besluit wel relevant is en
of wij hier wel of niet over stemmen? En, zo ja, wanneer zullen wij hierover stemmen?
Kan de Minister toelichten waarom ervoor is gekozen om deze bevoegdheid niet op wetsniveau
zelf te regelen, maar in lagere regelgeving?
Daarnaast blijft het punt van de totstandkoming knellen. Deze bepaling is pas in een
laat stadium toegevoegd en heeft geen onderdeel uitgemaakt van de formele internetconsultatie.
De Minister geeft aan dat er wel gesprekken zijn gevoerd met koepelorganisaties, maar
kan hij toelichten hoe breed en transparant deze consultatie is geweest en of alle
relevante partijen daar bij betrokken zijn? Wat is de achterliggende reden van het
feit dat deze bepaling later is toegevoegd?
Tot slot op dit punt – niet getreurd, we zijn net over de helft – hoor ik graag hoe
de Minister de rechtszekerheid voor bedrijven waarborgt. Op basis van welke concrete
criteria wordt bepaald dat een leverancier een risico vormt en hoe voorspelbaar is
dit voor bedrijven die afhankelijk zijn van dergelijke leveranciers en, niet te vergeten,
onderaannemers?
Punt vijf, voorzitter. Naast de inhoudelijke bepalingen over boetes en zorgplicht
wil ik namens JA21 ook ingaan op de evaluatie van de Cyberbeveiligingswet. Artikel 94
van het Cyberbeveiligingsbesluit legt nu vast dat de eerste formele evaluatie uiterlijk
vijf jaar na inwerkingtreding plaatsvindt en daarna elke drie jaar. In de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten is in artikel 41 een evaluatietermijn van vier jaar opgenomen,
maar verder wordt er geen terugkerende evaluatietermijn genoemd.
Mijn fractie overweegt het artikel te amenderen op korte termijn, zodat er wel een
terugkerende evaluatietermijn aanwezig is. De fractie van JA21 maakt zich zorgen over
deze termijn, omdat digitale dreigingen en kwetsbaarheden in vitale sectoren snel
kunnen veranderen. In een dreigingslandschap dat voortdurend evolueert kan een evaluatie
van vijf of vier jaar betekenen dat cruciale knelpunten in de praktijk te lang onopgemerkt
blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de meldplicht, de zorgplicht en de toepassing
van bestuurlijke boetes. Een termijn van maximaal twee jaar zorgt ervoor dat de wet
tijdig kan worden bijgestuurd, wanneer blijkt dat onderdelen niet effectief zijn of
niet praktisch uitvoerbaar zijn zonder dat er grote risico's voor entiteiten of de continuïteit van vitale
processen ontstaan. Bovendien sluit een kortere evaluatietermijn beter aan bij het
doel van de wet, namelijk het beschermen van vitale infrastructuur en het waarborgen
van digitale veiligheid, terwijl bedrijven snel duidelijkheid krijgen over wat er
van hen verwacht wordt.
De fractie van JA21 vindt een termijn van vier of vijf jaar voor de eerste evaluatie
veel, maar dan ook veel te lang. Heel eerlijk: toen ik de wet voor het eerst las,
kon ik niet geloven dat we voor zo'n lange termijn hebben gekozen. De wereld verandert
snel, zeker op het gebied van digitalisering. We begrijpen de wens om aan te sluiten
bij de evaluatiecyclus van de Europese Commissie, maar de risico's voor Nederlandse
entiteiten, vooral in vitale sectoren, kunnen sneller veranderen dan de EU-cyclus
aangeeft. Hoewel de Minister aangeeft dat essentiële onderdelen via lagere regelgeving
kunnen worden aangepast, geldt dat niet voor de kern van de wet, zoals de definitie
van «essentiële entiteiten» of de zorg- en de meldplicht.
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft bovendien geadviseerd één jaar na de inwerkingtreding
van zowel de Cyberbeveiligingswet als de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten een
invoeringstoets uit te voeren. Ook heeft het ATR aangegeven dat het kostenplaatje
te rooskleurig en onvolledig is. Belangrijke kostenposten, zoals verplichte audits
en inspecties, zijn nog niet volledig meegenomen. Daarom wijst het ATR op de eenmalige
kennisnamekosten voor bedrijven, die oplopen tot circa 7,8 miljoen voor de ruim 8.000
betrokken organisaties.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik vind het punt van een kortere evaluatietermijn wel interessant. Tegelijkertijd
denk ik ook wel dat het praktisch ondoenlijk is om elk jaar of elke twee jaar een
hele uitgebreide evaluatie te doen en dan ook nog een keertje de wet te wijzigen.
Als we bijna om het jaar de wet aanpassen en bedrijven weer moeten nadenken over waar
ze nu weer aan moeten voldoen, dan zou dat namelijk ook heel veel regeldruk met zich
meebrengen. Ik ben toch wel benieuwd of de heer Van den Berg het met mij eens is dat
we in de wet een goede basis moeten neerzetten en we er tegelijkertijd in de praktijk
voor moeten zorgen dat we met elkaar alle ontwikkelingen bijhouden – dat deel ik van
harte met hem – zodat we bedrijven daarop kunnen bijsturen of van informatie kunnen
voorzien om daarop te reageren. Deelt hij dat met mij? Deelt hij, tot slot, ook met
mij dat we de evaluatietermijnen van beide wetten misschien met elkaar gelijk moeten
gaan trekken?
De heer Van den Berg (JA21):
Allereerst dank voor de kans om een slok water te nemen. Ik ben het wel met mevrouw
Zwinkels eens dat je dat niet te frequent moet doen, maar feit is wel dat het Adviescollege
toetsing regeldruk niet voor niets heeft geadviseerd eerst met zo'n invoeringstoets
te beginnen. Dat is eigenlijk de eerste check, zo van: is dit nou goed gegaan en pakt
de wet uit zoals we beoogd hebben? Daarna kan er natuurlijk een evaluatietermijn komen
die terugkerend en langer is. Maar specifiek voor de Cyberbeveiligingswet: vijf jaar?
Vijf jaar geleden hadden we nog niet eens ChatGPT en vijf jaar vanaf nu is er wellicht
al kwantumtechnologie. In dat perspectief denk ik dat vijf jaar veel te lang is. In
die zin zou een evaluatietermijn van twee jaar een eerste stap zijn. Als blijkt dat
dat te frequent is, kunnen we dat altijd nog bij zo'n evaluatietermijn weer verlengen.
Ik ben het helemaal eens met het laatste punt van mevrouw Zwinkels over het synchroniseren
van die termijnen. Juist omdat we het hier vandaag samen behandelen en die wetten
ook zo veel samenhang hebben – denk bijvoorbeeld aan die meld- en zorgplicht en aan
het feit dat als je kritiek bent voor de ene wet, je essentieel bent voor de andere
– denk ik: er zit zo veel overlap in, dus synchroniseer dat inderdaad. Daar heb ik
ook een amendement voor. Ik denk dat dit uiteindelijk ook goed zou zijn voor het wetgevingsproces
hier omdat het sneller gaat en omdat het doel van de wet, namelijk weerbaarheid in
de maatschappij, verder wordt ondersteund.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, u kunt verder met uw betoog.
De heer Van den Berg (JA21):
Nogmaals dank. Voor de overheid gaat het om een structureel bedrag dat oploopt tot
circa 82,8 miljoen euro per jaar vanaf 2028, verdeeld over meerdere ministeries, voor
onder andere toezicht, het centrale contactpunt en de versterking van de CSIRT's.
Voor het bedrijfsleven wordt de structurele last van meldplicht geraamd op ongeveer
€ 400.000 tot € 450.000 per jaar – dat is gebaseerd op zo'n 1.000 meldingen – en een
kostprijs van circa € 432 per melding. Dat roept de vraag op of we hier wel een volledig
beeld hebben van de werkelijke regeldruk. In het verlengde hiervan merken ook decentrale
overheden, zoals de waterschappen, op dat een grondige impactanalyse voorafgaand aan
de inwerkingtreding ontbreekt. Juist bij wetgeving die zo veel verantwoordelijkheid
bij decentrale partijen legt, is het essentieel om vooraf inzicht te hebben in uitvoerbaarheid,
kosten en capaciteit. Het risico bestaat nu dat deze toets pas achteraf plaatsvindt,
terwijl bijsturen dan complexer en bovendien ook kostbaarder is.
Hoe rechtvaardigt de Minister het feit dat decentrale partijen verantwoordelijk worden
gemaakt voor de uitvoering van deze wet, terwijl er vooraf geen volledig inzicht bestaat
in de praktische en financiële gevolgen? Kan de Minister verder toelichten of hij
bereid is om de initiële evaluatieperiode te verkorten, bijvoorbeeld tot maximaal
twee jaar, zodat Nederland sneller kan bijsturen als blijkt dat onderdelen van de
wet in de praktijk niet goed werken? Hoe verhoudt zich dit tot de invoeringstoets
die het ATR adviseerde? Kan de Minister bovendien toelichten of hij bereid is om,
mede in het licht van de invoeringstoets, expliciet te bezien hoe deze kosten, zowel
voor de overheid als voor het bedrijfsleven, verder kunnen worden beperkt? En kan
hij toezeggen dat er bij de invoeringstoets niet alleen wordt gekeken naar de werking
van de wet, maar ook concreet naar de daadwerkelijke regeldruk in de praktijk, zodat
waar nodig tijdig kan worden bijgestuurd? Kan de Minister tot slot aangeven waarom
er geen terugkerende evaluatietoets aanwezig is bij de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Voorzitter. Dan punt zes. Verder wil ik ingaan op de problematiek rondom de invulling
van de zorgplicht. De invulling van de zorgplicht blijft ruim en vaag, waardoor het
voor entiteiten lastig blijft om te bepalen of zij de zorgplicht op de juiste wijze
hebben benaderd. Bedrijven moeten zelf inschatten wat proportioneel en effectief is
voor hun specifieke risico's, waardoor praktische onzekerheid blijft bestaan. Zodra
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten in werking treedt, hebben entiteiten immers
tien maanden de tijd om die risicoanalyses uit te voeren. Partijen als FMO, VNO-NCW
en de Unie van Waterschappen vroegen al om meer duidelijkheid bij het erkennen van
bestaande normenkaders. Eveneens uitte de laatste instantie zorgen over het feit dat
het zonder risicobeoordeling vanuit het ministerie onmogelijk is om een eigen risicoanalyse
uit te voeren op grond van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
De Minister heeft eerder aangegeven dat het voor bedrijven inderdaad lastig blijft
om te bepalen welke maatregelen passend en evenredig zijn. Wel zegt de Minister dat
er verschillende maatregelen kunnen worden genomen met betrekking tot het uitvoeren
van de desbetreffende zorgplicht. Zo zegt de Minister dat de desbetreffende vakminister
bijvoorbeeld ondersteuning kan bieden en dat er handreikingen opgesteld kunnen worden.
Ook wordt momenteel een richtsnoer ontwikkeld door de Europese Commissie. Eveneens
zal de toezichthouder per sector bepalen of de entiteit aan de zorgplicht heeft voldaan.
Tot slot kunnen nadere regels eventueel via ministeriële regelingen worden vastgesteld.
Men kan zich afvragen of dit niet thuishoort in formele wetten. De Minister benadrukt
dat de open norm leidend blijft. Voor entiteiten blijven daarmee echter wezenlijke
vragen onbeantwoord. Welke concrete eisen gelden ten aanzien van bijvoorbeeld firewalls?
Welk niveau van monitoring wordt verwacht? En hoe verhouden nieuwe technologieën zoals
kwantumencryptie zich tot deze open zorgplicht?
Voorzitter. Wat JA21 ook opvalt in de beantwoording, is dat er vaak wordt gesproken
in termen als «kan», «kunnen» en «zal worden ontwikkeld». Dat wijst erop dat veel
van de nadere invulling van de zorgplicht nog niet vastligt, maar invulling is van
toekomstige uitwerkingen of beleidskeuzes, en dat de beoordeling daarvan kan verschillen
per sector of toezichthouder. Het feit dat er momenteel nog geen concrete en eenduidige
maatstaf bestaat, roept zorgen op bij mijn fractie. Kan de Minister toelichten hoe
wordt geborgd dat entiteiten op dit moment al voldoende duidelijkheid hebben over
wat er concreet van hen wordt verwacht? Hoe wordt voorkomen dat hierdoor rechtsongelijkheid
ontstaat tussen sectoren en dat bedrijven geconfronteerd worden met verschillende
interpretaties van dezelfde zorgplicht? Kan de Minister uitleggen hoe deze open norm
zich verhoudt tot de mogelijkheid van hoge bestuurlijke boetes als voor bedrijven
niet vooraf duidelijk is wanneer zij precies aan de norm voldoen? Kan de Minister
eveneens toelichten wanneer deze verschillende handvatten en duidelijke richtlijnen
daadwerkelijk worden geboden in het kader van de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten?
Voorzitter. Dan de Cariben – een zonnige invalshoek. Mijn fractie wil ook graag stilstaan
bij de positie van Caribisch Nederland. In het coalitieakkoord is juist benadrukt
dat deze delen van Nederland beter betrokken moeten worden bij nationale wetgeving,
zeker waar het gaat om veiligheid en weerbaarheid. Ook zou deze wet expliciet geldig
zijn in het gehele Koninkrijk. Tegelijkertijd stelt de Minister dat de Cyberbeveiligingswet
en de implementatie van de NIS2-richtlijn op dit moment niet uitvoerbaar zijn voor
Caribisch Nederland.
Dat roept bij mijn fractie enkele vragen op. Betekent dit dat vitale entiteiten in
Caribisch Nederland voorlopig minder beschermd zijn tegen digitale dreigingen dan
Europees Nederland? Daarnaast hoor ik graag van de Minister wat er precies wordt bedoeld
met «niet uitvoerbaar». Gaat het om capaciteit, om middelen of om wetgevingstechnische
belemmeringen? Kan de Minister een concreet tijdspad schetsen voor wanneer en op welke
wijze Caribisch Nederland alsnog onder deze wetgeving zal vallen, zodat ook daar de
digitale weerbaarheid op orde komt? Kan de Minister verder toelichten of de mogelijkheid
aanwezig is dat de implementatie van de wetten in Caribisch Nederland bijvoorbeeld
kan plaatsvinden gezamenlijk met de eerste evaluatietermijn?
Voorzitter, nu echt tot slot. De Algemene verordening gegevensbescherming, de AVG,
is ook van belang voor de verwerking van persoonsgegevens onder de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet. Het verwerken van persoonsgegevens
is een inmenging in het recht op de persoonlijke levenssfeer, vastgelegd in artikel 8
van het EVRM – ik had niet verwacht dat ik daar ooit aan zou refereren! Deze inmenging
wordt gerechtvaardigd omdat deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in het belang
van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid en het economisch welzijn. Zonder
deze gegevens kunnen instanties zoals het CSIRT immers geen bijstand verlenen of waarschuwingen
sturen naar de juiste personen binnen een organisatie.
De bewaartermijn van 60 maanden tot 10 jaar voor bijzondere persoonsgegevens onder
de Cyberbeveiligingswet wordt echter als erg lang ervaren. Zo merkte de Autoriteit
Persoonsgegevens op dat de bewaartermijn van 60 maanden steeds opnieuw zou gaan lopen
bij elke wijziging in het register. Omdat bedrijven hun gegevens actueel moeten houden,
zouden deze persoonsgegevens in de praktijk nooit worden verwijderd. De Minister heeft
naar aanleiding van dit advies de tekst aangepast. In plaats van na de laatste wijziging
begint de termijn nu te lopen vanaf de laatste bevestiging van juistheid.
De Minister stelt dat het niet wenselijk is om gegevens te verwijderen die nog steeds
relevant zijn voor wettelijke taken, maar benadrukt dat gegevens nooit langer mogen
worden bewaard dan strikt noodzakelijk. Voor de zeer bijzondere persoonsgegevens is
de bewaartermijn voor het CSIRT aanzienlijk verkort, van 60 maanden naar 12 maanden.
Voor toezichthouders wordt echter uitgegaan van een bewaartermijn van 60 maanden,
in verband met de noodzaak van dossieropbouw, langdurige juridische procedures en
de uitvoerbaarheid van toezicht. Voor reguliere persoonsgegevens geldt zowel bij de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten als de Cyberbeveiligingswet een bewaartermijn
van maximaal 120 maanden voor toezichthouders. Voor overige wettelijke taken geldt
een maximale bewaartermijn van 60 maanden.
Voorzitter. Een maximale termijn van tien jaar lijkt disproportioneel lang. De Minister
benadrukt dat een dergelijke termijn noodzakelijk is voor onder andere de opbouw van
het dossier en eventuele bestuursrechtelijke procedures. Tegelijkertijd gaat het hier
om een zeer lange bewaartermijn voor reguliere persoonsgegevens. Dit onderwerp is
eveneens door verschillende partijen en instanties nadrukkelijk ter discussie gesteld,
en terecht. Zo hebben de G4-gemeenten hun zorgen geuit over de termijn van 60 maanden
voor loggegevens, onder meer vanwege de kosten en de uitvoerbaarheid. Mijn fractie
vraagt zich af hoe deze termijn zich verhoudt tot het proportionaliteitsbeginsel onder
de AVG en artikel 8 van het EVRM. Kan de Minister nader onderbouwen waarom een kortere
bewaartermijn niet volstaat? Denk bijvoorbeeld aan twaalf maanden, zoals bij andere
taken binnen dezelfde wet.
Daarnaast hoor ik graag hoe wordt geborgd dat de maximale termijn in de praktijk niet
standaard wordt, maar dat daadwerkelijk per dossier wordt beoordeeld of eerder verwijderen
mogelijk is. Kan de Minister bovendien toelichten hoe de termijn van 60 maanden zich
precies verhoudt tot het noodzakelijkheidscriterium in de praktijk? In hoeverre wordt
per dossier daadwerkelijk beoordeeld of een kortere bewaartermijn mogelijk is? Of
fungeert deze termijn in de praktijk als de standaard?
Daarnaast blijft voor mijn fractie de vraag bestaan waarom het verschil met het CSIRT
zo groot is. Als het CSIRT kan volstaan met 12 maanden voor bijzondere persoonsgegevens,
kan de Minister dan nader onderbouwen waarom voor toezichthoudende taken een termijn
van 60 maanden noodzakelijk is? Zijn er mogelijkheden om hier tot verdere verkorting
of differentiatie te komen?
Voorzitter, dat was het dan. Dank u wel.
De voorzitter:
Van harte dank voor uw bijdrage, meneer Van den Berg. Het woord is aan mevrouw Faber
van de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het alleen over de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
hebben. Het andere gedeelte doet mijn collega, meneer Van Dijk.
Voorzitter. Om onze democratische rechtsstaat overeind te houden, is het van belang
dat wij vitale processen die gevoelig kunnen zijn voor onder andere terroristische
aanslagen, beschermen. Stelt u zich eens voor dat de stroom langdurig uitvalt; dat
heeft niet alleen consequenties voor het huiselijk comfort, maar ook de criminaliteit
zal sterk toenemen. Het voorliggende wetsvoorstel ter implementatie van de CER-richtlijn
heeft als doel om essentiële diensten, ook wel «kritieke entiteiten» genoemd, veilig
te stellen. U kunt hierbij denken aan de eerste levensbehoefte, namelijk water. Het
is van levensbelang dat de drinkwaterbedrijven blijven functioneren. Door dit wetsvoorstel
krijgen zij en alle andere bedrijven met essentiële diensten verplichtingen, zoals
het maken van een risicobeoordeling om alle relevante door de natuur en de mens veroorzaakte
risico's in kaart te brengen. Daarnaast hebben ze een zorgplicht om de weerbaarheid
te vergroten en een meldplicht bij een eventueel incident. Nederland kent op dit moment
al een vergelijkbare methode door het staande beleid van de Aanpak vitaal. Dat beleid
heeft veel raakvlakken met de CER-richtlijn en wordt door vitale aanbieders al beleidsmatig
nagestreefd. Er is al veel samenwerking tussen departementen en door hen aangewezen
vitale aanbieders om de weerbaarheid te versterken.
Voorzitter. Dikwijls klopt het allemaal wel op papier, maar kan de praktijk weerbarstiger
zijn. Het is positief dat het wetsvoorstel voorziet in een zorgplicht die ook fysieke
bescherming van gebouwen en infrastructuur behelst, onder andere door middel van omheiningen,
detectieapparatuur en toegangscontroles. De Franse opwerkingsfabriek La Hague wordt
bewaakt door speciaal getrainde beveiligingsteams van de Franse overheid, zelfs afweergeschut
ontbreekt niet. Hoever gaan de maatregelen die voortkomen uit dit wetsvoorstel voor
bijvoorbeeld een Nederlandse kerncentrale? Wordt deze ook beschermd door bijvoorbeeld
Defensie?
Het toezicht op de entiteiten ligt bij de vakministers. Zij zijn al de bevoegde autoriteit
in hun sectoren. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft daarbovenop een coördinerende
taak. De NCTV functioneert als centraal contactpunt. De Minister kan een nationale
kop plaatsen door meer sectoren aan te wijzen dan verplicht is vanuit de richtlijn.
Hiermee drukt hij bedrijven in een ongelijk speelveld. Dat is ongewenst voor ons bedrijfsleven,
dat toch al gebukt gaat onder verstikkende regelgeving en bijkomende kosten. De Minister
zou in het kader van de nationale veiligheid over deze bevoegdheid willen beschikken.
Kan de Minister dit nader duiden? De PVV houdt niet zo van nationale koppen. 80% van
de vitale processen is in handen van private partijen die onder toezicht staan van
de vakministers, onafhankelijk. De resterende 20% betreft vitale processen binnen
de overheid. Die staan onder toezicht van de Minister van Binnenlandse Zaken. Onafhankelijk,
of toch niet? De overheid controleert in dezen de overheid. Het is een dingetje zoals:
de slager keurt zijn eigen vlees. Hoe gaat de Minister dit oplossen?
Er is nog zo'n gevalletje van toezicht, namelijk het zelfstandig bestuursorgaan, afgekort
zbo. Een zbo voert zelfstandig taken uit zonder directe aansturing van een Minister
en neemt dan ook onafhankelijk beslissingen. Ik noem een voorbeeld. In de Kernenergiewet
zijn toezicht- en handhavingsbevoegdheden uitdrukkelijk toegekend aan de Autoriteit
Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, afgekort de ANVS. De reden dat de ANVS
een zbo werd, was dat die onafhankelijkheid noodzakelijk was op grond van internationaal
en Europees recht. Beslissingen van de ANVS moesten namelijk genomen kunnen worden
zonder druk van belangen die kunnen conflicteren met het belang van veiligheid, zo
meende de regering toen.
Voorzitter. Ik raak nu enigszins in verwarring. Aan de ene kant moesten zij zelfstandig
kunnen besluiten in het belang van de veiligheid en aan de andere kant moet de Minister
nu het heft in handen kunnen nemen. Maar hoe gaan we dan bijvoorbeeld om met een incident
in een kerncentrale? Nu ligt het toezicht op de veiligheid van de kerncentrale bij
de ANVS. Bij het in werking treden van deze wet komt dit tevens te liggen bij de Minister
van IenW. Kan de echte toezichthouder zich in dezen melden? Graag een reactie van
de Minister.
Er kunnen meerdere toezichthouders tegelijk bevoegd zijn als er een zbo bij betrokken
is of als meerdere vakministers betrokken zijn bij een entiteit die in meerdere sectoren
voorkomt. Het risico bestaat dan dat vakministers de hete aardappel bij de ander op
de financiële plaat leggen. Dit geldt vooral bij departementen met een krappe begroting.
De Minister heeft er dan namelijk niet voor gekozen om de kritieke entiteit financieel
te ondersteunen. De kosten daarvoor gaan af van de eigen begroting. Dit kan leiden
tot een hoop getouwtrek met als gevolg dat geen van beiden toezicht houdt en handhaaft.
Hoe gaat de Minister dit oplossen?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Er zijn geen interrupties. Dan is het woord aan mevrouw
Martens-America van de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. De digitale wereld krijgt een steeds grotere rol in onze samenleving.
Belangrijke sectoren zoals zorg, onderwijs, energiebedrijven en noem maar op, kunnen
niet meer zonder een goedwerkende en veilige digitale infrastructuur. Geopolitieke
spanningen en het feit dat onze overheid volledig afhankelijk is van digitale netwerken,
maken het invoeren van deze wetten urgenter dan ooit. Ons land wordt dagelijks geconfronteerd
met hybride dreigingen en aanvallen.
Voorzitter. Een cyberaanval kan veel schade aanrichten bij bedrijven en kan daarmee
ook onze economie en samenleving als geheel raken. Soms blijven de onlinewereld en
de digitale infrastructuur abstracte begrippen, maar we hebben recent nog gezien welke
gevolgen een hack bij bijvoorbeeld het bedrijf Odido kan hebben voor onze maatschappij.
Dit is een voorbeeld van een zichtbare situatie, maar het overgrote deel wordt tijdig
tegengehouden of bereikt nooit het publieke oog.
Voorzitter. Mijn fractie hoopt dat Nederland en Europa met deze wetten de digitale
en fysieke weerbaarheid van belangrijke sectoren tegen cyberaanvallen versterken.
Wat de VVD betreft treden ze zo snel mogelijk in werking. Toch heb ik daarover mijn
eerste vraag aan de Minister. Waarom heeft de implementatie van deze twee wetten daadwerkelijk
zo lang geduurd? Welke gevolgen heeft deze vertraging gehad voor onze cyberveiligheid
en onze bedrijven? Hebben er zich in de tussentijd situaties voorgedaan die ons hebben
laten inzien dat er al extra stappen nodig zouden moeten zijn boven op de bestaande
wetten die we op dit moment bespreken? Ik wil in mijn bijdrage graag de volgende drie
punten maken: duidelijkheid voor ondernemers, de evaluatieperiode en het inrichten
van registratieloketten.
Mijn eerste punt is de duidelijkheid voor ondernemers. Het beschermen van onze bedrijven
is ontzettend belangrijk en dat betekent dat we ook de wetgeving moeten aanpassen,
processen anders moeten inrichten en, als het tegenzit, de regels voor ondernemers
mogelijk complexer moeten maken. Wat de VVD betreft is het vooral belangrijk dat het
voor ondernemers helder is op welke manier zij met deze nieuwe extra handelingen kunnen
bijdragen aan het grote collectief, namelijk de veiligheid van ons land. Het moet
daadwerkelijk geen papieren tijger worden. Mijn vraag aan de Minister is dan ook hoe
we deze bedrijven en ondernemers meenemen in het belang hiervan. Dat is hier ook al
eerder genoemd. Vooral de wat kleinere bedrijven gaan toch een wat zwaardere rol spelen
in het grote geheel. Hoe maken we die bedrijven duidelijk dat ook zij essentieel zijn
in deze uitdaging? Waar wordt bijvoorbeeld hun feedback op dit proces en op de implementatie
van deze wetten daadwerkelijk verzameld? Hoe gaan we ervoor zorgen dat zij gehoord
worden?
Daarnaast heb ik een vraag over de bedrijven die in meerdere sectoren actief zijn.
Voor hen is het nu niet altijd duidelijk onder welke regels binnen de Cyberbeveiligingswet
zij precies vallen. Kunnen de sectordefinities verduidelijkt worden, zodat ondernemers
beter weten waar ze aan toe zijn? Tot slot op dit punt vraag ik hoe bestuurders worden
geïnformeerd over al de te nemen stappen voor zowel de meldplicht, de zorgplicht en
de registratieplicht. Hoe worden zij hierover geïnformeerd? Hoe voorkomt het kabinet
dat bestuurders onnodig in de problemen komen, omdat zij per ongeluk een verplichting
missen? Dat is mij niet helemaal duidelijk. Misschien kan de Minister hier nog een
toelichting op geven.
Dan kom ik op de evaluatieperiode. Daarover is al eerder een interruptiedebatje gegaan.
Ik sluit me aan bij de zorgen van de heer Van den Berg dat de termijn van vijf jaar
te lang is. De wetsvoorstellen worden namelijk na vijf jaar geëvalueerd. De Minister
heeft al eerder naar aanleiding van het advies van het ATR aangegeven dat een evaluatie
na één jaar te vroeg zou zijn voor een zorgvuldige evaluatie. Ik wil de Minister vragen
hoe er toch eerder dan pas na vijf jaar een evaluatie zou kunnen worden uitgevoerd
met de argumentatie die de heer Van den Berg hier al heeft aangevoerd, namelijk dat
we worden ingehaald door de dagelijkse realiteit. Mijn fractie voelt veel voor een
evaluatietermijn van twee jaar.
Dan het inrichten van het registratieloket. Zoals ik al eerder heb aangegeven, wil
ik benadrukken dat deze wetten er toch wel echt snel moeten komen. Het moment lijkt
nu dan toch eindelijk daar. Er zal ook zorgvuldig moeten worden gekeken naar het inrichten
van bijvoorbeeld het registratieloket voor ondernemers. De registratieplicht verplicht
organisaties om zich in te schrijven bij een nationaal register. Hier is echter nog
veel onduidelijkheid over. Dat is ook de feedback die wij van veel bedrijven hebben
ontvangen. Wat kan deze Minister doen om informatie over dit loket dan ook zo snel
mogelijk te delen met ondernemers, zodat ondernemers goed weten waar ze aan toe zijn
en ze ook zo snel mogelijk de eerste stappen van de voorbereiding kunnen zetten?
Voorzitter. De VVD is blij met de wetten. Het beveiligen van systemen is urgenter
dan ooit en vraagt dan ook om goede wetgeving. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Het woord is aan mevrouw Zwinkels van het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we twee wetsvoorstellen die nauw met elkaar
samenhangen: de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet. Het
eerste voorstel ziet vooral toe op de fysieke en organisatorische weerbaarheid van
kritieke entiteiten en het tweede op de digitale weerbaarheid van essentiële en belangrijke
entiteiten. Samen raken ze direct aan de bescherming van vitale processen en daarmee
aan de weerbaarheid van onze samenleving.
Ik begin met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Met deze wet wordt de Europese
CER-richtlijn geïmplementeerd. Daarmee wordt een minimumniveau geïntroduceerd voor
de weerbaarheid van essentiële diensten in een aantal vitale sectoren tegen risico's
en bedreigingen. Het gaat daarbij om diensten die van cruciaal belang zijn voor het
functioneren van onze maatschappij, economie, volksgezondheid, openbare veiligheid
en milieu. Uitval van deze diensten kan verstrekkende en ontwrichtende gevolgen hebben,
niet alleen nationaal, maar ook voor de Europese Unie. Dat zijn dus niet zomáár sectoren.
Het zijn sectoren die onze samenleving draaiende en veilig houden. Juist daarom is
het van groot belang dat hun weerbaarheid structureel wordt versterkt. Het CDA onderschrijft
daarom ook het uitgangspunt van deze wet en het belang van de voorgestelde risicobeoordelingen.
Voorzitter. Op grond van de CER-richtlijn zijn lidstaten verplicht om een nationale
risicobeoordeling op te stellen. Daarnaast moeten kritieke entiteiten zelf periodiek
een risicobeoordeling uitvoeren. Kan de Minister toelichten hoe deze beoordelingen
zich tot elkaar verhouden? Hoe wordt voorkomen dat deze trajecten los van elkaar plaatsvinden
of leiden tot dubbelingen en vooral veel papierwerk? Hoe verhoudt dit zich tot de
nationale strategie, die ook nog moet worden opgesteld? Het CDA hecht eraan dat deze
instrumenten elkaar versterken en niet onnodig bijdragen aan extra regeldruk. We hadden
het er al over.
De Minister heeft in de schriftelijke vragenronde aangegeven dat kleinere entiteiten
in het kader van het tegengaan van regeldruk zelf kunnen afwegen of zij de risicobeoordeling
laten samenvallen met andere wettelijke verplichtingen, bijvoorbeeld met de in de
cybersecuritywet voorgestelde verplichtingen. Het CDA vindt het goed dat wordt gekozen
voor maatwerk, maar hoe borgt de Minister dat entiteiten weten wat ze wel en niet
moeten doen en welke risicobeoordelingen echt noodzakelijk zijn en welke niet?
Voorzitter. Daarbovenop is er het beleid rondom de vitale infrastructuur, zoals de
Aanpak vitaal van de NCTV, die sinds 2023 van kracht is. Mijn collega begon er al
over. Ook deze aanpak richt zich op het vergroten van de weerbaarheid tegen allerlei
soorten dreigingen. Kan de Minister uiteenzetten hoe deze wet zich verhoudt tot de
Aanpak vitaal en andere risicobeoordelingen die door deze wet tot stand moeten komen?
Op welke manier worden overlap en versnippering voorkomen? Hoe wordt ervoor gezorgd
dat er één samenhangend stelsel is, waarin duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk
is? Ook ben ik benieuwd of de Minister inmiddels met de Europese Commissie heeft gesproken
over het borgen van informatie-uitwisseling, vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid.
Voorzitter. Het lijkt het CDA een goede keuze om de vakministers verantwoordelijk
te maken voor de toepassing van de elementen uit deze wet, terwijl de Minister van
Justitie en Veiligheid medeverantwoordelijk is. Dat betekent dat de risicobeoordeling
door de vakminister wordt gedaan, wat aansluit bij de sectorspecifieke kennis die
nodig is. Gaat de Minister van Justitie en Veiligheid dan ook waarborgen dat de kennis-
en informatiedeling tussen de vakministers en de kritieke entiteiten op orde is? Het
lijkt mij nuttig dat zij niet steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden en gebruik
kunnen maken van eerder toegepaste best practices. Hoe gaat de Minister voorkomen
dat er te veel op eilandjes wordt gewerkt?
Voorzitter. Daarnaast wil ik kort stilstaan bij de uitvoerbaarheid van deze wet, met
name voor kleinere en publiek-private kritieke entiteiten. Hoe wordt ervoor gezorgd
dat verplichtingen proportioneel zijn en aansluiten bij de capaciteit en schaal van
deze organisaties? Op welke wijze ondersteunt de overheid kritieke entiteiten bij
het versterken van hun weerbaarheid, bijvoorbeeld via richtsnoeren of kennisdeling?
Ook ben ik benieuwd wat voor Nederland de precieze gevolgen gaan zijn van de niet-tijdige
implementatie van de CER-richtlijn. De oorspronkelijke deadline was 17 oktober 2024.
Wordt Nederland daarvoor inderdaad een boete opgelegd? Zijn andere lidstaten ook nog
steeds bezig met de implementatie of loopt alleen Nederland achter?
Tot slot over dit eerste wetsvoorstel. Een goede samenhang tussen fysieke en digitale
weerbaarheid is essentieel. In een wereld waarin dreigingen steeds vaker hybride van
aard zijn, kan een fysieke verstoring niet los worden gezien van cyberdreigingen.
We zien deze wet dan ook als een belangrijke bouwsteen die goed moet aansluiten op
andere wetgeving, zoals op de Cyberbeveiligingswet, waar ik het straks over ga hebben.
Hoe gaat de Minister deze samenhang borgen in de praktijk? De weerbaarheid van kritieke
entiteiten is geen luxe, maar een noodzaak. Met deze wet zetten we een stap vooruit.
Vervolgens wil ik ingaan op de Cyberbeveiligingswet, waarmee Nederland de digitale
kant van de NIS2-richtlijn implementeert. Het CDA vindt cybersecurity van grote waarde.
We hebben de afgelopen week in het nieuws gezien wat de impact kan zijn. Van organisaties
die essentiële diensten leveren mag je verwachten dat ze hun digitale veiligheid op
orde hebben. Dat geldt des te meer voor entiteiten die onze samenleving draaiende
houden. Denk aan je telefoonprovider, je bank, de energieleverancier en de afvalinzamelaar,
maar ook aan de gemeente. Het is goed dat er een zorgplicht komt en dat we meldplichten
en toezicht aanscherpen. Het raakt aan de weerbaarheid van onze samenleving. Tegelijkertijd
geldt dat we door dit wetsvoorstel wel weer extra verplichtingen opleggen. Dat kan
noodzakelijk zijn, maar dan moeten we het stelsel wel robuust en uitvoerbaar maken.
