Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bikker over het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland
Vragen van het lid Bikker (ChristenUnie) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland (ingezonden 8 april 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 26 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1802.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025
explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending»
van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend
probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u
de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel
(minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn
er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier
jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige)
plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
Antwoord 2
Ja, ik deel de mening dat het online ronselen van kwetsbare jongeren voor criminele
activiteiten een groeiend probleem is.
Het werven van jongeren tot het verrichten van strafbare activiteiten kan strafbaar
zijn als mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting (artikel 273f van het Wetboek
van Strafrecht). Dat geldt zowel op basis van de huidige wetgeving als op grond van
de gemoderniseerde bepaling zoals opgenomen in het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding
strafbaarstelling mensenhandel (36 547) dat bij de Eerste Kamer aanhangig is. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de
dader het oogmerk heeft gehad om de desbetreffende jongere(n) bij het verrichten van
de genoemde strafbare dienstverlening uit te buiten. Of er sprake is van criminele
uitbuiting hangt sterk af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en duur
van de te verrichten strafbare activiteit, welke beperkingen deze voor de betrokkene
meebrengt en het daarmee behaalde economisch voordeel door degene die de betrokkene
tot die strafbare activiteit heeft aangezet. Bij minderjarige betrokkenen geldt als
uitgangspunt dat bij de toepassing van dergelijke afwegingsfactoren rekening moet
worden gehouden met hun jeugdige leeftijd.3 Is een betrokkene meerderjarig dan moet daarnaast worden aangetoond dat een in artikel 273f
Sr omschreven beïnvloedingsmiddel tegen die persoon is aangewend (zoals dwang, misleiding
of misbruik maken van een kwetsbare positie). Het is uiteindelijk aan de rechter om,
op grond van het geschetste beoordelingskader, per geval te beoordelen of sprake is
van mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting.
Er kunnen geen aantallen gedeeld worden over Nederlandse daders en slachtoffers binnen
de context van de taskforce GRIMM, waaraan in de vraag wordt gerefereerd, vanwege
de vertrouwelijkheid van deze taskforce.4 Wel heeft Europol op 28 april 2026 bekend gemaakt dat er inmiddels 280 personen zijn
opgepakt die verdacht worden van het ronselen van jongeren voor het plegen van geweldsmisdrijven.5 Hoeveel Nederlandse plegers over grenzen heen actief zijn geweest is niet bekend
en hoeveel van hen slachtoffer zijn van criminele uitbuiting is ook niet bekend.
Vraag 3
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele
netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre
is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten
in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen
het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen
Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te
bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Antwoord 3
De politie is bezig om het zicht op dit betrekkelijk nieuwe fenomeen te versterken.
Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat het verkrijgen van volledig zicht
op de omvang en gebruikte methoden complex blijft. Dit fenomeen ontwikkelt zich namelijk
voortdurend en past zich aan, net zoals andere vormen van criminaliteit dat doen.
Daarnaast is zicht krijgen op dit fenomeen lastig omdat de rekrutering online plaatsvindt,
op platforms en binnen groepen waar de politie geen of nauwelijks toegang tot heeft.
Zowel vanuit de Europol taskforce GRIMM als vanuit het European Multidisciplinary
Platform Against Criminal Threats (EMPACT) programma Trafficking in Human Beings (THB),6 worden initiatieven ondernomen door kennis en informatie met elkaar te delen en gezamenlijk
operationele acties voor te bereiden en uit te voeren. Ook wordt in individuele zaken
internationaal samengewerkt met betreffende landen, om gezamenlijke opsporingsactiviteiten
te ontplooien. Hiernaast werkt de politie samen met andere landen binnen de Coalition
of European Countries against Organized Crime. Met de coalitielanden worden de mogelijkheden
verkend voor meer EU-regulatie en de samenwerking met online platformen.
Binnen de ondermijningsaanpak, specifiek binnen Preventie met Gezag, en de aanpak
van high impact crimes, zoals geweld inclusief de aanpak van aanslagen met explosieven,
zet de politie in op het voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen
of geronseld worden. Het gaat om integrale aanpakken in gemeenten van preventie tot
en met nazorg met een mix van maatregelen (bijvoorbeeld meer inzet op online jongerenwerk).
