Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda Eurogroep en informele Ecofinraad 22 en 23 mei 2026 (Kamerstuk 21501-07-2188)
21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken
Nr. 2194
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 mei 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de brief van 13 mei 2026 over de brief van 13 mei
2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2188), waarmee de Minister de geannoteerde agenda van de vergaderingen van de Eurogroep
en de Ecofinraad 22 en 23 mei 2026 heeft aangeboden, alsmede over de brieven van 29 april
respectievelijk 18 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2182 resp. 2189), waarin de Minister verslag heeft gedaan van de vergaderingen van de Eurogroep en
de Ecofinraad van 27 maart respectievelijk 4 en 5 mei 2026).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 mei 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 22 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Jansen
De griffier van de commissie, Weeber
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de Ecofin.
Zij lezen in het verslag van de laatste Ecofin/Eurogroep dat Nederland hierin heeft
opgeroepen tot een analyse van eventuele overwinsten bij energiebedrijven en het verkennen
van juridische mogelijkheden voor het invoeren van een eventuele belasting op overwinsten.
Zij vragen wat hiervan de stand van zaken en het vervolg is.
Tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei heeft het kabinet opgeroepen tot een nadere analyse
van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van
de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft Nederland opgeroepen op EU-niveau de juridische
mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als
er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als
op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. De discussie over een overwinstbelasti
ng speelt in verschillende lidstaten. De Europese Commissie heeft aangegeven geen
voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan publiceren. De Europese
Commissie heeft in de AccelerateEU mededeling van 22 april jl. tevens steun aan Lidstaten
aangeboden voor het vormgeven van maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten
van olie- en gasbedrijven. Het is van belang de komende tijd te blijven monitoren
of er daadwerkelijk overwinsten ontstaan, het kabinet zal hier ook bij de Europese
Commissie aandacht voor blijven vragen.
Tevens lezen deze leden dat meerdere lidstaten, waaronder Nederland, vroegen om voortzetting
van het gesprek over het gebruik van geïmmobiliseerde centrale banktegoeden van Rusland.
Kan de Minister het verloop van deze discussie schetsen en uiteenzetten wat de vervolgstappen
zijn?
Op de Ecofinraad is de economische en financiële impact van de Russische agressie
tegen Oekraïne een vast agendapunt. Hierover wordt de Kamer elke keer geïnformeerd
middels de geannoteerde agenda en het verslag van de Ecofinraad; en zo ook over de
Ecofinraad van 5 mei jl.1 Zoals aangegeven in dat verslag vroegen meerdere lidstaten, waaronder Nederland,
om voortzetting van het gesprek over het gebruik van geïmmobiliseerde centrale banktegoeden
van Rusland in lijn met de conclusies van de Europese Raad van december jl. Op dit
moment liggen er nog geen concrete vervolgstappen op tafel. Verschillende EU-lidstaten
staan kritisch tegenover discussies over het gebruik van de geïmmobiliseerde tegoeden,
met het oog op de vermeende financiële en juridische risico’s.
In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangegeven te zullen blijven pleiten voor
de inzet van de tegoeden. Het kabinet zal zich daarom in EU-verband inzetten om conform
de conclusies van de Europese Raad van december jl., aanvullende mogelijkheden voor
de inzet van de tegoeden te blijven onderzoeken. Hierbij is van belang dat de opties
financieel en juridisch houdbaar zijn, dat risico’s en lasten gezamenlijk worden gedragen
en dat eventuele stappen in EU-verband en in samenwerking met de G7. Op dit moment
ligt er, naast het eerdere voorstel voor herstelleningen, geen concreet voorstel voor
in EU-verband. Indien nadere voorstellen volgen, zal de Kamer hierover via de gebruikelijke
routes worden geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Eurogroep en informele Ecofinraad van 22 en 23 mei 2026 en van de overige
stukken. Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de in de raming de economische groei in Europa
neerwaarts is bijgesteld, voornamelijk door de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten
voor de energieprijzen. De geopolitieke ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor de
financiële situatie van Nederlanders. Genoemde leden vragen aandacht voor het versterken
van de Europese concurrentiekracht via minder marktbarrières, geïntegreerde energiemarkten
en een sterkere kapitaalmarktunie. Welke belemmeringen ziet de Minister specifiek
voor deze punten en op welke wijze zouden die weggenomen kunnen worden?
Een belangrijke voorwaarde voor een goed geïntegreerde energiemarkt is de uitrol van
voldoende grensoverschrijdende energie-infrastructuur, zoals interconnectoren om de
uitwisseling van energie tussen landen te faciliteren. Op dit moment wordt gewerkt
aan Europese wetgeving om de planning en snelle uitrol van infrastructuur te bevorderen,
zoals het EU Grids Package.