Juist wat dat betreft wil ik vandaag een paar punten uitlichten.
Allereerst noem ik samenhang, variatie en overlap in het toezicht. Het kabinet erkent
dat overlap in het toezicht niet altijd te voorkomen is en dat, als er verschillende
toezichthouders zijn, overlap zo veel mogelijk beperkt moet worden door afstemming,
samenwerkingsafspraken én structureel overleg. Dat betekent in de praktijk: verschillende
verplichtingen, verschillende toezichthouders en mogelijk ook verschillende interpretaties.
Toezicht zal worden uitgeoefend door sectorale toezichthouders, die in meer of mindere
mate al ervaring hebben op dit gebied van cyberbeveiliging. De mate en kwaliteit van
het toezicht zullen, zeker in het begin, waarschijnlijk wisselend zijn. De Autoriteit
Persoonsgegevens geeft aan dat als zij naast de NIS2-toezichthouders ook bevoegd is,
niet duidelijk is wie er voorgaat bij het opleggen van een eventuele boete. Daarom
vraag ik de Minister hoe de coördinatie er in de uitvoering precies uitziet. Specifieker:
is het voor organisaties helder wie wanneer hun eerste aanspreekpunt is bij toezicht,
handhaving en incidentafhandeling met betrekking tot de Cyberbeveiligingswet?
De Afdeling advisering van de Raad van State vroeg in dit verband terecht om duidelijkheid
over de invulling van de coördinerende rol en de taakafbakening in dit stelsel met
vele sectoren en partijen. Het CDA wil dat dit niet alleen op papier, maar ook in
de praktijk strak geregeld is, juist om stapeling te voorkomen. Ik vraag daarom om
een toezegging: kan de Minister ervoor zorgen dat de samenwerkingsafspraken tussen
toezichthouders tijdig publiekelijk, of anderszins, duidelijk zijn, zodat organisaties
vooraf weten waar zij aan toe zijn? Denk hierbij ook aan de kosten die, volgens het
ATR, dat toeziet op het verminderen van de regeldruk, verbonden zijn aan kennisname
van hoe het werkt en aan een eventuele beveiligingsscan of beveiligingsaudit.
Het volgende onderwerp is AI-gedreven cyberbedreigingen. Het CDA wil een punt aanstippen
dat ook in ons gesprek met de Cyber Security Raad nadrukkelijk naar voren kwam. De
razendsnelle ontwikkelingen rondom artificial intelligence vergroten niet alleen onze
mogelijkheden aan de verdedigende kant, maar ook de slagkracht van aanvallers. Gecoördineerde
cyberaanvallen met een groot aantal AI-agents liggen op de loer. Juist daarom is het
van belang dat kennis over dreigingen, kwetsbaarheden en aanvalspatronen veel sneller
en structureler worden gedeeld. Die kennisdeling is tot nu toe te beperkt en te versnipperd,
zowel tussen organisaties in Nederland als met landen die te maken hebben met vergelijkbare
dreigingen. Is de Minister bereid om te bezien hoe die kennisdeling steviger kan worden
georganiseerd, niet alleen tussen uitvoeringsorganisaties en bedrijven hier, maar
ook met landen als Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk? In het kader van
snel ontwikkelende, AI-gedreven cyberdreigingen is het van belang dat we niet allemaal
afzonderlijk het wiel blijven uitvinden.
Dan kom ik bij de uitvoering door het Rijk. In de memorie van toelichting staat een
tabel met de budgettaire gevolgen per departement. Die lopen structureel op tot bijna
83 miljoen euro. Dat is fors. Op zich is dat ook prima, als het leidt tot aantoonbaar
betere ondersteuning, respons en toezicht. Betreft dit bijvoorbeeld ook de extra capaciteit
bij onze uitvoeringsdiensten zoals de ILT en de NVWA, zodat hier ook geen vertragingen
of wachtlijsten ontstaan? Ook vraag ik aan de Minister welke concrete prestaties we
hiervoor terug gaan zien in het toezicht. In dit verband is het ook relevant dat in
de memorie wordt vermeld dat het Nationaal Cyber Security Centrum de uitvoerbaarheid
haalbaar acht, mits aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Een daarvan betreft een
realistisch groeipad. Kan de Minister toelichten hoe dat groeipad er nu uitziet? Hoe
wordt geborgd dat toezicht en ondersteuning niet achterblijven bij de snelle verbreding
van de doelgroep? Welke rol kan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, de RDI,
hierin pakken? Zij is naast toezichthouder namelijk ook uitvoerder, en kan helpen
met die centrale regie.
Dan kom ik bij het risico op onbewuste non-compliance. De reikwijdte van dit wetsvoorstel
is groot. In de stukken staat dat naar verwachting circa 8.100 organisaties grotendeels
automatisch van rechtswege onder de Cyberbeveiligingswet zullen vallen. Ze worden
niet individueel aangewezen en niet actief op de hoogte gesteld. Ze zullen zelf moeten
beoordelen of ze onder de wet vallen, met ondersteuning van een zelfevaluatietool.
Dit creëert een risico dat het CDA heel serieus neemt: een risico op onbewuste non-compliance.
Dat gebeurt niet uit onwil, maar omdat organisaties simpelweg niet doorhebben dat
ze onder de wet vallen, zeker als ze onderdeel zijn van een concernstructuur of als
hun dienstverlening net op een grens zit. Ook kunnen organisaties twijfelen of ze
het goed doen en dit willen laten toetsen, om eventuele overtredingen op een later
moment te voorkomen. Is de Minister bereid om met name het mkb en kleinere gemeenten
hierin te faciliteren? Hoe voorkomen we dat juist de kwetsbare organisaties met minder
capaciteit en expertise achterblijven?
Het is ook mooi als bedrijven elkaars geleerde lessen kennen. Ik refereerde daar net
al even aan. Het werkt natuurlijk altijd goed als de ene ondernemer het de andere
vertelt. Op die manier is een hack of een andere kwetsbaarheid geen taboe, maar sta
je samen sterker en maak je ook je medewerkers digibewust en -bekwaam.
We hebben ook de oproep ontvangen om organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben
om de dreigingsinformatie en de informatie over cyberincidenten te delen, de zekerheid
te geven dat ze ook onder de wet aangemerkt zullen worden als een relevante partij.
Kan het kabinet zekerheid geven over de status van zulke schakelorganisaties in Nederland?
Hierin zit ook een element van wederkerigheid. We mogen veel vragen, maar dan moet
de overheid ook leveren. Duidelijkheid, praktische hulpmiddelen en uniformiteit in
de uitleg en het toezicht zijn hierbij onze uitgangspunten.
Dan de onderwijsinstellingen. De CDA-fractie heeft eerder gevraagd naar de bepalingen
over onderwijsinstellingen. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de regering
aan te hebben besloten dat de bekostigde hbo- en wo-instellingen onder de reikwijdte
van de wet worden gebracht zonder onderscheid te maken tussen instellingen met kritieke
onderzoeksactiviteiten. Dit gebeurt mede vanwege de samenwerking en onderlinge afhankelijkheid
en vanwege de uitvoerbaarheid. Tegelijk wordt de aanwijzing van deze instellingen
als een belangrijke of essentiële entiteit nog nader uitgewerkt. Mijn vraag is: bedoelt
de regering dat de instellingen als geheel worden aangewezen of dat alle instellingen
in deze categorie onder het regime moeten vallen, ongeacht profiel, risico en aanwezigheid
van de kritieke onderzoeksactiviteiten? Hoe borgt de Minister proportionaliteit, uitvoerbaarheid
en de heldere criteria daarbij? Er leven hierover ook zorgen in de sector. Universiteiten
van Nederland wijst op de administratieve lasten, het risico op dubbelingen en de
onduidelijkheid, juist in een tijd van financiële druk. Ook SURF heeft aandacht gevraagd
voor de werkbaarheid en het voorkomen van extra administratieve lasten. Het CDA zoekt
hierin een duidelijke middenweg. Als we onderwijs aanwijzen, doe het dan op een manier
waarop het voor iedereen werkt en wordt voortgebouwd op hun eerdere inspanningen.
Dan kom ik bij gekwalificeerde vertrouwensdiensten. De Autoriteit Persoonsgegevens
heeft haar zorgen met ons gedeeld over de verwerking en het bewaren van persoonsgegevens.
In de NIS2-richtlijn staat dat lidstaten essentiële en belangrijke entiteiten moeten
aanmoedigen om gekwalificeerde vertrouwensdiensten te gebruiken. In gewone taal gaat
het om digitale middelen die helpen om online zekerder vast te stellen met wie je
zakendoet en of informatie of documenten echt en betrouwbaar zijn. Voor dit soort
vertrouwensdiensten bestaan al heel veel Europese regels, maar ik zie nog niet duidelijk
hoe Nederland het gebruik hiervan nu actief wil stimuleren. Kan de Minister daarop
reflecteren? Is hij bereid toe te zeggen de Kamer daarover te informeren en bijvoorbeeld
voor de zomer met een brief te komen?
Tot slot, voorzitter. Ik rond af. Het CDA steunt beide wetsvoorstellen in hun doel:
het versterken van de weerbaarheid van onze samenleving, zowel fysiek als digitaal.
Maar grote wetten met een grote reikwijdte moeten ook begrijpelijk, uitvoerbaar en
proportioneel zijn. Als we veel vragen van organisaties, moet de overheid ook zichtbaar
leveren, zodat organisaties weten waar ze aan toe zijn. Ik hoor graag de reactie van
de Minister op de gestelde vragen en de gevraagde toezeggingen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan gaan we naar mevrouw El Boujdaini van D66.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dank u wel, voorzitter. Cyberveiligheid en weerbaarheid van kritieke entiteiten klinkt
voor veel mensen als iets abstracts, als iets voor experts en techbedrijven, maar
niets is minder waar. Cyberveiligheid gaat over het dagelijks leven van mensen, over
of je 's ochtends je pinpas kan gebruiken, of je de trein naar je werk haalt en of
het licht het nog doet wanneer je thuiskomt. Het gaat over vertrouwen, erop vertrouwen
dat de systemen waar we elke dag op leunen, het gewoon doen. Stel je namelijk eens
voor dat dat vertrouwen wegvalt. Stel je voor dat het betalingsverkeer platligt, drinkwatervoorzieningen,
de energievoorzieningen of telecomnetwerken uitvallen en mensen letterlijk in het
donker zitten zonder verwarming, bereik of toegang tot informatie. Dat zijn reële
scenario's, die we in Europa al hebben zien gebeuren. Juist daarom is de weerbaarheid
van onze kritieke entiteiten geen technisch detail, maar een maatschappelijke randvoorwaarde.
Als we dit niet goed regelen, zijn het niet systemen die falen. Mensen dragen de gevolgen
en hebben er last van.
Voorzitter. Voor D66 betekent dit dat we de digitale infrastructuur net zo serieus
moeten beschermen als onze fysieke infrastructuur. Daarom spreken we vandaag ook over
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet. Dat is hard nodig,
want Nederland loopt achter met de implementatie, terwijl de dreiging toeneemt. Deze
wetten moeten ervoor zorgen dat kritieke entiteiten, zoals energievoorzieningen, drinkwatervoorzieningen,
gemalen en telecombedrijven beter beschermd zijn bij en voorbereid zijn op incidenten,
dat organisaties risico's in beeld hebben, maatregelen nemen en samenwerken om schade
te beperken, en dat gemeentes en veiligheidsregio's weten wat hun te doen staat. De
vraag is niet óf we onze weerbaarheid versterken, maar hóé we dat gaan doen, met wetgeving
die ambitieus is, maar ook helder en uitvoerbaar. We kunnen digitaal en fysiek weerbaarder
worden. Dat vraagt om een balans tussen veiligheid en uitvoerbaarheid, tussen toezicht
en vertrouwen, tussen Europese verplichtingen en nationale aanpak. In dat licht wil
ik vandaag een aantal punten bespreken. Allereerst sta ik stil bij de kwestie rondom
Odido. Daarna bespreek ik de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, vervolgens de Cyberbeveiligingswet
en tot slot hoe deze wetten volgens onze fractie nog robuuster kunnen worden.
Ik begin bij Odido, voorzitter. De Odidokwestie benadrukt waarom wij vandaag debatteren
over deze wetten. Het maakt pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar onze digitale infrastructuur
is als beveiliging tekortschiet. Wanneer gegevens van miljoenen mensen op straat belanden,
raakt dat niet alleen hun privacy, maar ook het vertrouwen in de overheid en bedrijven,
met risico's als identiteitsfraude, misbruik en langdurige onzekerheid. Dit raakt
mensen dus echt. De Odidokwestie laat ook zien dat wetgeving op zichzelf niet genoeg
is. Vanuit de Telecomwet zijn er al een meldplicht en een zorgplicht rond cyberveiligheid,
maar uiteindelijk moet het dus in de praktijk goed gaan en moet het gaan leven. Daarom
mijn vraag: hoe gaan we ervoor zorgen dat de consequenties zo klein mogelijk zijn
bij dit soort datalekken van zo'n omvang? Immers, helemaal voorkomen kan jammer genoeg
niet. Ziet de Minister dan ook dat de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten de kans op dit soort datalekken kunnen verkleinen?
Voorzitter. Het grootschalige incident van Odido staat niet op zichzelf. Daar is veel
misgegaan, maar een cyberaanval kan iedere sector overkomen. Naar verwachting zullen
ruim 8.100 organisaties onder de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten vallen. Dat vraagt om een zorgvuldige wetsbehandeling, zodat onze cruciale
sectoren beter voorbereid zijn op cyberbedreigingen en daar snel op kunnen reageren.
Zo voorkomen we dat incidenten zoals bij Odido een nieuwe realiteit worden, of in
ieder geval de consequenties ervan.
Voorzitter. Ik zei het al in mijn inleiding: de digitale wereld staat onder druk,
met gevolgen voor onze fysieke veiligheid. De Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
beoogt deze veiligheid te waarborgen door organisaties die diensten aanbieden die
cruciaal zijn voor het goed functioneren van onze maatschappij hier ook aan te laten
voldoen. Een groot deel hiervan was ook al het geval onder de Aanpak vitaal. In plaats
van vitale aanbieders worden er onder de nieuwe wet zogenaamde kritieke entiteiten
aangewezen, of althans: zij moeten zichzelf aanwijzen. Dat zijn dus organisaties die
een of meerdere essentiële diensten aanbieden die onze maatschappij draaiende houden.
Wanneer dit wordt verstoord en uitvalt door een cyberaanval, heeft dat dus grote gevolgen
voor mensen. Het is daarom van groot maatschappelijk belang dat de overgang van de
Aanpak vitaal naar de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten helder is voor organisaties.
Daarom mijn volgende vragen. Welk deel van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
vervangt de Aanpak vitaal en hoe verhouden deze twee regimes zich straks ten opzichte
van elkaar? Zijn straks alle vitale aanbieders kritieke entiteiten onder de Wwke?
Welke organisaties worden daar eventueel nog aan toegevoegd? Tot slot. Is er een verschil
tussen een kritieke entiteit en een essentiële entiteit onder de Cyberbeveiligingswet?
Een kritieke entiteit is namelijk ook automatisch een essentiële entiteit onder de
Cyberbeveiligingswet.
Verder wil ik toch nog aandacht vragen voor digitale soevereiniteit, want weerbare
kritieke entiteiten zijn belangrijker dan ooit, met name in het licht van het maatschappelijk
debat over digitale soevereiniteit. Er moeten strategische keuzes worden gemaakt:
van wie wil je digitale diensten afnemen en waarvoor? Waar deze worden ingekocht,
doet er daadwerkelijk toe. Digitale soevereiniteit gaat ook verder dan alleen de overheid.
Dat laten deze wetten zien. Het gaat om de keuzes die andere organisaties en bedrijven
maken, want alleen wanneer overheid, samenleving en bedrijven hier samen aan werken,
worden we als Nederland digitaal weerbaar. Veel organisaties, dus ook de kritieke
entiteiten, staan voor hetzelfde vraagstuk als de overheid. Neem de betaalinfrastructuur,
ziekenhuizen en onderwijsinstellingen. Hoe moeten zij digitaal soeverein worden? Kunnen
we misschien een gezamenlijke aanpak maken? Daarom mijn volgende vraag: kan de Minister
aangeven of er gewerkt gaat worden aan een aanpak om deze kritieke entiteiten ook
meer digitaal soeverein te maken? Zo niet, is de Minister bereid om dit te doen?
Voorzitter. Dan wil ik mijn licht nog laten schijnen op de particuliere beveiligingsbedrijven.
Zij zijn ook vaak uitvoerders van weerbaarheidsmaatregelen bij kritieke entiteiten.
Vanuit die hoek hebben we ook verschillende geluiden gehoord. Dit zijn bedrijven die
werken aan toegangscontroles, bewaking en detectie, maar bijvoorbeeld ook aan personeelsbeveiliging
en crisisbeheersing. Scherp hebben wat hun positie is in het kader van de Wwke is
dus cruciaal. Kan de Minister toelichten of en hoe de structurele betrokkenheid van
de particuliere beveiligingssector bij oefeningen en scenario's voor incidenten wordt
geborgd, zodat we met z'n allen goed voorbereid zijn? Kan de Minister ook uiteenzetten
of en hoe deze private beveiligingsbedrijven meer duidelijkheid kunnen krijgen over
hun rollen, verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden bij de implementatie van deze
wetten? En kan de Minister toelichten hoe wordt geborgd dat er heldere afspraken komen
over de noodzakelijke informatie-uitwisseling tussen publieke crisisorganisaties,
kritieke entiteiten en private veiligheidsbedrijven tijdens een crisis?
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoor mevrouw El Boujdaini van D66 net een punt maken over de behoefte van bedrijven
aan soevereiniteit. Ze vroeg of de Minister daar eventueel werk van wil maken. Hoe
ziet mevrouw El Boujdaini dat voor zich in het kader van deze twee wetten? Ik vind
het belangrijk, maar hoe ziet mevrouw El Boujdaini dat in het kader van deze twee
wetten voor zich?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik denk dat deze twee wetten heel goed laten zien hoe belangrijk het is dat wij onze
kritieke entiteiten beschermen. Volgens onze fractie gaat dat verder dan alleen kijken
naar wat hun taken zijn; het gaat ook om waar zij daadwerkelijk gebruik van maken.
We hebben de afgelopen maanden gezien dat het uitmaakt voor welke leveranciers en
aanbieders je kiest. Dat geldt ook voor overheidsorganisaties. Ook wij als overheidsorganisatie
kunnen als «kritieke entiteit» bestempeld worden. Daarom vind ik het belangrijk dat
wij een stukje verder kijken: voor welke leveranciers kiezen zij, en brengt dat misschien
ook bepaalde risico's met zich mee? Ook dat kan er namelijk voor zorgen dat er bijvoorbeeld
bepaalde cyberdreigingen om de hoek liggen.
De voorzitter:
De heer Van den Berg, volgende interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Zou dat ook in het kader van artikel 18 van het Cyberbeveiligingsbesluit zijn, dat
de vergaande bevoegdheid geeft aan de overheid om bedrijven in het kader van de nationale
veiligheid te dwingen om bepaalde diensten niet meer af te nemen of juist wel af te
nemen? Moet ik dat dan zo zien?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Het woord «dwingen» heb ik niet gebruikt. Ik denk in eerste instantie dat het goed
is om te kijken naar een aanpak hiervoor. Of dat dan meteen afdwingbaar is of niet,
ligt er eigenlijk aan of de wet daarop wordt aangepast. Ik vraag op dit moment niet
om een amendement hierop. Dat heb ik ook niet. Ik stel eerst de vraag aan de Minister
of hij bereid is om zo'n aanpak op te zetten. Daarna kunnen we verder kijken, denk
ik, en bezien wat we daadwerkelijk kunnen verplichten.
De heer Van den Berg (JA21):
De vraag was meer of u daartoe bereid bent. Daar hoor ik geen duidelijk antwoord op,
maar wel de vraag aan de Minister om het wellicht te verplichten. Ik ben alsnog benieuwd
naar de eigen visie van mevrouw El Boujdaini op hoe we in het kader van deze wet,
die echt gaat over cyberbeveiliging en over weerbare kritieke entiteiten, die soevereiniteit
zouden kunnen stimuleren. Ik zou niet willen zeggen «borgen», omdat dat losstaat van
deze wet. Ik probeer gewoon uit te denken hoe we dat praktisch zouden kunnen inpassen.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Volgens mij zijn deze wetten er juist voor dat wij als samenleving zo veilig mogelijk
ons leven kunnen leiden, dat onze gegevens veilig staan en dat organisaties met een
maatschappelijke verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld in de energievoorziening, het
verkeersmanagement of telecombedrijven, vanuit hun eigen systemen veilig zijn vanbinnen,
zodat zij ons die veiligheid ook kunnen garanderen. Nogmaals, ik denk dus dat we daar
wel naar moeten kijken, omdat het daadwerkelijk uitmaakt welke software en systemen
je inkoopt als organisatie en wat er vervolgens wordt gebruikt om ons als samenleving
die veiligheid te kunnen garanderen.
Dit is natuurlijk een voorbeeld dat vaker wordt gebruikt, maar we hebben vorig jaar
allemaal gezien hoe het Internationaal Strafhof is geraakt door Microsoft. Een aantal
mensen daarvan kon ineens hun diensten niet meer gebruiken, omdat ze waren gesanctioneerd.
Ik denk dat dat soort voorbeelden heel erg tekenend zijn. We moeten niet willen dat
bepaalde kritieke entiteiten ook zo kwetsbaar kunnen zijn en zo afhankelijk zijn in
hun dienstverlening aan ons, omdat zij een keuze hebben gemaakt voor een bepaalde
leverancier. Het klopt dat daarover niks staat in deze wetten, vandaar dus ook mijn
vraag aan de Minister; ik zou in het kader van de veiligheid die we moeten kunnen
garanderen, wel willen vragen om een aanpak.
De voorzitter:
Mevrouw El Boujdaini, u kunt verder met uw betoog.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan ga ik het over de Cyberbeveiligingswet hebben. Het is goed dat we deze wet gelijktijdig
behandelen met de Wwke. Een kritieke entiteit onder de Wwke is ook een essentiële
entiteit onder de Cyberbeveiligingswet. Dat gezegd hebbende wil ik het ook hebben
over het lokaal bestuur, want het lokaal bestuur is onze fractie veel waard. Wij zetten
gemeenten dan ook graag in hun kracht.
Stelt u zich eens voor dat de aansturing van gemalen wordt verstoord en dat dit wateroverlast
veroorzaakt in woonwijken, of dat verkeersmanagementsystemen worden gehackt en het
niet meer doen, wat chaos betekent in het verkeer. Het zijn dan dus gemeenten die
moeten ingrijpen om de inwoners te beschermen en de orde in hun eigen gemeente te
herstellen. De burgemeesters zijn daar met de veiligheidsregio's verantwoordelijk
voor. Zij moeten wel weten wat er precies aan de hand is en wat de oorzaak van het
incident is, ook om in de toekomst preventieve maatregelen te kunnen nemen. Juist
daarom is de uitvoering van de Cyberbeveiligingswet zo cruciaal.
Die wet is zo sterk als de informatie die wordt gedeeld en de partijen die daarop
kunnen handelen. Daarom vinden wij het belangrijk dat de burgemeesters en de veiligheidsregio's
weten wat zich afspeelt binnen de gemeenten, om zo veiligheid te kunnen waarborgen.
De Minister geeft in de schriftelijke beantwoording echter aan dat de Cyberbeveiligingswet
het NCSC geen ruimte biedt om informatie te delen die geen betrekking heeft op de
eigen cyberveiligheid van de gemeente. Dat betekent dat de gemeente als organisatie
wel wordt geïnformeerd over de eigen cyberveiligheid, maar niet over wat zich op het
gebied van cyberveiligheid afspeelt bij belangrijke en essentiële entiteiten binnen
de gemeentegrenzen, tenzij er sprake is van nationale opschaling van een incident.
Juist die informatie hebben gemeenten nodig om de lokale impact van cyberbedreigingen
op de openbare orde en veiligheid binnen hun gemeentegrenzen te kunnen duiden.
Om die reden heb ik hierover een amendement ingediend. Wij begrijpen dat dit ook een
extra verantwoordelijkheid is voor het NCSC, maar zij beschikken al over deze informatie
en wij vragen of zij deze informatie willen delen met de burgemeesters en de voorzitters
van de veiligheidsregio's. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten ieder afzonderlijk
aanvullende afspraken moeten maken met bepaalde organisaties binnen hun gemeentegrenzen.
Dit versterkt de aanpak van cyberincidenten die gevolgen hebben voor de openbare orde
en veiligheid. Het zorgt er ook voor dat gemeenten zich veel beter kunnen voorbereiden
op crisisincidenten binnen hun gemeentegrenzen in de toekomst. Wij kijken dan ook
uit naar de appreciatie van de Minister.
Voorzitter. De Wwke en de Cyberbeveiligingswet zien op het Europees deel van Nederland;
mijn collega Van den Berg begon er ook al over. Dat is wetstechnisch begrijpelijk,
omdat het hier gaat om de implementatie van Europese regelgeving. Tegelijkertijd mogen
we het belang van het Caribisch deel van Nederland niet uit het oog verliezen. Ook
in het Caribisch deel is het van groot belang dat de digitale weerbaarheid wordt versterkt.
Zo was er in 2022 nog een ransomwareaanval op het enige water- en elektriciteitsbedrijf
van Sint-Maarten. Door de aanval verloor het bedrijf de toegang tot financiële data,
terwijl er geen recente back-up beschikbaar was. Tot op de dag van vandaag ervaren
mensen op Sint-Maarten hiervan nog de consequenties. Op Aruba was er ook een ransomwareaanval,
op een ziekenhuis. De aanval verstoorde de bedrijfsvoering en de operationele uitvoering
van werkzaamheden. Dit had impact op de dienstverlening en de patiënten.
Gemeenschappelijke voorzieningen, overheidsdiensten en bedrijven in het Caribisch
deel van Nederland zijn ook in toenemende mate afhankelijk van digitale systemen.
Het is daarom van belang dat ook inwoners van het Caribisch deel kunnen rekenen op
een passend niveau van digitale bescherming en weerbaarheid. Er is al een veiligheidsstrategie
voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dat is een goed begin, maar biedt nog niet genoeg
handelingsperspectief. Ik heb daarom de volgende vragen aan de Minister. Werkt het
kabinet aan een concreet plan of een routekaart om te komen tot een cybersecuritystelsel
voor het Caribisch deel van Nederland dat zo veel mogelijk aansluit op het niveau
van digitale bescherming en weerbaarheid hier in Nederland? Wordt het Caribisch deel
van het Koninkrijk dan betrokken bij de ontwikkeling van dat stelsel? Zo ja, op welke
manier? Kan de Minister aangeven welk tijdpad het kabinet voor ogen heeft om tot een
dergelijk beschermingsniveau voor het Caribisch deel te komen?
Voorzitter. Ik ben bijna klaar, maar wil het graag nog even hebben over toezicht.
Wij hechten aan een ambitieus maar ook helder en uitvoerbaar pakket maatregelen om
onze cyberveiligheid te versterken. Voor onze fractie geldt daarbij vereenvoudigen
waar kan, maar maatwerk waar nodig. Afstemming tussen toezichthouders is essentieel
om dubbele toezichtlasten te voorkomen. De Minister geeft aan dat hierover sectorale
samenwerkingsafspraken zullen worden gemaakt en dat de instanties die toezicht houden
op de Cyberbeveiligingswet samenwerken in het door de RDI opgerichte directeurenoverleg,
het DTDW, om zo te werken aan een gezamenlijke en meer geharmoniseerde aanpak van
toezicht op digitale weerbaarheid. Mijn fractie ziet dit als wenselijke stappen. Tegelijkertijd
hebben we nog wel enkele vragen. Worden deze samenwerkingsafspraken uiteindelijk in
alle sectoren gemaakt of zijn er sectoren waar dat nog niet gebeurt? Zijn in die zin
daarmee dan alle blinde vlekken in het toezicht in kaart gebracht en straks ook opgelost?
Hoe verhouden de coördinerende taak en de stelselverantwoordelijkheid van de Minister
zich tot het directeurenoverleg? Tot slot: in hoeverre worden organisaties die onder
dit toezicht vallen, betrokken of geconsulteerd bij de afspraken die in dit overleg
worde gemaakt?
Voorzitter, ik rond af. Deze wetten gaan uiteindelijk over mensen, over de zekerheid
dat je 's ochtends gewoon naar je werk kunt, dat het licht het doet, dat je water
uit de kraan krijgt en dat je erop kunt vertrouwen dat je gegevens veilig zijn. De
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet zijn belangrijke stappen
om die zekerheid beter te beschermen in een wereld waarin dreigingen steeds minder
zichtbaar zijn maar steeds ingrijpender worden. Duidelijke regels waar organisaties
mee uit de voeten kunnen, zijn daarom belangrijk, opdat verplichtingen niet alleen
op papier werken maar ook in de praktijk. Als we dat goed doen, bouwen we aan weerbaarheid
en voorzieningen die blijven draaien. Mijn fractie ziet daarnaar uit.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. U heeft verder geen interrupties. Dan gaan we naar de heer
Van Dijk van de PVV.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De Cyberbeveiligingswet, de Nederlandse vertaling van de Europese
NIS2-richtlijn, is Brusselse regelgeving in optima forma. Het is weer een berg aan
nieuwe regels die vanuit de EU worden opgelegd aan Nederland. Het is waar, op papier
klinkt het niet eens zo heel slecht: zorgen dat onze digitale systemen beter beschermd
zijn tegen hackers, ransomware en andere cyberdreigingen. Want ja, niemand wil dat
de stroom uitvalt, treinen stilvallen, ziekenhuizen platliggen of banken gehackt worden.
Maar zoals altijd met EU-regelgeving wordt het een enorme administratieve rompslomp,
met hoge kosten voor vooral bedrijven maar uiteindelijk ook voor de gewone Nederlander.
Voorzitter. Deze wet treft zo'n 8.100 bedrijven en organisaties in Nederland. Dat
zijn er veel meer dan onder de oude regels. Denk aan energiebedrijven, vervoerders,
luchtvaart, spoor, wegen, scheepvaart, drinkwaterbedrijven, afvalbedrijven, ziekenhuizen,
zorginstellingen, banken en financiële partijen, waarbij er deels overlap is met andere
regels, grote cloudaanbieders, internetproviders, socialmediaplatforms, zoekmachines,
postbedrijven; noem het maar op. Maar denk ook aan gemeenten, waterschappen en sommige
onderwijsinstellingen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen essentiële entiteiten en
belangrijke entiteiten. Veel middelgrote en grote bedrijven vallen er automatisch
onder als ze meer dan 50 werknemers hebben of meer dan 10 miljoen euro omzet draaien.
Wat moeten die bedrijven dan straks allemaal doen? Ze krijgen een zorgplicht, moeten
risico's inschatten, maatregelen nemen om hacks te voorkomen, systemen beter beveiligen,
personeel trainen, hun toeleveranciers beschermen en zorgen voor een veilige ontwikkeling
van software en fysieke beveiliging van servers. Bij een serieuze cyberaanval of storing
moeten ze binnen 24 uur melding doen bij de overheid via een centraal loket, gevolgd
door updates en een eindrapport. Bestuurders moeten een cybertraining volgen en zich
blijven bijscholen. Er komt ook een registerplicht en er komen periodieke checks door
toezichthouders. Wie niet meewerkt, riskeert boetes tot 10 miljoen euro of 2% van
de wereldwijde omzet. Dat zijn forse bedragen, die een bedrijf kapot kunnen maken.
De kosten zijn niet mals. Bedrijven betalen het grotendeels zelf: audits, externe
adviseurs, nieuwe software of hardware. Uit schattingen blijkt dat middelgrote bedrijven
structureel zo'n 1.246 uur per jaar kwijt zijn aan al die regels. Dat is meer dan
een halfjaar fulltime werk voor één persoon. Eenmalig investeren ze gemiddeld rond
de € 25.000 en grote bedrijven zelfs € 44.000 of meer, plus jaarlijks tienduizenden
euro's aan doorlopende kosten. Voor kleine ondernemers in de keten sijpelt het allemaal
door. Hogere prijzen voor energie, zorg, vervoer of onlinediensten: uiteindelijk betaalt
de burger het, met hogere rekeningen, duurdere boodschappen en tragere leveringen.
En dat terwijl Nederland al kampt met hoge lasten en een economie die kraakt onder
de regeldruk. De PVV is daar geen voorstander van. Wij zeggen hier nee tegen. Cyberbeveiliging
is belangrijk – we willen immers geen Chinese of Russische hackers die ons land lamleggen
– maar dit moet nationaal en slim gebeuren, en niet via dictaten uit Brussel met een
one-size-fits-allaanpak ...
De voorzitter:
Meneer Van Dijk, u heeft eerst een interruptie van mevrouw Zwinkels, als ik het goed
heb, en dan van mevrouw Martens-America.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
... die kleine en grote bedrijven de nek omdraaien.
De voorzitter:
Ik had dus niet een goed moment gevonden! Ik dacht van wel. Mevrouw Zwinkels, van
het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Op zich is het een terecht punt dat we de regeldruk in de gaten moeten houden. Daar
heb ik ook een punt van gemaakt in mijn inbreng. Alleen kan ik helemaal niet volgen
welke kant dit nu op gaat met de PVV. We hebben vorige week ook nog een debat gehad
over Odido, naar aanleiding van de hacks die daar hebben plaatsgevonden. Dan blaast
de PVV ook hoog van de toren met «hoe kan dit?», «schande», en weet ik het allemaal.
Dan denk ik bij mezelf: deze wetgeving is er juist voor bedoeld om dat grotendeels
te voorkomen en ervoor te zorgen dat die bedrijven zoals Odido ook een zorgplicht
hebben naar hun klanten, burgers die daar hun data hebben. Het kan niet allebei waar
zijn. Waarom is de PVV dan niet bereid om hierin te investeren? Zien zij niet in dat
hiermee heel veel risico's voor die bedrijven, en daarmee ook voor onze burgers, voorkomen
kunnen worden?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Die databeschermingsregelgeving bestond bij Odido natuurlijk al. Zij hebben zich niet
aan de regels gehouden. Ze hebben data onnodig lang opgeslagen. Dat is dus met de
huidige regelgeving al niet voorkomen. De huidige regelgeving verbiedt het om bepaalde
data, zoals kopieën van paspoorten, rijbewijzen en adresgegevens, langer dan nodig
te bewaren. Als dat nu al niet gehandhaafd wordt, wat heeft het dan voor nut om er
nog zo'n hele lading Brusselse regelgeving op los te laten, terwijl Odido in die zaak
juist bewezen heeft dat het al niet werkt zoals het nu gaat?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Heel simpel: dat is ook helemaal de reden waarom we dit beleid moeten aanscherpen
met elkaar, waarom deze maatregelen nodig zijn. We zien in de praktijk dat het niet
toereikend is. Dan hoor ik de PVV ook zeggen «wat een schande dat er allemaal boetes
worden uitgedeeld», maar dan denk ik bij mezelf: ja, maar het is voor een bedrijf
ook vrij duur als ze allemaal losgeld moeten betalen en als ze voor het dilemma komen
te staan of ze dat wel of niet gaan doen. Ik vraag me dan af of Odido volgens de PVV
geen boete zou moeten betalen. Ik volg gewoon totaal niet waar het pleidooi van de
PVV naartoe gaat. Ik hoop toch echt dat er wel iets meer steun kan komen voor hoe
we samen weerbaarder gaan worden.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
We zijn er als partij nog niet over uit wat we met dit pakket doen. We hinken op twee
benen. Aan de ene kant is het belangrijk dat je actie onderneemt voor je eigen cyberveiligheid.
