Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Berg over de wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Infrastructuur en Waterstaat over de wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen (ingezonden 19 maart 2026).
Antwoord van Minister van Veldhoven-Van der Meer (Klimaat en Groene Groei) en van
Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 22 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten
van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Antwoord 1
Ja, de Staatssecretaris van IenW is op de hoogte van de meest recente versie van de
RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en de voorbereiding
van de nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines op land.
Vraag 2
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht,
welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze
die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
Antwoord 2
De factsheet is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur tot en met juli 2020. Inhoudelijk
is de factsheet daarna niet meer gewijzigd. Wel zijn daarna enkele zaken verduidelijkt
in de factsheet naar aanleiding van een aantal vragen en commentaren. Deze worden
toegelicht op de website van het RIVM1 en in de beantwoording van eerdere Kamervragen2.
Vraag 3
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door
het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering
over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek
uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Antwoord 3
Het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid publiceert elke drie maanden een overzicht
van nieuwgevonden wetenschappelijke artikelen en andere relevante informatie over
windturbines en gezondheid3. Het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek wordt, naast andere studies op dit gebied,
ook meegenomen in de kennisopbouw van het RIVM ter advisering op het gebied van windturbines
en gezondheid.
Vraag 4
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER,
de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Antwoord 4
Deze publicatie dateert van na de afronding van het onderzoek dat ten grondslag ligt
aan het plan-MER. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen
windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Hierbij zijn ook de toen beschikbare
buitenlandse wetenschappelijke onderzoeken meegenomen en wordt een vergelijking gemaakt
tussen de uitkomsten van de verschillende onderzoeken. Het Duitse onderzoek is hier
gezien de publicatiedatum niet bij betrokken. Er is geen aanleiding te veronderstellen
dat de in het plan-MER gebruikte publicaties achterhaald zijn of dat het Duitse onderzoek
tot heel andere conclusies zou leiden, zoals ook geantwoord op eerdere Kamervragen
van het lid Eerdmans.4
Vraag 5
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit
en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
Antwoord 5
In het plan-MER is voor de beoordeling van de normopties enerzijds gekeken naar de
WHO-advieswaarden voor omgevingsgeluid en anderzijds naar de op dat moment internationaal
beschikbare blootstelling-responsrelaties. Daarbij is ook onderzocht of de eerdere
uitgangpunten gericht op de Nederlandse en Europese context, zoals die ook beschreven
staan in de factsheet van het RIVM, nog van toepassing zijn. Een vergelijking met
meer recente internationale blootstelling-responsrelaties laat geen wezenlijke verschillen
in uitkomsten zien.
Vraag 6
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50
dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis
daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
Antwoord 6
De bij deze blootstellingen behorende verwachte kans op ernstige hinder binnenshuis
en buitenshuis, volgens twee verschillende modellen voor de blootstelling-responsrelaties,
wordt in Tabel 9–3 van het plan-MER weergegeven5. In de nota van toelichting die samen met het ontwerpbesluit naar de Tweede Kamer
wordt gestuurd zal hier dieper op worden ingegaan.
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten
grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Antwoord 7
Het klopt dat een geluidniveau van 45 dB Lden naar verwachting gepaard gaat met een lager percentage (oftewel een lagere kans op)
ernstige hinder dan een geluidniveau van 47 dB Lden. Bij de beleidsmatige afweging over de normkeuze geldt dat de normen enerzijds omwonenden
moeten beschermen en anderzijds ruimte moeten bieden voor wind op land. In de nota
van toelichting zal nader worden aangegeven hoe deze afweging is gemaakt.
Vraag 8
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren
van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie
naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Antwoord 8
Nee, het is niet duidelijk in hoeverre de dosis-effectrelatie, die op een kleine steekproef
is gebaseerd, van toepassing is op de Nederlandse situatie. Wanneer de resultaten
van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, kunnen deze op een zorgvuldige
manier naast eerdere bevindingen worden gelegd, waaronder die van het Duitse onderzoek.
De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het
RIVM geïnformeerd worden.
Vraag 9
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht
om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Antwoord 9
Normering op basis van Lden en Lnight is in lijn met die voor andere geluidbronnen en met de advieswaarden voor omgevingsgeluid
van de WHO. Deze geluidmaten sluiten aan bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare
hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk
ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien
ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn. Voor de mate van bescherming
wordt aansluiting gezocht bij de WHO-advieswaarde voor windturbinegeluid en de algemene
WHO-advieswaarde voor geluid in de nacht.
Vraag 10
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren
overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe
normen?
Antwoord 10
Bij de voorbereiding van de nieuwe normen zijn relaties betrokken tussen blootstelling
en ernstige hinder zoals gerapporteerd in uitgebreide vragenlijstonderzoeken. Verder
gaat het plan-MER in op hoe de methodiek van handhaving in de praktijk wordt ervaren
en doet het voorstellen ter verduidelijking. In de nota van toelichting zal worden
aangegeven hoe met deze voorstellen is omgegaan.