De Europese kapitaalmarkt is momenteel gefragmenteerd, onderontwikkeld en vooral bancair
georiënteerd. Dit belemmert investeringen, innovatie en groei. De Europese Commissie
heeft daarom diverse voorstellen gedaan om deze barrières binnen de kapitaalmarkt
weg te nemen. Het kabinet steunt een ambitieus akkoord op alle onderdelen van de lopende
onderhandelingen rond de kapitaalmarktunie, en werkt daarbij samen met kopgroepen
om de besluitvorming te versnellen.
Nationaal zet het kabinet zich in voor de implementatie van Europese richtlijnen die
bijdragen aan het versterken van de kapitaalmarkten. Daarnaast verkent het kabinet
de oprichting van een nationale investeringsinstelling en worden fiscale opties om
beleggen te stimuleren onderzocht.
De leden van de VVD-fractie merken op dat we op dit moment geen kapitaalmarktunie
hebben, maar dat de Minister wel bezig is met een kopgroep met andere landen om regelgeving
te standaardiseren. De leden vragen naar de stand van zaken op dit punt. En welke
stappen gaat de Minister concreet zetten na zijn oproep in het Financieel Dagblad
van 18 april 2026 («Minister Heinen wil voor het VK nieuw «toegangskaartje» bij EU
regelen») om het Verenigd Koninkrijk en eventueel Noorwegen en Canada hierbij te betrekken?
Het kabinet onderstreept het belang van een goed functionerende Europese kapitaalmarktunie
voor de concurrentiekracht van Nederland en de Europese Unie. Daarom werkt Nederland
samen met een kopgroep van zes landen, de zogenoemde E6. Binnen deze kopgroep worden
onderwerpen besproken als de spaar- en investeringsunie, de internationale rol van
de euro, defensie en kritieke grondstoffen. De huidige focus ligt op het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket (KTP), met als doel om tijdens de onderhandelingen
in de Raad eensgezindheid in snelheid en ambitie te realiseren. De inzet van het kabinet
is gericht op het succesvol versterken van de Europese kapitaalmarkt onder andere
door centralisatie van toezicht en het hanteren van gelijke regels voor de gehele
Europese Unie.
Naast de intensieve samenwerking binnen de EU vraagt het kabinet in het licht van
de huidige geopolitieke ontwikkelingen om een bredere blik. Het Verenigd Koninkrijk,
Noorwegen en Canada zijn belangrijke bondgenoten die hetzelfde belang hechten aan
het versterken van de economieën en het vergroten van de Europese concurrentiekracht.
Het kabinet geeft prioriteit aan het versterken van de Europese kapitaalmarkt, wat
voor bedrijven uit het VK aantrekkelijker kan maken om in de EU te investeren. De
toenemende open houding van de Britse regering richting de EU biedt een goede basis
voor een versterkte samenwerking.
Op dit moment worden voorbereiding getroffen voor de EU-VK Top die naar verwachting
voor de zomer zal plaatsvinden. Financiële diensten zijn op dit moment geen onderdeel
van de besprekingen. In zijn algemeenheid vindt het kabinet dat het aan het VK is
om aan te geven of er animo is om toe te treden tot de douane-unie of de Europese
interne markt. Vanzelfsprekend staan Nederland open voor het bespreken van de lange
termijn visie voor de relatie tussen de EU en het VK. Daarbij kan gekeken worden naar
modellen die de EU met andere derde landen heeft ingericht.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de gedachtewisseling over de
woningmarkt in relatie tot concurrentievermogen. Zij benadrukken dat woningmarktbeleid
primair een nationale verantwoordelijkheid is en dat uitbreiding van EU-bevoegdheden
op dit terrein, mede ook omdat Europese regelgeving van administratieve lasten woningbouw
zouden kunnen vertragen, in principe niet aan de orde moet zijn. Hoe ziet de Minister
de rolverdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en lidstaten op dit terrein?
In hoeverre maakt de Minister zich zorgen over mogelijke extra Europese regelgeving
of administratieve lasten voor de woningmarkt en woningbouw?
Het kabinet is van oordeel dat het woonbeleid een nationale bevoegdheid is en ook
moet blijven. Het is daarom positief dat de Europese Commissie dit uitgangspunt expliciet
bevestigt in het Affordable Housing Plan dat eind vorig jaar is gepresenteerd. Nederland staat hierin niet alleen, ook andere
lidstaten benadrukken het belang van nationale beleidsruimte op het terrein van wonen.
Het kabinet ziet in de gezamenlijke Europese aanpak niettemin kansen om de nationale
woningbouwopgave beter te ondersteunen. Zo wordt op Europees niveau gekeken naar wet-
en regelgeving die de woningbouwopgave bemoeilijkt. De Europese Commissie werkt daarom
toe naar een vereenvoudigingspakket voor woningbouw in 2027, gericht op het versnellen
van procedures en het wegnemen van belemmeringen voor woningbouw.
