Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van den Berg en El Boujdaini over robotisering in de maakindustrie
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) en El Boujdaini (D66) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk» (ingezonden 15 april 2026).
Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 26 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1931.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse
Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse
maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Antwoord 2
Ik deel de constatering dat Nederland wat betreft robotisering van de industrie achterblijft
ten opzichte van de internationale koplopers zoals Zuid-Korea, China en Duitsland.
Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plek qua robotdichtheid, aldus het rapport.
Maar de mate van robotisering moet ook worden bezien in de context van de samenstelling
van de Nederlandse industrie die in vergelijking met andere landen bijvoorbeeld een
betrekkelijk kleine auto-industrie heeft terwijl in deze sector wereldwijd veel robots
geïnstalleerd zijn.2
Vraag 3
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de
Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Antwoord 3
Deze exacte cijfers worden niet jaarlijks bijgehouden door de regering of het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2023 heeft het CBS hier een enquête over uitgestuurd.
De CBS Internationaliseringsmonitor Digitalisering 2023 – III laat zien dat medium-
en medium-hoog technologische bedrijven (respectievelijk 38% en 35% van de bedrijven)
in Nederland vaker robots in het productieproces gebruiken dan laag- en hoogtechnologische
bedrijven (respectievelijk 25% en 20% van de bedrijven). De categorie medium- en medium-hoogtechnologische
sectoren omvat sectoren zoals de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektronische
industrie. Ook maken bedrijven met boven de 100 werkzame personen vaker gebruik van
robots dan bedrijven met minder dan 100 werkzame personen.3 Daarnaast laat een dataset van het CBS uit 2025 over ICT-gebruik bij kleine bedrijven
zien dat bedrijven met meer dan 250 werkzame personen vaker gebruik maken van robotondersteunde
procesautomatisering en servicerobots of autonome voertuigen (respectievelijk 25%
en 15% van de bedrijven) dan bedrijven met minder dan 250 werkzame personen (respectievelijk
2% en 1% van de bedrijven).4
Vraag 4
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens
u op dit moment het zwaarst?
Antwoord 4
Over het algemeen spelen verschillende macro-economische factoren zoals handelsbarrières,
loonkosten en conjunctuur een rol. Daarnaast zijn onder meer de vaardigheden van personeel,
digitale gereedheid en acceptatie van het bedrijf en de hoge investeringen met lange
terugverdienkosten belemmeringen voor adoptie van robotisering. Het is lastig om aan
te geven welke van deze factoren het zwaarste weegt. De mate waarin deze factoren
de adoptie van robotisering verhinderen kan namelijk per bedrijf verschillen. Een
bedrijf met een lagere liquiditeit zal bijvoorbeeld minder snel in robots investeren
dan een kapitaalkrachtiger bedrijf.
Vraag 5
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn
oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid
en concurrentiekracht?
Antwoord 5
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering.
Bijvoorbeeld door het Centraal Planbureau (CPB),5 het Joint Research Center (JRC) van de Europese Commissie,6 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),7 de Internationale Federatie van Robotica (IFR)8 en wetenschappelijke studies.9 In algemene zin laten deze studies zien dat robotisering in de korte termijn kan
bijdragen aan gematigde productiviteitsverhoging via een hogere benuttingsgraad van
productielocaties, een vermindering van fouten en snellere doorlooptijden. Effecten
op productiviteitsverhoging zijn vaak vertraagd zichtbaar door implementatiekosten,
organisatorische aanpassingen en leercurves van werknemers.
Op middellange termijn kan robotisering een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen
van de maakindustrie via een verbetering van de kwaliteit, schaalbaarheid en kostenefficiëntie
van productie.
Op de lange termijn kan robotisering ook een bijdrage leveren aan de leveringszekerheid.
Zo kunnen kostenvoordelen en hogere kwaliteit leiden tot reshoring van productie vanuit
het buitenland naar Nederland en maakt robotisering ons minder afhankelijk van schaars
technisch personeel. Voor leveringszekerheid is het van belang om naast robotadoptie
ook enige vorm van controle te hebben over relevante software, hardware, technische
(onderhouds-) skills en componenten. Een risico is namelijk dat Nederland met een
hogere mate van robotisering ook meer afhankelijk wordt van de benodigde besturingssystemen,
grondstoffen en onderdelen, zoals batterijen en chips.
Deze studies geven een vergelijkbaar beeld als het TNO-rapport Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk.
Vraag 6
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor
automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier
gebruik van wordt gemaakt?
Antwoord 6
Het kabinet heeft, samen met de EU en de provincies de Europese Digitale Innovatiehubs
(EDIH’s) verlengd tot en met 2028. De vijf EDIH’s hebben tot doel om de digitalisering
van het innovatieve- en innovatievolgend mkb in vooral de maakindustrie te versnellen.
Daarbij gaat het er om dat mkb-bedrijven daadwerkelijk de stap zetten naar toepassing
van digitalisering, inclusief automatisering en robotisering. Hiertoe krijgen ze ondersteuning
bij het in kaart brengen van hun digitaliseringsvraag, het berekenen van hun business-case
en testen van technologie vóór investering, het trainen van medewerkers en management
en het vinden van passende partners en financiering. Daarnaast co-financiert het kabinet
de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028.
