Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over de stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee (ingezonden 19 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-Van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
26 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1653.
Vraag 1
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar
is toegenomen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten
opzichte van het referentiejaar 1990?
Antwoord 2
Het klimaatdoel van 2030 wordt lastig, maar we houden de ambitie vast. In 2026 komt
de Europese Commissie met voorstellen voor het 2040-maatregelenpakket. Nederland spant
zich in voor een ambitieus Europees pakket ten behoeve van een gelijk speelveld. We
sluiten na het vaststellen van de Europese maatregelen zoveel mogelijk aan bij deze
aanpak. In het voorjaar van 2027 nemen we indien nodig aanvullende nationaal geborgde
maatregelen om het doel van 2040 te halen en hebben daarbij oog voor betaalbaarheid
en handelingsperspectief. De huidige geopolitieke situatie in de wereld onderstreept
nogmaals het belang van verdere verduurzaming. Met verduurzaming vergroten we onze
onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen en versterken we onze weerbaarheid tegen
toevoerproblemen en prijsschokken door ontwikkelingen elders in de wereld. Bovendien
lopen de kosten door de gevolgen van klimaatverandering ook in Europa op, terwijl
er juist kansen liggen in een groene economie. Verduurzaming is daarom niet alleen
goed voor onze onafhankelijkheid en een schonere leefomgeving, maar ook voor onze
economische stabiliteit.
Vraag 3
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Antwoord 3
Het kabinet blijft met volle kracht werken om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet
wil daarbij zoveel mogelijk aansluiten bij de Europese aanpak om het Europese 2040-klimaatdoel
te behalen. De Europese Commissie komt dit najaar met voorstellen voor het behalen
van dit klimaatdoel. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet indien nodig aanvullende
nationaal geborgde maatregelen om het klimaatdoel van 2040 te halen. Daarbij heeft
het kabinet oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief zodat mensen de transitie
ook daadwerkelijk mee kunnen maken. Ook richt het kabinet zich daarbij het op vergroten
van onze weerbaarheid, door onder andere in te zetten op een toekomstbestendige en
meer onafhankelijke economie en industrie.
Vraag 4
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele
bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel
om de klimaatdoelen te halen?
Antwoord 4
Het klimaatdoel voor 2050, klimaatneutraliteit, is het einddoel van de energietransitie
en is leidend. De klimaatdoelen voor 2030 en 2040 zijn belangrijke tussenstappen daarnaartoe.
We moeten ook vooruitkijken en het perspectief richten op de lange termijn. Daarom
neemt het kabinet bij de verdere vormgeving van het beleid de transitie richting 2050,
met 2030 en 2040 als duidelijke tussenstappen, als basis. Tegelijkertijd kijken we
daarbij wat we kunnen leren van waarom de uitstoot nu toeneemt. Afgelopen jaar was
de uitstoot van de elektriciteitssector hoger, met name door meer export van elektriciteit
vanwege toegenomen vraag uit België en Duitsland. De uitstoot in de industrie daalde
juist door het gebruik van minder gas. Ook de uitstoot in de mobiliteit nam af door
de afname van benzine- en dieselauto’s en de toename van elektrisch rijden. Het kabinet
blijft kijken naar wat de uitstoot zegt over het Nederlandse beleid.
Vraag 5
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter
hoger staat dan voorheen gedacht?2
Antwoord 5
In Nederland zijn er voldoende lokale metingen van zeepspiegelhoogten, waardoor deze
berekeningsfout hier niet is opgetreden. Het klopt dat in mondiale studies de risico’s
van zeespiegelstijging in de meeste gevallen zijn onderschat, door het hanteren van
verkeerde aannames voor de bestaande hoogten van de zeespiegel. De oorzaak hiervan
is gelegen in een onjuiste verwerking van satellietmetingen voor de berekening van
zee en kusthoogten in mondiale studies naar de gevolgen van zeespiegelstijging. Die
satellietmetingen worden in die studies gebruikt omdat er geen of onvoldoende lokale
metingen zijn, met name voor het Mondiale Zuiden.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel
ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners
te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Antwoord 6
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vraag 7
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke
impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen
van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Antwoord 7
Zoals ik in antwoord 5 reeds heb aangegeven zijn er in Nederland voldoende lokale
metingen van zeepspiegelhoogten, waardoor deze berekeningsfout hier niet is opgetreden.
Er zijn dan ook geen consequenties voor de reeds genomen besluiten.
Vraag 8
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs
de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke
Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Antwoord 8
Zoals ik in antwoord 5 reeds heb aangegeven, geldt deze situatie niet voor Nederland.
Vraag 9
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan
de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld
dijknormering en delfstofwinning?
