Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Armut en Zwinkels over het bericht ‘Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot’
Vragen van de leden Armut en Zwinkels (beiden CDA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot» (ingezonden 23 april 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 26 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1925.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren
en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken
bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en
hier veelvuldig tips over delen?
Antwoord 2
De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en
verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden
aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken,
en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert
dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het OM doen onderzoek naar de website
en daar kan ik niet op vooruitlopen.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers
en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Vraag 3
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers
van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Antwoord 3
Opsporingsdiensten beschikken over verschillende bevoegdheden om beheerders en gebruikers
van dergelijke platforms op te sporen, waaronder digitale opsporingsbevoegdheden op
grond van het Wetboek van Strafvordering. Zo kunnen de politie en het OM in het kader
van de opsporing zich via bevelen en vorderingen richten tot aanbieders van communicatiediensten.
In het geval een aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal voor de inzet hiervan
een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Voor zover de genoemde platforms kwalificeren als aanbieder van communicatiediensten
en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek
zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens
vorderen.2 Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging
volgen.
Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiseringstechnieken,
waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67,
eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis
mogelijk is), kan de officier van justitie aan een aanbieder het bevel richten om
de content ontoegankelijk te (laten) maken op grond van artikel 125p Sv.
In aanvulling op bovenstaande strafrechtelijke mogelijkheden, gelden op grond van
de Digitaledienstenverordening (DSA) diverse publiekrechtelijke zorgvuldigheidsverplichtingen
voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de
verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms
dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een
beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen,
kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht
op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder
is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige
aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt
(ACM) aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Vraag 4
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en
in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Antwoord 4
De politie geeft in algemene zin aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies».
Wanneer er bij de politie een melding wordt gedaan van een dergelijke situatie, kan
dit op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten worden geregistreerd
en vastgelegd in de politiesystemen. Hierdoor kunnen er geen eenduidige cijfers uit
de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie heeft ontvangen.
De politie zal onderzoek verrichten wanneer melding of aangifte wordt gedaan van een
dergelijke situatie. De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer
zijn van dergelijke zaken, zij zich te allen tijde kunnen melden bij de politie. De
politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat
zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Vraag 5
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting
door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
Antwoord 5
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden
dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Zoals in het antwoord
op vraag 4 is toegelicht, worden deze meldingen op verschillende wijzen en onder verschillende
strafbare feiten geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen en kunnen hierdoor
geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat
de politie van dergelijke situaties heeft ontvangen.
Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan
diegene zich altijd melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer
beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht
kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland
geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning
kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo
heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel
misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met
het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie
op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
De hulplijn van Offlimits heeft geen meldingen ontvangen die specifiek betrekking
hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers
zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld
wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat
opnames werden gemaakt.
Vraag 6
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren
met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen
zijn er?
Antwoord 6
Het delen van tips in groepchats om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie kan strafbaar
zijn, maar dat hangt af van de concrete inhoud en context. Het verschaffen van generieke
informatie over slaapmedicatie is op zichzelf niet strafbaar. Strafbaarheid ontstaat
wanneer degene die de tips heeft gedeeld zowel opzet heeft gehad op het uiteindelijke
misdrijf dat is gepleegd (het drogeren van iemand en eventueel daarna seksueel misbruiken)
als op de hulpverlening of samenwerking daartoe door het geven van tips. Relevante
strafrechtelijke grondslagen zijn onder meer deelneming aan en/of voorbereiding van
(zware) mishandeling (artikel 300 en 304 Sr). Indien tips worden gegeven hoe je iemand
kan drogeren met slaapmedicatie om die persoon vervolgens seksueel te misbruiken,
kan sprake zijn van deelneming aan en/of voorbereiding van gekwalificeerde opzetaanranding
(artikel 241 lid 2) of gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 lid 2). Uit
artikel 244 Sr blijkt namelijk dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele
handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid verkeert (bijvoorbeeld
door vaste slaap of door het gebruik van verdovende middelen).3
Gerichte handhaving is in de praktijk echter complex. Besloten groepchats op diensten
als Signal of WhatsApp zijn end-to-end versleuteld; de politie en het OM hebben daartoe
geen toegang, en een gerichte rechterlijke machtiging en medewerking van de aanbieder
levert in de regel niets op. Hoewel in Nederland telecommunicatiediensten zoals KPN
of Vodafone wettelijk verplicht zijn om toegang tot informatie in leesbare vorm te
verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering,4 geldt deze verplichting niet voor nummeronafhankelijke communicatiediensten zoals
WhatsApp of Signal. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben
tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering
om deze informatie alsnog te verstrekken. De DSA biedt in deze gevallen ook geen uitkomst;
nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het
toepassingsgebied van de DSA. De DSA legt hostingdiensten en online platforms wel
de verplichting op om meldingen over illegale content op hun diensten tijdig te beoordelen
en verwerken (zie ook het antwoord op vraag 3). Nummeronafhankelijke interpersoonlijke
communicatiediensten zijn daarvan echter uitdrukkelijk uitgesloten.