Ook wordt ingezet op kansrijke en bij voorkeur bewezen effectieve interventies die
zich richten op het versterken van de weerbaarheid van kinderen en jongeren en het
vergroten van de kansen en perspectieven van jongeren. Verder zetten gemeenten en
de justitiepartners, afhankelijk van lokale en regionale verschillen, in op de risico-
en beschermende factoren in het leven van de jongeren. Voor deze aanpak zijn op dit
moment voldoende middelen ter beschikking. Daarnaast financiert mijn ministerie het
online platform «Keerpunt» waar jongeren anoniem kunnen chatten met een hulpverlener.
De online hulpverleners bieden informatie en advies en wanneer nodig wordt een jongere
hulp aangeboden door een hulporganisatie in zijn of haar regio. Om meer handelingsperspectief
te krijgen, wil het ministerie meer zicht krijgen op wie de ronselaars zijn en hoe
zij te werk gaan. Voor de zomer verwacht het ministerie de resultaten in een handzame
factsheet voor professionals van een van de uitgezette onderzoeken naar de modus operandi
van online ronselaars. Daarnaast loopt er via het Wetenschappelijk onderzoek- en datacentrum
(WODC) een onderzoek naar de kenmerken, achtergronden en motieven van ronselaars die
uitvoerders werven voor aanslagen met explosieven. De uitkomsten van dit onderzoek
worden naar verwachting aan het einde van 2026 of begin 2027 opgeleverd. Deze onderzoeken
zullen input zijn voor verdere beleidsontwikkeling en eventueel nieuwe daarbij passende
maatregelen of te ontwikkelen interventies. Die extra kennis zal ook zorgen voor meer
focus in de aanpak. In het programma Samen tegen Mensenhandel zijn geen acties opgenomen
die zich richten op het fenomeen «geweld op bestelling» omdat dit al onderdeel is
van de ondermijningsaanpak.
Vraag 4
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken
en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s
ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering
van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Antwoord 4
Binnen de taskforce GRIMM wordt samengewerkt met sociale media platforms zoals Snapchat
en Meta, om online rekrutering voor criminaliteit via sociale media op te sporen en
te voorkomen. De rollen, rekruteringsmethodes en geldstromen die gebruikt worden door
criminele netwerken worden in kaart gebracht en waar mogelijk worden deze netwerken
ontmanteld.
De motie waar u naar verwijst ziet toe op het voortzetten van het Online Outreach
Programma van Spine. Dit programma richt zich op het via een proactieve werkwijze
(mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting online te bereiken. De verwijzing
naar het krijgen van zicht op online ronselpraktijken valt niet onder dit programma.
Vanwege het verschil in focus van beide programma’s, zie ik geen reden om dit mee
te nemen in de uitvoering van de motie. Ik ben op dit moment aan het bezien op welke
wijze opvolging aan de motie kan worden gegeven.
Vraag 5
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed
aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder
de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden
binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties
over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Antwoord 5
Binnen de Europol taskforce GRIMM is aandacht voor bescherming van slachtoffers doordat
er wordt ingezet op preventie: het opsporen en voorkomen van online rekrutering voor
criminaliteit. Zo worden de rollen, rekruteringsmethodes en geldstromen die gebruikt
worden door dergelijke netwerken in kaart gebracht en worden de netwerken waarmee
deze activiteiten worden bemiddeld geïdentificeerd en waar mogelijk ontmanteld. Binnen
deze taskforce wordt samengewerkt met diverse sociale media platforms om deze vorm
van problematiek te bestrijden en voorkomen. Daarnaast wordt momenteel binnen de taskforce
onderzocht op welke wijze online bewustzijn kan worden gecreëerd. Er is momenteel
geen sprake van samenwerking met hulpinstaties over de grenzen heen binnen de context
van deze taskforce.
Vraag 6
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering
van het non-punishmentbeginsel7, in lijn met een aanbeveling van GRETA8, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers
om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het
programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet,
er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis
van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden
kunnen toepassen?