Daarnaast biedt samenwerking op Europees niveau mogelijkheden om innovaties sneller
aan te jagen en kennis uit te wisselen. Denk daarbij aan innovatieve bouwmethoden
en verduurzamingstechnieken die kunnen bijdragen aan snellere, betaalbaardere en duurzamere
woningbouw in Nederland.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat tijdens de informele Ecofinraad zal
worden gesproken over stablecoins. Deze leden zien hierbij risico’s voor de financiële
stabiliteit, in het bijzonder bij zogenoemde multi-issuance stablecoins. Zij zouden
graag zien dat deze risico’s goed in kaart worden gebracht en dat voorstellen voor
strengere waarborgen (waaronder een Europese «kill switch») geanalyseerd en getoetst
moeten worden. Zij vragen de Minister hoe hij deze risico’s momenteel beoordeelt.
Welke mitigerende maatregelen worden in Europees verband verkend? En hoe kijkt de
Minister aan tegen het pleidooi van Duitsland en Italië om multi-issuers onder centraal
Europees toezicht te plaatsen?
Financiëlestabiliteitsrisico’s ten aanzien van stablecoins worden gemonitord door DNB en in internationale overlegorganen zoals de Financial
Stability Board. Nederland maakt daar deel van uit. De mate waarin stablecoins een
risico voor de financiële stabiliteit vormen hangt samen met de verwevenheid met de
traditionele financiële sector. Hoewel die verwevenheid toeneemt, is deze op dit moment
nog beperkt. Om de risico’s te mitigeren en consumenten te beschermen geldt binnen
de Europese Unie de verordening cryptoactiva (MiCAR). MiCAR stelt onder andere prudentiële
eisen aan uitgevers van stablecoins. Zo moeten zij kapitaalbuffers aanhouden en aan
reserve-eisen voldoen. DNB houdt toezicht op uitgevers van stablecoins en AFM houdt
toezicht op cryptoactiva-dienstverleners.
Multi-issuance stablecoins zijn stablecoins die door twee verschillende uitgevers in twee verschillende rechtsgebieden
worden uitgegeven maar technisch hetzelfde en volledig met elkaar inwisselbaar zijn.
Onder meer de Europese Centrale Bank en DNB waarschuwen dat multi-issuance stablecoins
een verhoogd risico hebben voor de financiële stabiliteit. Op dit moment bestaat onduidelijkheid
over de juridische status van multi-issuance stablecoins onder MiCAR. Daarom zet het
kabinet in Europees verband in op aanvullende maatregelen om de risico’s van deze
multi-issuance stablecoins te mitigeren en rechtszekerheid te bieden. Het Europees
Comité voor Systeemrisico’s heeft aanbevelingen gedaan voor maatregelen om de risico’s
van multi-issuance te beperken2. Het kabinet steunt deze maatregelen op hoofdlijnen. Het kabinet is gezien de grensoverschrijdende
aard van multi-issuance stablecoins ook voorstander van het voorstel van Duitsland
en Italië om uitgevers van multi-issuance stablecoins onder centraal Europees toezicht
te plaatsen. Daarnaast is het van belang dat de Europese toezichthouder de handel
in een multi-issuance stablecoin kan stilleggen als de uitgever de voorwaarden niet
nakomt of wanneer deze een te groot risico vormt voor de monetaire stabiliteit. Dit
is de zogenoemde «kill switch» waar de leden van de VVD-fractie aan refereren. De
Europese Commissie heeft recent een consultatie gepubliceerd om MiCAR te evalueren.
Daarin zal het kabinet deze punten ook noemen.
Met betrekking tot de steun aan Oekraïne vragen de leden van de VVD-fractie de Minister
hoe het kabinet de post Oekraïnesteun in het nieuwe MFK benadert, aangezien nu al
duidelijk is dat 90 miljard euro niet voldoende lijkt te zijn.
In de Kamerbrief Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB die uw Kamer op korte termijn zult ontvangen, wordt nader ingegaan op de Nederlandse
inzet op de MFK onderhandelingen.
Duidelijk is dat Oekraïne de komende jaren afhankelijk blijft van de steun van derde
landen en de internationale gemeenschap. Het is in lijn met het Nederlandse beleid
om Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel actief en onverminderd te steunen
in tijd van oorlog, herstel en wederopbouw, zolang als dat nodig is.
De Europese Commissie heeft voor het nieuwe MFK een financieel steunpakket voor Oekraïne
voorgesteld van € 100 miljard gericht op herstel, wederopbouw en pre-toetredingssteun.
De precieze vormgeving, waaronder de verhouding daarin tussen leningen en giften,
is nog onderdeel van de bredere MFK-onderhandelingen.