Vraag 11
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert
waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding
van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Antwoord 11
Het RIVM voert inderdaad op dit moment een blootstelling-responsonderzoek uit. De
resultaten worden eind 2026 verwacht. De tijdelijke overbruggingsregeling loopt af
op 1 januari 2027. Er wordt gestreefd naar zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van
de milieunormen.
Vraag 12
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk
en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Antwoord 12
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces
van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan
de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke
rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid
en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB recent gepubliceerd
onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding
vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Vraag 13
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing
van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze
wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Antwoord 13
Nee, wanneer deze personen niet in het onderzoeksgebied (op 2,5 km of minder van een
windturbine) woonden in de onderzoeksperiode (september–november 2025), maakten zij
geen kans om meegenomen te worden in het onderzoek. Voor bias in het algemeen probeert
het RIVM waar mogelijk te corrigeren met wegingen zodat de onderzoekspopulatie zoveel
mogelijk lijkt op de totale populatie van mensen die wonen in de buurt van windturbines.
Vraag 14
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe
windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige
gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland
op te nemen?
Antwoord 14
Ja.
Vraag 15
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden
tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Antwoord 15
Totdat de nieuwe windturbinenormen in werking treden, is het aan gemeenten en provincies
om hun eigen normen te stellen voor onder andere geluid, slagschaduw en externe veiligheid,
waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk is. In de consultatieversie van de nota
van toelichting is opgenomen dat een afstandsnorm op zichzelf geen aanvullende bescherming
biedt tegen geluid van windturbines.6
Vraag 16
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor
een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels
wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
Antwoord 16
In het ontwerpbesluit is wel een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte opgenomen7. Het nieuwe kabinet beraadt zich op dit moment op de nieuwe milieunormen voor windturbines.
Zodra hier meer informatie over bekend is, zal de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat de Kamer hierover informeren.
Vraag 17
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook
een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar
is?
Antwoord 17
Zoals onder vraag 16 vermeld, is er een afstandsnorm opgenomen in het ontwerpbesluit.
Dit is het gevolg van het regeerakkoord Rutte IV, waarin was afgesproken dat er heldere
afstandsnormen voor de bouw van wind op land kwamen. Het nieuwe kabinet beraadt zich
momenteel op de nieuwe milieunormen.
Vraag 18
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode
voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op
lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Antwoord 18
Op dit moment wordt gewerkt aan nieuwe milieunormen voor windturbines. In de tussenliggende
periode kunnen gemeenten en provincies hun eigen normen stellen voor onder andere
geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk
is. Zij maken daarbij een afweging over het aanvaardbare milieubeschermingsniveau,
op basis van een zorgvuldige lokale milieubeoordeling. Eigen normen van decentrale
overheden dienen dus goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van wetenschappelijke
kennis over windenergie en gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het
Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal)
onderzoek.
Vraag 19
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen
decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen
of vergunningvoorwaarden hanteren?
Antwoord 19
Nee. Op meerdere plekken zijn medeoverheden bezig met eigen milieunormen vast te stellen
in afwezigheid van landelijke milieunormen. Deze informatie is lokaal openbaar beschikbaar
en kan daar worden opgezocht.
Vraag 20
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te
maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke
inzichten voor de bescherming van omwonenden?
Antwoord 20
De Staatssecretaris van IenW ziet geen reden om het proces nu stop te zetten, want
voor deze AMvB wordt een regulier besluitvormingsproces doorlopen. Zie ook het antwoord
op vraag 12. In algemene zin geldt dat nieuwe wetenschappelijke inzichten na vaststelling
reden kunnen zijn om regelgeving aan te moeten passen.
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen
maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages
noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
Antwoord 21
De Staatssecretaris van IenW vindt het van groot belang dat de besluitvorming rondom
de landelijke milieunormen zorgvuldig en transparant verloopt. Bij de totstandkoming
van het ontwerpbesluit is een plan-MER-procedure doorlopen. Als eerste stap van het
plan-milieueffectrapport is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld
die ter inzage heeft gelegen. Inbreng op de NRD is vervolgens meegenomen in het ontwerpbesluit.
Het plan-MER heeft de stand van kennis op basis van wetenschappelijke onderzoeken
in beeld gebracht. Het ontwerpbesluit dat met behulp van de informatie uit het plan-MER
is opgesteld heeft vervolgens ook ter inzage gelegen. Ook heeft de Commissie MER advies
uitgebracht over de NRD en het plan-MER. Bij verzending van het ontwerpbesluit aan
de Tweede Kamer zal ook de reactienota worden gepubliceerd waarin wordt toegelicht
tot welke aanpassingen de inbreng heeft geleid.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.