Vraag 7
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke
online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Antwoord 7
Naarmate instructies over hoe iemand kan worden gedrogeerd en vervolgens seksueel
misbruikt concreter en specifieker worden gedeeld, kan sprake zijn van strafbare betrokkenheid
bij seksuele misdrijven, bijvoorbeeld in de vorm van medeplichtigheid of uitlokking
als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de Wet seksuele misdrijven
(WSM), die op 1 juli 2024 in werking is getreden, zijn diverse seksuele gedragingen
en vormen van facilitering daarvan strafbaar gesteld of aangescherpt. Afhankelijk
van de concrete inhoud en context kan daarnaast sprake zijn van strafbare voorbereiding
of deelname aan een crimineel samenwerkingsverband.
De normstelling die hiervan uitgaat, dient hand in hand te gaan met handhaving tegen
strafbare feiten en illegale online content waarbij seksueel geweld centraal staat.
In het antwoord op vraag 3 licht ik de strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden toe
ten aanzien van de beheerders en de gebruikers hiervan.
Vraag 8
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk
kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van
seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen
te gaan?
Antwoord 8
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, kan bij verdenking van bepaalde strafbare
feiten en onder specifieke voorwaarden informatie over gebruikers worden gevorderd
bij aanbieders van communicatiediensten. Indien een communicatiedienst buiten Nederland
is gevestigd, dient de officier van justitie een verzoek om rechtshulp te doen aan
de bevoegde buitenlandse autoriteiten.
Voor zover de aanbieder van een communicatiedienst kwalificeert als tussenhandeldienst
onder de DSA, schrijft artikel 10 DSA voor dat de ontvangende tussenhandeldienst van
een vordering zo spoedig mogelijk terugkoppelt op welke wijze en binnen welke termijn
daaraan gevolg wordt gegeven. Toch is de reikwijdte van de DSA voor deze diensten
maar beperkt. Zo kwalificeert WhatsApp voor wat betreft de aangeboden functie «kanalen»
als online platform onder de DSA, maar is deze dienst voor privéberichten – veruit
het grootste en belangrijkste onderdeel van het platform – uitdrukkelijk uitgezonderd
van de verplichtingen onder de DSA.
Er bestaat geen algemene identificatieplicht voor internetgebruikers waardoor het
internet een zekere mate van anonimiteit biedt. De online privacy die daarmee samenhangt,
vervult ook een belangrijke functie. Zij stelt bijvoorbeeld klokkenluiders in staat
om misstanden aan het licht te brengen en biedt onderzoeksjournalisten de ruimte om
veilig hun werk kunnen doen. De in het strafrecht geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden
zijn bedoeld om, waar dat noodzakelijk is, anonimiteit op te heffen ten behoeve van
opsporing en vervolging.
Daar waar het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik
tegen specifiek kinderen betreft, wordt sinds 1 juli 2024 bestuursrechtelijk opgetreden
middels de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze
wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch
en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) om aanbieders van communicatiediensten gevestigd
in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te
maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet doen.
Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik
is een van de prioriteiten in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook in de volgende
Veiligheidsagenda (2027–2030) een van de geprioriteerde thema’s zijn. In de Veiligheidsagenda
zijn landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie vastgesteld.