Tot slot willen de leden van de VVD-fractie nog een vraag stellen naar aanleiding
van de berichtgeving over Spanje en het coronaherstelfonds in de Telegraaf van 14 mei
2026 («Miljarden uit EU-coronafonds naar pensioenen ambtenaren: linkse regering Spanje
onder vuur»). Deze berichtgeving roept behoorlijk wat vragen op bij de leden. De leden
van de VVD-fractie maken zich zorgen over de doelmatigheid en transparantie van deze
fondsen en vinden dat EU-geld aantoonbaar moet worden besteed aan de afgesproken doelen,
met stevige controle en verantwoording. Deelt de Minister het standpunt van de leden
van de VVD-fractie dat het onwenselijk is dat EU-geld op deze manier door Spanje is
besteed? En zo ja, is de Minister bereid dit in de EU aan te kaarten? Dit onderwerp
is des te meer relevant omdat de Europese Commissie de systematiek van het uitbetalen
van geld zoals dat gebeurt in het coronaherstelfonds, wil gebruiken voor het nieuwe
MFK.
De berichtgeving in de Telegraaf van 14 mei jl. refereert aan bevindingen van de Spaanse
Rekenkamer in een recent gepubliceerd rapport over de Spaanse Algemene Staatrekeningen
van 20243. De Spaanse Rekenkamer constateert dat de Spaanse regering 2,4 miljard euro aan middelen,
ontvangen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF), had ingezet voor de financiering
van o.a. pensioenuitgaven. De Spaanse Rekenkamer heeft kritiek op de nationale begrotingssystematiek,
specifiek de juridische onderbouwing voor de kasschuif die ten grondslag ligt aan
deze uitgaven. De Spaanse Rekenkamer heeft geen kritiek op de rechtmatige besteding
van HVF-middelen. De Europese Commissie heeft bevestigd dat er geen sprake is van
onrechtmatig gebruik van HVF-middelen. Uitbetaling uit de HVF vindt plaats op basis
van het behalen van vooraf geformuleerde mijlpalen en doelstellingen. De Europese
Commissie heeft bevestigd dat Spanje de nodige mijlpalen en doelstellingen heeft behaald
die vereist waren om deze middelen te ontvangen. Het is aan Spanje zelf om de investeringsprojecten
waarop de mijlpalen en doelstelling betrekking hebben te voorzien van financiering.
In het geval van Spanje heeft daarbij kennelijk een kasschuif plaatsgevonden tussen
vooraf geraamde nationale begrotingsposten. Indien de kasschuif leidt tot een tekort
aan financiering voor de implementatie van overige mijlpalen en doelen, dan zal Spanje
zelf middelen vrij moeten maken voor de financiering daarvan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Eurogroep en informele Ecofinraad op 22 en 23 mei 2026. Naar aanleiding hiervan hebben
de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen.
Allereerst willen de leden van de PVV-fractie weten welke financiële gevolgen het
niet volledig voldoen aan de mijlpalen en doelstellingen uit het Herstel- en Veerkrachtplan
met zich mee kan brengen voor de schatkist. Heeft het kabinet hierbij een back-up
plan, voor het geval Nederland uiteindelijk alsnog geen aanspraak kan maken op het
volledige deel uit het Europese coronafonds? Aan welke maatregelen denkt het kabinet
hierbij?
Als mijlpalen en doelstellingen niet vóór 31 augustus 2026 worden gehaald, kan Nederland
te maken krijgen met een korting. De korting kan oplopen tot maximaal ruim 600 miljoen
euro per niet-behaalde mijlpaal of doelstelling. Een korting leidt tot een tegenvaller
op de ontvangstenreeks op de begroting van Buitenlandse Zaken. Binnen de begrotingsregels
geldt dit als een generale tegenvaller die ingepast moet worden onder het uitgavenplafond.
Dit zal dan meelopen in de begrotingscyclus.
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op het gegeven dat Spanje
ervan beschuldigd wordt tot tien miljard euro aan EU-herstelgelden uit de coronacrisis
te hebben gebruikt om een gat in het pensioenstelsel te dichten. Klopt het dat het
niet in strijd is met de regels om vervroegd verstrekte post-Covid-financiering te
gebruiken om algemene begrotingsbehoeften te dekken?