Aan de andere kant is dit weer Brusselse overregulering. Ik denk dat we de Europese
Unie niet nodig hebben om zelf onze zaakjes op orde te hebben. Om terug te komen op
het Odido-verhaal: dat is natuurlijk een compleet andere situatie. Er was en is regelgeving
actief. Ondanks dat we die regelgeving op haar plek hebben, heeft het bedrijf zich
daar niet aan gehouden. De logica om dan in een reflex te schieten van «de regelgeving
die we nu hebben en die nu in werking is, daar houdt men zich niet aan, dus komen
we met een hele lading aan extra regelgeving», snap ik echt niet. Ik ga daar dan ook
niet in mee.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Mijn punt ten aanzien van die boetes blijft staan. Daarvan denk ik: we regelen nu
juist met elkaar om daar op een structurele manier een aanpak voor te hebben.
Tot slot over Europa. Juist voor bedrijven die in meerdere landen actief zijn, is
het echt heel erg belangrijk dat we niet allerlei verschillende interpretaties hebben,
maar dat we zulke Europese wetgeving juist implementeren op een zo uniform mogelijke
manier en dat harmoniseren, zodat bedrijven daarvan op aan kunnen en weten waar ze
aan toe zijn. Ik denk dat het juist heel erg belangrijk is dat alle lidstaten niet
los van elkaar allemaal regels gaan bedenken, maar dat we dit op een vergelijkbare
manier uitvoeren. Ik denk dat dat juist kan leiden tot minder regeldruk.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Het zou kunnen leiden tot minder regeldruk, maar in de praktijk zien we altijd dat
de Europese Unie niet zorgt voor minder regeldruk, maar enkel voor meer regeldruk.
Om terug te komen op het verhaal van Odido: als je 7 miljoen adressen en persoonsgegevens
en dergelijke op straat hebt laten komen door nalatigheid, doordat je je niet aan
de huidige fungerende regelgeving hebt gehouden, dan zal je daar een boete voor kunnen
krijgen. Dat vind ik heel normaal. De klanten van Odido hebben namelijk gewoon het
nakijken gehad. Als wij ergens een keuze moeten maken, kiezen we niet voor het bedrijf
dat nalatig is geweest, maar voor de burger die de komende jaren misschien geconfronteerd
wordt met identiteitsfraude en allerlei andere problemen rondom bankzaken en hypotheken
en noem het maar op.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik luister met een enigszins verontrustend gevoel naar de bijdrage van de PVV, ook
omdat ik denk dat we anno 2026 de fase wel voorbij zijn dat je bedrijf veilig houden
niet meer is dan een extra schuifje op de voordeur. Je verdienmodellen vinden op een
andere manier plaats dan fysiek. Dat vraagt ook dat we misschien tien of twintig stappen
vooruit moeten zetten, in plaats van afwachten. Maar goed, iedere fractie kiest hier
natuurlijk haar eigen woorden. Het goede nieuws is – dat is ook niet altijd zo – dat
ik de PVV zich zorgen hoor maken over onze ondernemers en het bedrijfsleven. Mijn
glas is dus halfvol. Ik grijp dat graag met beide handen aan. Is de heer Van Dijk
het niet met mij eens dat we juist deze ondernemers gaan helpen door op Europees niveau
te zorgen dat de wet- en regelgeving gelijkgetrokken wordt? Daardoor wordt het concurrerende
speelveld tussen Europese landen namelijk steeds minder en daar worden de Nederlandse
ondernemers alleen maar beter van. Ik snap de zorgen over afspraken op Europees niveau
dus niet zo goed. Misschien kan de heer Van Dijk die nog even toelichten.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Een gelijk speelveld is natuurlijk perfect. Dat is waar de Europese Economische Gemeenschap
juist voor opgericht is. Het is nu echter een politieke unie geworden. Ze willen een
grote geopolitieke speler zijn en zullen niks nalaten als het gaat om regelgeving
uitstrooien over de lidstaten om daar verder stapjes in te zetten. Gelijk speelveld:
ja. Politieke unie: nee.
Uw eerste vraag ging over de ondernemers. U zei dat we aan de kant van de ondernemers
staan en dat dat positief was. Ja, dat heeft u goed geconstateerd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Uw antwoord is natuurlijk in volledige abstractie. Dat snap ik, want u, zeg ik via
de voorzitter, geeft geen antwoord op mijn vraag. U maakt er een geopolitiek vraagstuk
van. Dat mag. Mijn vraag is: welke negatieve gevolgen zouden Europese ondernemers
op dat niveau en op dit moment ondervinden van afspraken op een gelijk speelveld?
Welk nadeel gaan onze bedrijven hiervan ondervinden?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat is een beetje het probleem. Dat gelijke speelveld hadden we onder de EEG kunnen
bereiken. Dat hoeft niet via de Europese Unie te lopen. Ik snap niet wat daar zo complex
aan is. Europese economische samenwerking is prima, maar op het moment dat dat zich
ontwikkelt tot een Brusselse hegemonie op alle facetten van het leven, vind ik dat
we daar paal en perk aan moeten stellen. Daarom twijfelen wij ook of dit wetsvoorstel,
dat een uitvoering is van de NIS2-richtlijn wel de manier is om dat aan te pakken.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ga proberen mijn vraag nog simpeler te stellen. Ik denk dat het wel belangrijk
is dat, ondanks wat je vindt van de rol van de Europese Unie ... Mijn fractie maakt
zich ook zorgen over nationale koppen op Europese wet- en regelgeving. Dit is nou
juist zo'n wet die ervoor gaat zorgen dat wij elkaar op Europees niveau niet blijven
beconcurreren, omdat we elkaar aan dezelfde wet- en regelgeving moeten houden, die
– laten we heel eerlijk zijn – van essentieel belang zijn voor u en ik, zeg ik via
de voorzitter, om ervoor te zorgen dat onze persoonsgegevens daadwerkelijk veilig
blijven. Welk nadeel gaan ondernemers ondervinden van Europese wet- en regelgeving
als het gaat om uw en mijn veiligheid?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat heb ik net aangestipt. Dat gaat over investeringen die ze moeten doen, over 1.250 uur
per jaar die ze kwijt zijn aan regelgeving, over de meldplicht, over alle administratieve
rompslomp en over de trainingen en de bijscholingen en dergelijke die ze moeten gaan
doen. Nogmaals, dat heeft dus niet voorkomen dat de data van Odido, dat zich gewoon
aan nationale regelgeving had moeten houden, alsnog op straat hebben gelegen. Ik zie
dus het nut van extra regelgeving niet, als we de huidige regelgeving niet handhaven.
Een gelijk speelveld is prima, maar dan wel in beperkte mate.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil de heer Van Dijk toch wel bijvallen, want ik hoor volgens mij iets wat ik net
ook inbracht in mijn bijdrage, namelijk dat er inderdaad een gelijk Europees speelveld
moet zijn en dat dit niet moet leiden tot extra lastendruk. Mijn vraag aan de heer
Van Dijk van de PVV is dan ook hoe hij er nou naar kijkt dat je in andere landen een
meer coöperatieve houding ziet bij de toezichthouders en er dus niet gelijk wordt
beboet, en dat het hier in Nederland nog niet zo strak in de wetgeving is opgenomen,
waardoor dit wel zo kan uitpakken?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Daar ben ik geen voorstander van. Ik zou zeggen dat er iets van coulance moet zijn.
Het voorbeeld van Frankrijk dat u noemde, vind ik op zich de meest logische manier,
zeker als je continu met ontwikkelingen te maken hebt die van invloed zijn op hoe
die wet uitwerkt voor bedrijven. Het lijkt me dat je niet meteen boetes gaat opleggen.
We zijn er in Nederland heel goed in om meteen overal boetes, aanmaningen, brieven
en dergelijke voor te sturen. Ik zou daarin wat milder zijn richting bedrijven in
de uitwerking van deze wet, waarbij de vraag is of die doorgaat en in welke mate die
doorgaat.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan nog een open vraag aan de heer Van Dijk: wat zou er nou, ten opzichte van hoe
die nu voorligt, concreet aan deze wet moeten veranderen om die wel acceptabel te
laten worden voor de heer Van Dijk en de PVV?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik had liever gezien dat het initiatief vanuit Nederland zelf was gekomen zonder dat
wij daarvoor dictaten vanuit Brussel over ons heen gestrooid krijgen. Dan kunnen we
namelijk echt maatwerk leveren en hebben we niet te maken met het grotere ideaal van
een Europees gelijk speelveld. Wat heeft een universiteit in Griekenland er voor baat
bij dat een universiteit in Nederland dezelfde cyberbeveiligingsstandaarden heeft?
Ik zie daar het nut absoluut niet van in, maar tegelijkertijd moeten we ons er wel
aan conformeren en geeft het ons een enorme bureaucratische rompslomp, die uiteindelijk
aan de burger wordt doorberekend.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Er ligt heel veel nadruk op dat het iets heel negatiefs is voor bedrijven, maar als
we dit vanuit Europa aanpakken, creëren we dus juist dat gelijke speelveld. Ik hoor
de heer Van Dijk ook veel over de boetes, maar tegelijkertijd heeft de Europese Commissie
ook ingeschat dat het per jaar 180 miljard euro tot 290 miljard euro zou besparen
op cyberincidenten. Dat is wat al die cyberincidenten ons op dit moment kosten. Ik
denk dat het dus ook heel veel kansen biedt. Als we dit goed doen, goed oppakken en
ervoor zorgen dat het uitvoerbaar is, kunnen we bedrijven hierin juist helpen, doordat
het hen niet meer zulke grote bedragen kost aan wat ze zelf moeten regelen op het
moment dat er dus zo'n cyberincident heeft plaatsgevonden. Ik denk dat deze wetgeving
ons enorm gaat helpen in het kader van «voorkomen is beter dan genezen». Is de heer
Van Dijk dat met mij eens? Ziet hij wat ik net uitlegde ook zo?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik begrijp waar mevrouw El Boujdaini van D66 vandaan komt, maar ik denk dat in essentie
het grootste verschil tussen D66 en de PVV is dat wij liever zien dat we de regie
nationaal houden, dat we onze soevereiniteit behouden en dat als we vinden dat we
geld zouden kunnen besparen door onze cyberveiligheid op orde te krijgen, het initiatief
uit Nederland zou moeten komen, vanuit het ministerie of vanuit de Tweede Kamer als
het ministerie het zou nalaten. Nationale koppen op Brusselse regelgeving doen natuurlijk
iets anders dan een gelijk speelveld creëren. Als ik de lijn van de collega's volg,
zouden we met de implementatie van de NIS2-richtlijn nu een gelijk speelveld moeten
krijgen. Maar wat gebeurt er dan? Dan worden er nationale koppen op gezet. Ik snap
dat niet, want die nationale koppen zorgen juist voor een ongelijk speelveld. Je hebt
dus een gigantische toename van bureaucratie en regelgeving voor bedrijven, en tegelijkertijd
creëer je een ongelijk speelveld door die nationale koppen erop te zetten.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik denk dat wat de heer Van Dijk benoemt, het verschil tussen de PVV en D66, wel klopt.
Wij zien inderdaad zeker wel de meerwaarde van deze wetgeving vanuit Europa. Het mooie
is juist dat we nog steeds de ruimte krijgen voor maatwerk voor ons eigen Nederland,
om te kijken wat er het beste past bij onze bedrijven en organisaties hier in Nederland
en wat ten goede komt aan onze samenleving. Als laatste zou ik dus aan de heer Van
Dijk willen vragen om misschien toch ook te kijken naar de voordelen van deze wetgeving
voor bedrijven. Het is namelijk echt niet alleen negativiteit en het biedt ook echt
wel kansen, ook om geld te besparen.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Afsluitend. Wij zijn altijd bereid om te kijken naar de voordelen. Wij zien hier echter
alleen meer nadelen. Toch nog even een reactie. U zegt: «Het is mooi dat we van de
EU de ruimte krijgen om ons eigen beleid te voeren.» Dat is dus precies het grote
verschil tussen de partij van mevrouw El Boujdaini en de PVV. Wij vinden het principe
van soevereiniteit zo belangrijk dat het eigenlijk schandalig is dat we hier van de
EU een kruimeltje krijgen om ons eigen beleid te mogen voeren. Dat zou niet zo moeten
zijn. Wij zouden in ons eigen land moeten kunnen bepalen hoe we de dingen aanvliegen,
en niet blij moeten zijn dat de EU ons de ruimte heeft gegeven om binnen de richtlijnen
en verordeningen die zij over ons uitstrooit nog kleine keuzes te maken.
De voorzitter:
Meneer Van Dijk, u kunt verder met uw betoog.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Leg de focus op de echte vitale systemen van de overheid,
de gemeenten, kritieke infrastructuur, Defensie en telecom. Bescherm die sectoren
streng met Nederlandse oplossingen die passen bij onze situatie en dus niet met EU-lagen
die innovatie remmen en kosten opdrijven. Wij staan voor Nederland eerst. Sterke cyberweerbaarheid:
ja, maar betaalbaar en zonder dat hardwerkende ondernemers en burgers opdraaien voor
Brusselse overregulering. Stop met de eindeloze regelstroom die onze economie verder
verzwakt. Investeer in eigen capaciteit bij de politie, inlichtingendiensten en experts
om dreigingen aan te pakken in plaats van bedrijven te dwingen tot dure administratieve
oefeningen. Wij willen een Nederland waarin bedrijven kunnen ondernemen zonder overmatige
bureaucratie vanuit de EU en waarin de burger niet direct op kosten wordt gejaagd
door elke nieuwe EU-richtlijn. Cyberdreigingen aanpakken: absoluut, maar doe het op
zijn Nederlands – proportioneel en zonder de gewone man en het mkb kapot te reguleren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Dan vraag ik even aan de heer Van den Berg of hij het voorzitterschap
over wil nemen om het woord te kunnen geven aan het lid Kathmann van GroenLinks-Partij
van de Arbeid.
Voorzitter: Van den Berg
De voorzitter:
At your service. Ik geef het woord aan mevrouw Kathmann van GroenLinks-Partij van
de Arbeid.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Veiligheid, weerbaarheid, het toverwoord «cyber»: het is het
heetste onderwerp in de politiek – eindelijk, zou ik willen zeggen. Een onzekere wereld
dwingt tot actie, en maar goed ook, want het denken over onze infrastructuur moet
radicaal anders. De computers waar onze economie en ons land op draaien, zijn eindelijk
onderwerp van gesprek. Het doet ertoe wie de baas is over die computers en hoe ze
beveiligd worden, want door die kabels, chips en serverkasten blijft ons land overeind.
Of je nou een ziekenhuis, een postbedrijf of een middelgrote gemeente bent, je hebt
een verantwoordelijkheid. Te lang is dat niet zo geweest. Grote bedrijven en de overheid
kochten hun ICT-spullen in alsof het kantoorartikelen waren, niks meer dan pennen,
printpapier en een nietmachine. Achteraf zijn we daar waarschijnlijk naïef in geweest,
want in onze digitale infrastructuur kunnen we het hardst geraakt worden. Eén gerichte
cyberaanval en een deel van onze economie functioneert niet meer. Eén leverancier
die zich terugtrekt en gemeenten liggen op hun gat. Digitale spionage en ddos-aanvallen
zitten inmiddels in de gereedschapskist van iedere boef. Maar ook ons denken over
fysieke veiligheid moet beter, want sabotage ligt niet alleen digitaal op de loer.
Een onbeschermde datakabel, een deur die te gemakkelijk opengaat of een hek waar je
zo een gat in knipt: ook dat zijn kwetsbare plekken. Op die manier kunnen boeven toegang
krijgen tot een sluis, een laboratorium met kostbare spullen of een gemeentehuis.
Als je rommelt met zulke belangrijke organisaties, heeft dat hele grote gevolgen.
Dat zijn namelijk kritieke entiteiten, die onmisbaar zijn voor ons land.
Kortom, ik wil maar zeggen: goed dat deze wetten er zijn. GroenLinks-Partij van de
Arbeid steunt de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
Met deze wetten gaan we samen met andere Europese landen één plan trekken voor onze
cyberveiligheid en voor de fysieke veiligheid van belangrijke organisaties. Veiligheid
hoort thuis aan elke bestuurstafel. Dat geldt met name voor cyberveiligheid. Deze
wetten dwingen dat af.
Maar met hoe groot deze wetten zijn, begin ik even bij stap één. Ik vraag de Minister
het volgende. Kan hij heel concreet samenvatten wat er straks eigenlijk gaat veranderen
als deze wetten worden aangenomen? Wat is nou precies een essentiële entiteit, een
belangrijke entiteit en een kritieke entiteit? Kan hij per entiteit een paar voorbeelden
opnoemen? Op welke manier wordt Nederland weerbaarder en veiliger van deze wetten?
Wat gaan burgers hiervan merken? Wat gaan de entiteiten merken van de nieuwe wetten?
Wat is de zorgplicht? Wat is de meldplicht? Hoe wordt er toezicht gehouden? Welke
crisisteams, de zogenaamde CSIRT's, worden er straks aangewezen voor de sectoren?
Welke nieuwe moeten er nog worden opgericht?
Ik stel die vragen omdat ik wil dat mensen begrijpen wat er nu eigenlijk gaat veranderen.
Wij moeten duidelijk maken hoe we burgers veilig houden. Cyberveiligheid en weerbaarheid
is iets voor ons allemaal. Het zijn niet zomaar buzzwords voor bestuurders en politici
om over te kletsen. Het is een belofte die wij aan burgers geven: dat wij hun recht
op een veilig leven ook serieus nemen.
Ik wil wat langer doorgaan over de positie van de burger. Deze wetten richten zich
namelijk volledig op wat er binnen organisaties moet gebeuren. Het betreft de maatregelen
die je moet nemen om je beter te beschermen. Dat is de zogenaamde zorgplicht. Ook
gaan ze over hoe je melding moet maken als er iets misgaat. Dat is de meldplicht.
Maar we leven niet op een eiland met alleen maar bestuurders, CEO's en toezichthouders,
die samen afspraken maken. Een datalek of een aanval op infrastructuur is allang geen
kwestie van bedrijfsvoering meer. Het is een kwestie van nationaal belang. Het heeft
gevolgen voor mensen.
Neem het voorbeeld van een groot datalek. We hoeven daar niet ver voor te zoeken,
want we hebben het meegemaakt met de miljoenen Odidoklanten van wie de gegevens nu
op straat liggen en met alle vrouwen die getroffen zijn door het datalek bij het bevolkingsonderzoek
baarmoederhalskanker. Terwijl de ministeries, de toezichthouders en de organisaties
druk met elkaar in de weer zijn, blijven de slachtoffers eigenlijk nog steeds bekaaid
achter. Ze hebben hele terechte, praktische vragen. Wat moet ik doen om mezelf te
beschermen? Waar moet ik op letten? Welke telefoontjes of mailtjes kan ik niet meer
vertrouwen? Kan ik mijn burgerservicenummer vervangen om fraude te voorkomen? Die
vragen krijg ik als Kamerlid binnen van de mensen die ik vertegenwoordig. Vergeet
niet: hoe belangrijk de cyberveiligheid van bedrijven en overheden wel niet is, als
het misgaat zijn individuele klanten en burgers de allergrootste pineut.
Met name denk ik aan de kwetsbare groepen in Nederland, mensen voor wie hun privacy
een essentiële veiligheidsgarantie is. Denk aan slachtoffers van huiselijk geweld
van wie het huisadres is gelekt, aan publieke personen die anonimiteit nodig hebben
om ongestoord door de dag te komen of aan lhbti'ers die voor hun eigen veiligheid
zijn wegverhuisd en nu met één zoektocht op het darkweb weer vindbaar zijn geworden.
Ik wil een wet die hun rechten beschermt.
Daarom pleit ik ervoor om een wettelijke nazorgplicht te introduceren. In zo'n wet
staat precies hoe slachtoffers na een grote cyberaanval of een datalek geïnformeerd
en geholpen moeten worden. Als we niet steviger opkomen voor slachtoffers, dan verliezen
zij hun vertrouwen in de overheid en in de grote bedrijven die onmisbaar zijn in ons
land. Zonder dat vertrouwen breekt precies datgene af wat we met deze nieuwe wet willen
beschermen.
Daarom vraag ik het volgende van de Minister. Hoe kijkt hij naar het maken van een
nieuwe wet met een nazorgplicht? Is hij het met me eens dat dit de rechten van slachtoffers
van een datalek meer zekerheid kan geven? Is de positie van slachtoffers goed genoeg
vastgelegd in de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Welke verplichtingen gelden er voor de overheid en entiteiten als een cyberaanval
een hoop slachtoffers maakt? Op welke hulp kunnen slachtoffers zich beroepen? Is de
Minister bereid om te verkennen hoe hun rechten wettelijk vastgelegd kunnen worden
met een nazorgplicht voor de overheid en entiteiten?
Dan het basispakket digitale veiligheid. Eerder pleitte ik ook voor een basispakket
digitale veiligheid: een bundel van cybersecuritysoftware die is gemaakt door het
Nederlandse bedrijfsleven en die centraal wordt aangeboden door de overheid in samenwerking
met diezelfde bedrijven. Ik weet dat er op de markt genoeg oplossingen zijn, maar
als cybersecurity alleen is weggelegd voor mensen die weten wat een VPN is en die
snappen welke wachtwoordmanager het beste uit de test komt, dan constateer ik dat
het gewoon niet toegankelijk genoeg is. De opdracht is helder: ook mijn oude buurvrouw
moet online veilig zijn, niet alleen de techneut die thuis zijn eigen mailserver draait.
GroenLinks-Partij van de Arbeid wil een toegankelijk pakket met een VPN, een wachtwoordmanager,
antivirussoftware en een adblocker, gemaakt met gebruiksgemak voor elke doelgroep
en makkelijk te installeren op meerdere apparaten. De motie die ik hierover heb ingediend,
heb ik aangehouden, omdat de Staatssecretaris Digitale Economie tijd nodig had om
die te appreciëren. De appreciatie is er nog niet, dus ik probeer het nog een keer
in dit debat. Is de Minister het met me eens dat cyberveiligheid ook voor individuele
burgers bereikbaar, betaalbaar en begrijpelijk moet zijn? Hoe kijkt de Minister naar
mijn voorstel voor een basispakket digitale veiligheid? Op welke manier zou dit samen
met de markt vormgegeven kunnen worden? Is de Minister bereid om samen met Economische
Zaken en Binnenlandse Zaken te bezien hoe een basispakket digitale veiligheid gerealiseerd
kan worden?
Dan kom ik weer bij de wetten. Die roepen bij mij een hele hoop vragen op. Hoe blij
ik ook ben dat ze er zijn, ook al zijn ze een beetje laat: er valt nog wel wat op
af te dingen, onder andere wat betreft de hele waslijst aan dingen die nog moeten
worden uitgewerkt. Denk hierbij aan de hoeveelheid belangrijke zaken die niet eens
in de wet staan, maar in regeltjes die nog moeten worden gemaakt. Ook een hoop praktische
dingen en randgevallen zijn nog niet duidelijk. Ik zal er hier niet een aantal noemen,
want dat gaan heel lang duren. Maar ik heb hier al één, twee, een heleboel pagina's
voor me met onduidelijkheden. Ik noem bijvoorbeeld een meldportaal dat nog niet duidelijk
is, de rol van de toezichthouder en de nieuwe, maar nog onbekende taken van het Nationaal
Cyber Security Centrum. Dit is echt nog maar een hele kleine greep uit alles wat nog
boven de markt hangt. Over wetten die zo lang in de oven hebben gezeten, had ik eerlijk
gezegd meer zekerheid verwacht. We tuigen een heel nieuw systeem van regels, toezicht
en handhaving op, maar niemand weet nog hoe dat er precies uit gaat zien.
We nemen dus straks misschien wetgeving aan zonder te weten of het allemaal uitvoerbaar
is. In gesprekken met bedrijven, gemeenten en andere organisaties die straks aan de
wetgeving moeten voldoen, hoor ik dit ook terug als een van hun grootste zorgen. Herkent
de Minister die kritiek op de uitwerking van de wetten? Hoe zorgt hij ervoor dat de
naleving niet een groot fiasco wordt als de wetten eenmaal zijn aangenomen? Kan de
Minister aangeven wanneer hij verwacht dat alle punten zijn uitgewerkt? Ik heb die
punten net dus niet allemaal opgenoemd, maar die zijn wel genoemd in allerlei memories
van toelichting en beantwoordingen. Is de Minister bereid om schriftelijk een overzicht
te geven van alle punten waarop de wetten nog nader worden uitgewerkt, samen met een
tijdlijn van wanneer we een uitwerking kunnen verwachten?
Dit brengt me meteen bij een belangrijk punt van kritiek op de wetten. Er is namelijk
ontiegelijk veel uitgewerkt in lagere regelgeving. In normale mensentaal zegt dat
eigenlijk: we hebben een wet geschreven, maar hoe je die regels eigenlijk naleeft,
moet je maar zien in de bijlagen die we later nog wel gaan opsturen. In sommige gevallen
snap ik dat echt, maar als het gaat om twee wetten die zo lang op zich hebben laten
wachten en waar zo veel urgentie achter zit, snap ik het minder goed. We bespreken
twee wetten met zware verplichtingen, die heel veel open eindjes hebben. Toen ik in
de schriftelijke ronde vroeg waarom de zorgplicht pas in het Cyberbeveiligingsbesluit
– dat is dus die bijlage waar ik het over had – staat, kreeg ik als antwoord dat dat
alleen maar om een uitwerking gaat. Dat is niet helemaal zo. Ten eerste is de uitvoering
ervan knetterpolitiek. Het is één ding om op te schrijven dat je meer aan je veiligheid
moet doen, maar het is nog steeds een politieke vraag wát je dan precies moet doen.
Wanneer ben je als entiteit cyberveilig? Hoe bescherm je je fysieke infrastructuur?
Kortom, wanneer voldoe je aan de wet? Die vragen moet je duidelijk kunnen beantwoorden.
Als je de hele kern van een wet pas in lagere regels uitwerkt, is dat moeilijk.
Gelukkig hebben we het Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke
entiteiten goed ontvangen. Maar ook daar staan nog zaken in die niet uitgewerkt zijn.
Voor de entiteiten én voor de volksvertegenwoordiging is dat lastig controleren. Ik
heb daarover een aantal vragen. Heeft de mate waarin dingen nog verder worden uitgewerkt
te maken met haast? Is het te laat implementeren van de richtlijnen een reden geweest
om veel dingen in lagere regelgeving te bepalen? Heeft de Minister overwogen om meer
zaken al op het niveau van de wet duidelijk te maken? Waarom is de afweging gemaakt
om vooral de zorgplicht, een heel zwaar middel, in algemene maatregelen van bestuur
te zetten? Is de Minister bereid om in de evaluatie van de wetten, die ergens in de
komende vier of vijf jaar plaatsvindt, te bezien of er met een wetswijziging alsnog
meer zaken in de wet zelf geregeld kunnen worden, en wat daar de voor- en nadelen
van zijn? Dit is waarom ik voor allebei de wetten een amendement heb ingediend om
een voorhangprocedure toe te voegen. Als er iets aan de uitwerking van de wetten verandert,
specifiek als het gaat om de zorgplicht, dan moet de Kamer daarover geïnformeerd worden.
Zo wordt de uitvoering van de wetten beter controleerbaar en geven we onszelf de kans
om in te grijpen als de wetten niet goed worden uitgewerkt. Hoe kijkt de Minister
naar mijn voorstel over het toevoegen van een voorhang voor de zorgplicht bij beide
wetten? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat de uitwerking van de twee wetten zorgvuldig,
transparant en met zo veel mogelijk inspraak van zowel de entiteiten als de Kamer
plaatsvindt?
In die lage regelgeving staat iets heel zwaars. Dat gaat om de interventiebevoegdheid.
De voorzitter:
Mevrouw Kathmann, ik zat al even te zoeken naar een moment, omdat ik uw vlammende
betoog niet wilde onderbreken. Maar u heeft een interruptie van de heer Van den Berg
van JA21 en dat ben ikzelf.
Ik hoor u steun uitspreken voor beide wetten, zowel voor de Cyberbeveiligingswet als
voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Maar ik hoor tegelijkertijd ook een
bak aan kritiek, die ik terecht vind. Er zijn heel veel vragen. U zegt onder andere
dat er een wettelijke nazorgplicht moet komen. U vraagt waarom het in lagere regelgeving
is uitgewerkt en of er haast bij is geweest. Als u al die kritiekpunten heeft en er
nog zo veel moet veranderen, waarom zou je dan aan de voorkant toch alvast steun uitspreken?
Is dat niet de omgekeerde richting?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Nee, de cyberveiligheid van Nederland, waar deze wetten een hoop voor gaan doen, is
echt ongelofelijk belangrijk. Daar moet urgentie voor zijn en dat moeten we gewoon
zo snel mogelijk met elkaar willen doen. Ik ben heel blij dat deze wetten er nu liggen.
Ik heb alleen wel met volgens mij vier amendementen gepoogd om die onduidelijkheden
eruit te halen via die voorhang. Dan worden we als Kamer heel goed geïnformeerd over
de verdere uitwerking. Daar kunnen we dan nog dingen aan veranderen. U heeft ook gezegd:
laten we de wet eerder evalueren. Ik heb de Minister net gevraagd: kunnen we bij de
evaluatie kijken of we dan nog dingen in de wet willen regelen in plaats van in lage
regelgeving of bij algemene maatregel van bestuur? Er zijn nog een aantal dingen waarover
ik per amendement of motie duidelijkheid probeer te scheppen. Het gaat mij vooral
om die onduidelijkheid. Ik heb het idee dat de Minister dat ook wel ziet. Dat blijkt
uit de beantwoording van eerdere vragen. Ik hoop vooral dat we vandaag heel veel zaken
kunnen doen en dat we ook nog zaken kunnen doen als de wet geëvalueerd wordt.
De voorzitter:
Mevrouw Kathmann heeft dus wel het gevoel dat de wetten, als al die zaken worden doorgevoerd,
allebei goed genoeg zijn om echt een bijdrage te kunnen leveren aan de cyberveiligheid
van Nederland?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat heb ik zeker. Dat is zeker zo als wij als Tweede Kamer onze controlerende
taak beter kunnen borgen. Dat vind ik echt heel belangrijk. Ik ga het zo even hebben
over de interventiebevoegdheid. Daar wil ik gewoon meer duidelijkheid over en ook,
zoals ik net al zei, over de voorhang. Dat zijn op zich elementaire dingen, waardoor
wij ons werk beter kunnen doen en we de wet misschien in een later stadium nog kunnen
aanscherpen. En dan zou ik zeggen: zo snel mogelijk gaan met die banaan, want we kunnen
gewoon niet langer wachten.
De voorzitter:
Dan geef ik als voorzitter het woord terug aan mevrouw Kathmann voor het vervolg van
haar betoog.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
In die lagere regelgeving staat iets heel zwaars. Het gaat om de interventiebevoegdheid,
oftewel om artikel 18 van het Cyberbeveiligingsbesluit en artikel 13 van het Besluit
weerbaarheid kritieke entiteiten. Dit is een uitwerking van de zorgplicht die de vakminister
de mogelijkheid geeft om diensten en producten te verbieden, oftewel de interventiebevoegdheid.
Laat ik vooropstellen dat het helemaal geen gek idee is. Als we weten dat ergens een
component in een systeem zit, dat er ergens een stukje software wordt gebruikt of
dat er een bepaald onderdeeltje in de harde infrastructuur is dat ons kwetsbaar maakt,
dan moeten we dat kunnen uitfaseren. GroenLinks-Partij van de Arbeid staat dus achter
de interventiebevoegdheid, maar laten we wel wezen: het is een heel zwaar middel,
dat niet even in een lagere regel moet worden neergezet, bijna uit het niks, als een
onderdeeltje van de zorgplicht. Dat is eigenlijk een grote verrassing. Daarom heb
ik twee amendementen ingediend: eentje voor de Cyberbeveiligingswet en eentje voor
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Die amendementen doen niks anders dan de
interventiebevoegdheid uit de lagere regels halen en netjes in de wet zetten.
Voor de Cyberbeveiligingswet stel ik voor om artikel 21a toe te voegen. Dat is letterlijk
dezelfde tekst als de Minister al wil plus een beetje. Ik stel namelijk twee extra
dingen voor. Ten eerste stel ik voor dat ingrijpen door de vakminister een laatste
redmiddel is, echt een last resort. Eerst moet vaststaan dat er geen andere maatregelen
zijn die de risico's voor de nationale veiligheid wegnemen. Dat spreekt misschien
voor zich, zou je denken, maar door dit in de wet te zetten voorkom je dat we dit
zware middel zonder goede reden inzetten. Dat moet altijd gegrond zijn en dat zorgt
voor rechtszekerheid voor entiteiten.
Ten tweede stel ik een inspanningsverplichting voor. De vakminister en het sectorale
crisisteam, het CSIRT, moeten samen met de entiteit die iets moet afsluiten, kijken
of er ondersteuning bij nodig is. Je kunt niet zomaar verwachten dat entiteiten dit
in hun eentje kunnen doen, vooral als het gaat om een bijna onmisbaar deel van hun
dienstverlening. «Er hoeft niks te gebeuren» kan ook een uitkomst zijn van de inspanningsverplichting.
Als je een entiteit vraagt om iets helemaal uit te faseren, dan vind ik het de verantwoordelijkheid
van de vakminister en het crisisteam om daarbij te helpen. Daarbij blijft de dienstverlening
van de entiteit ook overeind.
Ik ga echt uit van de beste intenties bij het inzetten van de interventiebevoegdheid,
maar de vakminister zomaar op zijn of haar blauwe ogen geloven, is volgens mij niet
hoe wij hier met elkaar wetgeving moeten beoordelen. De manier waarop de bevoegdheid
nu is opgeschreven, is dan ook echt te kort door de bocht. Met mijn amendement hoop
ik op meer zekerheid. Politieke willekeur van het kabinet hoop ik ook te voorkomen,
maar de mogelijkheid om in te grijpen blijft wel gewoon overeind, alleen met een paar
nieuwe vangrails, zodat de vakministers niet uit de bocht kunnen vliegen.
Voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten gaat het trouwens om een heel nieuw artikel 15a,
dat een uitwerking is van de zorgplicht in artikel 15. Het amendement is vrijwel identiek,
alleen gaat het om kritieke entiteiten en fysieke diensten en producten. In de inspanningsverplichting
van dit amendement is er geen rol weggelegd voor de toezichthouder, omdat voor deze
wet een groepje aangewezen ambtenaren de toezichthoudende partij is. Dat zou dus dubbelop
zijn. Daarom is het de vakminister die dit samen met de entiteit uitzoekt.
Over mijn amendementen heb ik een paar vragen. Ten eerste ben ik heel benieuwd hoe
de Minister de amendementen beoordeelt. Het is vrijwel dezelfde tekst als in de lage
regelgeving, maar dan in de wet. Is hij het met me eens dat we op deze manier een
duidelijker kader geven aan de interventiebevoegdheid? Hoe kijkt hij specifiek naar
de nieuwe toevoegingen, die stellen dat het een last-resortmaatregel moet zijn en
dat er een inspanningsverplichting moet komen? Hoe kijkt de Minister naar de mogelijkheid
om, als dat nodig wordt geacht, ook financiële steun te leveren bij het weren van
een dienst of product? Is de Minister daartoe bereid en, zo ja, wat is de hoogte van
zo'n bijdrage zonder dat die staatssteun wordt?