Antwoord 6
Het non-punishment beginsel (het beginsel van niet-bestraffing) drukt uit dat een
slachtoffer van mensenhandel niet strafbaar is als hij in rechtstreeks verband daarmee
een feit begaat waartoe hij is gedwongen. Als gevolg van het genoemde aangenomen amendement-Van
Nispen c.s. strekt het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling
mensenhandel ertoe dit beginsel in de wet te verankeren.9 Als zich een situatie voordoet die onder het bereik van deze bijzondere strafuitsluitingsgrond
valt, zal het Openbaar Ministerie geen strafvervolging instellen omdat geen sprake
is van strafrechtelijk verwijtbaar gedrag of – als de relevante omstandigheden pas
later aan het licht komen – zal de rechter om die reden niet tot een veroordeling
komen.
Binnen de politie wordt voorlichting gegeven over de aanpak van criminele uitbuiting,
waarbij ook aandacht wordt geschonken aan het non-punishment beginsel. Dit is onderdeel
van één van de acties onder actielijn 2 uit het programma Samen tegen mensenhandel.
Op deze wijze wordt bewustwording onder politieambtenaren gecreëerd over fluïde vormen
van dader- en slachtofferschap. Daarnaast is binnen verschillende opleidingen die
betrekking hebben op het thema mensenhandel (onder meer Opsporing Mensenhandel en
Migratiecriminaliteit en Zicht op Mensenhandel) aandacht voor het non-punishment beginsel
en de beoogde wettelijke verankering ervan. Die brede aandacht voor en bewustwording
van het non-punishment beginsel kan eraan bijdragen dat minder slachtoffers angst
voelen om met de politie het gesprek aan te gaan.
Meer in het algemeen is het voor de politie van belang om de angst van slachtoffers
om met de politie te praten waar mogelijk te verminderen. De politie doet dit door
een informatief gesprek met het vermeende slachtoffer te voeren. Tijdens dit gesprek
wordt onder meer voorlichting gegeven over het strafrechtelijke proces en de mogelijkheid
om niet vervolgd te worden. Daarnaast sluit de politie aan bij driehoekgesprekken
via Chat met Fier. Dit zijn gesprekken tussen een slachtoffer van criminele uitbuiting
die in beeld is gekomen bij Chat met Fier, een hulpverlener van Chat met Fier en een
politiemedewerker. Hierbij wordt informatie verstrekt over het doen van aangifte en
de mogelijkheid van non-punishment voor slachtoffers van criminele uitbuiting.
Het Heuni rapport beschrijft diverse best practices om het non-punishmentbeginsel voor minderjarige slachtoffers te versterken.10 Een aantal daarvan is in Nederland reeds verankerd in wetgeving en praktijk, en vastgelegd
in de strafvorderingsrichtlijn en de Aanwijzing Mensenhandel. Deze maatregelen bestrijken
de fasen van signalering, opsporing en vervolging. Andere best practices sluiten aan
bij lopende ontwikkelingen binnen het strafrechtelijk kader, zoals het opstellen van
handelingskaders, het aanpassen van opleidingen en het actief delen van kennis met
officieren van justitie die met criminele uitbuiting te maken krijgen. Voor zover
de best practices de politie betreffen, wordt veel daarvan al in de praktijk gebracht.
Zo worden beschermingsmaatregelen getroffen voor kinderen die uitbuiting melden: wanneer
een slachtoffer aangifte doet, wordt een Individuele Beoordeling uitgevoerd om veiligheidsrisico’s
in te schatten en zo nodig maatregelen te treffen. Daarnaast kan een zorgcoördinator
worden ingeschakeld om hulpverlening en bijstand te organiseren. Tot slot benadrukt
het rapport het belang van vroege identificatie van minderjarigen als mogelijke slachtoffers.
Ter vergroting van het bewustzijn hierover zijn trainingen ingezet, zoals eerder in
de beantwoording van deze vraag toegelicht.
Vraag 7
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.11 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en
6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld
voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd?
Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting
eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk
wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Antwoord 7
Eén van de belangrijkste lessen uit de genoemde uitspraak van het Europese Hof voor
de Rechten van de Mens (EHRM) is dat autoriteiten in een vroeg stadium alert moeten
zijn op signalen van uitbuiting. Hier wordt vanuit het Actieplan programma Samen tegen
mensenhandel op ingezet, namelijk door de bewustwording van het non-punishmentbeginsel
te vergroten bij eerstelijns opsporingsdiensten. Voor hoe hier bij de politie invulling
aan wordt gegeven verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 6.
