Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jumelet over de inzet van blauwe waterstof in de industrie
Vragen van het lid Jumelet (CDA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de inzet op blauwe waterstof in de industrie (ingezonden 24 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei), mede namens
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (ontvangen 26 mei 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1631.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als
betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft,
terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster
rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap
is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Antwoord 2
Koolstofarme waterstof speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie.
Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe toepassingen
en tussen verschillende vormen van koolstofarme waterstof. In de beantwoording van
de volgende vragen ga ik hier nader op in.
Vraag 3
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem
van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen
en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
Antwoord 3
In de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 20252 is de beleidsverkenning koolstofarme waterstof. In deze verkenning heeft het kabinet
aangegeven dat het beleid voor koolstofarme waterstof zich vooral richt op het verduurzamen
van bestaande grijze waterstofproductie, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming
van restgassen in de petrochemie. Daarbij merk ik op dat blauwe waterstof op systeemniveau
geen vervanger van aardgas is. Voor de productie ervan is door energieverliezen in
de keten juist meer aardgas vereist dan de hoeveelheid die wordt vervangen. Nieuwe
productie van blauwe waterstof uit aardgas vergroot daarmee de afhankelijkheid van
aardgas(import) in plaats van deze te verminderen.
Directe elektrificatie is de voorkeursroute voor de verduurzaming van de industrie.
Waterstof is met name een optie voor proceswarmte op hoge temperaturen of processen
die een vlam vereisen. Voor deze toepassingen ziet het kabinet een mogelijke rol weggelegd
voor koolstofarme waterstof. De beschikbaarheid van een alternatief zoals groen gas
zal mede bepalen of nieuwe koolstofarme waterstofprojecten noodzakelijk zijn om de
beoogde sectoren te verduurzamen. De in het voorjaar 2025 aangekondigde bijmengverplichting
voor CO2-vrije energiedragers (waterstof) in gascentrales en bijbehorende subsidie voor ombouw
van gascentrales is komen te vervallen. Hierdoor wordt op korte termijn geen grootschalige
vraag voorzien in regelbaar vermogen met inzet van (blauwe) waterstof.
Op dit moment werkt het kabinet aan de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem
(NPE), dat een gedetailleerd beeld geeft van de rol van waterstof in ons energiesysteem,
inclusief een reflectie op de rol van koolstofarme waterstof. Momenteel vindt een
uitgebreide consultatie met de sector plaats over de actualisatie van het NPE. Het
NPE bouwt hierbij voort op voornoemde beleidsverkenning koolstofarme waterstof.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof
in Nederland ten opzichte van omringende landen?
Antwoord 4
In het algemeen heeft Nederland een goede uitgangspositie voor blauwe waterstof indien
wordt gekeken naar bestaand aardgasinfrastructuur met inbegrip van LNG-faciliteiten
en de waterstof- en CO2-infrastructuur die in ontwikkeling is. De onzekerheden rondom marktontwikkeling,
kosten en vraag naar additioneel koolstofarme waterstof zijn groot. Bij blauwe waterstof
blijft Nederland grotendeels afhankelijk van import van fossiele grondstoffen in plaats
van deze af te bouwen. De vergelijking met omringende landen is niet eenvoudig te
maken. Dit is mede afhankelijk van de samenstelling en omvang van de energie-intensieve
industrie en de toekomstige industriële vraag naar waterstof in relatie tot andere
verduurzamingsroutes als elektrificatie, groen gas en CCS, en de beleidskeuze voor
de rol van waterstof in CO2-vrije elektriciteitsproductie.
Vraag 5
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede
in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Antwoord 5
Ik heb kennisgenomen van de verschillende initiatieven voor nieuwe blauwe waterstofproductie
en de besluiten die een aantal initiatiefnemers hebben genomen om hun projecten uit
te stellen of stop te zetten. Dit illustreert de onzekerheden die er zijn over de
vraag naar koolstofarme waterstof om te komen tot lange-termijnafnamecontracten. Dit
komt ook omdat vraag naar koolstofarme waterstof uit buurlanden achterblijft, terwijl
deze doorgaans een belangrijke potentiële afzetmarkt biedt voor nieuwe projecten die
koolstofarme waterstof willen produceren. Het kabinet maakt nu tempo met het verduurzamen
van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen, omdat hier het
grootste potentieel zit, ook richting de klimaatdoelen voor 2030.
Vraag 6
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe
waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
Antwoord 6
Zoals beschreven onder vragen 3 en 5, focust de beleidsinzet van het kabinet op het
gebied van koolstofarme waterstof zich op het verduurzamen van het bestaande gebruik
van grijze waterstof, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen
in de petrochemie. Voor projecten die op deze wijze koolstofarme waterstof willen
produceren, heeft het kabinet ook maatregelen genomen om ze van de grond te krijgen,
bijvoorbeeld via aanpassingen in de SDE++. In aanvulling hierop zet het kabinet in
op het op orde krijgen van de randvoorwaarden om de industrie in Nederland te verduurzamen.
Hierbij is de inzet van hernieuwbare en koolstofarme waterstof een middel en geen
doel.
Vraag 7
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering
voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Antwoord 7
Het kabinet is zich ervan bewust dat de industrie gebaat is bij duidelijkheid en lange-termijnzekerheid
om investeringsbeslissingen te kunnen nemen. Zo is het kabinet aan de slag met de
implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED-III) en het realiseren
van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Met de beleidsverkenning koolstofarme waterstof in de Kamerbrief
voortgang waterstofbeleid van 14 juli 2025 is invulling gegeven aan de beoogde beleidsinzet
op koolstofarme waterstof, zoals beschreven onder vragen 3 en 5.
Vraag 8
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling
van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan
snelle CO2-reductie?
Antwoord 8
In het beleid wordt ingezet op zowel de opschaling van hernieuwbare waterstof als
de verduurzaming van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen
door toepassing van CCS. Het kabinet ziet potentieel om via deze vormen van koolstofarme
waterstof op snelle wijze CO2-reductie in de industrie te realiseren en hiervoor worden via de SDE++ middelen voor
vrijgemaakt. Daarnaast zet het kabinet zich ook in op het realiseren van de benodigde
infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Vanwege verplichtingen in RED-III moet het kabinet ook fors
inzetten op het opschalen van hernieuwbare waterstof voor de industrie, wat tevens
ook de bandbreedte bepaalt voor de inzet van koolstofarme waterstof.
Vraag 9
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas
en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden
voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden
en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid
maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Antwoord 9
Zie de beantwoording op vragen 3, 5 en 6.
Vraag 10
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in
ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe
waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland
verlaten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
De voorlopige kaders en voorwaarden voor de verschillende routes voor de productie
en inzet van koolstofarme waterstof zijn geschetst in voornoemde Kamerbrief van 14 juli
2025 en in deze beantwoording nader toegelicht. Het kabinet zal in de actualisatie
van het NPE schetsen hoe koolstofarme waterstof past in de bredere systeemontwikkeling.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.