Ik zeg het even hardop: deze amendementen zijn een uitgestoken hand, want mijn doel
is duidelijk. De interventiebevoegdheid moet blijven, maar hoort thuis in de wet,
met een duidelijke grens. Dit weegt voor mijn fractie zwaar. Ik hoop dan ook dat de
Minister niet met een harde «nee» komt, maar met mij meedenkt over hoe wij dit een
beetje netjes in de wet kunnen krijgen. Zou hij anders in een schriftelijke beantwoording
alternatieven kunnen noemen, mochten de amendementen niet op zijn steun kunnen rekenen?
Over de interventiebevoegdheid heb ik nog één grote vraag. GroenLinks-Partij van de
Arbeid heeft duidelijk gemaakt dat een van onze grootste veiligheidsproblemen de totale
eenzijdige afhankelijkheid van vooral Amerikaanse software en hardware is. De interventiebevoegdheid
wordt ingezet als er sprake is van diensten of producten van een bedrijf uit een land
dat op gespannen voet staat met Nederland, dat verplicht is om inlichtingen met de
overheid te delen en uitgebreide toegang geeft tot onze systemen. Daar is nu dus eigenlijk
volop sprake van. In ons land zijn wij massaal afhankelijk van Amerikaanse ICT-diensten,
waardoor bedrijfsgeheimen en burgergegevens direct onder de reikwijdte van spionagewetten
vallen. Denk aan de CLOUD Act, de Foreign Intelligence Surveillance Act en aan Executive
Order 12333.
Over die interventiebevoegdheid heb ik wat vragen. Is de Minister bereid om die bevoegdheid
in te zetten om gevaarlijke afhankelijkheden in onze dienstverlening terug te dringen?
Kan hij klip-en-klaar uitleggen waarom ICT-diensten uit de Verenigde Staten níet zouden
voldoen aan de voorwaarden om deze interventiebevoegdheid in te zetten? Wanneer zou
hier wel sprake van zijn? Kortom: kan de Minister heel duidelijk zeggen wanneer hij
bereid is om de interventiebevoegdheid in te zetten? Volgens mij is mijn punt duidelijk:
hoe, wanneer en waarom de interventiebevoegdheid wordt ingezet, moet transparant en
controleerbaar zijn. Ik roep de Minister op om dit zo concreet mogelijk te maken voordat
de wetten in werking treden.
Straks worden duizenden organisaties aangemerkt als entiteiten als zij onder de nieuwe
wetten vallen. Bij de Cyberbeveiligingswet wordt uitgegaan van zo'n 8.100 essentiële
en belangrijke entiteiten. Let wel op: in het Cyberbeveiligingsbesluit is sprake van
7.550 entiteiten. Ik hoor graag wat het echte aantal is. De Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten gaat uit van 500 organisaties die worden bestempeld als kritieke entiteiten.
Er is dus wel een schatting gemaakt, maar een organisatie moet zelf uitzoeken of zij
ook echt zo'n entiteit is. Organisaties moeten een vitaalbeoordeling uitvoeren om
te achterhalen of zij daaronder vallen. Voor wetten die strenge, nieuwe verplichtingen
opleggen, is dat toch best vrijblijvend. Mijn zorg is dat er straks organisaties zijn
die helemaal niet weten of zij onder deze wet vallen. Daarover heb ik wat vragen.
Hoe zullen alle entiteiten zich volgens de Minister met zo'n vitaalbeoordeling identificeren?
Ziet hij het risico dat er organisaties zijn die de beoordeling niet doen en er dus
niet van op de hoogte zijn dat zij onder de nieuwe wet vallen? Is er geen risico op
onderrapportage doordat organisaties de beoordeling niet invullen om de verplichting
uit de weg te gaan? Hoe snel verwacht de Minister dat alle entiteiten in kaart zijn
gebracht? Hoe gaat hij alle vermoedelijke entiteiten zover krijgen om die beoordeling
in te vullen?
GroenLinks-Partij van de Arbeid vraagt zich af waarom het kabinet wél in staat is
om zo'n schatting te maken, maar niet in staat is om die bedrijven proactief aan te
schrijven met het simpele bericht «u bent vermoedelijk een entiteit; doe nu de test».
Is de Minister bereid om alsnog alle organisaties aan te schrijven waarvan hij volgens
zijn eigen inschatting vermoedt dat zij entiteiten zijn? Kan hij via de voorzitter
met de Kamer delen hoe hij de inschatting van het aantal entiteiten heeft gemaakt?
Kan hij dit getal uiteenzetten per sector en laten zien hoe hij die organisaties gaat
benaderen?
Er is al een hele waslijst aan handreikingen, handboeken, infosheets, brochures en
onlinetools gemaakt over de NIS2-richtlijn en de CER-richtlijn. Kan de Minister zeggen
hoe vaak deze al zijn gebruikt? Is dat in lijn met wat hij verwacht? Worden de beschikbare
hulpmiddelen nog gebundeld en op één centrale plek aangeboden, zodat organisaties
heel makkelijk alle informatie kunnen vinden?
Het omschakelen van papier naar praktijk wordt een uitdaging. Met deze wet willen
we alles opknippen in keurige sectoren met dezelfde standaarden voor de maatregelen
die je neemt en de manier waarop je informatie deelt. Maar hoe graag we dat ook willen,
we weten maar al te goed hoe weerbarstig de realiteit is. Volgens mij is al door een
x-aantal partijen gevraagd hoe gemeentes dat dan zouden moeten doen. Dit stukje kort
ik daarom in.
Wat overblijft, is de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. Die is niet uitgevoerd.
Is de Minister bereid om die wel uit te voeren voordat de wetten in werking treden?
Wat gaat de Minister doen om de rollen van vakministers, toezichthouders en de sector
zo goed mogelijk vast te leggen? Wanneer en hoe worden deze stelselafspraken gemaakt?
De volgende vragen in mijn tekst kan ik volgens mij ook overslaan. Dat is al allemaal
gevraagd.
Een praktisch punt waar entiteiten mee te maken krijgen, is het doen van een melding.
Melding doen van een cyberaanval is straks niet meer vrijwillig; als je als entiteit
aan een bepaalde drempelwaarde voldoet, is het verplicht. Ik kijk ernaar met het motto
«je bent een held als je meldt», want we moeten echt zo veel mogelijk meldingen binnenkrijgen.
Laten we ervan uitgaan dat iedereen melding doet als er iets ergs gebeurt. Dat moet
zo makkelijk mogelijk zijn, het liefst op één gestandaardiseerde manier voor alle
soorten meldingen, ook voor meldingen die je moet doen op grond van andere sectorale
wetgeving of die volgen uit de AVG wanneer er sprake is van persoonsgegevens. Kortom,
ik pleit voor één integraal en overzichtelijk meldloket voor entiteiten.
Daarover heb ik een aantal vragen. Hoe kijkt de Minister aan tegen één centraal meldloket
voor alle soorten meldingen die entiteiten moeten doen? Zijn er mogelijkheden om dit
goed te bundelen en, zo ja, wat voor soort meldingen kunnen centraal in één zo'n loket
worden gebundeld? Is de Minister bereid om tot één meldloket te komen voor zo veel
mogelijk soorten meldingen, om het voor entiteiten zo makkelijk mogelijk te maken
om informatie aan de toezichthouder door te geven? De meldingsbereidheid moet hoe
dan ook omhoog. GroenLinks-Partij van de Arbeid vraagt zich af hoe het nu staat met
de meldingsbereidheid. Kan de Minister aangeven hoe het er nu voor staat met de meldingsbereidheid
onder organisaties die een lek, aanval of kwetsbaarheid aantreffen? Wordt er in de
meeste gevallen melding gemaakt?
Dan gegevensdeling. Daar zijn volgens mij ook al een aantal vragen over gesteld. Ik
kijk even of ik mijn tekst hierover nog een beetje kan inkorten. De cyberveiligheid
van de CSIRT's moet net zo waterdicht zijn als van alle entiteiten waar ze op toezien.
Ik hoor de heer Van den Berg buiten de microfoon al «ja» zeggen. Heeft hij daar vragen
over gesteld?
Wat betreft de bewaartermijn sluit ik mij aan bij de vragen van JA21. Ik heb nog wel
de vraag hoe de Minister erop toeziet dat de gegevens die de CSIRT's gaan verwerken,
goed beveiligd worden. Kan hij vertellen welke technische veiligheidsmaatregelen hij
neemt om daarvoor te zorgen? Over de bewaartermijn zijn al de nodige vragen gesteld.
De voorzitter:
Ik heb wel een vraag aan mevrouw Kathmann van GroenLinks-Partij van de Arbeid. U sprak
over een centraal meldpunt en de veiligheidseisen bij de CSIRT's. U zei dat de veiligheid
waterdicht moet zijn. Juist als zij die bijzondere gegevens heel erg lang bewaren,
zijn zij zelf ook een doelwit, omdat vijandige mogendheden die gegevens bijvoorbeeld
zouden willen hebben. Daar heb ik een amendement voor voorbereid. Daarin staat dat
we minimale waarborgen moeten toevoegen voor onafhankelijk toezicht, zodat, als het
onder een ministerie valt, datzelfde ministerie of een toezichthouder van dat ministerie
er geen toezicht op kan houden. Dat is een beetje de slager die zijn eigen vlees keurt.
Hoe kijkt mevrouw Kathmann naar die aanpak? Zou dat goed zijn?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat zou een goede aanpak zijn. Ik ga zo met heel veel enthousiasme naar uw amendement
kijken. Ik heb op dat terrein wat vragen overgeslagen om tijd te winnen, maar die
lopen we nu gewoon weer in. Ik ga dus zeker met veel enthousiasme naar uw amendement
kijken.
De voorzitter:
Hartstikke mooi. Gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ook onmisbaar in ons informatielandschap zijn de gegevens die publiek-privaat worden
gedeeld. Hoewel we trots kunnen zijn op alle bedrijven die hun kostbare gegevens nu
al met autoriteiten delen, past het niet dat we voor ons dreigingsbeeld volledig afhankelijk
zijn van private inlichtingen. Onze publieke instellingen moeten die competentie gaan
kweken, maar die zijn daar niet van de ene op de andere dag toe in staat. Momenteel
zijn er organisaties die volgens de wet data mogen uitwisselen met het Nationaal Cyber
Security Centrum, de zogenaamde OKTT-organisaties. Nu is er wat onduidelijkheid ontstaan
over of dit onder de nieuwe wetten nog steeds relevante partijen zijn die data mogen
uitwisselen. Kan de Minister bevestigen dat de OKTT-organisaties onder de twee nieuwe
wetten nog steeds relevante dreigingsinformatie mogen ontvangen om te delen met hun
achterban binnen de sectoren? Als dat niet het geval is, waarom dan niet, en hoe wordt
die taak dan wel ingevuld?
De volgende grote zorg van GroenLinks-Partij van de Arbeid betreft de centen. Het
verbeteren van je ICT-kennis, het opleiden van je bestuur, het opstellen van een cyberplan
en het nemen van allerlei maatregelen om jezelf digitaal en fysiek te beschermen,
komt met een prijskaartje. Er zijn straks duizenden organisaties die daarmee aan de
bak moeten. Dat is kostbaar. Er komt ook een flinke nieuwe taak bij voor het bestaande
personeel. Als organisaties zulke expertise van buiten moeten inkopen, vissen ze ook
nog eens met z'n allen uit dezelfde vijver. Ik wil eigenlijk dat iedereen klaar is
voor deze start zodra de wetten zijn aangenomen, met genoeg geld op de plank en een
goed idee over welke stappen je als organisatie moet nemen om de wet te volgen.
Kan de Minister helder schetsen wat er van entiteiten wordt verwacht in het eerste
jaar nadat de wetten zijn aangenomen? Welke deadlines gelden er? Hoe moeten entiteiten
of organisaties die dat waarschijnlijk zijn, zich voorbereiden op de nieuwe wetten?
Hoe maken zij een realistische inschatting van de nieuwe taken en financiële lasten?
Welke indicaties heeft de Minister dat entiteiten voorbereid zijn op de nieuwe taken
en financiële lasten van de nieuwe wetten? Verschilt deze paraatheid per sector? Waar
zitten de risico's? Als er voor entiteiten praktische of financiële drempels zijn
om aan de wet te voldoen, welke publieke taak heeft de Minister dan om hen bij te
staan?
Al die nieuwe taken komen met een nieuw stelsel van toezicht. Sommige bestaande inspecties
en waakhonden worden uitgebreid. Voor sommige sectoren komen er geheel nieuwe toezichthouders.
Dat is maar goed ook, want elke sector verdient een aanspreekpunt en een handhaver
van de nieuwe wetten. GroenLinks-Partij van de Arbeid maakt vaker het punt dat cyberwetgeving
te weinig oog heeft voor de positie van de toezichthouder. Veel te vaak wordt er gesteld
dat er amper extra taken bij komen, dat het budget wel voldoende is en dat er altijd
verdere afspraken gemaakt kunnen worden. Bij deze wetten ben ik er ook niet gerust
op. Het toezicht staat in Nederland namelijk al onder druk en er gaan al heel veel
incidenten aan ons voorbij omdat we de tegenmacht niet genoeg knaken geven voor al
hun taken. Dat mag bij de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
niet gebeuren.
Kijk naar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, waarvoor nu al wordt gesteld dat
er mogelijk meer geld nodig is om de naleving van de wet te kunnen controleren. Hoe
kun je dat nou zeggen en vervolgens ook aangeven dat je het pas zeker zal weten nadat
de wet in werking is getreden? Wat gaat de Minister doen om toezichthouders, zoals
de IGJ, van tevoren al zekerheid te geven over hun budget? Als blijkt dat toezichthouders
onvoldoende geld hebben, hoe gaat de Minister hen dan ondersteunen, zodat ze niet
interen op hun eigen reserves?
Kijk bijvoorbeeld ook naar de ANVS, de nucleaire toezichthouder. Die stelt dat ze
nu geen boetebevoegdheid heeft, maar wel onderdeel is van de wet. Ik kijk even naar
mevrouw Faber. Had u daar nou vragen over gesteld? Dan kan ik die namelijk ook overslaan.
Ja. Dan sluit ik me aan bij de vragen van mevrouw Faber. Dat scheelt weer heel veel
tijd.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Die heeft
mevrouw Zwinkels, van het CDA, al genoemd. GroenLinks-Partij van de Arbeid sluit zich
dus van harte aan bij die vragen.
Dan sluit ik me ook van harte aan bij de vragen over Caribisch Nederland, die door
JA21 en D66 zijn gesteld. Het is namelijk echt van heel groot belang dat zij daar
in ieder geval een stip op de horizon krijgen. Er waren hier vorig jaar een aantal
vertegenwoordigers. Die zeiden ook: er zijn gewoon piraten actief en ze hebben niet
meer zo'n lapje voor hun ogen, maar het zijn allemaal cyberpiraten; het wordt tijd
dat wij ons hier ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk maximaal tegen kunnen
beschermen.
Het mag duidelijk zijn: GroenLinks-PvdA staat in voor de cyberveiligheid en de weerbaarheid
van Nederland. Er woedt een oorlog achter de schermen. Van een van onze grootste economische
spelers, onze onmisbare leveringsketens en onze volledige overheid mag je dan gewoon
de opperste paraatheid verwachten, maar ik maakte al eerder het punt dat paraatheid
niet alleen iets is voor bestuurders en CEO's, maar voor ons allemaal. Naast deze
belangrijke wetgeving verwacht ik van het kabinet een plan voor de veiligheid van
alle Nederlanders, met praktische, individuele oplossingen die je veilig houden in
de onlinewereld. Er is handelingsperspectief voor wat je zelf kan doen. Laten we ook
toewerken naar een nazorgplicht, een wettelijke plicht voor het omgaan met een massaal
datalek of een cyberaanval waarbij persoonsgegevens van Nederlanders massaal worden
buitgemaakt. Cyberveiligheid houdt niet op bij het beheersen van risico's. Je moet
nog veel meer doen. Je hebt als burger recht op informatie en hulp als je data worden
gestolen van een bedrijf of overheid.
Ik kijk uit naar de beantwoording van de Minister.
De voorzitter:
Ik zie verder geen interrupties meer. Dan wil ik mevrouw Kathmann hartelijk danken
voor haar vurige bijdrage en geef ik het voorzitterschap graag aan haar terug.
Voorzitter: Kathmann
De voorzitter:
Dank. Ik kijk even naar rechts en naar de klok. Hoelang zou u willen schorsen, Minister?
Wij zullen dat zeker met een lunchpauze combineren. Ik denk dat een uur goed is. Ik
kijk even naar links. Ja. Dan schorsen wij tot 13.30 uur.
De vergadering wordt van 12.25 uur tot 13.34 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan weer van start met het bespreken van de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten. We zijn bij de beantwoording door de Minister, dus het woord
is aan de Minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. U ziet hier een hele stapel papier voor mij liggen. U heeft in een
paar uur meer dan 230 vragen afgevuurd over deze twee wetten. Dat is bijna twee keer
zoveel als het aantal schriftelijke vragen dat over de wet is gesteld door uw Kamer.
Daarmee wil ik aangeven dat als ik dit nu voorlees en ik één minuut per vraag neem,
we al zo'n vierenhalf uur bezig zijn en dan heeft u nog geen interrupties kunnen plegen.
Met uw welnemen zou mijn voorstel zijn dat ik door de vragen heen ga en dat ik probeer
de vragen waarin feitelijk wordt gevraagd naar de weg zoals die in de wet beschreven
staat, zo veel mogelijk achterwege te laten en te focussen op de vragen waarin echt
wordt gevraagd naar de implementatie, of deze wet voldoet en of we daar verandering
in willen hebben. Dit kan betekenen dat u aan het einde uw lijstje afkruist en zegt:
ik heb nog 45 vragen waarop ik geen direct antwoord heb gehad. Die kunnen we dan ook
allemaal langslopen, maar dan krijgen we misschien een herhaling van zetten daarin.
Ik markeer dit alleen even aan het begin omdat dit best een uitzonderlijke hoeveelheid
is, ook voor mij, in wetsbehandelingen. Ik wil even bij u toetsen hoe ik dat in ieder
geval wil aanvliegen. Dan kijken we wel hoe dat u bevalt, of niet.
De voorzitter:
Het is in ieder geval goed dat u deze bijsluiter geeft, want we hebben inderdaad tot
16.00 uur. Dat is een redelijk harde deadline, hoewel het natuurlijk uiteindelijk
aan ons is hoelang het gaat duren. Maar het is een goede bijsluiter. Ik denk dat het
in ieder geval goed is – ik zie namelijk verschillende mapjes en dan zijn er vaak
ook verschillende blokjes – dat we steeds het hele blok afwachten en dan pas de vragen
doen en kijken of er nog iets mist. Dan kunnen we helemaal aan het einde even inventariseren
of Kamerleden nog vragen hebben openstaan. Mochten er Kamerleden zijn die nog 45 vragen
open hebben staan, dan kunnen we misschien even kijken of we een deel bijvoorbeeld
schriftelijk doen. Dan gaan we het zo doen. Ik zou even iedereen vriendelijk willen
verzoeken om in ieder geval kort te zijn in de interrupties. Als je toch een interruptie
pleegt, stel dan een korte vraag, want dan kunnen we zo veel mogelijk meters met elkaar
maken. Het woord is aan de Minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ik heb zo meteen een korte inleiding. Dan doe ik de algemene vragen
en de reikwijdte van de beide wetten. Dan kom ik op de meld- en zorgplicht. Daar waren
een hoop vragen over. Dan ga ik in op het toezicht. Ook daar waren een hoop vragen
over. Vervolgens ga ik in op de actualiteit, waaronder bijvoorbeeld Odido. Bij de
artikelen over het weren van leveranciers wil ik even apart stilstaan. En dan heb
ik nog een mapje overig, alvorens ik kom bij Caribisch Nederland en de aparte vragen
die echt ingaan op de Cbw en de aparte vragen die echt ingaan op de Wwke. Ten slotte
wil ik aan het einde van mijn termijn in ieder geval de ingediende amendementen alvast
van een appreciatie voorzien.
Voorzitter. Vandaag staan twee belangrijke wetsvoorstellen centraal: het wetsvoorstel
voor de Cyberbeveiligingswet en het wetsvoorstel voor de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten. Allereerst dank dat we deze twee wetsvoorstellen gezamenlijk kunnen behandelen
in één debat, want ze hangen nauw met elkaar samen. Het is belangrijk dat ze niet
uit elkaar gaan lopen, zowel wat betreft de inhoud, maar ook wat betreft het proces.
Ze regelen belangrijke onderwerpen, namelijk de weerbaarheid en de digitale veiligheid
van bedrijven en organisaties die essentiële diensten verlenen. Ze zijn ook hard nodig,
want de Nederlandse vitale infrastructuur en onze digitale processen worden steeds
vaker geconfronteerd met een stapeling van dreigingen. Door toegenomen geopolitieke
spanningen zijn onze vitale infrastructuur en digitale processen steeds vaker doelwit
van aanvallen door statelijke actoren, cybercriminelen en andere kwaadwillenden. Dit
kan leiden en heeft al geleid tot verstoring of uitval van belangrijke processen.
De continuïteit van onze vitale en digitale processen is essentieel voor het goed
functioneren van onze maatschappij; meerderen van u hebben daar al aan gerefereerd.
Grootschalige verstoring of uitval daarvan raakt onze samenleving, onze economie en
onze nationale veiligheid. Deze onderwerpen leven dan ook bij de inwoners van ons
land. Dat zien we ook in de laatste Risico- en Crisisbarometer, het publieksonderzoek
van de NCTV naar de beleving van de inwoners van Nederland van risico's en dreigingen.
Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de inwoners zich zorgen maakt over cyberdreigingen
en het stoppen van vitale processen. De risico's voor de vitale infrastructuur zien
we niet alleen in Nederland. We zagen vorig jaar ook een grote sabotage op Poolse
spoorlijnen en begin dit jaar zaten heel veel huishoudens en bedrijven in Berlijn
dagenlang zonder stroom, internet of verwarming. Ook dat kwam toen door een sabotageactie.
De uitval en verstoring van vitale infrastructuur en digitale processen houdt dus
niet op bij onze grens. Daarom ben ik blij, zeg ik ook in antwoord op een interruptiedebat
dat u onderling had, dat we hier een Europese NIS2-richtlijn en een CER-richtlijn
hebben, die in Nederland worden geïmplementeerd in de Cyberbeveiligingswet en de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten.
Voor bedrijven en organisaties die onder de wetten komen te vallen, geldt straks een
wettelijke verplichting om maatregelen te nemen voor hun weerbaarheid en de beveiliging
van hun netwerk- en informatiesystemen. Ook moeten zij grote incidenten melden. De
impact van die wetsvoorstellen is aanzienlijk. Daarom heb ik de omzetting van de richtlijnen
zorgvuldig aangepakt. Ondertussen hebben we, samen met de andere betrokken ministeries,
bedrijven en organisaties, uitdrukkelijk opgeroepen om alvast aan de slag te gaan
met de komst van beide wetten. De risico's die de bedrijven en de organisaties lopen,
zijn er immers ook nu al.
Tot slot dank voor de vragen die u heeft gesteld, maar daar hadden we het al even
over.
De voorzitter:
Alle 230.
Minister Van Weel:
Ik zal nu overgaan tot de beantwoording en begin met het kopje algemeen. Hoe wordt
Nederland weerbaarder en veiliger van deze wetten en wat gaan burgers hiervan merken?
Dat was een vraag van mevrouw Kathmann. Wat gaan ook de betrokken entiteiten merken
van deze nieuwe wet? Als we kijken naar deze twee wetten, dan is het doel van de Cyberbeveiligingswet
echt om de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten. Met deze wet komt er
een zorgplicht voor een groot aantal organisaties en bedrijven die onder die wet gaan
vallen. Ze moeten maatregelen nemen om de risico's van de beveiliging van hun netwerk-
en informatiesystemen te beheren. Ze krijgen ook een meldplicht of, met andere woorden,
de verplichting om grote incidenten te melden bij de daarvoor aangewezen instanties.
Daarop vindt ook toezicht plaats. Langs die lijnen zal ik ook zo meteen ook de wetten
behandelen, want dat zijn de kernelementen daaruit.
Als het gaat om de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten gaat het, zoals gezegd, om
kritieke entiteiten voor het doorgaan van processen in ons land. Dat gaat breder dan
alleen cyber. Dat is niet helemaal nieuw. Er werd al gewezen op de Aanpak vitaal die
al een aantal jaren loopt binnen mijn departement. Een hoop van die vitale aanbieders
gaan nu naadloos op in de kritieke entiteiten zoals we die in de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten zien. Een aantal leden vroeg ook wat er dan voor hen verandert.
Onder andere dat nu een aantal dingen wettelijk geregeld worden. Dat geldt dus ook
weer voor die zorgplicht, die meldplicht en dat toezicht. Voor diegenen die daar niet
onder vallen, loopt de Aanpak vitaal gewoon door zoals die al deed. Voor de entiteiten
die onder de Wwke komen te vallen, is de Wwke hun nieuwe Aanpak vitaal. Ik denk dat
we gezorgd hebben dat beide implementaties naadloos op elkaar aansluiten.
Ook de Cyberbeveiligingswet komt niet uit het niets. We hadden al de Wet beveiliging
netwerk- en informatiesystemen. Daar bouwt de Cyberbeveiligingswet op voort. Maar
het grootste verschil is denk ik dat het aantal sectoren en het aantal entiteiten
dat eronder valt, enorm is uitgebreid. Het aantal van 8.100 werd al genoemd. Ik kom
later terug op de onderbouwing van die schatting.
Herkent de Minister de kritiek op de uitwerking van de wetten? Uiteraard niet, zou
ik zeggen tegen mevrouw Kathmann. Dat meen ik oprecht. Dit zijn hele omvangrijke wetten
en ik denk dat daar ook de voornaamste reden in zit voor de vertraging die we hebben
gezien in de implementatie. Zonder te willen wijzen denk ik dat een aantal landen
hebben gemeld dat zij deze wet geïmplementeerd hebben, waarbij je je vervolgens kan
afvragen of alles wat daaronder zit aan uitvoering, aan toezicht, aan systemen, aan
de registratie van bedrijven, dan allemaal al gebeurd is. Daar kun je grote vraagtekens
bij zetten. Nogmaals, ik zal geen namen noemen. Wij hebben ervoor gekozen om dat op
een hele degelijke manier te doen. Met andere woorden, wij willen ook zeker weten
dat we uiteindelijk een wet van kracht laten gaan, die ook kan rekenen op systemen
die werken, op bedrijven die weten wat ze moeten doen, dat er loketten zijn waar mensen
heen kunnen gaan, dat toezichthouders met elkaar samenwerken. Ook daar komen we natuurlijk
op te spreken. Dat heeft tijd gekost.
We hebben ook geprobeerd om zo veel mogelijk bedrijven en organisaties te benaderen,
want ja, bedrijven moeten zelf die zelftoets doen, maar dan moeten we natuurlijk wel
zorgen dat wij onze plicht hebben gedaan door te zorgen dat dat zo veel mogelijk bekend
is. Er zijn brochures, flyers, nieuwsbrieven, webinars, vakbladen en Q&A's op alle
websites ingezet. Daarmee hebben we geprobeerd om daar invulling aan te geven.
Dan zijn we nog niet klaar. Een hoop van u refereerden er al aan; er zijn echt een
hoop zaken die nog nader moeten uitgewerkt in ministeriële regelingen of AMvB's. Ik
denk dat we ook daarmee op schema liggen. Het is natuurlijk ook geen vreemde methodiek;
we kennen het van wetten dat je zaken erna uitwerkt in onderliggende en lagere regelgeving.
We komen zo specifiek nog even te spreken over de leverantie-interventies en waar
die dan mogelijk thuishoren; daar is ook een amendement over ingediend. In de kern
is dat denk ik wel hoe wetten uitvoerbaar blijven. Dat zeg ik ook in reactie op de
vraag van de heer Van den Berg of je een hoop van die zaken niet naar een hoger niveau
van wetgeving zou willen hebben. Nogmaals, tijd is niet de bepalende factor geweest
in het wel of niet opnemen van dingen in de wet. Dat is voornamelijk het niveau waarvan
wij vinden dat iets erop thuishoort, maar ten tweede ook de veranderlijkheid van zaken.
De zaken die het snelst veranderen, wil je niet in de wet zelf geregeld hebben; een
aantal van u refereerden daar al aan. Je wil die juist in een AMvB geregeld hebben,
want je wil dat die wet in principe gewoon de komende tien, vijftien jaar door kan.
Als je je realiseert dat die technologische veranderingen heel snel gaan – kwantum
werd al genoemd – dan wil je dus een wet hebben die het raamwerk creëert waarbinnen
je ook daarop kan anticiperen, maar wil je de ruimte houden om in een AMvB, zo'n ministeriële
regeling, heel snel in te kunnen spelen op zaken die zich daarbij voordoen. Dan kan
ik me voorstellen – want dat kunnen heel relevante ontwikkelingen zijn – dat de Kamer
zegt: daar willen we dan wel bij betrokken zijn, daar willen we ook wat van vinden.
In die zin heeft een aantal van u ook aandacht gevraagd voor de voorhang van AMvB's
of wijzigingen die op deze wet of in ministeriële regelingen komen. Daar kan ik mij
alles bij voorstellen, dus dat zult u zo in de appreciatie ook van mij horen. Ik denk
dat dat het samenspel is tussen kabinet en parlement: om hier een weg in te vinden
waarmee we wel die snelheid kunnen creëren waar die nodig is, maar de zorgvuldigheid
en de politieke toets kunnen behouden waar die gewenst is en nodig is.
Kan ik een schriftelijk overzicht geven van wanneer ik verwacht dat alle hiervoor
genoemde punten duidelijk zijn uitgewerkt? Ja, dat wil ik doen, want we weten welke
stappen er gezet moeten worden. Aan sommige kan ik een datum hangen en aan andere
nog niet, want ik ben ook afhankelijk van collega-Ministers. Maar dat is geen punt.
Ik kan wat betreft een aantal punten wel toelichten waar we op dit moment staan. Van
de AMvB's weet u inmiddels; die zijn er voor beide wetten. Bedrijven en organisaties
kunnen zich op dit moment al registreren en kunnen ook al een melding doen. Ze hebben
nu al een CSIRT en een toezichthouder. Daarmee kunnen de bedrijven ook nu al aan de
slag conform de wet, maar het behoeft nog wel nader beleidswerk aan de uitvoeringsafspraken.
Daarmee proberen we nou juist zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande processen.
Een ander punt dat velen van u terecht hebben aangekaart, is de regeldruk. Hoe houden
we de regeldruk, zeker voor bedrijven, zo laag mogelijk? Dat is onder andere door
aan te sluiten bij toezichthouders die ze al hebben, en niet bij een nieuwe toezichthouder,
zodat de sectoren in ieder geval al bekend zijn met de toezichthouder en vice versa.
Dat doen we bijvoorbeeld ook – ik kom zo nog terug op de gemeenten – door aan te sluiten
bij nu al bestaande processen of nu al gestelde eisen, zoals de BIO-eisen, waar gemeenten
nu al aan voldoen. Het is wat dat betreft een beetje zoeken. Het verschilt ook per
sector hoever men is, wat men aan middelen heeft en wat de makkelijkste manier is
voor sectoren, bedrijven en overheidsorganisaties om te voldoen aan de plichten uit
deze twee wetten. Dat is dan ook meteen de vaagheid die sommigen van u daar nog in
lezen. Hoe ga je dat exact invullen? Liefst op een manier die zo veel mogelijk aansluit
bij de behoeften van de sector, maar die er wel voor zorgt dat de waarborgen uit de
wet worden gehanteerd. Dat betekent dat de zorgplicht nog niet in beton is gegoten.
Als we die nu namelijk in beton zouden gieten voor elk bedrijf en elke organisatie,
groot of klein, in welke branche dan ook, dan lopen we het risico dat we dingen zwaarder
optuigen of onnodig bureaucratischer maken dan ze hoeven te zijn.
Nogmaals, de beginselen zitten hierin, maar daarom hecht ik er ook aan dat er vanuit
de vakministers ministeriële regelingen komen voor het domein waarvoor zij verantwoordelijk
zijn, omdat je dan ook kunt inzetten op die dingen doen waar het nodig is. Ik kom
daar zo wat betreft onderwijs nog op terug, want dat is, denk ik, een heel aansprekend
voorbeeld van hoe je daar maatwerk moet kunnen leveren. Daar komt nog bij dat we uit
regeldrukonderzoeken en het mkb-panel rondom deze wet teruggekregen hebben dat bedrijven
zich vaak al bewust zijn van de rol die ze hebben en die ze ook moeten spelen onder
deze wet. Wat dat betreft is cybersecurity de afgelopen tien jaar natuurlijk ook binnen
de boardrooms en de directies van bedrijven een steeds belangrijker onderwerp geworden.
Deze wet komt dus niet uit het niets vallen.
Dan is er de vraag of deze wetten begrijpelijk en proportioneel zijn, en in hoeverre
er een nationale kop op zit. Het antwoord op het tweede is, heel kort gezegd, «nee».
We implementeren hiermee de NIS2-richtlijn en we implementeren hiermee de CER-richtlijn.
Het enige wat wij doen, is gebruikmaken van sommige mogelijkheden die de wetten bieden
om op nationaal niveau bepaalde sectoren bijvoorbeeld toch onder te brengen binnen
de reikwijdte van deze wet. Dit werd in uw inbreng «het keren en weren van water»
genoemd. Keren en weren van water is in een hoop landen nice to have, maar ik denk
dat het evident is dat het voor Nederland nou juist absoluut een kritiek element voor
onze veiligheid is. U kunt zich voorstellen dat het verkrijgen van toegang in technische
zin tot onze Deltawerken enorme gevaren kan opleveren voor onze gezondheid hier en
voor ons land in den brede. Dit is waarom we onder andere die uitzondering hebben
gemaakt.
Over het onderwijs ligt er de vraag of het niet met name gaat om specifieke kennisveiligheid
binnen een deel van dat onderwijs. Moet je dan wel alles doen? Ik denk dat daar voor
ons de vraag gestart is in hoeverre wij willen dat hogescholen hierbij komen te staan.
Een aantal jaar geleden hebben we een hack gehad op een van onze hogescholen, met
grote gevolgen destijds. Uiteindelijk is het de afweging geweest dat hogescholen al
op een behoorlijk niveau van voldoen aan de Cyberbeveiligingswet zitten. Het wordt
juist moeilijker om binnen die onderwijssector te gaan separeren tussen welke opleidingen
wel en welke niet, welke instellingen wel en welke niet. De Minister van OCW heeft
er daarom voor gekozen, overigens in overleg met mij, om de volledige sector eronder
te laten vallen. Zij krijgen wel meer tijd om hun eigen pad aan te brengen in hoe
zij die zorg, die meldplicht, gaan inregelen.
Hoe kom je tot een essentiële entiteit, een belangrijke entiteit of een kritieke entiteit,
vroeg mevrouw Kathmann. De Cyberbeveiligingswet kent twee categorieën: de essentiële
en de belangrijke. Zoals ik altijd eindig met het kopje overige belangrijke vragen,
is «belangrijk» de laagste categorie, maar wel nog steeds een relevante categorie
in het kader van deze wet. In de bijlages bij de wet kun je specifiek zien welke sectoren
vallen onder welke categorie. Binnen de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten heb je
dus de kritieke entiteiten. Een kritieke entiteit is automatisch ook een essentiële
entiteit, maar het omgekeerde is niet per se het geval. Er zijn dus essentiële entiteiten
die geen kritieke entiteit zijn voor het voortbestaan van de overheid, maar die vanuit
cyberopzicht nog steeds wel een essentiële entiteit zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Zwinkels, heeft u een vraag?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Volgens mij wilde u eventueel gemiste vragen per blokje doen. Toch, voorzitter? Maar
kan een interruptie tussendoor wel?