De berichtgeving in de Telegraaf van 14 mei jl. refereert aan bevindingen van de Spaanse
Rekenkamer in een recent gepubliceerd rapport over de Spaanse Algemene Staatrekeningen
van 20244. De Spaanse Rekenkamer constateert dat de Spaanse regering 2,4 miljard euro aan middelen,
ontvangen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF), had ingezet voor de financiering
van o.a. pensioenuitgaven. De Spaanse Rekenkamer heeft kritiek op de nationale begrotingssystematiek,
specifiek de juridische onderbouwing voor de kasschuif die ten grondslag lag aan deze
uitgaven. De Spaanse Rekenkamer heeft geen kritiek op de rechtmatige besteding van
HVF-middelen. De Europese Commissie heeft bevestigd dat er geen sprake is van onrechtmatig
gebruik van HVF-middelen. Uitbetaling uit de HVF vindt plaats op basis van het behalen
van voor af geformuleerde mijlpalen en doelstellingen. De Europese Commissie heeft
bevestigd dat Spanje de nodige mijlpalen en doelstellingen heeft behaald die vereist
waren om deze middelen te ontvangen. Het is aan Spanje zelf om de investeringsprojecten
waarop de mijlpalen en doelstelling betrekking hebben te voorzien van financiering.
In het geval van Spanje heeft daarbij kennelijk een kasschuif plaatsgevonden tussen
vooraf geraamde nationale begrotingsposten. Indien de kasschuif leidt tot een tekort
aan financiering voor de implementatie van overige mijlpalen en doelen, dan zal Spanje
zelf middelen vrij moeten maken voor de financiering daarvan.
Is de Minister het eens met de Europese Rekenkamer dat het EU-coronafonds een gebrek
aan transparantie en controlemechanismen vertoont?
De Europese Rekenkamer (ERK) heeft op 6 mei jl. een rapport over de traceerbaarheid
en transparantie van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (HVF) gepubliceerd. De ERK
concludeert dat de meeste lidstaten HVF-uitgaven kunnen traceren. Wel heeft de ERK
kritiek op een aantal aspecten. De ERK vindt dat er een gebrek is aan openbare informatie
over de ontvangers van middelen uit de HVF en heeft kritiek op de beschikbaarheid
van informatie over werkelijke kosten. Daarnaast oordeelt de ERK dat de efficiëntie
van HVF-uitgaven onvoldoende kan worden beoordeeld.
Het kabinet hecht waarde aan de rechtmatige en transparante uitgave van Europese middelen.
Daarvoor zijn in de HVF-verordening verschillende bepalingen vastgesteld. Om aanspraak
te maken op middelen moeten lidstaten, als onderdeel van hun herstel- en veerkrachtplan,
een robuust nationaal controlesysteem opzetten. Zonder een goed werkend controlesysteem
hebben lidstaten geen recht op uitbetaling. Middels systeemaudits controleert de Europese
Commissie in alle lidstaten of de controlesystemen voldoen aan de vereisten, in het
bijzonder inzake het voorkomen van belangenconflicten, fraude, corruptie, en dubbele
financiering. Ook moeten lidstaten gegevens verzamelen over o.a. eindontvangers, contractanten
en subcontractanten. Daarnaast houden lidstaten een openbare lijst bij met de 100
ontvangers die de meeste HVF-middelen ontvangen. Deze verplichtingen vormen een evenwicht
tussen enerzijds gedegen gegevensverzameling en het voldoen aan transparantievereisten,
en anderzijds de bijkomende administratieve lasten.
Het kabinet wil benadrukken dat de werkwijze van de HVF bewust afwijkt van andere
Unie-programma’s, waar uitbetaling plaatsvindt op basis van de vergoeding van werkelijk
gemaakt kosten. Uitbetaling van HVF-middelen daarentegen vindt plaats op basis van
behaalde mijlpalen en doelstellingen. Wel moeten lidstaten bij goedkeuring of wijziging
van het HVP een gemotiveerde raming van de totale kosten van de hervormingen en investeringen
uit het plan aandragen. De Commissie beoordeelt deze raming op redelijkheid, aannemelijkheid
en kostenefficiëntie. Dat de uiteindelijke kosten kunnen afwijken van deze raming
is inherent aan de systematiek van de HVF.
Het rapport van de ERK bevat waardevolle lessen ten aanzien van de traceerbaarheid
en transparantie van de besteding van EU-middelen. Lidstaten zouden bijvoorbeeld op
een meer uniforme en systematische manier data kunnen verzamelen. Het kabinet neemt
de lessen van de ERK mee in de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel
Kader, waarin de HVF-werkwijze terugkomt. Het kabinet heeft echter ook oog voor de
uitvoeringslasten en benadrukt dat aandacht voor uitvoerbaarheid noodzakelijk is bij
betere verantwoording, maar ook bij vereenvoudiging van regels. Te vaak vormt de administratieve
last een belemmering voor een doeltreffende en doelmatige besteding van EU-middelen.
Voorts stellen de leden van de PVV-fractie vast dat de EU vanaf 2028 jaarlijks 25
miljard euro moet terugbetalen van de gezamenlijke schuld die tijdens de covidpandemie
is opgebouwd. Hoe «eerlijk» is het dat Nederland hieraan meebetaalt?