Binnen het Openbaar Ministerie worden eveneens stappen gezet om signalen van criminele
uitbuiting breder te onderkennen bij officieren die met deze vorm van uitbuiting in
aanraking kunnen komen en hen daarbij een handelingskader aan te bieden. Aanvullend
wordt momenteel actief voorlichting gegeven en worden opleidingen van officieren van
justitie en rechters aangepast waarbij de al genoemde beoogde modernisering van het
mensenhandelartikel (273f Sr), inclusief de wettelijke verankering van het non-punishment
beginsel, en de EHRM-jurisprudentie worden betrokken. Tevens wordt in het najaar een
e-learning over criminele uitbuiting opgeleverd. Hiermee wordt kennis en bewustwording
vergroot. Het is belangrijk te benadrukken dat het slachtoffer van mensenhandel dat
zelf wordt verdacht van het plegen van een of meer strafbare feiten, zich altijd ten
overstaan van de officier van justitie en de rechter kan beroepen op het non-punishment
beginsel. De officier van justitie en rechter beoordelen dan op basis van de vastgestelde
feiten en omstandigheden of dit inderdaad aan de orde is. Dat neemt niet weg dat niet
uit te sluiten is dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld
voor een delict en een latere separate strafzaak aanwijzingen bevat dat deze persoon
ten tijde van het bedoelde delict slachtoffer was van mensenhandel. Daarbij valt in
het bijzonder te denken aan situaties waarin het slachtoffer ten tijde van zijn eigen
vervolging als verdachte daarover niets heeft verklaard en het strafrechtelijk onderzoek
daarvoor op dat moment evenmin aanwijzingen bevat. Bij dat laatste speelt een rol
dat onderzoeken naar mensenhandel in de regel meer tijd in beslag nemen, vanwege de
aard en complexiteit van het delict. Daarom is het vertrekpunt dat de afdoening van
zaken waar mogelijk op elkaar wordt afgestemd, wat betekent dat de strafzaak over
mensenhandel waar mogelijk voorafgaat aan de vervolging van andere delicten.
Vraag 8
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld
op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen
zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van
Heuni12 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Antwoord 8
Jongeren die vastzitten in de criminaliteit kunnen rechtstreeks terecht bij het online
hulpportaal Keerpunt. Het hulpportaal is een landelijk platform gericht op het bereiken
en beschermen van (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. Het hulpportaal
bestaat uit drie pijlers: een anonieme hulplijn waar slachtoffers (en hun sociale
omgeving) laagdrempelig en veilig kunnen chatten met hulpverleners van Chat met Fier;
proactieve outreach, waarbij actief (potentiële) slachtoffers worden benaderd die zichzelf als slachtoffers
identificeren en hen naar het online platform te bewegen; en een kennisportaal over
criminele uitbuiting waar slachtoffers, hun naasten en professionals die in contact
staan met deze doelgroep terecht kunnen voor informatie.
Zoals het rapport van Heuni aangeeft is het voor een goede bescherming van jeugdigen
die gedwongen worden tot criminaliteit vooral van belang dat dit goed gesignaleerd
wordt door zorg- en justitieprofessionals. Daarom zetten we in het kader van het programma
Samen tegen Mensenhandel in op bewustwording en deskundigheidsbevordering bij die
partijen. Defence for Children, het Rode Kruis en Fier zijn hier actiehouder van.
Zo brengen zij onder andere door interviews en casuïstiek van ervaringsdeskundigen
in kaart wat verbeterpunten zijn in de signalering, het aangifteproces en hulpverlening
voor minderjarige slachtoffers. Door middel van een gratis e-learning, een uitgebreide
(maatwerk)training en de campagne Jongeren zijn #GeenBuit worden professionals gemotiveerd en ondersteund om signalen van mensenhandel bij
jeugdigen te herkennen en ernaar te handelen. Vanaf 2025 is dat aanbod uitgebreid
richting scholen en er is een signalenkaart specifiek over uitbuiting van minderjarige
asielzoekers. Tot slot hebben de genoemde projectpartners binnen het Actieplan waar
mogelijk ook input gegeven op de ontwikkeling en invulling van andere relevante actielijnen
om het perspectief van minderjarige slachtoffers daar eveneens in te brengen en wordt
gekeken hoe de verbinding kan worden gelegd met het beleid voor zorg en veiligheid
van jeugdigen in brede zin.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.