De voorzitter:
Het is het handigst om alles, interrupties én vragen, aan het einde van het blokje
te doen.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Prima. Dan wacht ik nog even.
De voorzitter:
Dus we maken eerst het hele blokje af. Er zijn namelijk zó veel vragen gesteld dat
we hier anders vanavond nog zitten.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, dat ben ik met u eens.
Minister Van Weel:
Dan de vraag over de AMvB's en in het verlengde daarvan de voorhang. Ja, er is een
uitgebreide internetconsultatie geweest via de websites, onder andere die van de NCTV.
Burgers en bedrijven hebben ook gereageerd op de AMvB's. We hebben die kritiek of
suggesties ook meegenomen. Ik had het net al even over hoe we daar in de toekomst
mee omgaan, met AMvB's en de rol van uw Kamer. Die internetconsultatie gaan we sowieso
altijd doen. Dat spreekt voor zich. Dat geeft burgers, bedrijven en medeoverheden
de gelegenheid om daarop te reageren. Mevrouw Kathmann heeft ook twee amendementen
ingediend om een voorhangprocedure te regelen voor de uitwerking van de zorgplicht
in de AMvB's. Daar sta ik positief in, vooral omdat die zien op toekomstige wijzigingen.
We hoeven nu het proces dus niet om te keren, maar we moeten daar voor de toekomst
wel rekening mee houden. Dit is nog niet mijn appreciatie, hoor, maar ik loop er wel
een beetje op vooruit. Ik zie de griffier al kijken, van: hoe moet ik hiermee omgaan?
Ik geef alleen een voorschot, dat mogelijk in de discussie kan helpen.
Kan ik schetsen wat er van entiteiten wordt verwacht in het eerste jaar nadat de wetten
zijn aangenomen, en welke deadlines daarbij gelden? Dat was een vraag van mevrouw
Kathmann. Alle bedrijven en organisaties die onder die wet vallen, moeten voldoen
aan de zorgplicht. Dat is dus de verplichting om maatregelen te nemen om de risico's
voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Daarnaast moeten
ze voldoen aan de meldplicht. Nogmaals, de meldmogelijkheid is er nu al, maar de meldplicht
wordt dan echt van kracht. Dat betekent dat je grote incidenten moet melden bij de
aangewezen instanties. Daar vindt in zijn geheel toezicht op plaats. Dat is de kern
van wat er gebeurt op het moment dat deze wet van toepassing wordt. Die geldt vanaf
dan dus ook voor alle organisaties.
Hoe helpen we die organisaties – we kwamen zelf op een schatting van 8.100 – om die
weg te vinden? Weten ze dat dan wel? Wat kunnen we daar nog meer aan doen? Daar heeft
de RDI een zelfevaluatietool voor gelanceerd. Gemeenten zijn aangewezen in de wet.
Daarmee is het voor hen in ieder geval duidelijk dat zij hieronder zullen gaan vallen.
Voor de gemeenschappelijke regelingen zijn gemeenten door het Ministerie van Binnenlandse
Zaken gevraagd om een validatie te doen of zij onder de Cbw vallen. Dat is gevraagd
door middel van een brief. Bij vragen hebben we uiteraard nader contact met hen.
Vanwege het grote aantal entiteiten, met name de private, is het niet mogelijk om
vanuit het Rijk voor iedere entiteit te bepalen of die onder de wet gaat vallen. In
plaats daarvan is er juist zo veel mogelijk aan gedaan om ze met campagnes, Q&A's,
websites en verwijzingen de juiste informatiepositie te geven om die beoordeling zelf
te kunnen doen. Vervolgens kunnen organisaties, als ze die evaluatietool hebben doorlopen,
zich gaan voorbereiden op wat dat betekent. Daarvoor hebben we stappenplannen aangeboden
op de website van het NCSC, het Nationaal Cyber Security Centrum, en op de website
van de NCTV. Er is geen inschatting gemaakt van de kosten. Dat is ook in het kader
van de regeldruk. Het zijn ingeschatte gemiddelden. Per entiteit kan dat verschillen,
bijvoorbeeld wanneer er juist tekortkomingen zijn in de digitale weerbaarheid die
moeten worden gerectificeerd, terwijl bedrijven die eigenlijk al aan de hoge kant
zitten wat betreft cyberbeveiliging wellicht juist geen kosten zullen hoeven maken.
Het hangt er dus echt van af waar de organisatie staat.
De heer Van den Berg vroeg of er afzonderlijk wordt gestemd over het Cyberbeveiligingsbesluit
en, zo ja, wanneer. Het is een AMvB, dus in die zin kent die geen parlementaire behandeling.
Maar we hebben wel – dat heb ik ook toegezegd voor het vervolg – voor de zomer een
concept voorgehangen, hier in de Kamer, om u daarin mee te nemen. In de verslagen
over het wetsvoorstel hebben verschillende Tweede Kamerfracties gereageerd op dat
concept, ook van de AMvB. Die reacties hebben we meegenomen in de nota naar aanleiding
van het verslag. In die zin hebben we dus wel degelijk een wisseling van gedachten
kunnen hebben, zij het niet in formele zin.
Waarom gaan we door na het negatieve advies van het Adviescollege toetsing regeldruk?
Dat is vanwege het bijzondere karakter van deze twee wetten. Dat heeft te maken met
het feit dat je het niveau van je cyberveiligheid landelijk niet op een hoger niveau
kunt krijgen als je daarbij niet ook verplichtingen oplegt aan bedrijven en organisaties
om hier iets mee te doen. Er werden al een aantal voorbeelden genoemd uit de actualiteit.
Ik zal daar vanuit het kabinet niet per se een oordeel over hebben. Op dit moment
gaan organisaties en bedrijven vrij divers om met hun cyberbeveiliging. Het is gewoon
noodzakelijk, juist vanwege de essentie van de services die ze bieden, voor ons als
bevolking, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Kathmann, dat daar een bepaald basisniveau
is, zodat we geen incidenten hebben waarbij vitale processen in gevaar komen of we
er achteraf achter komen dat er eigenlijk met de pet is gegooid naar de cyberbeveiliging.
Dat is wat deze wetten doen. Dat kun je nou eenmaal niet doen door dat op een bepaalde
manier toch in regels te vatten.
Dat brengt dus altijd iets van een last met zich mee, maar daar hebben we wel een
aantal mitigerende maatregelen voor genomen. Ten eerste de proportionaliteit. Dat
is echt een leidend principe geweest bij deze wetten. Daarom zijn ze ook risicogebaseerd.
Iedere organisatie moet maatregelen nemen die passend zijn voor de organisatie zelf.
Daarom is het maatwerk. Daarom zeg je soms: waarom is dit niet tot achter de komma
uitgewerkt? Dat heeft dus ook te maken met het proberen te verminderen van die regeldruk.
Zoals ik al eerder zei, komt in die regeldrukonderzoeken ook naar voren dat een hoop
bedrijven zich eigenlijk wel realiseren dat ze hier wat te doen hebben en een rol
in te spelen hebben. Het is dus niet per se zo dat deze wet voor een heleboel bedrijven
die zich er al bewust van zijn, heel veel meer met zich meebrengt, want die opereren
eigenlijk al via dat principe.
Kunnen we bij de invoeringstoets kijken naar de daadwerkelijke regeldruk? Dat is een
vraag van de heer Van den Berg. De invoeringstoets is echt bedoeld om grote knelpunten
zo snel mogelijk op te kunnen lossen, om ervoor te zorgen dat de wet alsnog ingevoerd
kan worden. Ik wil daar echter wel naar gaan kijken bij de evaluatie. Laat ik de koe
meteen bij de hoorns vatten. Een aantal van u heeft het daarover gehad en vindt vijf
jaar te lang. Het helpt ons dat we enigszins verlaat zijn met de invoering van de
wet, waardoor het punt waarop de Commissie met haar eerste evaluatie komt al dichterbij
komt. Dat is volgend jaar al. Ik wil kijken of we spoedig na de evaluatie van de Commissie
– laten we zeggen: binnen twee jaar na invoering van de wet – een evaluatie kunnen
doen. Daar nemen we dan ook de regeldruk in mee.
Dat waren alweer zes vragen, denk ik, voorzitter.
Waarom wordt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ook bij de decentrale overheden
neergelegd? De uitvoering van de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten wordt niet bij decentrale overheden belegd. Er worden sectoren aangewezen
die onder de wet vallen, en onder die sectoren vallen ook decentrale overheden. Het
is dus niet iets wat zij als een service doen. Het is niet een taak die wij overhevelen
van het Rijk naar gemeenten. Ik hoorde al iets over de knaken-en-takendiscussie. Nee,
elke entiteit die wordt aangewezen onder deze twee wetten, zal daar zelf maatregelen
op moeten nemen. Dat betreft dus ook gemeenten. In die zin volgt het dus een andere
systematiek. We steunen de lokale overheden daar natuurlijk wel bij. Daar zijn voldoende
middelen voor. We hebben dit overigens ook overlegd.
Dat brengt mij bij de UDO, de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. Die is ook
hier gedaan. Dat is overigens geen document met een rapport en een stempel van de
UDO-dienst. Nee, dat is een proces, waarin je samen met de lokale decentrale overheden
bekijkt hoe we de wet daar op een zo goed mogelijke manier invoeren en tegen welke
knelpunten we aan lopen. Die zijn dus ook meegenomen in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel en in de wijze van implementatie. Daar vindt u de uitkomsten
daarvan terug.
De mkb-toets is een andere toets die vaak wordt gedaan. Er is een volwaardige mkb-toets
uitgevoerd. Ik heb al gezegd dat regeldruk een belangrijk punt was voor de manier
waarop we deze wet invoeren. Uit die mkb-toets bleek steun voor de risicogebaseerde
aanpak, want dat is natuurlijk wat het uiteindelijk behapbaarder maakt.
Daarnaast is in de wet en in de omliggende besluiten verduidelijkt dat bijvoorbeeld
de risicobeoordeling onder beide wetten zo veel mogelijk door bedrijven kan worden
gecombineerd. Ze hoeven dus niet twee keer een risicobeoordeling te doen, maar één
middel volstaat voor de verplichting onder beide wetten. Ook dat is een poging om
die regeldruk naar beneden te brengen.
Dan nog meer over de samenhang tussen de fysieke en digitale weerbaarheid. Mevrouw
Zwinkels vroeg hierover: hoe gaan we dat borgen? We behandelen tenslotte die wetten
hier vandaag samen. Dat heeft zijn reden. Ze zijn in samenhang door ons opgesteld.
Dat geldt ook voor de Europese richtlijnen waarvan ze afgeleid zijn. Om dat in de
praktijk te borgen, werken we dus aan de inrichting van één meldpunt voor beide wetten.
Dat meldportaal zal door het Nationaal Cyber Security Centrum worden beheerd. Ik zei
net al dat de risicobeoordeling van beide wetten door bedrijven die onder beide vallen
ook gezamenlijk kan worden gedaan, waardoor die in ieder geval niet twee keer een
risicobeoordeling hoeven op te stellen en alle dreigingen in één keer meegenomen kunnen
worden.
Dan nog even over die evaluatie. Mevrouw Kathmann en meneer Van den Berg vroegen:
als we in die evaluatie zaken toch liever in de hogere wetgeving zouden willen hebben,
staan we daar dan ook voor open? Ja, uiteraard. Ik denk dat de evaluatie dat ons ook
moet geven. Nogmaals, ik vind niet dat we er ons hierbij met een jantje-van-leiden
van af hebben gemaakt. Er zit echt een gedachte achter: wat staat er wel in die wet
en wat zit er in lagere regelgeving? Als uit de evaluatie blijkt dat je dat beter
anders kunt doen, zullen we dat te zijner tijd natuurlijk niet nalaten.
Misschien moet ik het nog even hebben over decentrale overheden. Ook de provincies
werden nog genoemd. Wat ons betreft is er nog geen noodzaak tot algemene compensatie
van medeoverheden voor de implementatie van deze wet, omdat in de praktijk een hoop
van die verplichtingen al van toepassing zijn op dat niveau. Ik noemde al de BIO,
maar ik kan nu ook zeggen waar dat ook alweer voor staat. Dat is de Baseline Informatiebeveiliging
Overheid. Ook voor de meldplichtcriteria is aangesloten bij hetgeen zij al moesten
doen. Die meldplicht gold namelijk al voor hen. We hebben daarin geen wijzigingen
aangebracht in deze wet. Er zijn marginale extra verplichtingen voor decentrale overheden,
zoals de registratieplicht en de trainingsplicht voor bestuurders. Die werd ook al
door enkelen aangehaald. Naar verwachting zijn de financiële gevolgen voor de medeoverheden
daarmee beperkt. BZK, Binnenlandse Zaken, bekijkt samen met de medeoverheden hoe ze
kunnen worden ondersteund. Dat geldt natuurlijk met name voor de kleinere organisaties.
Denk bijvoorbeeld aan gezamenlijk opleidingen volgen, waardoor gemeenten dat niet
allemaal afzonderlijk hoeven in te vullen.
In dit blokje heb ik nog de antwoorden op twee vragen, voorzitter. Waarom is er een
verschil in bewaartermijnen? Heb ik trouwens niet een apart kopje AVG? Nee. Oké, dan
behandel ik deze vraag nu. Waarom is het verschil in bewaartermijn tussen die CSIRT's,
de Cyber Security Incident Response Teams, en de toezichthouders zo groot? Dat heeft
te maken met de andere taakopvatting die ze hebben. Voor de CSIRT's gaat het, op het
moment dat zij een melding krijgen, om helpen bij het oplossen van het probleem dat
er is, om andere organisaties te informeren en zo hopelijk verdere uitbreiding van
de problemen te voorkomen, en om daarvoor de contacten te leggen die nodig zijn, bijvoorbeeld
met andere partijen die zouden kunnen ondersteunen. Dat is allemaal gericht op het
hier en nu. Dat is wat CSIRT's doen en wat ze het leukste vinden. Die zitten niet
in archiefkasten te neuzelen naar het verleden. Dat moeten toezichthouders natuurlijk
af en toe wel doen, omdat die uiteindelijk bestuurlijke dwangmiddelen moeten kunnen
inzetten. Je kunt je beroepsprocedures, boetes et cetera voorstellen. Denk aan de
meest zware variant, waarin een bestuurder persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld.
Dat kunnen zaken zijn die rustig een paar jaar voortduren. Daarom moet de toezichthouder
wel over ruimere middelen kunnen beschikken dan de korte bewaartermijn die we wel
graag voor die CSIRT's willen hanteren.
Dan weer een heel ander onderwerp. Kan ik er al iets over zeggen hoe vaak de bestaande
hulptools zijn gebruikt door bedrijven en entiteiten? We zien dat ze in toenemende
mate worden gebruikt en dat die actieve mediacampagne daar ook wel bij helpt. De eerste
stap is checken of bedrijven onder de Cyberbeveiligingswet gaan vallen. De zelfevaluatietool
waarmee je dat kunt doen, is tot nu toe meer dan 205.000 keer geraadpleegd. Dat is
wel echt heel veel. Dat is een positieve stap. Steeds meer organisaties gaan na die
eerste stap ook naar de website van het Nationaal Cyber Security Centrum om de daar
beschikbare middelen en tools te gaan gebruiken. Ik denk dat dat een goede eerste
stap is. De quickscan tool waarmee organisaties inzicht krijgen in hoe de cyberbeveiliging
van een organisatie ervoor staat, is 31.000 keer doorlopen. 6.100 organisaties hebben
de scan volledig ingevuld. Van oudsher draagt het Nationaal Cyber Security Centrum
de hulptools, handleidingen en infosheets actief uit via relatiebeheerders. Sinds
vorig jaar zetten ze ook onlinewebinars op om de hulptools et cetera op grotere schaal
toe te lichten. Per webinar zien we dat er meer dan 1.500 organisaties deelnemen.
Ook dat is dus echt aanzienlijk. De LinkedInpagina van het NCSC – je telt niet mee
als je die niet hebt – heeft inmiddels 70.000 volgers. Die volgen dus ook de wekelijkse
posts over de Cyberbeveiligingswet. In die zin denk ik dat de outreach een geslaagd
onderdeel is geweest van deze wet en dat het met de bekendheid echt wel goed zit.
Dat was mijn eerste blokje.
De voorzitter:
Als ik het goed heb, was dit het blokje reikwijdte. We gaan dus nog naar zorgplicht
en toezicht; dat komt er allemaal nog aan. Dit was het blokje reikwijdte. Ik kijk
even naar links om te zien of mensen vinden dat er nog vragen zijn blijven liggen.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik had eigenlijk één interruptie naar aanleiding van een antwoord. Ik ben blij met
de antwoorden ten aanzien van kleinere gemeenten. Dat is goed om te horen. Ook ten
aanzien van de coördinatie werden er al wat punten aangehaald. Maar ik maak me toch
wel zorgen over de onderwijssector. Het antwoord was «de hele sector valt er gewoon
onder», maar we hebben juist proportionaliteit hoog in het vaandel staan en we willen
juist dat het risicogebaseerd is. Dat zie ik niet helemaal terugkomen als het gaat
om de reikwijdte voor het onderwijs. Ik wil dus toch graag aan de Minister vragen
of hij ons er op de een of andere manier over gerust kan stellen dat er ook wordt
getracht om proportionaliteit te borgen richting het onderwijs.
Minister Van Weel:
Zeker, maar wat betreft proportionaliteit lopen we ook juridisch tegen een aantal
begrenzingen aan. Daar zullen we nog over komen te spreken in een ander format als
het gaat over kennisveiligheid. Het is ontzettend moeilijk om te bepalen welk deel
van een onderwijssector nou onder een ander regime moet vallen dan het overige deel
van een onderwijssector. Dat is juridisch moeilijk, dat ligt bij bonden moeilijk en
dat is ook in de uitvoering niet altijd makkelijk, omdat je het ook kunt hebben over
delen binnen één onderwijsorganisatie. Daar zou je dan verschillende regimes op van
toepassing moeten verklaren en dan vallen bestuurders deels wel onder de Cyberbeveiligingswet
en deels niet. Dat is dus echt heel complex. Daarom heeft de Minister van Onderwijs
gezegd: we hebben al de organisatie van onze eigen CSIRT's – «SURFcert» heet dat binnen
de onderwijssector – die nu al de volledige sector bedient, dus laten we dan ook de
volledige sector naar datzelfde niveau brengen. Ook dat is deels proportionaliteit:
ervoor zorgen dat je het niet complexer maakt voor de sector door ze eronder te brengen,
terwijl je vanuit de inhoud zou zeggen dat het grootste risico natuurlijk ligt bij
sommige delen van die sector. Dat ben ik helemaal met u eens.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Tot slot op dit punt. Dit antwoord stelt mij al iets meer gerust. De Minister gaf
ook aan: we geven het onderwijs wat meer tijd; het tijdpad is wat ruimer. Kan er dan
worden toegezegd dat op die manier samen met het onderwijs, met SURF en andere partijen
die al veel inspanningen hebben verricht, kan worden gekeken wat prioriteit krijgt,
wat we eerst doen en wat ook later kan?
Minister Van Weel:
Zeker. Dat zeg ik mede namens de Minister van Onderwijs. Ik wil, zeg ik in algemene
zin, namelijk zeker niet de algemeen verantwoordelijke worden voor alle sectoren.
Ik was juist erg blij dat dat risico in ieder geval in de wet gespreid is. Zij zal
dat dus doen. Zoals gezegd hebben ze 36 maanden om te voldoen aan de verplichtingen
vanuit de wet. Die zullen worden benut om dat op een verantwoorde en proportionele
manier te doen.
De heer Van den Berg (JA21):
Een vervolgvraag na mevrouw Zwinkels van het CDA. Wij hebben een amendement in voorbereiding
dat eigenlijk het volgende stelt. Je hebt de hele sector qua hoger onderwijs. De NIS2-richtlijn
laat expliciet de ruimte om ervoor te kiezen om instellingen al dan niet onder de
wet te brengen. We zouden, denk ik, een lid kunnen toevoegen dat zegt: «het hoger
onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek die kritieke onderzoeksactiviteiten verrichten».
Volgens mij is het best proportioneel om in te schatten of hogescholen het wel of
niet doen en die instellingen zodoende wel of niet onder de wet te brengen. Kortom,
doen we dat niet, dan krijgen we overbodige regeldruk. Hoe kijkt de Minister daarnaar?
Minister Van Weel:
Ik schetste het net al even, meneer Van den Berg. U zegt namelijk: «de instellingen
die». Onder de woorden die u daarna kiest, gaat een hele wereld schuil. Die zul je
dan namelijk in wetgeving moeten definiëren; die zul je verder moeten uitwerken. Dan
loop je tegen hele complexe zaken aan. Wanneer is iets nou kritisch, zeker waar het
gaat om kennisoverdracht? Er zijn een aantal voorbeelden uit het verleden waarbij
het wél tot mogelijkheden heeft geleid – denk aan het weren van bepaalde studenten
bij opleidingen tot kernfysicus – maar in bredere zin is het voor iets als informatica
of lucht- en ruimtevaart ontzettend moeilijk om te doen. Je loopt namelijk al heel
snel aan tegen ofwel discriminatie ofwel selectiviteit ofwel de inhoudelijke afweging
om onderscheid te maken tussen instellingen, vandaar dat ik zeg: die weg leek ook
de Minister van Onderwijs niet begaanbaar voor dit doeleinde. Bovendien vallen ze
al binnen één cyberbeveiligingsregime. Je zou dus ook meer druk creëren door het weer
op te knippen, vandaar de keuze om het toch in zijn geheel te doen.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan zou het in de praktijk dus zo zijn – dat zeg ik niet alleen omdat ik zelf christen
ben – dat de hogeschool voor theologie ook onder deze wet zou vallen. Ik durf met
zekerheid te stellen dat die geen kritieke onderzoeksactiviteiten verricht in het
kader van deze wet. Ik hoor dat het een stuk moeilijker zou zijn. Is de Minister het
desondanks met me eens dat de uitkomst is dat hogescholen die hier niks mee te maken
hebben, toch moeten rapporteren, met de bijkomende lastendruk?
Minister Van Weel:
Eén. Het kan een faculteit theologie zijn binnen een universiteit die wel interessante
vakgebieden heeft. Die hebben dan één ICT-systeem. Er zijn zelfs meerdere hogescholen
die gezamenlijk één IT-organisatie hebben. Daar ga je dan dus alweer in knippen. Bovendien
is de gevoelige informatie niet alleen de inhoudelijke informatie. Die moet je beschermen.
Soms kun je het op inhoud ook wat verder aanscherpen. Maar het gaat hier ook om de
algemene cybersecurity. Ook de persoonsgegevens van studenten zijn al interessante
informatie voor criminelen. Dat hebben we met de Odidohack gezien. Ik noem ook het
überhaupt op zwart kunnen zetten van een systeem. Theologiestudenten willen op een
gegeven moment afstuderen. Dan moet er wel een systeem beschikbaar zijn. Ik snap de
kennisveiligheidsroute, maar ik denk dat het in praktische zin toch makkelijker is
om de sector als geheel aan te wijzen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de Minister. Daarnet werden de bewaartermijnen al even aangeraakt.
Was dit ook het blokje over de bewaartermijnen?
Minister Van Weel:
Ik heb best een goed geheugen, maar ... Ik heb ze alle 233 gelezen, maar ik weet niet ...
Die vragen komen bij het blokje overig, hoor ik van mijn ondersteuning. Gelukkig heb
ik een extern geheugen!
De voorzitter:
O, het kwam heel even voorbij, maar dan wacht ik daarop. Dan is het woord weer aan
de Minister voor het volgende blok. O, de heer Van den Berg heeft nog een vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Het waren inderdaad een hoop vragen, dus ook ik moest het overzicht weer even zoeken.
Als ik het goed hoorde, gaf de Minister dus eigenlijk aan dat er inderdaad de facto
twee jaar na invoering van de wet een eerste evaluatie komt. Hoe zit het dan met een
terugkerende evaluatie? Bij de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten is zo'n evaluatie
helemaal niet voorzien en bij de Cyberbeveiligingswet staat die, als ik het goed zeg,
op drie jaar doorlopend. Of is het vijf jaar? Nu begin ik zelf ook te twijfelen. Maar
hoe kijkt de Minister ernaar dat die evaluatie bij de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
in zijn geheel ontbreekt?
Minister Van Weel:
Je hoeft niet alle wetten continu te evalueren. Wat mij betreft is het geen uitgangspunt
dat je continu evaluaties hebt. Dat is natuurlijk wel van belang als je iets invoert,
want dan wil je gewoon op enige termijn kunnen constateren of de wet haar werk heeft
gedaan, wat ermee gebeurd is, hoeveel keer er boetes zijn uitgedeeld en of dat heeft
geleid tot een veranderend beeld. Ik denk dat de cyberwereld wat dat betreft dusdanig
fluïde is dat die driejaarlijkse terugkerende evaluatie, dus na 36 maanden, heel nuttig
kan zijn. Ik zie dat nut op voorhand niet per se bij de Wwke. Als je dit systeem hebt
ingeregeld, is het verder in principe een redelijk stabiel beeld, want we weten wat
die kritieke entiteiten zijn. Ik denk dat dat het onderscheid is tussen die twee werelden.
Dat wil niet zeggen dat er verder niks gebeurt wat betreft de aanscherping van beleid.
De heer Van den Berg (JA21):
Exact. Dat ben ik met de Minister eens. Maar we hebben hier te maken hebben met een
best wel verregaande samenhang tussen de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten. Het werd net al genoemd: als je een kritieke entiteit bent, dan
ben je tegelijkertijd ook een essentiële instelling in het kader van de Cbw. Als er
dus nuttige punten, punten van verbetering, uit die evaluaties komen, ziet de Minister
dan een andere manier om die ook in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten mee te
nemen, zodat dat wel synchroon blijft? Kan hij dat toezeggen?
Minister Van Weel:
Ja, dat lijkt me werkbaar. Dan zou je bekijken wat de implicaties zijn van het meenemen
van de uitkomsten van de evaluatie van de Cyberbeveiligingswet, die je elke drie jaar
doet, op de Wwke. Dat is een lightvorm van evalueren, maar dan blijven die twee inderdaad
wel gelijklopen. Wat betreft de leveranciersclausule – ik bedenk maar wat, hoor –
zou je bijvoorbeeld niet willen dat dat uit elkaar gaat lopen.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik ga het overwegen. Dank u wel.
De voorzitter:
De Minister kan verder met het volgende blok.
Minister Van Weel:
Dat blok gaat over de meld- en zorgplicht. Een waren een hoop vragen over of we kunnen
komen tot één meldloket. Ik lichtte net al een tipje van de sluier op: ja, dat gaan
we op een lastenluwe manier inrichten; we gaan dat bundelen in één meldpunt. Dat meldpunt
komt bij het Nationaal Cyber Security Centrum. Zowel voor de Cyberbeveiligingswet-meldingen
als voor de Wwke-meldingen komt er dus één loket. Daarnaast kan dit meldpunt ook worden
gebruikt voor meldingen op basis van de Digital Operational Resilience Act voor de
financiële sector, en de netcode voor de elektriciteitssector. In die zin vangen we
dus nog twee andere richtlijnen en verordeningen onder dat ene meldpunt. We gaan ook
kijken of het haalbaar en uitvoerbaar is om voor andere cybermeldingen een nationaal
meldloket in te richten, voor meerdere wetgevende kaders. Dat gebeurt dus buiten de
Cyberbeveiligingswet om. Dat onderzoek loopt nog.
Hoe worden bestuurders geïnformeerd over alle stappen die zij moeten nemen? Bestuurders
en CISO's zijn in de communicatie die ik net al noemde de belangrijkste doelgroepen
die wij proberen te bereiken. Die communicatie loopt ook actief. Ik heb net een aantal
van de middelen daarvoor toegelicht, waaronder de webinars. Ze worden niet alleen
geïnformeerd, maar ook ondersteund bij het nemen van de nodige stappen voor de meldplicht,
de zorgplicht en de registratieplicht. Bij de Wwke werkt het nog wat directer. Daar
worden de bestuurders gewoon direct benaderd door de verschillende vakdepartementen
en dus vanuit de overheid.
De heer Van den Berg vroeg: hoe kun je rechtsongelijkheid voorkomen tussen sectoren
bij de verschillende interpretaties van die zorgplicht? De Cyberbeveiligingswet en
de Wwke maken het mogelijk om via ministeriële regelingen sectorspecifieke regels
te maken voor de invulling van de zorgplichtmaatregelen. De vakministers hebben hier
ook gebruik van gemaakt. Een groot deel van deze ministeriële regelingen zijn in november
van het afgelopen jaar in consultatie gegaan. Het is uiteindelijk aan de toezichthouder
om te beoordelen of de entiteit voldoende invulling heeft gegeven aan de zorgplichtmaatregelen.
Die zal daarbij ook risicogebaseerd te werk gaan om rechtsongelijkheid te voorkomen.
Waarom mogen entiteiten zelf inschatten wat proportioneel en effectief is? Waarom
zijn er geen heldere normen? Dit borduurt daar een beetje op voort. Dat gebeurt, weer,
om die regeldruk zo veel mogelijk te vermijden. Dat hangt echt af van de risicoanalyse
die ze zelf moeten gaan maken. Dat zal uiteindelijk de basis zijn voor de maatregelen
die je dan neemt. Dat verschilt echt per entiteit. Door die ruimte te laten, doen
we ook recht aan de sectorale verschillen die er zijn. We hadden het net al over de
onderwijssector en over hoe je binnen één sector al verschillen kunt creëren. Bij
die beoordeling kunnen ze gebruikmaken van bestaande normenkaders, zoals de ISO 27001
en verschillende hulpmiddelen vanuit de Rijksoverheid.
In dat verlengde stelde de heer Van den Berg ook vragen over termen als «kan» en «kunnen».
Dat vloeit precies voort uit het feit dat we entiteiten de ruimte willen geven om
op hun eigen manier invulling te geven aan die zorgplicht. De maatregelen en de evenredigheid
daarvan kunnen per entiteit verschillen, vandaar de open normen. Maar de kaders zijn
wel hetzelfde, namelijk de ISO-norm en datgene wat wij bieden vanuit de Rijksoverheid.
Hoe verhoudt de open norm van de zorgplicht zich tot hele hoge bestuurlijke boetes?
Laten we eerlijk zijn: die hoge boetes zijn een eindstation en geen beginstation.
Elke boete die uiteindelijk zal worden opgelegd, zal afgestemd worden op de ernst
van de overtreding en de mate waarin die verwijtbaar is aan de entiteit. U kunt zich
voorstellen dat alle rechtsbeginselen die gelden in ons algemeen bestuursrecht ook
van toepassing zijn op deze wet. Dat zal echt betekenen dat niet altijd de maximale
boete wordt opgelegd. Een boete zal altijd proportioneel moeten zijn en toetsbaar
aan de normen die zijn neergelegd, in het bijzonder aan de ministeriële regelingen
die uiteindelijk per sector komen. Er zijn ook heel veel best practices voorhanden,
ook van het NCSC, waardoor entiteiten ongeveer weten wat er voor hen van toepassing
is, wat ze mogen verwachten.
Ik weet niet of de dubbele beboeting nog terugkomt, maar dat kan überhaupt niet in
het Nederlandse stelsel. Volgens de Algemene wet bestuursrecht kun je niet twee boetes
opleggen voor hetzelfde delict, dus dat kan ook in dit geval niet voorkomen, zelfs
al zouden verschillende toezichthouders daar op onverklaarbare wijze toe komen.
Hoe zit het met de verschillende toezichthouders en de mogelijke overlap daartussen?
Gezegd is al dat we zo veel mogelijk aansluiten bij de toezichthouders die de organisaties
en de entiteiten al kennen, juist omdat we dan niet weer een extra laag creëren en
niet weer een extra rechtspersoon waarmee entiteiten zaken moeten doen. Die toezichthouders
moeten elkaar vinden. Dat is essentieel en dat hoor ik ook terug in de vragen. Als
dat niet goed gaat, krijg je dus wel overlap. In de praktijk vindt de samenwerking
nu al plaats in het Samenwerkend Toezicht Digitale Weerbaarheid en het Directeurenoverleg
Toezicht Digitale Weerbaarheid. Ze werken inderdaad aan toezichtprotocollen om dat
voor iedereen duidelijk en transparant te maken en om toezichtlasten te voorkomen.
De vraag was of we daarover kunnen communiceren als dat uiteindelijk tot wasdom is
gekomen. Dat zullen we gaan doen.
Wat nou als grote organisaties uit meerdere entiteiten bestaan? Wanneer is groepsregistratiefunctionaliteit
operationeel? Grote organisaties die uit meerdere entiteiten bestaan kunnen zich straks
als groep registreren en dan kan ervoor gekozen worden om alle meldingen door één
contactpersoon of één individu te laten verrichten namens de gehele groep. Die functionaliteit
zal met ingang van 1 april operationeel worden, dus vanaf dat moment hebben we ook
de groepsregistratie.
Hoe voorkom je dat je je op meerdere plekken moet registreren of dat er tegenstrijdig
wordt geregistreerd? Dat was ook een vraag van de heer Van den Berg met betrekking
tot de beide wetten. Er is slechts één meld- en registratieportaal waar alle bevoegde
autoriteiten en de CSIRT's toegang toe krijgen voor zover dat relevant is voor hun
werkzaamheden. Er zullen daarom geen meerdere of tegenstrijdige registraties zijn.
Als een organisatie zich met haar unieke KvK-nummer registreert, dan kan deze niet
nog een keer worden geregistreerd in hetzelfde systeem. Ook daar kan dus geen dubbeling
in komen. De beschikbare informatie wordt door middel van eHerkenning bij de Kamer
van Koophandel opgehaald. Bij overheden worden de gegevens daarvoor uit het Register
van Overheidsorganisaties gehaald.
Voor de Wwke geldt geen registratieplicht, want die entiteiten worden aangewezen door
de overheid. Mochten organisaties door meerdere departementen worden aangewezen, dan
zal dit onderling moeten worden afgestemd. Bij het doen van een melding kan een organisatie
aanvinken onder welke wet zij deze melden doet. Daarbij kunnen beide wetten worden
aangevinkt. Dat geldt dus voor de meldplicht.
Hoe voorkomt een kabinet dat bestuurders in de problemen komen, omdat ze een meldtermijn
hebben gemist. Dat was een vraag van mevrouw Martens. De meldplichttermijn moet natuurlijk
gehaald worden. Daar zal de toezichthouder primair op toezien. Die zal de rechtspersoon
daar ook op aanspreken. Ik durf het wel aan om te zeggen dat het schorsen van bestuurders
vanwege het eerste missen van de meldplicht niet snel de eerste stap zal zijn die
een toezichthouder daarin neemt. Dat is ook niet de manier waarop toezichthouders
omgaan met bestuurders. Dan is er wel wat meer aan de hand. Laat ik het zo zeggen.
Over moeder- en dochterondernemingen heb ik het al gehad. Dat gaat over de groepsmelding.
Ik denk dat ik daarmee aan het einde ben van de meld- en zorgplicht. Het volgende
blokje is het blokje toezicht.
De voorzitter:
Dit was het blokje meld- en zorgplicht. Hierna volgt toezicht. Ik kijk even naar links.
Zijn er nog Kamerleden die vragen hebben gemist? Ja, in ieder geval mevrouw Faber.
Daarna mevrouw Zwinkels en de heer Van den Berg. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even ter verduidelijking: viel hier ook toezicht onder? Of komt dat nog later? O,
dat komt nu. Dan houd ik nog even mijn mond.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik was net als mevrouw Faber even in de war, want het ging al veel over toezicht.