In het Commissievoorstel voor het Meerjarig Financieel Kader 2028–2034 is 24 miljard
euro per jaar opgenomen voor aflossing- en rentebetalingen voor het coronaherstelfonds
NGEU. In het eigenmiddelenbesluit, dat in 2020 is overeengekomen, is afgesproken dat
de geleende middelen uiterlijk 31 december 2058 moeten zijn afgelost en dat de rente
en terugbetaling van de niet-terugbetaalbare steun worden gefinancierd uit de EU-begroting.
Nederland draagt conform de afspraken uit het eigenmiddelenbesluit bij aan de EU-begroting.
Verder vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de uitspraak van Christine
Lagarde dat de invoering van de digitale euro «te lang duurt, zoals vermeld in het
Financieel Dagblad van 11 mei 2026 («Lagarde vindt invoering digitale euro te lang
duren»).
Het kabinet ziet meerwaarde in de introductie van de digitale euro zoals voorzien
in de Raadspositie5. Daarom hoopt het kabinet, net als mevrouw Lagarde, dat we in de EU voortgang maken
met de besluitvorming over de digitale euro. In december 2025 bereikte de Raad van
de Europese Unie haar akkoord over de digitale euro. Het Europees Parlement is nog
bezig met de behandeling van het voorstel. Zodra het Europees Parlement een positie
heeft bepaald, zullen de triloogonderhandelingen tussen de Raad van de Europese Unie
en het Europees Parlement van start gaan.
Kan de Minister wat betreft de invoering van de digitale euro tevens een update geven
of er voldaan is aan de vijf voorwaarden die het kabinet op 2 februari 2023 in het
verslag van een schriftelijk overleg heeft geformuleerd, namelijk (1) duidelijke voordelen
voor consumenten, bedrijven en brede economie; (2) waarborging van privacy; (3) overeenstemming
met het anti-witwasraamwerk; (4) waarborgen voor de financiële stabiliteit en (5)
een niet-programmeerbare digitale euro? Zijn dit nog steeds harde voorwaarden voor
dit kabinet voor de invoering van de digitale euro?
Het kabinet heeft u hierover reeds geïnformeerd in de Kamerbrief over de voortgang
van Europese wetgevingsdossiers6 op 9 december jl. De Raadspositie is voldoende in lijn met de Nederlandse inzet in
het BNC-fiche7. Dat houdt in dat de Raadspositie sterke waarborgen bevat die overeenkomen met de
voorwaarden die zijn genoemd in het verslag van een schriftelijk overleg op 2 februari
2023.
Het ontwerp en de wetteksten van de digitale euro zijn nog niet definitief. Het Europees
Parlement onderhandelt hier momenteel over, waarna de triloogfase kan beginnen.
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de EU-begrotingswens
van € 2.200 miljard. Waar ligt voor dit kabinet de precieze grens?
De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor het MFK 2028–2034 met een totale
omvang van 1.985 miljard euro in lopende prijzen. Het Europees Parlement heeft voorgesteld
dit bedrag te verhogen naar bijna 2.200 miljard. De inzet van het Europees Parlement
(EP) voor een grotere EU-begroting dan het Commissievoorstel beoordeelt het kabinet
negatief. Zo vindt het kabinet de budgettaire impact van het Commissievoorstel op
de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting al onacceptabel, dat geldt dus ook voor
de verhoging die het EP voorstelt. Er zijn diverse factoren die invloed hebben op
de Nederlandse afdracht aan de Europese begroting. De hoogte van het MFK is er daar
één van. Om tot een acceptabele Nederlandse bijdrage aan het MFK te komen zet het
kabinet daarom in op een verlaging van de voorgestelde omvang van het Meerjarig Financieel
Kader (MFK), tevens moet de korting die Nederland ontvangt op de bni-afdracht behouden
worden en de perceptiekostenvergoeding dient op 25% te blijven.
Kan de Minister de ontwikkeling en een prognose geven van de EU-begroting (in miljarden)
in de periode vanaf 2010 tot en met 2035 en aangeven hoeveel Nederland daaraan heeft
bijgedragen?
De Commissie publiceert op haar website een overzicht van de ontwikkeling van de EU-begroting
sinds 2000, inclusief de Nederlandse bijdrage daaraan.8 Voor het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) zijn de relevante cijfers tevens
opgenomen in de jaarlijkse EU-begrotingen.9 De gerealiseerde en geraamde Nederlandse bijdragen zijn daarnaast terug te vinden
in de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, artikel 3.10 Voor de periode vanaf 2028 is nog geen overeenstemming bereikt over een nieuw MFK.