Antwoord 9
De normen voor de waterkeringen, waaronder dijken, zijn mede gebaseerd op de potentiële
gevolgen bij een overstroming. Bij de bepaling van deze gevolgen is rekening gehouden
met de afhankelijkheid van zeespiegelstijging. Er is in Nederland geen sprake van
een onderschatting van de zeespiegelstijging, dus daar hoeft ook niet voor te worden
gecorrigeerd.
Het huidig wettelijk kader ziet er daarnaast op toe dat het werelderfgoed Waddenzee
niet wordt aangetast door mijnbouwactiviteiten. Sinds 1 mei 2024 is ook wettelijke
vastgesteld dat geen nieuwe winning van delfstoffen (zout en gas) meer wordt toegestaan
in de Wadden.
Gas- en zoutwinning in de Waddenzee wordt uitgevoerd met de toepassing van het «hand
aan de kraan»-principe om negatieve effecten te voorkomen. Het «hand aan de kraan»-systeem
is primair gebaseerd op de vierjaarlijkse Zeespiegelmonitor en de rapportages van
het KNMI over klimaatverandering en zeespiegelstijging.
Op de website van de Zeespiegelmonitor1 wordt jaarlijks de zeespiegelstijging bijgehouden. Hierin wordt aangegeven dat de
zeespiegelstijging tot en met 2024 3,1 mm/jaar is. Dit is hoger dan de 2,9 mm/jaar
die genoemd wordt in de Zeespiegelmonitor van 2022. In het «hand aan de kraan»-systeem
wordt rekening gehouden met een zeespiegelstijging van 3,6 mm/jaar in 2024 met een
stijging van 0,5 mm/jaar. De zeespiegelstijging die wordt gehanteerd in de «hand aan
de kraan» is daarmee conservatiever dan de Zeespiegelmonitor en biedt daarmee meer
zekerheid. Er wordt een nieuwe versie van de Zeespiegelmonitor verwacht in 2026.
Vraag 10
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met
het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is,
bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan
te passen?
Antwoord 10
Het «hand aan de kraan»-systeem is de basis van het huidige beleid. In vergunningen
is vastgelegd dat winning steeds binnen de op enig moment geldende gebruiksruimte
moet blijven. Als blijkt dat, vanwege nieuwe inzichten zoals de zeespiegelstijging,
het gebruiksruimtebesluit dient te worden herzien, kan het zijn dat de beschikbare
gebruiksruimte naar beneden wordt bijgesteld. Als vervolgens blijkt dat een winning
de gebruiksruimte dreigt te overschrijden dient de productie daarop te worden aangepast
(verlaagd) of zo nodig gestaakt. Dit volgt reeds uit bestaande vergunningsvoorwaarden.
Op de naleving van het «hand aan de kraan»-beleid wordt toegezien door de toezichthouder.
Vraag 11
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand
aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer
heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke
inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar
2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Jaarlijks informeert het kabinet uw Kamer over de monitoringsrapportages voor gas-
en zoutwinning van de NAM en Frisia op de Waddenzee. NAM en Frisia zijn destijds gevraagd
om een paragraaf hieromtrent op te nemen in hun jaarlijkse monitoringsrapportage.
De MER Auditcommissie Zoutwinning Waddenzee en de MER Auditcommissie Gaswinning Waddenzee
beoordelen jaarlijks deze monitoringsrapportages en adviseren hierover. Deze adviezen
worden jaarlijks gepubliceerd en met uw Kamer gedeeld4.
Vraag 12
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen
laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust?
Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Antwoord 12
Dit jaar zal naar verwachting de nieuwe Zeespiegelmonitor 2026 worden uitgebracht
in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deltares maakt deze
Zeespiegelmonitor in samenwerking met het KNMI. Als de Zeespiegelmonitor aanleiding
geeft om nieuw advies te vragen over de zeespiegelstijging in de Waddenzee dan zal
advies gevraagd worden om te bezien of de nieuwe inzichten moeten leiden tot een aanpassing
van de gebruiksruimte.
Vraag 13
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van
veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening
voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag
met de Kamer heeft besproken?
Antwoord 13
De Waddenzee is een uniek natuurgebied, met een Unesco Werelderfgoed-status. Het kabinet
hecht dan ook grote waarde aan de bescherming van dit unieke gebied. Zoals ik eerder
aangaf in mijn antwoorden op vragen 9 tot en met 11 ziet de huidige regelgeving hierop
toe en kan indien nodig tijdig ingegrepen worden, mocht blijken dat de winning de
gebruiksruimte dreigt te overschrijden. De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over
de monitoringsrapportages en de adviezen hierover van de MER Auditcommissies. Hiermee
zijn afdoende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de unieke natuurwaarden van
de Waddenzee als gevolg van mijnbouwactiviteiten niet worden aangetast.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.