Dit is een agenda van en voor de maakindustrie om de digitalisering van het mkb te
versnellen. Hiertoe worden mkb-ondernemers geactiveerd, bijvoorbeeld via bijeenkomsten,
en methodieken ontwikkeld. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal
uitgerold door de EDIH’s. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een standaard stappenplan
om de digitale fabriek te realiseren. Over het bereik van de EDIH’s in de eerste periode
(2023–2025) zijn voorlopige cijfers beschikbaar: Ruim 10.000 mkb-bedrijven hebben
gebruik gemaakt van de diensten van de EDIH’s. De definitieve cijfers voor alle EDIH’s
zijn in juli beschikbaar.
Vraag 7
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de
regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
Antwoord 7
Ja, er bestaan belangrijke fiscale prikkels die innovatie en investeringen van bedrijven
en ondernemers stimuleren, waaronder die in robotica, zoals bijvoorbeeld de WBSO10 en de Innovatiebox11. Daarnaast zijn er Fieldlabs zoals Robo-house die specifiek gericht zijn op robotisering.
Ten aanzien van regeldruk/administratieve lastenverlichting wordt er scherp gekeken
naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en onnodige regels te schrappen.
Ook voor de WBSO en de Innovatiebox wordt gekeken naar hoe de aanvraag makkelijker
kan. Of daarmee het investeringsproces echt versnelt is de vraag, omdat dit ook van
andere factoren afhangt.
Het kabinet zet daarnaast in op structurele vermindering van regeldruk voor ondernemers.
Zo is de ambitie om voor de zomer voor 500 regels de regeldruk te verminderen voor
ondernemers, waarbij uw Kamer in juli over de tussenstand wordt geïnformeerd. Hierna
is de kabinetsambitie om jaarlijks 500 regels voor burgers en ondernemers te schrappen
of vereenvoudigen.
In de Prinsjesdagbrief (september 2026) over de WBSO wordt u verder geïnformeerd over
de WBSO en de Innovatiebox, en in het bijzonder over administratieve lastenverlaging
voor deze regelingen.
Vraag 8
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures
momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
Antwoord 8
De energiekostenstijging heeft een beperkt effect voor sectoren die veel robots inzetten
zoals de auto en elektronische industrie. In algemene zin geldt dat een kostenstijging
ertoe kan leiden dat bedrijven bepaalde investeringsbeslissingen uitstellen.
De gevolgen van netcongestie worden breed gevoeld in de samenleving en de economie.
Bedrijven lopen aan tegen oplopende wachtrijen voor een nieuwe of zwaardere aansluiting.
Dat geldt ook voor bedrijven die een bestaande productiefaciliteit willen uitbreiden
of een nieuwe faciliteit willen bouwen waarin met behulp van robotica wordt geproduceerd.
Ten aanzien van vergunningsverlening behoeft de inzet van robots in het productieproces
over het algemeen geen aparte vergunning, zo lang deze aan de bestaande regels voor
o.a. machines en arbeidsveiligheid voldoet. Bij de bouw van een nieuwe productiefaciliteit
of een aanpassing van een fabriekshal moet een ondernemer soms wel een vergunning
aanvragen, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet.
Vraag 9
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van
niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software
en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Antwoord 9
Het kabinet houdt niet centraal bij in welke mate individuele Nederlandse maakbedrijven
afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren,
controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten.
Wel brengt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle
strategische afhankelijkheden (RSAs) in kaart op nationaal niveau. In de kabinetsaanpak
en voortgangsbrieven Strategische Afhankelijkheden en de Agenda Digitale Open Strategische
Autonomie (DOSA) geeft het kabinet aan dat op basis van deze (RSA) analyses handelingsopties
worden ontwikkeld om risico’s te mitigeren, zoals diversificatie van leveranciers,
versterking van Europese productiecapaciteit, versterking van publiek-private samenwerking
en strategische voorraden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan het mitigeren van risicovolle strategische
afhankelijkheden, onder meer via Europese risicobeoordelingen van kritieke technologieën.
Daarbij is ook aandacht voor risico’s van extraterritoriale wetgeving, en voor het
versterken van de Europese digitale en technologische weerbaarheid.
De specifieke uitkomsten van de RSA-analyses zijn vanwege gevoeligheden niet openbaar.
Vraag 10
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit
bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Antwoord 10
Er is geen specifieke kabinetsinzet ten aanzien van standaardisatie voor industriële
robotica. In bredere zin sluit de inzet van het kabinet rondom standaardisatie aan
op het Europese beleid, zoals de Europese Normalisatiestrategie.12 Zo zet het kabinet bij herziening van de Normalisatieverordening in 2026 in op het
sneller ontwikkelen van Europees geharmoniseerde standaarden. Daarnaast zet het kabinet
in op het vergroten van de Nederlandse en Europese invloed binnen internationale standaardisatieorganisaties
om zo invloedrijk te blijven op internationaal toneel.