De Europese Commissie heeft voorstellen gepubliceerd voor het volgende MFK en het
eigenmiddelenbesluit (EMB).11 De Kamer heeft hierover een kabinetsappreciatie ontvangen.12
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken ten behoeve van de
aankomende Ecofinraad en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie volgen met belangstelling de analyse van voormalig ECB-president
Mario Draghi over de geopolitieke positie van Europa, die hij onder meer heeft uitgedragen
bij de uitreiking van de Charlemagne prijs (zie ook de berichtgeving van BNR van 15 mei
2026: «Voormalig ECB-topman Draghi sombert: «Europa staat er voor het eerst helemaal
alleen voor»).
Draghi stelt dat Europa zich moet voorbereiden op een wereld waarin de Verenigde Staten
niet langer vanzelfsprekend een stabiele partner zijn en waarin strategische afhankelijkheden
opnieuw moeten worden bezien. Tevens stelt hij dat de institutionele inrichting van
de Europese Unie onvoldoende aansluit op de huidige geopolitieke en economische werkelijkheid.
Kan de Minister reflecteren op deze analyse van Draghi?
Draghi heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het in gang zetten van het debat
om het EU concurrentievermogen te versterken. Draghi richt zich in zijn speech erg
veel op het belang van het verdiepen van de interne markt en kapitaalmarktunie. Dit
is van belang niet alleen vanuit economische, maar ook geopolitieke doeleinden. Het
kabinet kan deze lijn steunen.
Bovendien erkent het kabinet dat een versnelde en meer coherente inzet op identificatie
en mitigatie van risicovolle strategische afhankelijkheden nodig is. Dat vraagt om
een sterk gezamenlijk optreden van de EU: door de eigen productiviteitsgroei te verhogen,
en te investeren in eigen capaciteit (promote), sterke partnerschappen met gelijkgezinde
landen (partner) en gerichte, gemoderniseerde handelsdefensieve instrumenten (protect),
zonder in protectionisme te vervallen.
Het kabinet deelt de analyse van Draghi dat de institutionele inrichting van de EU
verbeterd kan worden om de slagvaardigheid van de EU te versterken. Zoals beschreven
in de BZ beleidsbrief zet het kabinet daarom in op het verbeteren van de besluitvormingsprocedures
binnen het Gemeenschappelijk Buitenland- en Veiligheidsbeleid (GBVB), waaronder via
meer gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming. Samen met gelijkgezinde lidstaten
zet Nederland zich hiervoor in. Ook zet het kabinet zich in om – indien nodig – via
nauwere samenwerking en het vormen van kopgroepen de slagvaardigheid van de EU te
versterken.
Deelt het kabinet de opvatting dat een slagvaardiger Europa inmiddels ook een fundamenteel
financieel-economisch vraagstuk is? Op welke wijze krijgt dit onderwerp momenteel
vorm binnen de Ecofinraad en de bredere Europese financiële agenda?
Verstandig financieel-economisch beleid vormt een belangrijke randvoorwaarde voor
een slagvaardig Europa. In de Ecofinraad wordt er regelmatig gesproken over een breed
palet onderwerpen die van belang zijn in dit kader, zoals begrotingsbeleid, hervormingen
en investeringen, integratie van de kapitaalmarktunie, en de internationale rol van
de Euro. Het kabinet benadrukt in deze discussies het belang van onder andere het
waarborgen van schuldhoudbaarheid, prudent begrotingsbeleid, het doorvoeren van structurele
hervormingen en prioriteren van uitgaven.
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast enkele vragen naar aanleiding van de
vorige Ecofinraad. Het stilvallen van transport via de Straat van Hormuz zet druk
op energieprijzen en leveringszekerheid. Daarbij werkt de Europese Commissie aan voorstellen
rond elektrificatie, energie-infrastructuur en het emissiehandelssysteem. Wanneer
verwacht het kabinet concrete voorstellen van de Europese Commissie op deze onderdelen?
Welke besluitvormingstrajecten voorziet het kabinet vervolgens en op welke termijn
verwacht het kabinet verdere behandeling binnen de Raad?
De Europese Commissie heeft in AccelerateEU voorstellen ten aanzien van elektrificatie,
netwerktarieven en een EU ETS herziening aangekondigd. Ten aanzien van elektrificatie
verwacht het kabinet dat een actieplan wordt voorgesteld. Het is nog niet bekend of
hier wetgevende voorstellen aan gekoppeld worden. Dit actieplan wordt in Q2 2026 verwacht.
Ten aanzien van netwerktarieven heeft de Commissie in de AccelerateEU-mededeling aangekondigd
om in juni 2026 met een wetgevend voorstel te komen op netwerktarieven en energiebelasting.
Het is nog niet bekend of de huidige voorzitter van de Raad, Cyprus, voornemens is
om onderhandelingen over dit wetgevend voorstel op te starten, of dat dit zal gebeuren
onder Iers voorzitterschap (vanaf 1 juli). Ten aanzien van het EU ETS komt de Commissie
in juli 2026 met een voorstel voor een herziening van het ETS-1. Hierna zullen de
onderhandelingen van start gaan. Naar verwachting vindt de eerste bespreking op politiek
niveau plaats in de Milieuraad in oktober dit jaar.