Ik ga mijn vraag toch stellen, want de Minister ging daar al op in. Mijn vraag gaat
over het kunnen opleggen van twee boetes voor hetzelfde delict. Ik vroeg net vooral
naar de overlap: meer toezichthouders kunnen zich geroepen voelen om een bedrijf of
een andere organisatie tot de orde te roepen. Is straks ook vastgelegd welke toezichthouder
voorrang krijgt? Ik ben daar toch wel benieuwd naar. Welke van de twee gaat dan daadwerkelijk
een procedure starten, zodat zaken niet dubbel worden gedaan of naast elkaar lopen,
nog los van wat uiteindelijk het oordeel zal zijn? Wat is het antwoord van de Minister
daarop?
De voorzitter:
Ik kijk ook even naar de Minister. Valt dat misschien toch onder toezicht?
Minister Van Weel:
Ik heb het zelf een beetje uitgelokt door de toezichthouders al te noemen bij de meld-
en zorgplicht. Op de eerste vraag: twee boetes voor hetzelfde kan niet. Twee toezichthouders
voor één organisatie kan wel. Sommige organisaties vallen ook zonder deze wet al onder
meerdere toezichthouders.
Bij de Cbw en de Wwke moeten de toezichthouders samenwerkingsafspraken gaan maken.
Daarin moeten dit soort zaken en protocollen nou juist naar voren komen: als een overtreding
van een van beide wetten wordt geconstateerd, welke toezichthouder handhaaft dan bij
wat voor overtreding? Die samenwerkingsafspraken is men in het directeurenoverleg aan het uitwerken en wil men voor de invoering van de wet gereed hebben. Ik
zei al dat ik daarover met uw Kamer wil communiceren als die er zijn, maar in principe
moeten die aan de organisaties helderheid gaan geven.
De voorzitter:
Dan de heer Van den Berg. O, sorry, meneer Van den Berg. Mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Heel kort, voorzitter. Ik ben blij met die toezegging. Ik verwacht dat die al in april
of iets dergelijks onze kant op kunnen komen, want net verwees de Minister naar 1 april.
Ik heb ook gevraagd welke rol de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur nog eventueel
kan spelen om die centrale regie wat meer op te pakken. Daar ben ik ook benieuwd naar.
Minister Van Weel:
Dat laatste doet ze. De datum van 1 april was gerelateerd aan de mogelijkheid om zich
als groep te registreren als entiteit. Ik wil die 1 april dus niet per se ophangen
aan de samenwerkingsafspraken. Of heb ik dat eerder wel gezegd? Nee, toch? Ik kijk
even naar rechts. Nee. Maar die afspraken komen wel voor de invoering van de wet.
De voorzitter:
De Minister zegt toe: voor de invoering van de wet. De heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Wederom volgend op mevrouw Zwinkels: het is goed dat er onderling wordt gecoördineerd.
Als ik het goed begrijp, is die onderlinge afstemming echter niet geborgd in de wet
en volgens mij wordt van de onderlinge afspraken die gemaakt zullen worden, ook geen
melding gedaan in de Staatscourant. Ik zou de Minister willen vragen hoe hij daarnaar
kijkt. Is het niet beter om die afspraken te borgen door die in de Staatscourant openbaar
en transparant te maken? Hij onderkent zelf dat die belangrijk zijn.
Minister Van Weel:
Ik vrees dat dit niet met een schaartje te knippen is. Je zult moeilijk op wetsniveau
kunnen vastleggen welke toezichthouder het voortouw heeft bij de implementatie van
deze wetten. Bij vastleggen in de wet zou je dus niet verder komen dan het listen
van alle toezichthouders die hierbij betrokken zijn, en dat heeft dan weer weinig
toegevoegde waarde. Het ging immers juist om het creëren van helderheid: wie is in
the lead? Ik denk dat die samenwerkingsafspraken ons in ieder geval gaan helpen om
meer helderheid te geven aan de kritieke entiteiten, maar ik denk niet dat je ’m kunt
aanwijzen in de wet zelf, juist vanwege de diversiteit van het landschap.
De heer Van den Berg (JA21):
Oké, dank. Als laatste nog over de zorgplicht. Ik hoor de Minister zeggen dat ze één
melding kunnen doen bij het punt en dat niet gelijk een boete zal worden opgelegd.
Uiteindelijk zouden ze met één toezichthouder te maken hebben. Is de Minister het
desondanks met mij eens dat heel veel bedrijven de kaders, de criteria van de zorgplicht,
toch onduidelijk vinden en daar zorgen over hebben? Zij begrijpen niet goed wanneer
ze daar nu wel aan hebben voldaan en wanneer niet. Kan de Minister daarop reflecteren?
Hoe kan dat nu alsnog duidelijker gemaakt worden?
Minister Van Weel:
Dat is het werk dat nu moet gebeuren op basis van de Cyberbeveiligingswet zelf, en
datgene wat er al aan handelingskader online staat bij de NCTV en het NCSC. Het self-assessment
dat bedrijven kunnen doen, geeft veel inzicht in wat die zorgplicht zou behelzen.
Uiteindelijk komen daar de ministeriële regelingen overheen, die per sector door de
vakministers zullen worden uitgegeven. Die zullen nadere richtlijnen voor de specifieke
sectoren bevatten, die ook houvast geven aan de bedrijven. Uiteindelijk zullen de
toezichthouders in overleg met bedrijven uit de sectoren komen met nieuwe casussen
die zij tegenkomen. Een aantal casussen zullen zij in die samenwerkingsafspraken al
naar voren brengen. Dat netwerk bouwt zich langzaam op. We hebben er juist voor gekozen
om dat niet vanaf het begin vanuit de ivoren toren in Den Haag te doen, maar dat over
te laten aan de bedrijven en de sectoren, die meer kennis hebben over wat er specifiek
nodig is in het kader van die zorgplicht.
Nogmaals, wat betreft de samenwerkingsafspraken kan ik 1 april nog steeds niet toezeggen,
maar ik kan wel toezeggen dat deze zullen worden gepubliceerd in de Staatscourant
om die helderheid te creëren. Dat gaat ook over de betrouwbaarheid: wat u van toezichthouders
kunt verwachten en wat een toezichthouder van u verwacht.
De voorzitter:
Dan heb ik nog een vraag over die loketfunctie. Ik ben heel blij met de toezegging
dat dat loket er komt. Alleen sprak de Minister toch nog over een ander loket voor
twee andere richtlijnen. Onder het loket voor deze twee wetten worden ook nog andere
dingen geschaard. Dat gaat dus om één loket. Maar daarnaast komt er toch nóg een loket.
O, toch niet; ik zie de Minister nee schudden. De vraag is: komen er nu twee loketten
of gaat het zo veel mogelijk naar één loket?
Minister Van Weel:
Het gaat zo veel mogelijk naar één loket. Daarbij komen ook de twee andere richtlijnen
die op andere sectoren van toepassing zijn samen. Eigenlijk krijg je een soort one-size-fits-all.
De makkelijkheid voor bedrijven en entiteiten is dat ze één nummer bellen en naar
één punt gaan. Dan is het aan ons om dat verder te geleiden.
De voorzitter:
Ik ben blij met deze beantwoording. Volgens mij kunnen we dan door naar het blokje
toezicht.
Minister Van Weel:
Ja, daar zaten we al volop in. Ik zal even kijken welke vragen nog niet zijn beantwoord.
De samenwerkingsprotocollen komen eraan; dat is helder.
Ik heb ook uitgelegd waarom het niet mogelijk is om al op wetsniveau specifiek één
toezichthouder aan te wijzen. Dat zou echt uit de samenwerking tussen de bestaande
toezichthouders moeten blijken.
Een vraag van mevrouw El Boujdaini: hoe verhoudt de stelselverantwoordelijkheid van
de Minister zich tot het directeurenoverleg? Het directeurenoverleg is een van de onderdelen van het stelsel en is specifiek gericht op het
toezicht. Het bestaat daarmee naast de andere onderdelen van het stelsel, zoals de
samenwerking tussen CSIRT's onderling en de publiek-private informatie-uitwisseling.
In het kader daarvan is er regelmatig contact over de afstemming tussen de toezichthouders
en de NCTV. Die rapporteren dan weer aan mij als Minister. Zo zitten we samen in het
speelveld.
Worden die samenwerkingsafspraken uiteindelijk in alle sectoren gemaakt? Ja, uiteindelijk
dekken die alle sectoren af.
Worden organisaties ook nog geconsulteerd bij de afspraken die er worden gemaakt?
In principe is het nu strikt een samenwerkingsafspraak tussen de toezichthouders zelf.
Die kennen hun sectoren natuurlijk wel heel goed. In die zin denk ik dat de belangen
van organisaties wel zullen worden meegenomen in diverse vraagstukken, maar zij zitten
daar niet aan tafel om hun eigen toezicht in te regelen. Uiteindelijk horen de toezichthouders
wel wat er speelt in een organisatie. Ik ga ervan uit dat zij dat ook meenemen.
Is het helder wie het eerste aanspreekpunt is bij toezicht, handhaving en incidentenafhandeling?
Ja, er zit een doorverwijsboom bij de Cyberbeveiligingswet. Die staat op de website
van de NCTV. Daarnaast gaan de samenwerkingsafspraken daar natuurlijk nog meer helderheid
in creëren, met name voor bedrijven die tussen verschillende toezichthouders opereren.
Er werd gevraagd hoe ik aankijk tegen boetes en de methodes van andere landen. Ik
denk dat die niet afwijken van de praktijk die we in Nederland zullen zien. Ook hier
zul je niet in één keer de maximale boete krijgen. Dat is niet het enige sanctiemiddel.
Ook hier zullen toezichthouders beginnen met waarschuwingen en pas bij herhaaldelijk
overtreden overgaan tot sancties. Dat is normaal in onze rechtsgang in dit land.
Ik heb het gehad over dubbele beboetingen. Dat betreft overigens artikel 5:43 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Zien de structurele middelen in de memorie van toelichting ook op de extra capaciteit
bij uitvoeringsdiensten zoals de ILT en de NVWA? Ja. De door de vakdepartementen geraamde
structurele middelen geven een integraal financieel beeld. Dat is dus inclusief de
toezichtslasten. Dat is indirect ook een antwoord op de vraag van mevrouw Kathmann
of toezichthouders hiervoor worden uitgerust. De Cyberbeveiligingswet ziet op een
significante uitbreiding van de taken en de scope van de doelgroep. Dat betekent dus
ook dat die ziet op toezichtveranderingen met financiële gevolgen. De capaciteit voor
het toezicht moet groeien vanwege de toename van het aantal entiteiten. Daarmee is
rekening gehouden in deze wet.
Worden boetes dan ook proportioneel gezien ten opzichte van schaal, draagkracht en
omzet van een entiteit? Omzet, schaal en draagkracht zijn relevante aspecten bij het
bepalen van de hoogte van een boete. Toezichthouders zijn altijd gehouden aan de Algemene
wet bestuursrecht en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een boete
wordt dus altijd afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin die een
entiteit te verwijten is. Dat geldt ook voor het proportionaliteitsbeginsel. Dat betekent
dus dat de nadelige gevolgen van een boete voor een entiteit, een bedrijf, niet onevenredig
mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat ondervangt dus
in algemene zin het risico dat werd genoemd dat een bedrijf een boete als fooi beschouwt
versus dat zo'n boete voor een bedrijf bijna desastreus zou zijn. Dat wordt ondervangen
met dit proportionaliteitsbeginsel. Meestal hebben toezichthoudende instanties in
hun boetebeleid ook een omschrijving van hoe ze de omvang van de organisatie meewegen
in de hoogte van de boetes. Draagkracht telt daarin mee.
Toezicht op de kerncentrale. Wie houdt het toezicht op een incident bij een kerncentrale:
de Minister of de ANVS? Dat was een vraag van mevrouw Faber. De ANVS houdt toezicht
op de kerncentrale voor de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid. Daarvoor
is al uitgebreide sectorale wetgeving. De RDI is de instantie die toezicht houdt vanuit
het perspectief van de leveringszekerheid van elektriciteit. Een kerncentrale kent
dus alweer verschillende entiteiten. Uiteindelijk is de afweging om daar als Defensie
ook nog bescherming aan te leveren. Die hangt dan weer vast aan de nationale dreiging
die er wordt gezien jegens een bepaald object. Die wordt door sommige landen ook anders
gewogen dan door andere.
De voorzitter:
Bent u klaar met het blokje?
Minister Van Weel:
Ik heb er nog twee.
De voorzitter:
Oké, nog twee. Dan kom ik daarna gelijk bij u, mevrouw Faber.
Minister Van Weel:
Hoe borgen we dat het toezicht en de ondersteuning niet achterblijven bij de enorme
uitbreiding van de doelgroep? Dat is dus meegenomen in de samenwerkingsafspraken,
de memorie van toelichting en de intensiveringsgelden die daarvoor zijn genoemd.
Dat was al de laatste vraag. De kosten van toezicht zijn daarmee dus gedekt, via de
vakdepartementen.
De voorzitter:
Dat brengt ons meteen bij mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over de kerncentrale. Er moest toen een zbo worden opgetuigd omdat men zelfstandig
moest kunnen beslissen inzake de veiligheid, maar er zijn natuurlijk ook andere belangen.
De Minister gaf al aan dat een andere organisatie gaat over het leveren van elektriciteit,
maar dan is natuurlijk wel de vraag wat dan voorgaat. Gaat de veiligheid voor of gaat
voor dat men elektriciteit moet kunnen leveren? Ik denk namelijk dat dat op zich een
essentiële vraag is. Het kan namelijk best zo zijn dat een kerncentrale onder druk
staat en eigenlijk stilgelegd moet worden, maar dat het gevaarlijk kan zijn omdat
men zegt: je moet leveren. Wat is dan de doorslaggevende factor in dezen?
Minister Van Weel:
Dat vind ik een interessante vraag. Daar heb ik oprecht het antwoord niet op. Ik weet
ook niet of ik dat voor de tweede termijn heb. Ik wil dat in ieder geval meegeven
aan een van de toezichthouders als een van de casussen. Ik kom daar dan op een later
moment schriftelijk op terug.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik had nog een andere vraag. Die ging ook over meerdere toezichthouders, ook als er
bijvoorbeeld een zbo is. De Minister heeft namelijk aangegeven dat er niet financieel
ondersteund wordt. De Minister heeft er niet voor gekozen dat kritieke entiteiten
financieel ondersteund worden. Maar stel dat er twee vakministers zijn voor één entiteit
en men dat uit de eigen begroting moet doen. Dan is er de kans dat ze de zaak naar
elkaar toe schuiven om niet hun eigen begroting te belasten. En dan? Ik bedoel: is
dat afgevangen?
Minister Van Weel:
Ja, ik vrees het wel. De afvanger zit hier voor u, want uiteindelijk ben ik de coördinerende
Minister voor het hele stelsel. Ik zal dan de beide vakministers bij elkaar moeten
brengen en zorgen dat daar een oplossing voor komt.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de laatste vraag, voorzitter. Het is zo dat 80% van de entiteiten commerciële
instellingen zijn. Daar heeft ook het Rijk toezicht op. Maar alles wat met de overheid
te maken heeft, valt onder Binnenlandse Zaken. Daar is de Minister van Binnenlandse
Zaken toezichthouder op. Maar dan controleert de overheid de overheid. Hoe gaat u
dat dan scheiden, vraag ik via de voorzitter.
Minister Van Weel:
We kennen natuurlijk binnen de overheid meerdere toezichthouders, die weliswaar onder
ministeriële verantwoordelijkheid vallen – bijna allemaal in ieder geval – maar zonder
dat dit de onafhankelijkheid van hun bevindingen in de weg staat. De overheid kan
de overheid controleren – denk bijvoorbeeld aan de AP – zonder dat dit compleet los
hoeft te staan van de overheid.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik denk dat de Minister dit wel met de goede intenties vertelt, maar ik vind het toch
een beetje vreemd. We hebben natuurlijk wel meer organisaties op afstand gezet van
de overheid. Is dat dan bijvoorbeeld een zbo die dat doet? Welke constructie is er
dan?
Minister Van Weel:
De RDI is een onafhankelijke instantie. De RDI valt weliswaar binnen de overheid,
maar is wel een onafhankelijke instantie. Wat betreft de vraag of de RDI een zbo is,
kijk ik of ik het antwoord daarop voor de tweede termijn voor u kan achterhalen. De
RDI staat in ieder geval op afstand en heeft die onafhankelijkheid.
De heer Van den Berg (JA21):
Is het niet een beter idee om wettelijk te regelen dat het onafhankelijk toezicht
op de overheidsinstanties op die manier wordt geborgd? Juist omdat we het hier hebben
over kritieke entiteiten zijn juist de mensen die toezicht houden op deze entiteiten
in principe kwetsbaar voor statelijke actoren, die deze mensen wel heel interessant
zouden kunnen vinden. Zou het om de wet te versterken niet juist goed zijn om die
aspecten wettelijk te borgen, zodat we nooit een samenloop hebben van belangen en
toezicht?
Minister Van Weel:
We doen nu echt de overheid en de manier waarop wij ons toezicht hebben georganiseerd
tekort. Ik heb zelf ook de Inspectie Justitie en Veiligheid. Ik heb geen enkele twijfel
over de onafhankelijkheid van deze organisatie. Die geeft mij ook gevraagd en ongevraagd
adviezen, inspecteert en neemt die toezichthoudende taak uiterst serieus. Ik weet
als bestuurder ook donders goed dat ik daar niet met mijn vingers tussen moet gaan
zitten. We hebben talloze toezichtsorganen binnen de overheid, die weliswaar overheidsorganen
zijn – daar zou niemand anders voor willen betalen namelijk – maar zonder dat we daarbij
inhoudelijk tegen problemen aanlopen. Dat is bij de RDI, de toezichthouder in dit
geval, dus ook het geval, maar ik kijk nog wel even naar wat precies de bestuursvorm
is die daarvoor is gekozen, om die onafhankelijkheid te borgen. Dat heb ik aan mevrouw
Faber toegezegd.
De heer Van den Berg (JA21):
Nou, hartstikke fijn. Ik weet niet of de Minister dat zo bedoelde, maar ik wil wel
onderstrepen dat ik niet een directe aanval wilde inzetten op de onafhankelijkheid
van ambtenaren, want daar heb ik alle vertrouwen in. Mijn punt is natuurlijk meer
dat als je dat kan scheiden en die belangen van elkaar kan ontvlechten ... Het is
natuurlijk wel een feit dat we juist bij deze entiteiten met zeer gevoelige informatie
te maken hebben. Die risico-inschattingen gaan natuurlijk juist over onze kritieke
processen. Juist daar moet je zeer vertrouwelijk mee omgaan. In die zin vind ik dat
wel heel belangrijk. Maar dan nog over de toezichthouders. Ik heb begrepen dat er
meerdere stelsels zijn waarin enerzijds het toezicht vanuit de overheid zelf wordt
bekostigd. Andere zitten in een breder systeem, waarin bedrijven er gelden voor afstaan.
Dat is in deze wet dan weer niet geregeld. Zou het in het kader van deze wet niet
ook gewoon goed zijn als de overheid de bekostiging van de inspecties of de audits
voor haar rekening neemt? Hoe kijkt de Minister daarnaar?
Minister Van Weel:
Dat doen we al. In de memorie van toelichting is aangegeven wat de vakdepartementen
denken nodig te hebben voor de implementatie van deze wetgeving. Daar zit de bekostiging
van de individuele toezichthouders die zij hiermee belasten, al in. De reden waarom
dat niet allemaal centraal is geregeld in deze wet, is omdat je nu eenmaal meerdere
toezichthouders hebt. Die kun je niet afbakenen. We gebruiken de bestaande instituties
en dat is dan ook weer in het kader van het verlagen van de regeldruk een van de proportionaliteitsmaatregelen
van deze wet.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik had van de audit een bedrag van volgens mij € 432 in mijn hoofd, dat ik zag staan,
maar daar kom ik dan nog even op terug. Als laatste nog de proportionaliteit van de
boete. Het is heel fijn dat de Minister erop reflecteert dat we inderdaad altijd een
bredere afweging maken, bijvoorbeeld de zwaarte van de overtreding en of het een herhaling
is enzovoort. Maar het blijft naar mijn idee toch zo dat wanneer een bedrijf dat kleiner
is – laten we zeggen met een omzet van 100 miljoen euro – een boete krijgt van in
principe 10 miljoen euro, we te maken hebben met een zwaarte van 10%. Het blijft een
feit dat wanneer een bedrijf groter is, 2% van de omzet wel het maximale boetebedrag
blijft. Dat klopt volgens mij. Kunnen we er niet voor kiezen om dat te allen tijde
proportioneel te houden, ondanks de zorgvuldige afweging van de toezichthouders?
Minister Van Weel:
Zoals ik al zei, hebben die dus vaak al boetebeleid, waar die proportionaliteit in
staat en waarin dit soort aspecten worden meegewogen. Het feit dat een bedrijf over
de kop zou gaan als het 2% van de jaaromzet moet afstaan, wordt dus meegewogen voordat
de sanctie wordt opgelegd. Dat wordt dan ook weer afgewogen tegen wat iemand heeft
gedaan en tegen de vraag of die daar wat aan kon doen. Die hele set van maatregelen
is onderdeel van goed bestuur en dat zit al ingebakken bij die toezichthouders. Een
maximumbedrag dat je meegeeft, is niet meer dan dat. Het is geen leidraad voor hoe
zo'n toezichthouder uiteindelijk in de praktijk omgaat met die boetes, want die toezichthouder
heeft gewoon te maken met de rechtsbeginselen van goed bestuur.
De heer Van den Berg (JA21):
Laatste vraag. Oké, fijn. Maar wat als we nu met een zeer groot bedrijf te maken hebben,
bijvoorbeeld eentje met een jaaromzet van meerdere miljarden? Stel, je wilt zo'n bedrijf
toch beboeten voor een overtreding die ze hebben begaan. Dan zitten we alsnog vast
aan die maximale boete van 2% van de jaaromzet. In dat geval is de prikkel die we
ze daarmee kunnen geven, dan weer relatief licht. Dat zie ik toch goed dan?
Minister Van Weel:
Nou, 2% van een heleboel of 2% van wat minder is in het eerste geval een heleboel.
2% van de jaaromzet van Apple zou ik graag terugzien op mijn begroting, laat ik het
zo zeggen. Dat voelen die bedrijven ook.
De voorzitter:
U kunt verder met uw volgende blok en dat is volgens mij – u weet dat beter dan ik
– actuele onderwerpen.
Minister Van Weel:
Ja, actueel en dat is vrij kort. Dat zijn maar twee onderwerpen, namelijk Odido en
digitale soevereiniteit. Gaan deze wetten helpen om zaken zoals die bij Odido zijn
gebeurd, te voorkomen? Dat kun je nooit garanderen, want we weten ook nog niet alle
details van wat er bij Odido allemaal goed en fout is gegaan. Daar zal nog onderzoek
naar gedaan worden. Maar de zorgplicht is er natuurlijk wel op gericht om dit soort
incidenten te voorkomen. Daar zitten allerlei maatregelen achter, die de kans dat
zoiets gebeurt, moeten verkleinen. Of het nu gaat over de omgang met data, de externe
beveiliging, de training van personeel, cyberhygiëne, toegangsbeleid, beheer van assets:
die hele waslijst valt onder de zorgplicht. Ik denk dat dat wel de drempel verhoogt,
ook voor grotere organisaties, om dit soort zaken beter te kunnen voorkomen. En het
toezicht gaat daarbij helpen, denk ik. Nogmaals, ik wil niet impliceren dat ik weet
wat er bij Odido allemaal verkeerd is gegaan, maar ik denk dat deze wetten in algemene
zin gaan helpen om dit soort incidenten te voorkomen in de toekomst.
Dan de digitale soevereiniteit. Kunnen we deze wet daar ook voor gebruiken? Ik wil
het in mijn beantwoording houden bij de relatie tussen deze wetten direct. Ik wil
de discussie over digitale soevereiniteit niet wegkapen bij mijn collega, de Staatssecretaris
van EZK. Maar deze beide wetten bieden wel de mogelijkheid om de risico's van de toeleveranciersketen
aan te pakken. De vakminister kan entiteiten de verplichting opleggen om in bepaalde
gevallen geen gebruik te maken van producten of diensten van specifieke leveranciers,
wanneer dit noodzakelijk is voor de nationale veiligheid. We komen daar zo nog wat
uitgebreider over te spreken. Dat is niet direct gericht op het vergroten van de digitale
strategische autonomie, maar ik denk dat het wel een onderdeel is van een stap daarnaartoe.
Entiteiten zullen die ook meewegen in hun inrichting en ook in hun strategische afhankelijkheden,
die ze hebben laten gebeuren door hun afhankelijkheid van een bepaalde leverancier.
De preventieve werking die dus mogelijk uitgaat van deze wetten, los van de specifieke
ingrepen op nationale veiligheid, gaat in dat kader wel wat doen, denk ik. Verder
zou ik de bredere discussie graag willen doorgeleiden naar mijn collega.
De voorzitter:
Dit was het blokje actuele onderwerpen. Ik kijk nog even naar links om te zien of
er nog vragen zijn. We kunnen naar het volgende blokje: leveranciers.
Minister Van Weel:
Tot mijn spijt moet ik u wel zeggen dat mijn linkerblokje nog steeds hoger is dan
het rechterblokje. Ik toets dat regelmatig aan u, maar wat dat betreft ben ik nog
niet door de helft van mijn stapel papier.
De voorzitter:
Wij doen ons best aan deze kant van de Kamer.
Minister Van Weel:
Ik weet het. Ik geef u een update.
Waarom hebben we het weren van leveranciers in lagere regelgeving opgenomen in plaats
van op wetsniveau? Dat hebben we gedaan omdat we het ook zien als de uitwerking van
een zorgplicht. Dan is het niveau van een AMvB passend. Je wil ook niet alles in wetgeving
vastleggen, omdat je ook wil kunnen inspelen op technologische ontwikkelingen. Er
liggen ook nog twee amendementen voor met betrekking hiertoe en ik liet al even doorschemeren
dat ik bereid ben om daar welwillend naar te kijken. Ik kom daar dus zo in de appreciatie
nog op terug.
Overigens hebben we wel geluisterd naar het bedrijfsleven, dat natuurlijk naar aanleiding
van de opname in de Cyberbeveiligingswet brieven naar ons heeft gestuurd. Die hebben
we meegenomen in de nota van toelichting die bij de AMvB zit. We hebben daarin helder
neergezet welke criteria gelden, om de voorspelbaarheid van het nemen van dit besluit
en van de investeringen die ze moeten doen, groter te maken voor bedrijven. Daarbij
wordt telkens getoetst aan dezelfde criteria en die staan nu dus in de nota van toelichting.
Ook is daarin beschreven hoe de procedure voor de vakminister voorafgaand aan het
nemen van het besluit dient te lopen. De betrokkenheid van de entiteit is ook meegenomen
in die procedure. Bovendien kan de entiteit nog bezwaar en beroep instellen tegen
het besluit.
Welke concrete criteria bepalen dat een leverancier een risico vormt? Er wordt gekeken
of de leverancier de intentie heeft om schade aan te richten bij een entiteit of dat
een entiteit nauwe banden heeft met of onder controle staat van een partij met kwade
intenties. Dan kunt u denken aan leveranciers die via wetgeving verplicht kunnen worden
om mee te werken met een buitenlandse overheid. Dat is dus een van de criteria, zoals
ook door enkelen van u in vragen neergezet. Denk aan statelijke actoren met een offensief
programma gericht tegen Nederlandse belangen. Al deze criteria staan in de toelichting
van de AMvB.
Willen we daarbij ook kijken naar de mogelijkheid om financiële steun te geven bij
het weren van een dienst of product? Dat was een vraag van mevrouw Kathmann. De Algemene
wet bestuursrecht en daarbinnen de regels over nadeelcompensatie bepalen in elk geval
op welke financiële vergoeding men recht heeft als de overheid tussendoor de spelregels
verandert, want daar komt het hier op neer, om goede redenen weliswaar. Dan is er
automatisch sprake van recht op nadeelcompensatie. Dat zal elke keer door de vakminister
worden bekeken. Ik kan daar dus niet in algemene zin uitspraken over doen. Ik zou
willen voorkomen dat we op voorhand alle schade voor een leverancier vergoeden als
we zo'n besluit zouden nemen, want daarmee halen we ook een stuk incentive weg bij
entiteiten om zelf kritisch te kijken naar hun toeleveranciersketen, omdat de overheid,
als het dan toch een keer aan het licht komt, daarvoor wel de portemonnee trekt. Dat
zou ik ons collectief niet willen aandoen. Ik denk dus dat de nadeelcompensatie voldoet.
Dan ben ik bij overige belangrijke onderwerpen, voorzitter.
De voorzitter:
Ik kijk even naar links om te zien of mensen nog vragen hebben bij dit blokje. Dit
was het blokje leveranciers. Nee, overig, toch? Nee, leveranciers; hierna komt overig.
De heer Van den Berg (JA21):
We hebben leveranciers gehad en nu gaan we naar overig.
Ik heb een vraag over de concrete criteria waarop we baseren dat een leverancier een
risico voor de nationale veiligheid vormt. Ik hoorde de Minister zeggen dat het bijvoorbeeld
statelijke actoren zijn die een offensief cyberprogramma hebben richting ons. Op basis
van welke feiten en omstandigheden stellen we deze landen vast? Ik kan me namelijk
ook voorstellen dat daar een AIVD- dan wel een MIVD-component aan zit. Kortom, hoe
kunnen we dit als parlement controleren?
Minister Van Weel:
Daar zit zeker een AIVD- en MIVD-component aan, en ook een NCTV-component. Maar er
zit ook een openbare component aan. We proberen juist met dit soort zaken ook op structurele
basis – dit gaat over individuele gevallen, maar ik heb het dus over de structurele
basis – zo veel mogelijk van het dreigingsbeeld zoals wij en de diensten dat zien
met uw Kamer te delen. Een voorbeeld daarvan is het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren.
In het laatste dreigingsbeeld wordt ook ingegaan op de vraag welke landen offensieve
cyberprogramma's hebben tegen ons en welke risico's en concrete gevallen we daarvan
zien. Dat is allemaal op ongerubriceerd niveau, maar geeft, denk ik, wel een aardig
aanknopingspunt, ook voor entiteiten om te lezen waar ze beter niet mee in zee kunnen
gaan of waar ze op enig moment het risico lopen om tegen een knelpunt in de keten
aan te lopen. Daarmee proberen we dus wel te helpen bij de afwegingen die entiteiten
daarbij maken.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat kan ik alleen maar ondersteunen. Dank u wel.
De voorzitter:
Minister, we kunnen naar het volgende blokje.
Minister Van Weel:
Het blokje overig. Ik begin bij de positie van slachtoffers. Is de positie van slachtoffers
goed genoeg vastgelegd in deze wetten? Voor significante incidenten regelt de Cyberbeveiligingswet
dat de betrokken entiteiten ontvangers van een dienst in kennis moeten stellen indien
dat incident een nadelige invloed kan hebben op de verlening van die dienst. Ook wordt
hierin geregeld dat de entiteit ontvangers van een dienst die door een significante
dreiging in relatie tot die dienst kunnen worden getroffen, mee moet nemen in de vraag
welke maatregelen zij daarvoor kunnen treffen. Er is echter geen specifieke regeling
over de positie van slachtoffers opgenomen. Ik wil wel verwijzen naar een aangenomen
motie van het lid Rajkowski waarin gevraagd wordt om te kijken naar de positie van
slachtoffers en nadeelcompensatie. Ik zie een aantal van uw leden nu knikken. Dat
proces loopt natuurlijk nog, maar staat los van deze Cyberbeveiligingswet. Dat gaat
nadrukkelijk om slachtoffers.
Kunnen we kennisdeling over dreiging en kwetsbaarheden en aanvalspatronen beter organiseren,
niet alleen in Nederland maar ook met landen om ons heen? Ja. Het doel met deze wet
is juist om het delen van kwetsbaarheden en dreigingen, waaronder ook AI-gegenereerde
cyberdreigingen, beter te organiseren en beter te verbreden. Het CSIRT krijgt hiervoor
een specifieke grondslag in deze wet. Nationaal werken de CSIRT's al met elkaar samen
in het CSIRT-netwerk. Ook internationaal is er een CSIRT-netwerk waarin dagelijks
op operationeel niveau informatie wordt uitgewisseld. Nederland is ook actief in het
CyCLONe-netwerk voor samenwerking bij crisissen en incidenten, en in de NIS Cooperation
Group, waarin experts van Europese lidstaten leren van elkaars ervaringen en best
practices. Daarnaast biedt de Cyberbeveiligingswet een nadrukkelijke grondslag om
makkelijk informatie met derde landen zoals het Verenigd Koninkrijk te delen, ook
informatie over aanvalspatronen.
Tot slot moeten we opmerken dat we naast de AI-gegenereerde dreigingen ook steeds
meer AI-gegenereerde verdediging zien. Uiteindelijk gaat ons dat ook helpen. Ik kan
me nog levendige discussies herinneren met de topmannen van Apple en Google over de
vraag of de verdediging nou meer baat heeft bij AI of de aanval. Ik zal het u niet
verklappen, maar de twee waren in ieder geval tegenovergesteld in hun opvattingen
hierover. Ik denk dat de nabije toekomst het ons gaat leren.
Dan de informatie-uitwisseling in crisis, kritieke entiteiten en private beveiligingsbedrijven.
Kunnen we daarbij versnippering en inefficiëntie voorkomen, was een vraag van mevrouw
El Boujdaini. In eerste instantie moeten kritieke entiteiten zelf de verantwoordelijkheid
nemen voor een crisisrespons en de daarbij behorende informatie-uitwisseling. Ze kunnen
daar zeker private beveiligingsbedrijven in meenemen. De meeste doen dat overigens
ook als zij een incident van een bepaalde omvang hebben. Elk ministerie neemt daarnaast
maatregelen op het eigen beleidsterrein om crisissen aan te pakken. Daarvoor hebben
ze allemaal een departementaal crisiscoördinatiecentrum. Bij een nationale crisis
– het is niet helemaal in beton te gieten wanneer dat gaat spelen, maar op enig moment
schalen we op – is er een nationaal crisiscentrum. Dat valt dan coördinerend onder
mijn verantwoordelijkheid. Dat is een 24/7-informatieloket en ondersteunt ook de nationale
crisisstructuur en alle partijen. Daarnaast zijn er sectorale afspraken gemaakt over
informatie-uitwisseling. Een voorbeeld hiervan is het NCSC, dat binnen het cyberdomein
zorgt voor gerichte informatiedeling tussen publieke en private partijen. Daarmee
wordt versnippering voorkomen en efficiënte informatievoorziening tijdens crises gewaarborgd.
Mevrouw El Boujdaini vroeg ook hoe deze private beveiligingsbedrijven meer duidelijkheid
kunnen krijgen over hun rollen. Ze hebben geen formele rol in deze wetten. Het is
echt de verantwoordelijkheid van de kritieke entiteit om passende maatregelen te nemen,
maar natuurlijk zullen zij gebruikmaken van private partijen – daar is ook geen verbod
op – om te helpen bij de implementatie en naleving van deze wet.
De heer Vermeer vroeg of er duidelijkheid komt over wat wel of niet redelijk is om
van leveranciers te eisen. Ja. Onder deze Cyberbeveiligingswet moeten entiteiten uitsluitend
inzicht krijgen in leveranciers die van invloed kunnen zijn op de beveiliging van
haar netwerk of informatiesysteem. Dat is meteen een afkadering voor hoe diep je in
die food chain, zeg ik hier maar even letterlijk, moet gaan om te kijken waar het
relevant is en waar niet. De entiteiten toetsen of er door de leveranciers wordt voldaan
aan de beveiligingseisen. Dat kan met een certificering van de toeleveranciers of
clausules in de leveringsovereenkomsten die zij sluiten.