Voorts vindt op Europees niveau tweeledige inzet plaats door middel van de herziening
van de CSA-Richtlijn (Richtlijn betreffende de aanpak van seksueel kindermisbruik,
seksuele uitbuiting van kinderen en materiaal van seksueel misbruik van kinderen)
en de CSAM-Verordening (Verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en bestrijding
van seksueel kindermisbruik).
Vraag 9 en 10
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding
van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan
te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Antwoord 9 en 10
Nederland werkt bij de bestrijding van grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit
nauw samen met andere Europese lidstaten en Europese instellingen. Ook bij dit fenomeen
staat de politie in nauwe verbinding met Europol, Interpol en andere internationale
samenwerkingspartners. Omdat dit type criminaliteit zich vaak over landsgrenzen heen
afspeelt, wordt in Europees verband samengewerkt op het gebied van opsporing, vervolging
en het tegengaan van de verspreiding van strafbaar materiaal online.
Als individuele lidstaat kan Nederland inzetten op een sterke nationale aanpak, waaronder
het versterken van de opsporingscapaciteit, het verbeteren van de samenwerking tussen
publieke en private partijen en het stimuleren van meldingsbereidheid. Ook blijft
Nederland investeren in preventie en het beschermen van slachtoffers.
Tegelijkertijd is een effectieve aanpak in belangrijke mate afhankelijk van samenwerking
in Europees en internationaal verband. Er zijn verschillende Europese en internationale
instrumenten waarin aandacht is voor de aanpak van online seksueel (kinder)misbruik
met onder andere harmonisatie van wet- en regelgeving, verbetering van grensoverschrijdende
gegevensuitwisseling en versterking van de rol van Europese agentschappen. Denk hierbij
aan verdragen zoals het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ook bekend als het Boedapestverdrag)
en het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel
misbruik (verdrag van Lanzarote) van de Raad van Europa of de EU-richtlijn inzake
de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, waarin ook aandacht is
voor cybergeweld. Daarnaast wordt op dit moment op EU-niveau specifiek voor de bescherming
van kinderen tegen seksueel misbruik over twee instrumenten onderhandeld: een richtlijn
inzake de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en
kinderpornografie en een verordening inzake materiaal van seksueel misbruik van kinderen.
Nederland blijft zich daarom inzetten voor een gezamenlijke Europese aanpak waarin
opsporing, preventie en verantwoordelijkheid ook van online dienstverleners centraal
staan.
Vraag 11
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke
«verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Antwoord 11
Artikel 15 van de DSA verplicht tussenhandeldiensten jaarlijks transparantierapporten
te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Hostingdiensten
rapporteren daarin over categorieën illegale online content. Uit deze rapportages
valt niet af te leiden hoeveel meldingen specifiek betrekking hebben op de problematiek
rondom verkrachtingsacademies. Wel vermeldt bijvoorbeeld het meest recente transparantierapport
van Telegram,5 voor zover het de onderdelen van de dienst betreft die als online platform onder
de DSA kwalificeren, hoeveel verwijder- en informatieverzoeken zijn gedaan en in hoeveel
gevallen Telegram tegen illegale pornografische content heeft opgetreden.
Vraag 12
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke
content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt
gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap
te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Antwoord 12
Het bestaan van deze groepen op Telegram vind ik uiteraard verschrikkelijk, temeer
daar de ervaringen met Telegram wisselend en tot dusver veelal moeizaam zijn. Uit
berichtgeving van CNN bleek wel dat tijdens het journalistieke onderzoek een uitgelichte
groepschat door Telegram is verwijderd. In een verklaring na publicatie heeft Telegram
aangegeven dat content die aanzet tot seksueel geweld in strijd is met de algemene
voorwaarden en wordt verwijderd zodra dergelijke content wordt ontdekt.
Het kabinet wijst partijen als Telegram voortdurend op hun verantwoordelijkheid, mede
met behulp van wetgevende instrumenten zoals de Verordening terroristische online-inhoud
(hierna: TCO-verordening) en de DSA. Over de Verordening ter voorkoming en bestrijding
van seksueel kindermisbruik wordt nog onderhandeld. Deze drie verordeningen leggen
tussenhandeldiensten meer (zorgvuldigheids)verplichtingen op, onder meer met betrekking
tot illegale online content.