Vraag 11
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Antwoord 11
Open source is een concept dat vooral een rol speelt bij de ontwikkeling en distributie
van software, inclusief robotica software. Het kabinet staat in beginsel positief
tegenover open source software omdat dit de mededinging, leveringszekerheid en innovatie
ten goede kan komen. Tegelijkertijd kan ook commerciële software, waarbij de broncode
van software proprietary is, een bijdrage leveren aan het borgen van deze publieke belangen, dus ook in de
ontwikkeling van robotica software. In de praktijk zal de toepassing van open source
componenten case-by-case bepaald moeten worden op zijn merites. De veiligheid en daarmee
de kosten van de ontwikkeling van (open source) software worden uiteindelijk bepaald
door de kwaliteit van de ontwikkelings- en onderhoudsprocessen.
Vraag 12
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder
mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig
in te richten en te beheren?
Antwoord 12
Het is in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun bedrijfsprocessen
cyberveilig te houden, als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid voor hun
eigen bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een rol voor de overheid in het ondersteunen
van bedrijven in cyberveiligheid en weerbaarheid. Nationaal Cybersecuritycentrum (NCSC)13 biedt één loket voor bedrijven met een breed scala aan bronnen om de digitale weerbaarheid
van alle bedrijven in Nederland te versterken. Op grond van de subsidieregeling «Mijn
Cyberweerbare Zaak» kunnen kleinere mkb-er tot 50 medewerkers subsidie krijgen voor
het nemen van cybersecuritymaatregelen. Daarnaast onderzoekt het kabinet een passend
vervolg op de subsidieregeling «Versterken Cyberweerbaarheid», die was gericht op
het creëren van samenwerkingsverbanden en het stimuleren van uitwisseling van kennis
en kunde over cyberweerbaarheid.
Daarbij moeten aanbieders van producten met digitale componenten (alle hardware, software
en componenten) die na 11 december 2027 op de markt komen in het kader van de Europese
Cyber Resilience Act aan essentiële cybersecurityvereisten gaan voldoen en actief
informatie over incidenten en kwetsbaarheden gaan delen. De uitvoeringswet van de
verordening die dit gaat regelen is aangeboden aan Staten-Generaal. Het aannemen van
deze wet maakt het onder andere mogelijk voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur
(RDI) om markttoezicht te houden op fabrikanten, importeurs en distributeurs van digitale
producten en voor het NCSC om een meldpunt in te richten voor incidenten en geëxploiteerde
kwetsbaarheden.
Vraag 13
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis
van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity
in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande
om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Antwoord 13
Nee. Het kabinet monitort het tekort aan technisch geschoold personeel via het Actieplan
Groene en Digitale Banen. Er is met name een kwantitatieve mismatch tussen het aanbod
van technisch geschoolden en de vraag op de arbeidsmarkt. Dat komt onder meer door
de vergrijzing, toenemende vraag naar technisch geschoold personeel en minder leerlingen
en studenten die kiezen voor een bèta- of techniekopleiding. In 2023 was 18,6% van
de studenten ingeschreven in bèta- of technische opleiding, aanzienlijk minder dan
het EU gemiddelde 26,9%.14
Het tekort aan talent, waaronder bètatechnici, is een belangrijke belemmering voor
het Nederlandse verdienvermogen. Dit constateert ook het rapport Wennink. Alleen meer
leerlingen en studenten opleiden voor technische beroepen is onvoldoende om het tekort
terug te dringen. Het kabinet werkt daarom aan een nationale talentstrategie. Binnen
deze strategie worden instrumenten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit,
gerichte migratie en fiscaliteit nadrukkelijker gericht op sectoren die cruciaal zijn
voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Uw kamer wordt voor de zomer geïnformeerd
over de Talentstrategie.
Vraag 14
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen
en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Antwoord 14
Robotisering in de civiele maakindustrie kan worden toegepast in de defensie- en dual-use
industrie door relevante best practices uit het civiele domein toe te passen voor
defensieproductie. Voorbeelden die al eerder publiekelijk zijn gedeeld, zijn o.a.
de productie van defensiematerieel door VDL en de samenstelling en productie van onderdelen
van militaire satellietcapaciteit door de bestaande toeleveringsketen van hoogwaardige
productiemethoden uit de semicon industrie in te zetten.
Vraag 15
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen,
waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda
noodzakelijk is?
Antwoord 15
Ik zie geen aanleiding voor een integrale reactie, te meer daar ik in onderhavige
antwoorden al ben ingegaan op diverse aspecten die in dit rapport aan bod komen. Wat
betreft een nationale robotiseringagenda wordt robotisering in ieder geval meegenomen
in de gerichte programma’s van het industriebeleid met focus, in het bijzonder in
de programma’s machinebouw en digitale diensten en AI. Daarnaast co-financiert het
kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot
en met 2028. Ik geef de voorkeur aan een gefocuste integrale aanpak boven een veelvoud
aan aparte agenda’s.
Vraag 16
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.