Hoe voorkomen we dat grote ketenpartners hun verantwoordelijkheden afwenden op kleine
ondernemers? Die verantwoordelijkheid kán niet worden afgewenteld door grote entiteiten;
die staan per definitie aan de lat in het kader van deze beveiligingswet. Zij moeten
zelf inzicht krijgen en uiteindelijk toetsen kunnen doen voor hun toeleveranciers,
maar er ligt dus ook een gedeelde verantwoordelijkheid om die te certificeren.
Voorzitter. Als het gaat om de bewaartermijnen, ben ik even in handen van uw Kamer.
Ik heb gezegd waarom er een onderscheid is tussen de CSIRT's en de toezichthouders,
maar ik weet niet of dat voldoende helder was. Ik kan er alleen aan toevoegen dat
elke toezichthouder wel per dossier kijkt of de termijn van 60 maanden noodzakelijk
is. Daar hebben ze al processen voor. In die zin sluiten deze wetten aan bij wat al
gebruikelijk is voor toezichthouders in een toezichthoudende rol in den brede.
De motie van mevrouw Rajkowski over het handelingskader voor slachtoffers van datalekken
had ik al genoemd. Die was van 10 maart. Daar wordt aan gewerkt.
Dat was het einde van mijn blokje.
De voorzitter:
Dit was het blokje overig. De heer Van den Berg heeft een vraag, en dan heeft mevrouw
Zwinkels een vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Nog even over het opslaan van de gegevens. Als ik het goed lees, zou het gaan om maximaal
120 maanden voor de toezichthouders. Voor overige wettelijke taken geldt een maximale
bewaartermijn van 60 maanden. Hoe kijkt de Minister dan naar die tien jaar? Is dat
niet veel te lang? Zou dat niet korter kunnen? Kan de Minister bevestigen dat die
tijd niet elke keer opnieuw gaat lopen? Volgens mij is het zo aangepast dat de juistheid
van de gegevens bevestigd moet worden. Ik vraag mij af wat nu het ijkpunt is dat bepaalt
wanneer de opslag van die gegevens verlengd wordt.
Minister Van Weel:
Die termijn van 120 maanden is echt gericht op die gevallen waarin er specifieke juridische
procedures lopen. Die kunnen echt rustig vijf jaar in beslag nemen. Ik ken deze zaken
ook nu binnen het ministerie. Er zijn gewoon zaken die zo'n lange looptijd hebben.
Als je dan aanloopt tegen de wettelijke bewaartermijn van je gegevens, dan komt zo'n
zaak in gevaar, terwijl je een zaak ook niet sneller kunt laten gaan dan die gaat.
Het betreft dus wel echt een maximumtermijn. Het is niet zo dat het streven is om
al die gegevens tien jaar te bewaren. Als je al die trajecten doorloopt van een zaak,
en dan het beroep en het hoger beroep, kun je uiteindelijk wel tegen die termijnen
aan lopen, maar dat is zeker niet de norm.
De heer Van den Berg (JA21):
Helder. Maar hoe werkt het dan in de praktijk? Hoe wordt per dossier beoordeeld of
een kortere bewaartermijn toch mogelijk is? Hoe wordt ervoor gezorgd dat het in de
praktijk niet alsnog zo uitpakt dat we die gegevens gewoon laten staan?
Minister Van Weel:
Daar hebben toezichthouders hun eigen procedures voor. Die zijn er overigens niet
naar aanleiding van deze wetten, maar dat geldt voor alles wat ze aan toezichthoudend
werk doen. De criteria op basis waarvan ze hun bestanden vegen, zijn dus een-op-een
van toepassing hierop. Daarom sluiten we ook aan bij de termijnen zoals ze die kennen,
ook voor hun reguliere toezichtwerk.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik ben blij met het antwoord rondom de cyberaanvallen die tot stand komen met AI.
Ik ben ook benieuwd of we daarover kunnen worden geïnformeerd als het gaat om de samenwerking
met andere Europese lidstaten te zijner tijd. Mijn vraag is eigenlijk tweeledig. Ik
heb nog twee gemiste vragen, want dit was het blokje overig en volgens mij het laatste
blokje.
De voorzitter:
Nee, niet het laatste blokje. Hierna komen we pas bij de wet.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
O, oké. Dan kan ik het heel kort aankondigen. Dan weet ik of de Minister er nog op
ingaat. Ik had nog een vraag over de gekwalificeerde vertrouwensdiensten en over de
uitvoeringscapaciteit bij ILT en NVWA. Als die aan bod komen, zijn mijn vragen verder
allemaal beantwoord vandaag.
Minister Van Weel:
Dat houden we in ieder geval in gedachten. Die tweede vraag heb ik beantwoord. Die
gaat over dat in de memorie van toelichting is meegenomen dat vakdepartement datgene
wat nodig is aan capaciteit bij de verschillende toezichthouders, waaronder de twee
die u noemt ... Die zitten ook in deze wet. De eerste vraag hoop ik nog tegen te komen,
want it doesn't ring a bell now.
De voorzitter:
Anders kijken we zo naar die twee blokjes.
Minister Van Weel:
Voorzitter, ik denk dat ik een heleboel uit die wetsblokken al gehad heb, maar ik
zal er met prudentie doorheen gaan.
De voorzitter:
Ik heb nog twee vragen voor u. De eerste gaat over de slachtoffers. Ik had het over
letterlijk een nazorgplicht opnemen in de wet. U wijst terecht naar de motie over
het handelingskader van mevrouw Rajkowski, want dat is niet voor niks een heel breed
ondersteunde motie. Zij vroeg of er in ieder geval een groter handelingskader zou
komen, zodat we in ieder geval iets kunnen, want we hebben gewoon gezien, zowel na
het lek bij het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker als nu bij Odido, dat mensen
echt in paniek zijn. Bij het baarmoederhalskankeronderzoek zijn nog steeds heel veel
vraagtekens. Mensen weten veel gewoon niet. Waar moeten ze heen als ze willen weten
wat er is gelekt? Waar moeten ze heen als ze iets willen vervangen? Hoe regelen ze
dat? Waar krijgen ze hulp? Het handelingskader van mevrouw Rajkowski is dus fantastisch,
alleen is de vraag: zouden we niet toch nog echt expliciet iets in de wet willen opnemen
hierover?
Minister Van Weel:
Ik heb een aantal specifieke punten genoemd die wel zien op zorg naar afnemers van
diensten, op entiteiten en op de verplichting die bedrijven op basis van de Cyberbeveiligingswet
hebben om daar wat mee te doen. Ik sta niet onsympathiek tegenover uw gedachten over
nazorg, maar ik zou het heel graag willen koppelen aan de verkenning die we doen naar
aanleiding van de motie-Rajkowski en dat daar ook in meenemen, zodat we ook een gedegen
grond hebben op basis waarvan we dan beleid gaan maken. Ik voel uw gedachten dus zeker.
De voorzitter:
Dank voor deze beantwoording. Ik heb toch nog een vraag. Ik vond namelijk dat de Minister
best kort door de bocht ging over de bewaartermijnen. Het is heel fijn dat er echt
goed wordt nagedacht. Soms kan je gewoon minder lang opslaan dan wettelijk noodzakelijk.
Maar we weten nu al hoe vaak het misgaat met: wettelijk noodzakelijk is het niet,
maar we doen het lekker toch. Hoe gaan we er echt goed op toezien dat gewist wordt
wat gewist kan worden? Hoe gaan we dat explicieter maken, zodat we daar als Kamer
gewoon beter zicht op hebben en dat echt gaat gebeuren? Daar gaan namelijk juist de
grote risico's van uit.
Minister Van Weel:
Dat ben ik met u eens. Ik denk alleen niet dat deze groep daarin de grootste risicogroep
is. Over het algemeen zijn toezichthouders redelijk prudent met betrekking tot de
omgang met gegevens. Ik denk dat dit in bredere zin een issue is. Dat heeft het Odidolek
ook wel op de kaart gezet. In hoeverre wordt er toegezien op het wissen van gegevens
op het moment dat het niet langer noodzakelijk is om die te bewaren? Dat geldt voor
overheidsinstanties en evengoed voor bedrijven en hun omgang met persoonsgegevens.
Ik vind dat dus een bredere vraag. Ik vind ook dat we die moeten oppakken, maar niet
binnen de scope van deze wet, want die termijnen zien echt op de toezichthouders en
daar heb ik eigenlijk de minste zorgen over.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het een-na-laatste blokje, de Cbw.
Minister Van Weel:
Nou, ik begin nog even met Caribisch Nederland en de toepassing. Sorry, voorzitter,
die heb ik er nog even tussen gefietst. Daarmee wil ik zeker niet zeggen dat we dit
niet van belang vinden, want natuurlijk willen we Caribisch Nederland op hetzelfde
niveau krijgen als de rest van Nederland. Maar we hebben wel te maken met de lokale
uitvoeringscapaciteit. Dat beïnvloedt het tijdpad dat we daar kunnen lopen. We moeten
dus gaan voor een verantwoorde stapsgewijze invoering. We gaan eerst bekijken welke
ondersteuning we daarbij kunnen bieden zonder dat we afbreuk doen aan de lokale verantwoordelijkheid
die er daarvoor ligt. Ik heb trouwens wel de ambitie om voor het Caribisch deel van
het Koninkrijk te komen tot een cybersecuritystelsel op hetzelfde niveau. Dat zit
ook in de Veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der Nederlanden. Daarom zit Caribisch
Nederland ook specifiek in het Cyberweerbaarheidsnetwerk. We hebben een eerste verkenning
gedaan naar de uitrol van het bouwplan. Daaruit blijkt dat er behoefte is aan verankering
van de digitale weerbaarheid en het cybersecuritystelsel in Caribisch Nederland. Vanwege
de digitale afhankelijkheden erkennen we de noodzaak om hierin gezamenlijk op te treden
met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, maar daarbij moeten we natuurlijk ook wel letten
op de autonome status van deze landen, want zij bepalen hun eigen landniveaus met
betrekking tot cybersecurity. Zij moeten dus ook het belang zien van het samenwerken
hierin, maar daar spannen we ons wel voor in.
Ik heb hier nog wat varianten op hetzelfde. Ik kan er nog een ding aan toevoegen,
namelijk dat het mogelijk is om de toepassing van de wet mee te nemen richting de
eerste evaluatietermijn. Die toezegging kan ik de heer Van den Berg wel doen, maar
ik heb wel gezegd dat de randvoorwaarden ter plekke gaan bepalen hoe snel we hierin
kunnen gaan. Dat gaan we in gezamenlijkheid doen. Dat was het blokje Cariben.
De voorzitter:
Dit was wel het einde van het blokje. Ik kijk even naar links om te zien of de Kamerleden
vragen hebben. Er is een vraag van mevrouw El Boujdaini.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dank voor de beantwoording, zeg ik via de voorzitter. Ik ben blij te horen dat in
ieder geval wel wordt gezien dat het belangrijk is dat ook daar het beschermings-
en weerbaarheidsniveau echt op orde zijn. Ik heb met mensen van daar gesproken. Er
is daar wel echt heel veel behoefte aan meer inzicht in wanneer we daar dan kan kunnen
komen en wat daar precies voor nodig is. We hebben inderdaad de Veiligheidsstrategie
van het Koninkrijk. Dat is een goede basis, maar die is nog niet echt toereikend genoeg.
Daarom wil ik de Minister toch vragen of er een routekaart zou kunnen komen om wat
meer perspectief te kunnen bieden op hoe we nou echt tot dat beschermings- en weerbaarheidsniveau
kunnen komen en wanneer we dat voor elkaar kunnen krijgen, samen met hen natuurlijk.
Minister Van Weel:
Ik ga die vraag doorgeleiden naar mijn collega, de Staatssecretaris van BZK, omdat
die naar de integraliteit van het Koninkrijkspakket kijkt. Ik vraag hem dit mee te
nemen.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het een-na-laatste blok.
Minister Van Weel:
Ik ga er zo snel als ik kan doorheen, voorzitter: de Cbw. Waarom heeft de implementatie
zo lang geduurd? Ik denk dat ik dat aan het begin van mijn inleiding eigenlijk al
gezegd heb. Wij hebben ervoor gekozen om ervoor te zorgen dat alles werkt voordat
we verklaren dat de wet van toepassing is, in plaats van de wet van toepassing verklaren
en dan maar kijken hoe we het gaan invullen. Dat kost tijd, maar komt de zorgvuldigheid
ten goede, en uiteindelijk ook de werkbaarheid, denk ik. Wat dat betreft ben ik blij
dat we er zijn.
Over evalueren hebben we het gehad.
Mevrouw Kathmann vroeg welke CSIRT's worden aangewezen voor de sectoren en welke nieuwe
er nog worden opgericht. Voor de meeste entiteiten wordt de Minister van Justitie
als CSIRT aangewezen. De bijbehorende taken worden namens mij uitgevoerd door het
NCSC. De andere Cyber Security Incident Response Teams zijn Z-CERT voor de zorgsector,
CERT Watermanagement – de naam zegt het eigenlijk al een beetje, maar dan in het Engels
– de Informatiebeveiligingsdienst voor gemeenten en SURFcert voor de onderwijssector.
Op dit moment hebben we geen zicht op nieuwe CSIRT's die worden opgericht.
Hoe kunnen de gegevens van die CSIRT's nou goed beveiligd worden? Welke technische
veiligheidsmaatregelen zijn er daarvoor? De NIS2-richtlijn stelt hele strenge eisen
aan CSIRT's. Een van die eisen is dat de ondersteunende informatiesystemen zich op
beveiligde locaties bevinden. Een andere eis is de betrouwbaarheid en de vertrouwelijkheid
van de activiteiten van het CSIRT. Die zijn bij ons vastgelegd in het Cyberbeveiligingsbesluit,
dus in de AMvB. In aanvulling daarop kunnen bij ministeriële regeling nadere functionele,
technische en organisatorische eisen worden geregeld. Verder ga ik in het openbaar
niet heel veel uitspraken doen over de techniek, om evidente redenen.
Dan de vraag van mevrouw El Boujdaini over tijdige informatiedeling met de burgemeesters
en de voorzitters van de veiligheidsregio's. Laat ik beginnen door te zeggen dat ik
ook voorzitter ben van het Veiligheidsberaad en van het Landelijk Overleg Veiligheid
en Politie. Ik ben dus zeer begaan met onze nationale veiligheid, de structuren die
we daarvoor hebben en de individuele verantwoordelijkheden. Maar ik worstel een beetje
met de manier waarop de informatiedeling op basis van deze wet zou moeten verlopen,
omdat het voor de CSIRT's die bezig zijn met de calamiteit at hand onmogelijk is om
te overzien welke fysieke gevolgen voor de openbare orde en veiligheid dat dan waar
zou hebben. Denk aan wat er is gebeurd met Odido. Odido heeft een hoofdkantoor, waarschijnlijk
ergens op de Zuidas in Amsterdam. Is het dan relevant voor de burgemeester van Amsterdam
om te worden ingelicht over een datalek bij Odido? Ik denk het niet direct. Ik denk
dat dit een landelijk kader vereist. Dat hebben we ook gezien; dat groeit dan automatisch.
Maar als je bijvoorbeeld een hack hebt bij een waterschap, dat impact heeft op een
bepaalde polder en gemeenschap, dan wil je natuurlijk dat de informatie wel daar terechtkomt.
Maar dan loopt de lijn eigenlijk vaker via de kritieke entiteiten dan via CSIRT en
de Cyberbeveiligingswet. Ik ben dus huiverig om die triagetaak, om het zo maar te
zeggen, neer te leggen bij de mensen die bezig zijn met het cyberincident, omdat ze
dan ook nog moeten afwegen of er een link is met de fysieke openbare orde of niet
en wat ze dan moeten doen. Eigenlijk heb ik tot nu toe altijd gezien dat als de gevolgen
groter worden – denk aan geen treinverkeer – de route van de fysieke openbare orde
en veiligheid zich wel redt, maar dan buiten deze wet om.
Dan de vraag van mevrouw Kathmann over Amerikaanse ICT-diensten. Ik heb het gehad
over de criteria die gelden, maar ik wil hier nu niet ingaan op specifieke landen,
casussen of wat dan ook. Ik denk dat de criteria voldoende aanknopingspunten bieden,
ook voor entiteiten, om na te kunnen denken. Ik wil me nu alleen even niet wagen aan
landen.
Mogen de OKTT-organisaties nog steeds relevante dreigingsinformatie ontvangen om te
delen met hun achterban? Het antwoord is ja. Zij zijn in de Cyberbeveiligingswet een
andere relevante partij en daarmee hebben ze die bevoegdheid nog steeds.
Gekwalificeerde vertrouwensdiensten – daar is ie! Namens de Staatssecretaris Digitale
Economie en Soevereiniteit kan ik vertellen dat geprobeerd wordt om het gebruik van
gekwalificeerde vertrouwensdiensten op te nemen in de «pas toe of leg uit»-lijst.
Dit is een set van verplichte open standaarden voor ICT-inkoop door de overheid. De
«pas toe of leg uit»-verplichting over het gebruik van open standaarden geldt voor
gemeenten, provincies, het Rijk, waterschappen en alle uitvoeringsorganisaties. Dat
betekent dat de standaarden die op de lijst staan in principe moeten worden gebruikt,
tenzij er serieuze redenen zijn dat ze niet kunnen worden gebruikt. Dat heeft tevens
een krachtig effect op en uitstraling naar de private sector. Het is echter niet zeker
of opname op de lijst gaat lukken. Daarom zal samen met de Staatssecretaris worden
onderzocht welke alternatieven daarvoor zijn. Zij verwacht uw Kamer hierover voor
het einde van het jaar te kunnen informeren. Ik zie dat er een vraag is, maar ik hoor
de voorzitter aangeven dat die aan het einde van het blokje moet. Ik leg het mapje
voor de zekerheid even apart!
Het basispakket cyberveiligheid, zoals geopperd door mevrouw Kathmann. Ook ik vind
dat cyberveiligheid ook voor individuele burgers, ongeacht de draagkracht, van belang
is. Je kunt immers tegenwoordig niet meer om het digitale leven heen, wat verder ook
je leefomstandigheden zijn. Tijdens het wetgevingsoverleg BZK heeft u hierover gesproken
met mijn collega's. Mijn collega van EZK heeft hierover opgemerkt: «Diverse marktpartijen
bieden veiligheidspakketten aan. Een deel van de genoemde producten wordt gratis aangeboden.»
Zij heeft aangegeven dat ze met de aanbieders van deze producten de inhoud en de toegankelijkheid
van het aanbod wil bezien en dat ze wil kijken hoe die eventueel verbeterd kunnen
worden. Wat haar betreft moet de overheid niet concurreren met de markt. Dat mag volgens
de Wet markt en overheid namelijk ook niet. Het is wel belangrijk dat dergelijke pakketten
door de markt worden aangeboden. U heeft tijdens dat debat inderdaad een motie aangehouden,
mevrouw Kathmann.
Mevrouw Kathmann vroeg ook wat ik ga doen om de rollen van de vakministers, de toezichthouders
en de sector zo goed mogelijk vast te leggen. Ik noemde de doorverwijsboom al. Die
geeft helderheid over waar je in het landschap hoort. Hij geeft in ieder geval een
overzicht van welke partijen erbij betrokken zijn. Onderling hebben we het al gehad
over de samenwerkingsprotocollen en afspraken van bijvoorbeeld de toezichthouders.
Die moeten meer helderheid geven voor individuen.
Dat is volgens mij de Cyberbeveiligingswet, voorzitter.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde van het blokje. Mevrouw Zwinkels had sowieso een vraag.
Daarna komt mevrouw El Boujdaini.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Mijn vraag gaat over de gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Ik begrijp van de Minister
dat hij ook namens de Staatssecretaris beantwoordt. Ik kan me dus voorstellen dat
het lastig is om er inhoudelijk verder op in te gaan. Ik ben blij met de toezegging
om er voor het einde van het jaar op terug te komen, maar ik zou natuurlijk ook graag
willen weten waarom het eventueel niet lukt om het op de lijst te krijgen waar de
Minister het over had. Dan zou ik daar vanuit de Kamer namelijk wellicht op kunnen
bijsturen. Nogmaals, ik snap dat de inhoudelijke beantwoording voor nu misschien tot
hier reikt, maar ik zou het kabinet via de Minister willen meegeven dat ik daar tijdig
over wil worden geïnformeerd. Zo kunnen we daar voor het einde van het jaar eventueel
nog iets aan doen.
Minister Van Weel:
Deze boodschap neem ik graag mee naar mijn collega van EZK.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik wil graag terugkomen op de beantwoording van de Minister van mijn vraag over de
informatiepositie van burgemeesters en de veiligheidsregio's. We zijn eigenlijk op
zoek naar een wettelijke grondslag om op te kunnen voortbouwen. De burgemeesters en
de veiligheidsregio's zijn verantwoordelijk voor crisisbeheersing en ordehandhaving.
We willen juist hen meer in hun kracht zetten. Ik heb ook voorbeelden uit de praktijk.
Afgelopen jaar was er hier in Den Haag een stroomstoring. Daardoor viel bijvoorbeeld
het ov stil en ontstond er verkeerschaos. De gemeente zelf was in de veronderstelling
dat het ging om een cyberincident, een cyberaanval, terwijl landelijk het NCC al een
analyse had gemaakt en had geconcludeerd dat het niet om een cyberaanval ging. Lokaal
waren ze daar nog niet van op de hoogte. Lokaal kan het de gemeentes dus juist enorm
versterken als ze dit soort informatie krijgen. Zo kunnen ze werken aan preventie
voor in de toekomst, maar ook sneller ingrijpen en sneller beslissen wat er nodig
is om de orde te handhaven en de crisis te beheersen. Ziet de Minister het ook zo,
als ik het op deze manier en met dit voorbeeld uitleg?
Minister Van Weel:
Ik vind het op zich een aansprekend voorbeeld, maar het hoort voor mij thuis in de
categorie dat dingen op een gegeven moment impact gaan en kunnen hebben op de openbare
orde en veiligheid. Ik zie dan al heel snel een taak voor mijzelf dan wel voor mijn
vakcollega's naar boven komen. Op het moment dat er een grote verstoring is in het
ov, staat de Staatssecretaris van IenW daarvoor aan de lat en pakt die dat samen met
het lokale en regionale bestuur op, zoals ik dat doe als het gaat om – ik noem maar
wat – de dreiging richting de Joodse gemeenschappen in heel Nederland. Als er dan
fysiek iets moet gebeuren, is dat uiteindelijk aan de burgemeesters en de veiligheidsdiensten.
Ik zie mezelf dan als de hoeder van die informatie.
Ik vind het lastig om wettelijk vast te leggen dat er een brengplicht is van specialistische
organisaties naar specifieke burgemeesters, waarvan erg moeilijk op voorhand is in
te schatten of er überhaupt een relatie met de openbare orde en veiligheid is of niet.
En als die er wel is, is die dan heel lokaal af te bakenen? Waar moet die dan neerslaan?
Dat vind ik buiten de scope. Ik zou daar dan weer mensen van mijn crisiscentrum op
moeten zetten die continu met die bril kunnen kijken naar alles wat er afgehandeld
wordt, terwijl ik het eigenlijk andersom zie: op een gegeven moment bereikt iets een
bepaalde schaal, waarna deze raderen in beweging komen. Ik zit dus even te denken
of we u nog kunnen helpen middels een motie die de geste hiervan draagt, namelijk
dat er zorg gedragen moet worden voor, indien relevant, informatie richting burgemeesters
als een significant cyberincident een lokaal gevolg zou kunnen hebben voor de openbare
orde. We kunnen dan iets vrijer laten wie dat moet doen en op welk moment, zodat het
ook niet heel diep in die wet zit. Dan zou ik er wel voor openstaan om daarover mee
te denken.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Fijn dat de Minister ervoor openstaat om mee te denken. De andere kant hiervan is
namelijk wel dat als we dit niet goed regelen, het weer aan de gemeenten zelf is om
afspraken te maken met de verschillende kritieke entiteiten. Het is best een grote
uitvoeringslast voor de gemeenten om per kritieke entiteit te kijken hoe je informatie
uitwisselt. Eigenlijk is er al een centraal informatiepunt, want het NCSC heeft een
monitoringsverantwoordelijkheid. Dat heeft de informatie sowieso al en hoeft die in
principe alleen door te geleiden. Ik denk dat ze lokaal inderdaad ook best wel goed
kunnen inschatten wanneer ze welke informatie kunnen gebruiken. Zoals ik eerder al
aangaf in mijn betoog, heb ik hier ook een amendement op ingediend. Ik denk dat we
later nog op de appreciatie daarvan komen. Laten we die afwachten. Anders sta ik er
zeker voor open om te kijken wat we wat dat betreft middels een motie kunnen doen,
maar het liefst heb ik natuurlijk het amendement.
De voorzitter:
Dank. Minister, wilt u nog ...
Minister Van Weel:
Ik had al zo'n vermoeden. Kijk, informatie is waardeloos zonder duiding. Als Minister
van nationale crises ben ik het meest beducht voor mensen die zomaar informatie neerleggen
op plekken zonder dat daar een handelingsperspectief of wat dan ook bij komt. Het
NCSC is naar mijn mening niet in staat om de informatie met die duiding en het handelingsperspectief
op de goede manier neer te leggen bij de burgemeester. Ik zie wel een taak voor mezelf
op het moment dat iets groter wordt, of voor de NCTV vanuit de crisisstructuur die
we hebben. Dus ik zie het probleem. Alleen, ik voorzie een andere weg naar de oplossing.
Ik neem u echt heel serieus wat dat betreft, maar ik wil voorkomen dat mijn lieve
mensen van het NCSC een rol gaan spelen in de lokale crisisbeheersing in plaats van
gewoon de digitale problemen op te lossen.
De voorzitter:
Mevrouw El Boujdaini, ik zie dat u nog een vraag heeft.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Nog één laatste, ja. Misschien is het niet helemaal een vraag. Het is inderdaad niet
de bedoeling van mijn fractie om heel veel uitvoeringslast neer te leggen bij het
NCSC. Juist omdat het NCSC sowieso al het centrale punt is voor informatieverzameling,
is het relatief ten opzichte van de gemeentes die anders zelf een-op-een afspraken
moeten maken met de kritieke entiteiten om bepaalde informatie binnen te halen. We
hebben geprobeerd om daarin een balans te vinden. Ik zou het heel fijn vinden als
we een weg kunnen vinden om dit voor iedereen werkbaar te maken en de lokale bestuurders
in hun kracht te zetten. Fijn dat de Minister mee wil denken.
De voorzitter:
Voordat we naar het laatste blok gaan, heb ik nog even een vraag en een mededeling.
Onze ondersteunde staf is weer zo flexibel geweest om te zeggen: tot 17.00 uur, daar
doen we ook wel aan mee. Dat kan gelukkig. Heel veel dank daarvoor, want 16.00 uur
gaan we niet halen. Ik weet dat deze Minister zich ook graag flexibel opstelt, maar
dan moet dat wel mogelijk zijn. Ik kijk dus even naar de Minister. Is er een mogelijkheid
om uit te lopen tot 17.00 uur?
Minister Van Weel:
Ik ben niet op reis en de Koning heeft mij ook niet ontboden, dus dan hoor ik nergens
anders te zijn dan hier.
De voorzitter:
Dat is fijn. Ik denk dat we 17.00 uur wel moeten halen. Dan gaan we nu naar het laatste
blokje.
Minister Van Weel:
Ik vind 16.00 uur ook nog steeds goed, hoor.
De voorzitter:
Dat zou een prestatie zijn. Ik ga voor 16.00 uur, maar mocht dat niet lukken, dan
hebben we tot 17.00 uur.
Minister Van Weel:
Ik denk dat we een heleboel al gehad hebben, ook rondom de Wwke, maar ik loop nog
even specifiek dingen langs, bijvoorbeeld de verhouding tot de Aanpak vitaal. Ik heb
in het begin gezegd hoe die twee zich tot elkaar verhouden, namelijk dat het voor
de bedrijven en entiteiten die de Wwke ingaan, naadloos aansluit, maar dat ze nu een
wettelijke verplichting hebben. Voor de rest van de entiteiten loopt de Aanpak vitaal
gewoon door.
Hoe voorkomen we overlap en versnippering binnen de Wwke en hoe hebben we een duidelijk
samenhangend stelsel? Dat was een vraag van mevrouw Zwinkels. Als coördinerend bewindspersoon
voel ik me verantwoordelijk voor de bescherming van de vitale infrastructuur. Ik zal
dus kijken naar de samenhang tussen verschillende sectoren. De vakministers zijn de
bevoegde autoriteit en moeten in principe zelf vanuit hun beleidsverantwoordelijkheid
de sectoren bedienen, want zij hebben de kennis en expertise van de sector die ik
niet in alle gevallen heb. Ik denk dat het samenspel tussen die twee, dus wel een
nationale samenhang en toch een sectorspecifieke aanpak, het beste model is. Dat sluit
ook meteen aan op de vraag van mevrouw Zwinkels hoe je voorkomt dat ze op eilandjes
gaan werken. Deels vind ik eilandjes prettig, want daar kan men de diepte in qua kennis
en expertise, maar er moeten ook bruggen geslagen worden tussen de eilandjes. Daarvoor
ben ik dan weer en namens mij de NCTV.
Hoe verhouden de nationale risicobeoordeling en de risicobeoordeling door kritieke
entiteiten zich tot elkaar? De nationale risicobeoordeling voor de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten wordt per sector uitgevoerd door de vakminister en gaat in op
de risico's van een bepaalde sector. De risicobeoordeling van de kritieke entiteit
zelf volgt daarna en die gaat weer in op de risico's die specifiek zijn voor die organisatie.
Het gaat dus een categorie specifieker naarmate je dichterbij komt. De Minister van
IenW maakt bijvoorbeeld een risicobeoordeling voor de sector luchtvaart in zijn geheel
en daarbinnen maken de kritieke entiteiten dan weer een eigen risicobeoordeling die
ze kunnen gebruiken voor de specifieke risico's voor hun entiteit en organisatie.
Die bouwt voort op wat de Minister sectoraal heeft neergelegd.
Hoe voorkom je dat die beoordelingen los van elkaar plaatsvinden? Dat zit ’m in de
volgordelijkheid. Eerst heb je de sectorale risicobeoordeling en de specifieke risicobeoordelingen
van de entiteiten zelf sluiten daarop aan. Daarbij moeten ze natuurlijk wel samenwerken,
want anders mis je in de sectorale beoordeling weer elementen die uiteindelijk toch
een rol gaan spelen bij de lokale beoordeling.
Hoe verhoudt de uitvoeringsstrategie voor de Wwke zich tot de nationale strategie,
die ook nog moet worden opgesteld? Ook dat is een vraag van mevrouw Zwinkels. De uitvoeringsstrategie
zal ik vaststellen samen met de vakministers en die bevat strategische doelstellingen
en prioriteiten om de gehele weerbaarheid te vergroten. Dat is dus eigenlijk de stip
op de horizon voor het geheel. Daaronder hangen de sectorale risicobeoordelingen en
daaronder dan weer de organisatiespecifieke. Het is dus een boom die zich vertakt
onder hetzelfde bladerdak.
Mevrouw Kathmann vroeg hoe alle entiteiten zich naar mijn verwachting met zo'n vitaalbeoordeling
identificeren. Zien we ook het risico dat er organisaties zijn die de vitaalbeoordeling
niet doen en er daarom niet van op de hoogte zijn dat ze onder deze wet vallen? Dat
hoeft niet in het geval van de Wwke, want ze worden gewoon aangewezen. Een kritieke
entiteit hoeft dus niet zelf te bepalen of die kritiek is en of die onder de wet valt.
Het is juist aan de vakministers om kritieke entiteiten aan te wijzen op basis van
de risicobeoordeling en de afweging van de criteria. Een aangewezen entiteit – dat
is anders dan bij de Cyberbeveiligingswet – wordt altijd direct geïnformeerd door
de vakminister en ook vooraf geïnformeerd over de mogelijke aanwijzing.
Hoe snel hebben we alle entiteiten in kaart? Gaan we ze allemaal zo ver krijgen om
die beoordeling in te vullen? Zoals ik zei, kunnen ze dat niet zelf doen. De eerste
aanwijzingen door vakministers zullen binnen een maand na de inwerkingtreding plaatsvinden.
Er kunnen altijd weer ontwikkelingen zijn, technologisch, geopolitiek of anderszins,
waardoor je in een later stadium alsnog aanvullende entiteiten zou willen aanwijzen.
Die ruimte biedt de wet ook. Ik hoef ze dus ook niet aan te schrijven. Alle kritieke
entiteiten krijgen bericht van de bevoegde vakminister. In die zin weten ze vanaf
dat moment waar ze aan toe zijn. Daar worden ze vooraf over geïnformeerd.
Hoe ondersteunen we de kritieke entiteiten bij het versterken van hun weerbaarheid?
Gebeurt dat bijvoorbeeld via richtsnoeren? Dat was een vraag van mevrouw Zwinkels.
Dat loopt via de vakministers. Zij geven advies en zorgen voor de uitwisseling van
informatie, maar verlenen ook bijstand. De NCTV ondersteunt weer de vakdepartementen
en wij nemen de sectoroverstijgende acties en initiatieven op, zoals de afhankelijkhedenanalyses
tussen sectoren. Voor het digitale terrein hebben we natuurlijk het NCSC. Daar hebben
we het al eerder over gehad. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten helpen met relevante
dreigingsinformatie binnen de kaders die zij daarvoor hebben.
Hoe komen we aan de schatting van die 500? Dat aantal is met name gebaseerd op het
huidige aantal vitale aanbieders en op de nieuwe sectoren waarin nu nog geen vitale
aanbieders zijn aangemerkt, bijvoorbeeld de sector gezondheidszorg en de sector productie,
verwerking en distributie van levensmiddelen. Zoals ik zei, is dit uiteindelijk aan
de vakministers, maar op basis daarvan zijn wij tot de 500 gekomen.
Hoe borgen we dat de kennis- en informatiedeling tussen vakministers en kritieke entiteiten
op orde is? Ook dat was een vraag van mevrouw Zwinkels. Tijdig informeren bij dreigingen
is absoluut van belang. De basis hiervoor is de structurele en intensieve informatie-uitwisseling.
Daarom werken we, een, aan een informatie- en waarschuwingssysteem, om informatiedeling
te faciliteren, en, twee, aan een veilig platform en aan regulier contact tussen de
kritieke entiteiten, de vakdepartementen en de veiligheidsdiensten. Ten derde kijken
we naar afspraken rondom sectortafels, waar we ook de inlichtingendiensten kunnen
laten aanschuiven, bijvoorbeeld om een algemeen dreigingsbeeld te geven: wat kunt
u nou verwachten van statelijke actoren of criminele samenwerkingsverbanden?
Hebben we inmiddels met de Europese Commissie gesproken over het borgen van de informatie-uitwisseling,
de vertrouwelijkheid en de betrouwbaarheid? Dat zijn natuurlijk ontzettend belangrijke
randvoorwaarden voor het uitwisselen van informatie. Het Nationaal Crisiscentrum is
voor mij het nationaal aanspreekpunt voor grensoverschrijdende incidenten. Daarnaast
zit de NCTV in de Europese expertgroep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten,
de Critical Entities Resilience Group. In dit gremium brengt de NCTV dit vraagstuk
regelmatig onder de aandacht van de Europese Commissie.
Hoe zorgen we ervoor dat de verplichtingen onder deze wet proportioneel zijn, ook
voor kleinere ondernemers en entiteiten? De proportionaliteit is hierbij een van de
uitgangspunten en is daarom risicogebaseerd, net als bij de Cyberbeveiligingswet.