Verder kijk ik met belangstelling naar bredere ontwikkelingen op het gebied van toezicht-
en handhaving. Zo onderzoekt het OM of en in hoeverre Telegram meewerkt aan bevelen
tot het ontoegankelijk maken van content op basis van rechterlijke machtigingen. Het
onderzoek beslaat een breed scala aan verdenkingen van strafbare feiten, zoals de
online handel in drugs en wapens, terreur en online materiaal van seksueel kindermisbruik.
Afhankelijk van hoe het OM de uitkomsten van het onderzoek beoordeelt, worden vervolgacties
overwogen.
Hiernaast volg ik de werkzaamheden van de Belgische toezichthouder voor zowel de TCO-verordening
als de DSA, aangezien Telegram in België zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.
De Belgische toezichthouder heeft eerder bekendgemaakt dat in 2024,6 gelet op het grote aantal Telegram-gebruikers en het aantal tegen Telegram uitgevaardigde
bevelen, een onderzoek is gestart naar de naleving door Telegram van de TCO-verordening.
Dit onderzoek liep in 2025 nog door. De uitkomsten en eventuele vervolgstappen volg
ik met interesse.
Vraag 13
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn
om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Antwoord 13
In 2027 moeten zowel de nationale evaluatie van de Uitvoeringswet DSA als de Europese
evaluatie van de DSA worden opgeleverd, daarbij wordt onder andere gekeken naar de
werking, waaronder de doeltreffendheid, van deze instrumenten in de praktijk. Mijn
ministerie zal een actieve bijdrage leveren aan deze evaluaties.
Daarnaast is de Kamer eerder over de aanpak van malafide hostingpartijen geïnformeerd.7 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders genomen die
geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in
de online omgeving. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid
om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te
verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen
sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover
later dit jaar nader geïnformeerd.
Binnen de aanpak tegen bad hosting, worden de mogelijkheden voor een verplicht KYC-beleid
voor de hostingsector momenteel nader onderzocht Door een verplicht KYC-beleid voor
de hostingsector kunnen de verantwoordelijke (klanten van) dienstverleners sneller
worden achterhaald, dan wel sneller aansprakelijk worden gesteld bij het niet voldoen
aan een bevel of vordering. Het offline halen van platforms die vanuit het buitenland
worden gehost blijft een uitdaging. De resellersproblematiek, een constructie waarbij
hostingdiensten worden doorverhuurd of doorverkocht aan tussenpartijen, speelt hierbij
een grote rol. Door de resellersconstructie is er minder zicht op malafide activiteiten
van klanten van hostingdiensten en kan een klant of gebruiker makkelijker anoniem
blijven. Het wettelijk verplichten van een KYC-beleid voor de hostingsector helpt
ook bij het tegengaan van de resellersproblematiek.
Vraag 14
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten
voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel
geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Antwoord 14
Het tegengaan van malafide (klanten van) hostingaanbieders is van groot belang en
samenwerking op Europees en internationaal niveau is daarvoor onmisbaar. Daar zal
mijn ministerie zich voor inzetten. Vanuit de aanpak tegen bad hosting worden daarom
gesprekken gevoerd om de urgentie voor een aanpak tegen bad hosting op Europees niveau
te vergroten. Onlangs is bij de non-paper over de Europese Tech Sovereignty Package
van EZK aandacht gevraagd voor regelgeving om misbruik van diensten op digitale infrastructuur
tegen te gaan.8
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners
al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede
helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European
Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten
brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de DSA werkt de ACM vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator
(DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk
vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten.
De ACM heeft in dit kader contact opgenomen met andere Europese toezichthouders om
te achterhalen of voor deze partij een andere toezichthouder momenteel bevoegd is.
Indien dit niet het geval is, zal de ACM besluiten om een onderzoek in gang te zetten.
Ook kan de onderliggende webhostingdienst mogelijk worden aangesproken op grond van
de DSA. Dit hangt af van hoe beide partijen om zijn gegaan met pogingen om illegale
inhoud offline te halen.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.