Iedere organisatie moet dus maatregelen nemen die passend zijn bij die organisatie,
die in verhouding zijn en evenredig zijn. Dat maakt dus wel dat het maatwerk is, ook
tussen de verschillende sectoren. Gezondheidszorg is namelijk echt iets anders dan
de productie van levensmiddelen of bedrijven die iets meer richting de vitale dienstverlening
en de hightech zitten. Ik ben al een paar jaar bezig met weerbaarheid. Als je spreekt
met bedrijven in sectoren, dan blijkt juist heel vaak dat zij heel goed weten tegen
welke risico's zij zich moeten wapenen. De overheid hoeft daar vaak niet heel veel
aan toe te voegen.
In antwoord op de heer Vermeer kan ik hier nog zeggen dat ik uiteraard niet verantwoordelijk
ben voor de voedselketen, maar die is natuurlijk wel van cruciaal belang voor Nederland.
Voedselzekerheid is een opgave waar we elke dag aan werken. De Wwke draagt daar naar
mijn mening aan bij door ook deze vitale sector onder die wet te laten vallen.
Op de evaluatietermijn ben ik al ingegaan.
Krijgen wij een boete voor het niet tijdig implementeren van de CER-richtlijn? Ik
hoop het niet, zeg ik daar maar op voorhand bij, maar de Europese Commissie is wel
een inbreukprocedure tegen Nederland gestart. We zitten nu echt nog in de eerste administratieve
fase. Daarna zou de Commissie kunnen besluiten om bij het Europese Hof van Justitie
een zaak aanhangig te maken. Dat zou kunnen leiden tot een boete, maar inmiddels zijn
we zo ver in het wetgevingstraject – zoals ik al zei, kunnen wij ook goed onderbouwen
waarom wij zijn begonnen met het leggen van een goed fundament onder deze wet voordat
we die behandeld hebben – dat ik ervan uitga dat dat goed gaat. We zijn echt niet
het enige land dat achterloopt of de richtlijn nog niet volledig heeft geïmplementeerd.
Onder andere Frankrijk en Spanje zijn daar ook nog mee bezig.
Voorzitter. Ik denk dat ik in mijn eerste termijn dan alleen nog de amendementen heb.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de Kamerleden aan de linkerkant om te zien of dat klopt. Ik
zie dat er geknikt wordt, behalve natuurlijk door de heer Van den Berg. Ik had ook
niet anders verwacht. Meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik durf bijna niet meer, voorzitter, maar het zijn maar korte vragen. Het Cyberbeveiligingsbesluit
staat nu nog als concept in de interne stukken op Parlis. Wat voor status heeft dat
document nu? Is het nog hetzelfde als het concept dat toen naar de Kamer is gestuurd,
zijn er nog wijzigingen in aangebracht of komen er nog wijzigingen? Daar ben ik wel
benieuwd naar.
Laat ik mijn vragen maar gelijk clusteren. Ik heb nog een openstaande vraag over in
hoeverre kwantumencryptie wordt meegenomen, zowel bij kritieke entiteiten als in de
Cyberbeveiligingswet.
Dan de laatste. Ik las dat de kosten voor de overheid structureel oplopen tot zo'n
83 miljoen euro vanaf 2028. Ziet de Minister nog mogelijkheden om daar meer efficiëntie
in aan te brengen?
Minister Van Weel:
In reactie op uw eerste vraag: ja, die versie is nog actueel. Het document ligt nu
bij de Raad van State voor advies. Dat is de laatste versie.
Wat betreft kwantumencryptie: deze wetten zijn juist technologieonafhankelijk, om
ruimte te houden voor technologische ontwikkelingen, zodat we niet een wet hebben
waarin kwantum niet wordt genoemd, maar AI wel, en we over drie jaar weer een nieuwe
wet moeten maken. De wet dekt dat volledig, maar uiteindelijk zul je het in de uitvoering
daarover moeten hebben. 83 miljoen euro vind ik een koopje, moet ik zeggen, voor een
zeer omvangrijke wet, zeker als u hoort hoeveel verschillende actoren erbij betrokken
zijn, van toezichthouders tot instanties zoals het NCSC. We gaan naar een enorme toename
van entiteiten, dus ik voorzie weinig mogelijkheden, maar er is in ieder geval dekking
voor het genoemde bedrag.
De voorzitter:
Dan kijk ik nog een keer naar de Kamerleden aan de linkerkant. Alle vragen zijn beantwoord.
Dan brengt ons dan bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. O nee, eerst nog
de amendementen. Excuses. Ik kijk toch weer naar de Minister.
Minister Van Weel:
De ingediende amendementen, zeg ik daarbij. Ik heb er drie bij de Cyberbeveiligingswet:
twee van mevrouw Kathmann en een van mevrouw El Boujdaini. Bij de Wwke heb ik er ook
drie: twee van mevrouw Kathmann en een van mevrouw Faber.
Ik begin met het amendement op stuk nr. 12 (36 764) van mevrouw Kathmann. Die gaat over het overhevelen van de verplichting naar de wet.
Ik geef u twee varianten. Het vierde lid van het amendement, zoals dat er nu staat,
voorziet in de inspanningsverplichting voor de vakminister; dat vind ik moeilijk.
Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid volledig naar de overheid. Ik noemde het
net al even in mijn eerste termijn: ik wil investeringen niet compleet derisken. Ik
vind dat leveranciers en entiteiten op dat gebied ook een eigen verantwoordelijkheid
hebben te nemen. We hebben natuurlijk al de nadeelcompensatie en de Algemene wet bestuursrecht,
die, denk ik, ook in dit geval heel goed toepasbaar zijn. Met het vierde lid moet
ik het amendement dus ontraden, maar zonder het vierde lid geef ik het oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dan pas ik het amendement aan. Ik maak er dan gewoon twee amendementen van: één zonder
lid vier en één met alleen lid vier. Ik pas het dus aan zoals u zegt. Excuses voor
de verwarring.
Minister Van Weel:
Het amendement met alleen het vierde lid geef ik bij dezen het oordeel ontraden, om
de reden die ik net heb genoemd. Dat hoeft u dus niet opnieuw in te dienen.
Dan het amendement op stuk nr. 13 (36 764) over de voorhangprocedure voor de uitwerking van de zorgplicht. Ik heb hier eerder
al iets over gezegd. Zeker omdat hier toekomstige wijzigingen mee bedoeld worden,
geef ik dit amendement oordeel Kamer.
Dan het amendement op stuk nr. 14 (36 764) van mevrouw El Boujdaini. Met referte aan de discussie we net hebben gehad, ontraad
ik dit amendement. Ik ben gaarne bereid om mee te denken over een motie die materieel
regelt wat u wilt, maar niet via de wettelijke plicht op basis van de Cyberbeveiligingswet
zelf.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Als het amendement wordt aangepast, is er dan wel de mogelijkheid dat het oordeel
Kamer krijgt? Het gaat mij er namelijk heel erg om dat er een wettelijke grondslag
komt, zodat – ik herhaal mezelf misschien ook wel – het lokale bestuur informatie
kan krijgen, niet alleen over verschillende incidenten, maar bijvoorbeeld ook over
wat überhaupt de kritieke entiteiten zijn. Over die informatie beschikken zij namelijk
niet. Er staat ook niet in de wet dat zij die informatie kunnen krijgen van het NCSC.
Op de vragen vanuit de Kamer heeft het kabinet namelijk geantwoord dat er inderdaad
geen wettelijke grondslag voor is dat het NCSC dit soort informatie mag delen. Ik
stel dus toch de vraag of er nog een mogelijkheid is om het amendement hier en daar
wat aan te passen, zodat het dan misschien toch wel oordeel Kamer krijgt.
Minister Van Weel:
Ik ben bang van niet. Dat zit ’m in het fundamentele aspect dat deze wet ziet op hoe
wij omgaan met cyberbeveiligingsincidenten in Nederland. Dat heeft in een heleboel
gevallen helemaal niets te maken met de fysieke openbare orde. Het feit dat er zich
dus een essentiële entiteit bevindt in Amsterdam – dat zijn er wel honderd in de vorm
van IT-bedrijven rondom Amsterdam – heeft niks te maken met de openbare orde en veiligheid
in Amsterdam. Er is in dit opzicht dus geen enkele relatie met de taak van de burgemeester.
Het hoofdkantoor van Odido is geen bedreiging. Nou ja, dat kan het worden. Dan vraag
je aan mensen van het NCSC, van het CSIRT, om elke keer de afweging te maken of dit
nu een incident is bij een kritieke entiteit die ten eerste überhaupt iets te maken
heeft met openbare orde en veiligheid. Dat kost mij al capaciteit, want die capaciteit
zit daar niet. Dat is niet hun werk. Ten tweede vraag je die dan om de afweging te
maken om een lijntje te leggen met het lokale bestuur. Maar ik heb die lijntjes veel
liever via de reguliere lijnen die ik heb voor openbare orde en veiligheid. Daar komt
de NCSC-informatie vaak wel binnen. Mij bereikt het namelijk wel op het moment dat
zoiets speelt. Daarvoor heb ik dan weer geen wettelijke grondslag in de Cyberbeveiligingswet
nodig. Dat kunnen we dan gewoon doen via de nationale crisisstructuur. Dat voelt voor
mij fijner, want dan word ik gebeld door een burgemeester en weet ik ook waarover
het gaat. Als het NCSC daarin zelf een afweging maakt, al dan niet op basis van de
juiste gronden, wordt het rommelig, vandaar dat ik dus weinig mogelijkheden zie in
dit amendement, maar heel veel in een motie die de facto zorgt voor wat u wilt, namelijk
dat ik op het moment dat er iets is wat effect heeft op de openbare orde bij mijn
gemeente, daarover word geïnformeerd.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan overweeg ik het amendement in te trekken en zal ik kijken naar een motie voor
straks, in de tweede termijn.
Minister Van Weel:
Dan de drie amendementen bij de Wwke.
Het amendement op stuk nr. 9 (36 765) van mevrouw Faber, over het vervallen van de grondslag om extra organisaties aan
te wijzen, ontraad ik met het oog op de toekomst. Kwantum en crypto werden al even
genoemd. Stel je voor dat wij hier een nieuwe kritieke entiteit krijgen, die juist
ziet op dat vlak, dat cruciaal wordt voor onze nationale veiligheid in de toekomst.
Dan moeten we extra organisaties kunnen toevoegen. Dat hebben we nu dus specifiek
voor Nederland gedaan waar het gaat om het keren en het weren van water, juist vanwege
de specifieke situatie in Nederland. Ik denk dus dat er altijd aanleiding kan zijn
om toch extra organisaties onder de Wwke te gaan brengen. Daar voorziet deze grondslag
in. Ik wil daarbij opmerken dat ik het dus ook geen nationale kop vind, omdat we gebruikmaken
van een expliciete voorziening die door de wet wordt gegeven. Het is niet iets wat
we erbij verzinnen.
Mevrouw Faber (PVV):
Wat de Minister nu noemt, is in feite gewoon een instrument dat al onder de sectoren
valt. Daar is dus in feite al in voorzien. Stel dat er nou een entiteit komt waarvan
u zegt: dat is iets nieuws. Dan zou u altijd bijvoorbeeld een spoedwet kunnen indienen.
De Kamer hier is daar dol op, dus volgens mij moet dat dan heel snel kunnen.
Minister Van Weel:
Nou, daar hebben wij wat andere ervaringen mee. Er gaat ook niks mis als we deze grondslag
behouden om in voorkomend geval heel makkelijk en snel over te kunnen gaan tot zo'n
aanwijzing. Ik denk dat we nu niks doen wat valt buiten de orde van deze wet, raar
is of leidt tot extra inspanningen. Ik behoud die dus graag, vandaar dat ik het ontraad.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik kan er wel op reageren. Kijk, ik zie dat anders. Het is toch wel prettig om als
parlement de controle te houden over de entiteiten die toegevoegd moeten worden. Als
echt de nood aan de man is, weet ik wel dat, zoals we ook hebben gezien met bijvoorbeeld
de coronamaatregelen, men heel snel kan acteren als dat moet.
Minister Van Weel:
Wij hangen alles voor. Dat hebben we net ook afgesproken. In die zin komt het sowieso
in enige vorm langs uw Kamer, ook als het niet per wet is.
Dan het amendement op stuk nr. 10 (36 765) van mevrouw Kathmann. Dat is mutatis mutandis hetzelfde.
De voorzitter:
Dus hier haal ik de inspanningsverplichting eruit en dan krijgt het oordeel Kamer.
Er komt dan een apart amendement waar de inspanningsverplichting in staat en dat amendement
wordt dan ontraden.
Minister Van Weel:
Ik had het niet beter kunnen verwoorden, voorzitter.
Dan het amendement van mevrouw Kathmann op stuk nr. 11 (36 765) over de voorhangprocedure. Daar geldt hetzelfde voor als voor het andere. Omdat het
ziet op toekomstige wijzigingen geef ik dat oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat brengt ons wel bij de tweede termijn van de Kamer. Dan kijk ik gelijk naar de
heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik weet niet hoe de rest erin staat, maar is er wellicht ruimte voor een hele korte
sanitaire stop?
De voorzitter:
Nou, ik denk dat het handig is ...
De heer Van den Berg (JA21):
In reactie op wat mevrouw Faber buiten de microfoon zegt: die inschatting laat ik
voor haar!
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, ik denk dat het handig is om nu heel snel de tweede termijn te
doen en dan hebben we sowieso even een kleine schorsing.
De heer Van den Berg (JA21):
Kunnen we anders de sprekersvolgorde even omwisselen?
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Faber. Uw tweede termijn? Nee, u maakt daar geen gebruik van. Dan mevrouw
Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister. Wij zijn blij met de toezeggingen met betrekking
tot de evaluatietermijn, dat er nu dus gekeken gaat worden naar twee jaar. Dank voor
de beantwoording.
De voorzitter:
Mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank, voorzitter. Ik wil nog een motie indienen in de tweede termijn. Die is alleen
nog onderweg, dus misschien kan ik straks aan de beurt komen?
De voorzitter:
Ja. Dan mevrouw El Boujdaini.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik wil graag twee moties indienen.
Ik begin bij de motie over het versterken van de informatiepositie van burgemeesters
en veiligheidsregio's. Ik zal ’m even oplezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de burgemeester op grond van de Gemeentewet verantwoordelijk is
voor de handhaving van de openbare orde binnen de gemeente en dat de voorzitter van
de veiligheidsregio is belast met crisisbeheersing op regionaal niveau;
constaterende dat cyberincidenten bij organisaties in de gemeente, zoals ziekenhuizen,
energiebedrijven of vervoerders, directe gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde;
verzoekt de regering de informatiepositie van burgemeesters en voorzitters van de
veiligheidsregio's te versterken bij cyberincidenten met gevolgen voor de openbare
orde en hiervoor indien nodig een grondslag te creëren voor informatiedeling met burgemeesters
en voorzitters van de veiligheidsregio's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Boujdaini.
Zij krijgt nr. 15 (36 764).
De Cbw heeft dossiernummer 36 764. Betreft dit inderdaad de Cbw?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ja, dit gaat om de Cbw.
De voorzitter:
Dan noteren we bij deze motie dossiernummer 36 764.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Oké.
Dan een tweede motie, ook over de Cbw, dus 36 764. Deze motie gaat over een plan of een routekaart voor een cybersecuritystelsel voor
het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Caribisch deel van het Koninkrijk ook te maken heeft met cyberdreigingen
en digitale bescherming en weerbaarheid daar ook cruciaal is;
constaterende dat de Veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der Nederlanden een goed
begin is, maar nog niet toereikend genoeg;
verzoekt het kabinet aan een concreet plan of een routekaart te werken om te komen
tot een cybersecuritystelsel voor het Caribisch deel van het Koninkrijk dat zo veel
mogelijk aansluit bij het niveau van digitale bescherming en weerbaarheid in Europees
Nederland, en dit samen met het Caribisch deel te doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden El Boujdaini en Kathmann.
Zij krijgt nr. 16 (36 764).
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan wil ik de Minister nog graag bedanken voor de beantwoording en ook voor de suggestie
en het meedenken over de motie.
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen met het bedanken van de Minister voor de beantwoording
en de diverse toezeggingen. We hebben hier vandaag een goed debat gehad.
Ik heb tot slot één motie en die gaat over de ketensamenwerking tussen bedrijven.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat digitale weerbaarheid niet alleen afhangt van de beveiliging van
afzonderlijke organisaties, maar ook van de samenwerking en kennisdeling binnen ketens;
overwegende dat cyberdreigingen zich snel ontwikkelen en dat binnen ketens een gedeeld
belang bestaat om de digitale beveiliging op orde te hebben;
overwegende dat kleinere bedrijven baat kunnen hebben bij betere toegang tot dreigingsinformatie
en de geleerde lessen;
verzoekt de regering in kaart te brengen hoe de uitwisseling van dreigingsinformatie
en geleerde lessen binnen ketens kan worden versterkt, in het bijzonder zodat ook
kleinere bedrijven daarvan beter kunnen profiteren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Zwinkels.
Zij krijgt nr. 17 (36 764).
Dit is ook 36 764, hè? Dit gaat over de Cbw?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, dit gaat over de Cyberbeveiligingswet.
De voorzitter:
Ja, dat klopt. Ik kijk even of de heer Van Dijk behoefte heeft ... Nee, hij heeft
geen behoefte aan een tweede termijn.
Dan kijk ik naar de heer Van den Berg, want ik kan ook, hè. Zeg het maar.
De heer Van den Berg (JA21):
Nee, we zijn nu toch bezig, voorzitter. Allereerst dank aan de Minister voor alle
uitleg en de toelichting op alle gestelde vragen. Het waren er inderdaad behoorlijk
veel. Het is ook fijn om in dit debat een keer met Minister van Weel te sparren.
Het was al even te zien: dit zijn de moties en amendementen die nog niet zijn ingediend.
In ieder geval is wel helder waar de Minister heen wil en waar wel en niet draagvlak
voor is. Wij zullen onze amendementen en moties nog indienen, maar dan natuurlijk
wel rekening houdend met de discussie die we hier met elkaar hebben gevoerd. Een discussie
die overigens zeer constructief was. Laat ik het daar voor nu bij houden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan draag ik het voorzitterschap even over voor de tweede termijn van het lid Kathmann
van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Voorzitter: Van den Berg
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ook ik wil in de eerste plaats de Minister van harte danken voor de zorgvuldige beantwoording.
Het is inderdaad heel helder op welke lijn de Minister zit.
Ik heb nog wel een aantal moties. De eerste betreft dossiernummer 36 764.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Cyberbeveiligingswet een zorgplicht en een meldplicht introduceert
om cyberveiligheidsrisico's te voorkomen en beheersen;
overwegende dat een grootschalig datalek directe gevolgen heeft voor slachtoffers
wier persoonsgegevens worden buitgemaakt, zoals bij de Odidohack en het lek bij het
bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker;
overwegende dat er nog geen wettelijk kader bestaat voor hoe individuele slachtoffers
geholpen en geïnformeerd moeten worden in de nasleep van een grootschalig datalek;
verzoekt de regering om een wettelijke nazorgplicht te onderzoeken voor incidenten
waarin op grote schaal persoonsgegevens worden gelekt, met als doel om de rechten
van individuele slachtoffers en de plichten voor de getroffen instantie(s) in de wet
vast te leggen;
verzoekt de regering om dit onderzoek uiterlijk in Q3 van 2026 af te ronden en de
Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 18 (36 764).
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
een meldplicht introduceren waarvoor een meldloket wordt ingericht;
overwegende dat entiteiten baat hebben bij één centraal en overzichtelijk meldloket,
dat bruikbaar is voor alle soorten meldingen die volgen uit nationale en sectorale
wetgeving;
verzoekt de regering om één centraal meldloket in te richten waarbinnen alle relevante
soorten meldingen gedaan kunnen worden;
verzoekt de regering om de Kamer in Q4 van 2026 te informeren over de inrichting van
het centrale meldloket,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 19 (36 764).
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Deze motie wil ik mogelijk aanhouden of intrekken, want de Minister heeft hier een
uitgebreide toezegging over gedaan. Alleen wil ik wel weten of die toezegging echt
is bedoeld inclusief alle meldmogelijkheden die nu al gelden voor bijvoorbeeld ...
Ik weet niet precies hoe het heet; is het Ceveso-wetgeving of Seveso-wetgeving? Volgens
mij valt het onder IenW, de AVG en andere sectorale regels. Gaat het echt over één
loket dat alles bundelt, zodat straks op één plek alles samen kan komen? Als dat de
toezegging is – het was al een mooie toezegging – dan zou dat helemaal mooi zijn.
Het zou mooi zijn als daar ook een termijn aan verbonden kon worden, want dan kan
ik die motie gewoon intrekken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet heeft ingeschat dat tussen de 7.550 en 8.100 entiteiten
onder de Cyberbeveiligingswet zullen vallen, en 500 entiteiten onder de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten;
overwegende dat het kabinet vooralsnog uitgaat van het vrijwillig uitvoeren van een
nationale vitaalbeoordeling door deze entiteiten, waaruit blijkt of ze aan de wetgeving
moeten voldoen;
verzoekt de regering om organisaties die vermoedelijk aan de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten moeten voldoen, proactief op te roepen
om de vitaalbeoordeling uit te voeren en hierop toe te zien;
verzoekt de regering om dezelfde organisaties gelijktijdig te wijzen op relevante
informatie en deadlines voor organisaties die als entiteit worden aangemerkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 20 (36 764).
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er binnen vier tot vijf jaar na de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten een evaluatie wordt gedaan naar de effectiviteit
van de wetten;
overwegende dat dit een logisch moment is om te bezien of er aanvullende aanpassingen
wenselijk en mogelijk zijn, zoals het onderbrengen van zaken uit de lagere regelgeving
op het niveau van de wet, en het uitbreiden van de reikwijdte naar de Caribische delen
van het Koninkrijk;
verzoekt de regering om bij de evaluatie van de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten te bezien of, en zo ja, hoe, de wetten aangepast kunnen worden
zodat verplichtingen uit de lagere regelgeving zo veel mogelijk op het niveau van
de wet zijn geregeld en de reikwijdte van de wetten binnen een redelijke termijn wordt
uitgebreid naar heel het Koninkrijk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 21 (36 764).
Voorzitter: Kathmann
De voorzitter:
Dan heeft iedereen volgens mij zijn tweede termijn achter de rug. Ik kijk even naar
de Minister met de vraag hoeveel tijd er nodig is. O, de heer Van den Berg heeft toch
nog even iets toe te voegen aan zijn tweede termijn.
De heer Van den Berg (JA21):
Jazeker. Ik had van tevoren al even gecheckt of wij de moties eventueel later nog
kunnen indienen. Er was even een misverstand. Ik moet mijn mooie boekje dus gaan opofferen
en de moties eruit scheuren. U heeft er een voor me? Nee, daar komt natuurlijk nog
de steun uit. Ik ga het toch even zo doen. We zijn creatief.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat entiteiten in de praktijk tegelijk onder de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten kunnen vallen en daardoor met meerdere
bevoegde autoriteiten, audits, informatieverzoeken en bewijssets te maken kunnen krijgen;
overwegende dat effectieve weerbaarheid vraagt om zo min mogelijk dubbel werk en dat
toezichtlast niet onnodig mag afleiden van feitelijke beveiligings- en weerbaarheidsmaatregelen;
verzoekt de regering om voor entiteiten die onder beide wetten vallen uit te werken
dat één gecoördineerd dossier, één auditkalender, één zo veel mogelijk herbruikbare
bewijsset en één coördinerend aanspreekpunt het uitgangspunt zijn, en dat dubbele
informatieverzoeken alleen plaatsvinden indien dat aantoonbaar noodzakelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 22 (36 764).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan moet ik wel de achterkant nog even terug hebben, want daar staat ook nog een motie
op. Prachtig, dit.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor overheidsorganisaties de uitwerking van de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten kan samenlopen met de BIO (Baseline Informatiebeveiliging
Overheid) en ENSIA (Eenduidige Normatiek Single Information Audit);
overwegende dat dubbele verantwoordings-, audit- en bewijsstructuren capaciteit wegnemen
die juist nodig is voor feitelijke weerbaarheid;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van lagere regelgeving, handreikingen en
toezichtpraktijk onder de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
voor overheidsorganisaties expliciet te borgen dat verplichtingen, bewijslasten, auditlogica
en verantwoordingsinformatie zo veel mogelijk worden geharmoniseerd met BIO en ENSIA,
en de Kamer hierover vóór de inwerkingtreding te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 23 (36 764).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan heb ik de achterkant van die andere motie nog even nodig. Creativiteit, maar het
komt goed.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 34 van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten een ruime
vertrouwelijkheidsregeling bevat en dat bij of krachtens de Wwke leveranciersmaatregelen
kunnen worden getroffen die diep ingrijpen in bedrijfsvoering, eigendom en continuïteit;
overwegende dat de Kamer ook op deze onderdelen haar controlerende taak moet kunnen
uitoefenen zonder operationele belangen, kwetsbaarheden of veiligheidsbelangen te
schaden;
verzoekt de regering om de Kamer vanaf de inwerkingtreding van de Wwke halfjaarlijks
vertrouwelijk en geaggregeerd te informeren over de toepassing van artikel 34 Wwke
in zwaarwegende gevallen en over de toepassing van leveranciersmaatregelen, met in
elk geval informatie over aantallen, betrokken sectoren, de algemene aard van het
risico en de stand van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 12 (36 765).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan zijn we rond. Ik mis wel een beetje het scheureffect.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat entiteiten die onder zowel de Cyberbeveiligingswet als de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten vallen met meerdere bevoegde autoriteiten te maken kunnen krijgen
en dat in het dossier is gewezen op het risico van meervoudige beboeting voor hetzelfde
feitencomplex;
overwegende dat effectieve handhaving niet mag ontaarden in dubbel punitief optreden
voor dezelfde feiten en hetzelfde beschermde belang;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van samenwerkingsafspraken, handhavingsbeleid
en lagere regelgeving te borgen dat voor hetzelfde feitencomplex en hetzelfde beschermde
belang niet meer dan één punitieve sanctie wordt opgelegd onder de Cbw en de Wwke,
en de Kamer vóór de inwerkingtreding te informeren hoe dit is geborgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 24 (36 764).
De heer Van den Berg (JA21):
Dank. Alles komt weer tot een goed einde.
De voorzitter:
Dan kijk ik toch nog één keer naar de heer Van den Berg. Dit was ’m, hè?
De heer Van den Berg (JA21):
Jazeker.
De voorzitter:
Dan zijn we echt klaar met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk heel
even hoeveel tijd de Minister nodig heeft. We gaan drie minuten schorsen.
De vergadering wordt van 16.08 uur tot 16.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Achter de schermen is er weer keihard gewerkt om alles klaar te hebben. We wachten
niet op de motie op stuk nr. 12 (36 765) en de motie op stuk nr. 24 (36 764), maar die komen er wel nog aan. Zo kunnen we alvast beginnen met de appreciatie van
de moties. Het woord is aan de Minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Dank ook aan de leden voor de inbreng in tweede termijn. Ik ga in
sneltreinvaart door de moties heen.
De motie op stuk nr. 15 (36 764), van mevrouw El Boujdaini, gaat over lokale overheden. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 16 (36 764) gaat over de routekaart voor het Caribisch deel van het Koninkrijk. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 17 (36 764), van mevrouw Zwinkels, gaat over de ketensamenwerking. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 18 (36 764), van mevrouw Kathmann, gaat over de nazorgplicht. Oordeel Kamer, als ik de motie
zo mag opvatten dat we het gevraagde betrekken bij de uitwerking van de motie-Rajkowski
die op hetzelfde onderwerp ziet.
De voorzitter:
Zeker. Vindt u het prettig als ik dat als indiener aanpas in de tekst?
Minister Van Weel:
Dat helpt.
De voorzitter:
Dank; dan zal ik dat doen.
Minister Van Weel:
Dank.
Dan de motie op stuk nr. 19 (36 764). Ik was erg scheutig met het centraal meldpunt, maar zo scheutig als u mij hier wil
laten zijn, kan ik toch net niet zijn. De reikwijdte die u noemt, wordt te groot.
Die gaat over te veel verschillende sectoren heen. We riskeren daarmee een one-size-fits-all
waarbij je eerst een kwartier door een belmenu heen moet, omdat het aantal instanties
die erachter zitten te breed is. We proberen om er zo veel mogelijk onder te brengen
wat echt betrekking heeft op de Cyberbeveiligingswet en de Wwke; ik noemde al twee
richtlijnen die we er ook bij onderbrengen. We zullen continu kijken naar het centraliseren,
maar gezien de reikwijdte van dit dictum moet ik deze motie helaas ontraden.
De motie op stuk nr. 20 (36 764) kan ik oordeel Kamer geven als ik die zo mag interpreteren dat wij «proactief oproepen»
niet verstaan als individueel aanschrijven maar als ertoe oproepen via media, social
media, webinars et cetera. Voor de Wwke is het sowieso geen probleem, want die organisaties
krijgen allemaal al individueel een benadering door de vakminister. Met deze interpretatie:
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Zo kan die geïnterpreteerd worden, zeg ik via de voorzitter.
Minister Van Weel:
Dank.
De motie op stuk nr. 21 (36 764) gaat over de evaluatie en over bezien welke onderdelen naar wetgeving kunnen. Die
motie wil ik oordeel Kamer geven, maar ik wil daarbij wel zeggen dat het deel van
het dictum dat zegt «zo veel als mogelijk» niet mijn enige leidende criterium is.
Ik zou zeggen «waar nodig en opportuun». Met die tekst kan ik de motie oordeel Kamer
geven. Maar het is geen doel op zich om alles vast te leggen in hogere regelgeving,
omdat dat ons ook weer vast kan zetten voor toekomstige ontwikkelingen. Als ik de
motie zo mag interpreteren, kan deze oordeel Kamer krijgen.
De voorzitter:
Ja, dat kan, zeg ik ook weer via de voorzitter. Mevrouw Zwinkels?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Het is niet mijn eigen motie, maar ik ben altijd kritisch op ruime interpretaties
van moties. Ten aanzien van een punt zoals dit kan ik mij voorstellen dat het belangrijk
is dat we de motie in de boeken hebben staan zoals die ook bedoeld is. Ik ga er niet
voorliggen, maar vind het hier best wel wezenlijk dat ... Dit zou aangepast kunnen
worden, laat ik het zo zeggen.
De voorzitter:
Als voorzitter kan ik alleen maar zeggen: dat is genoteerd. Dan denk ik dat het aan
de indiener is om even aan te geven of de tekst zal worden aangepast.
Minister Van Weel:
Mijn advies voor de aanpassing zou zijn om in plaats van «zo veel mogelijk», «waar
nodig en opportuun» te schrijven.
De voorzitter:
Dan zegt de indiener dat het aangepast gaat worden.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter.
De motie op stuk nr. 22 (36 764) krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 23 (36 764): oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 12 (36 765): oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 24 (36 764): oordeel Kamer. En dat is niet omdat het 16.15 uur is.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar mijn linkerzijde. Volgens mij is iedereen tevreden. Ik dank
de Minister voor de beantwoording, de toezeggingen en de appreciatie van de moties
en amendementen. We hebben natuurlijk nog een aantal toezeggingen staan. Die zal ik
even met u doornemen.
– Een. De Minister van JenV zegt toe een schriftelijk overzicht met de Kamer te delen
over de punten in de Cyberbeveiligingswet die nog nader uitgewerkt dienen te worden,
inclusief, waar het kan, een vernoeming van termijnen waarop deze uitgewerkt zullen
worden.
Dan is nog wel even de vraag binnen welke termijn dat naar de Kamer kan.
Minister Van Weel:
Voor de inwerkingtreding. Ik hoop natuurlijk dat dat ergens voor de zomer zal zijn,
maar de inwerkingtreding is hier wat mij betreft leidend voor.
De voorzitter:
Dan komt daarbij «voor de inwerkingtreding van de wet».
– De tweede. De Minister van JenV zegt toe om de Cyberbeveiligingswet binnen twee jaar
na invoering van de wet te gaan evalueren, wel na de evaluatie van de betreffende
commissie, de regeldruk hierin mee te nemen en de relevante punten voortvloeiend uit
de periodieke evaluatie van de Cyberbeveiligingswet die implicaties hebben voor de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten mee te nemen in de verdere uitvoering van de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
– Drie. De Minister van JenV zegt toe om de samenwerkingsafspraken die zullen worden
gemaakt tussen toezichthouders bij het directeurenoverleg voor de invoering van de
Cyberbeveiligingswet met de Kamer te delen en in de Staatscourant te publiceren.
– Vier. De Minister van JenV zegt toe schriftelijk terug te komen op de door het lid
Faber genoemde casus inzake de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de afhankelijkheid
van het toezicht, bijvoorbeeld in het geval van de kerncentrale.
Wanneer komt dat richting de Kamer?
Minister Van Weel:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer komt dat naar de Kamer.
– Vijf. De Minister van JenV zegt toe de vraag over een nazorgplicht voor slachtoffers
van cyberaanvallen, gesteld door het lid Kathmann, mee te nemen in de verdere uitwerking
van de betreffende motie van het lid Rajkowski.
– Zes. De Minister van JenV zegt toe het door het lid Van den Berg gevraagde tijdspad
over de uitwerking van de Cyberbeveiligingswet richting Caribisch Nederland mee te
nemen in de eerste evaluatie van de wet en aan de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties
de vraag van het lid El Boujdaini, inzake een algemene routekaart voor het cyberbeschermings-
en weerbaarheidsniveau van Caribisch Nederland, door te geleiden.
– Zeven. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit en de Minister van
JenV zullen in samenwerking voor het eind van het jaar de Kamer informeren over de
vragen van het lid Zwinkels inzake gekwalificeerde vertrouwensdiensten en mogelijke
alternatieven in gehanteerde werkwijzen hierbij.
Dan knikt ook iedereen. Ik kijk toch nog even naar het lid Kathmann van GroenLinks-Partij
van de Arbeid voor de eenloketgedachte. Er was in ieder geval wel een toezegging om
één loket te doen, maar dan wel in de bewoording die de Minister daaraan heeft gegeven.
Minister Van Weel:
Ja.
De voorzitter:
Dan zijn we er. Mevrouw El Boujdaini heeft nog een vraag.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik zat even te denken. Mijn vragen over het Caribisch deel van Nederland zouden kunnen
worden ondervangen als mijn motie over die routekaart gewoon wordt aangenomen. Het
ligt er even aan. Als die motie wordt aangenomen, dan hoeft die vraag ook niet meer
door de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties te worden beantwoord.
Minister Van Weel:
Ik hoor een stemadvies.
De voorzitter:
Ja, dit was een soort campagne voor de motie. We hebben net een campagne achter de
rug! Mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik had nog één vraag over een toezegging die ik had gekregen ten aanzien van die samenwerkingsafspraken
tussen toezichthouders. Is daar nou wel of niet een termijn aan gekoppeld? Die hoorde
ik zojuist niet. Die termijn kan ook zijn «t.z.t., zodra dat gereed is en gepubliceerd
kan worden in de Staatscourant».
De voorzitter:
Daar staat expliciet bij: voor de invoering van de Cyberbeveiligingswet met de Kamer
te delen. Dat is dus voor de invoering van de wet.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Prima.
De voorzitter:
Volgens mij is dan echt iedereen tevreden. Dan dank ik de Minister en iedereen achter
de schermen voor de goede zorgen. Ik kijk even naar links, want ik vergeet iets. Wat
moet ik nog doen? Volgende week stemmen we over de moties en de week daarop stemmen
we over de amendementen en het wetsvoorstel. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 16.23 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, griffier -
Mede ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.