Voorts wordt gesproken over mogelijke Europese maatregelen ten aanzien van overwinsten
in de olie- en gassector. Wanneer verwacht het kabinet hierover meer duidelijkheid
vanuit de Europese Commissie? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van eventuele
Europese maatregelen op dit punt?
De Europese Commissie heeft in de AccelerateEU mededeling van 22 april jl. aangegeven
dat Lidstaten maatregelen kunnen nemen toegespitst op het belasten van overwinsten
van olie- en gasbedrijven vanuit het oogpunt van sociale rechtvaardigheid. De Commissie
heeft aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan
doen, omdat dit een nationale aangelegenheid is. De Commissie zal beslissingen van
de lidstaten hiertoe respecteren en lidstaten ondersteunen met «best practices» voor
de vormgeving van nationale maatregelen en de impact van deze maatregelen op de interne
markt beoordelen. Het is van belang de komende tijd te blijven monitoren of er daadwerkelijk
overwinsten ontstaan. Het kabinet zal hier ook bij de Commissie aandacht voor blijven
vragen. Tijdens de Ecofin van 4 en 5 mei heeft Nederland opgeroepen tot een nadere
analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gas bedrijven als
gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft Nederland opgeroepen op EU-niveau
de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten
als er inderdaad sprake is van overwinsten. Ook heeft Nederland in de informele Energieraad
van 13 mei jl. steun uitgesproken voor een ondersteunende rol van de Commissie in
het verduidelijken van de juridische mogelijkheden voor het belasten van overwinsten.
De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat wordt gewerkt aan verdere coördinatie
van nationale steunmaatregelen. Wanneer verwacht het kabinet het overzicht van nationale
maatregelen vanuit de Europese Commissie? Deelt het kabinet de opvatting dat grote
verschillen tussen lidstaten het gelijke speelveld en de interne markt onder druk
kunnen zetten? Deelt het kabinet daarnaast de zorg dat omvangrijke nationale steunmaatregelen
de houdbaarheid van Europese begrotingen verder onder druk kunnen zetten?
De Europese Commissie heeft op 13 mei een catalogus gepresenteerd met best practices van EU-lidstaten sinds 2022 met maatregelen om op korte termijn het verbruik van
olie en gas te verminderen, energie te besparen en de productie van schone energie
te verhogen. De maatregelen zijn volgens de Commissie breed toepasbaar binnen de EU
en kunnen zowel burgers als bedrijven snel verlichting bieden, terwijl ze ook leiden
tot een structurele daling van de vraag naar fossiele brandstoffen. Daarnaast heeft
de Commissie in de AccelerateEU-mededeling aangekondigd om te komen met een digitale
database met nationale noodmaatregelen die lidstaten hebben genomen. De precieze planning
en opzet van deze database zijn nog niet bekend.
Het kabinet deelt de opvatting dat grote verschillen tussen lidstaten bij nationale
steunmaatregelen het gelijke speelveld en de interne markt onder druk kunnen zetten.
Transparantie over nationale noodmaatregelen in reactie op deze crisis kan ertoe bijdragen
om het gelijke speelveld te bewaren. Daarnaast verwacht het kabinet van de Commissie
dat deze zal toetsen bij andere lidstaten of nationale maatregelen marktverstorende
effecten hebben op de interne markt.
De leden van de CDA-fractie hebben tevens vragen over de Spaar- en Investeringsunie.
Nederland behoort tot de groep van zes lidstaten die heeft aangedrongen op versnelling
van de Spaar- en Investeringsunie, inclusief het pakket voor kapitaalmarktintegratie
en toezichtcentralisatie. Welke concrete stappen verwacht het kabinet de komende maanden
op dit dossier? En wanneer wordt de Kamer hier weer over geïnformeerd? Waar liggen
volgens het kabinet momenteel de belangrijkste politieke en institutionele knelpunten?
Acht het kabinet een Raadsakkoord deze zomer haalbaar?
Op dit moment lopen de onderhandelingen over verschillende voorstellen die volgen
uit de mededeling van de Europese Commissie over de spaar- en investeringsunie van
maart 2025 nog, waaronder over het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket.
Uw Kamer is op 18 mei jl. geïnformeerd over de bespreking van dit pakket in de Ecofinraad
van 5 mei jl. De Kamer zal op de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd over de voortgang
van de onderhandelingen. Het kabinet zet in op een afronding van de onderhandelingen
in de Raad voor deze zomer, conform de oproep van de Europese Raad van afgelopen maart
om voor het eind van het jaar overeenstemming met het Europees Parlement te bereiken.
Tot slot hebben de leden van de CDA-fractie vragen over de aankomende vergadering
en dan specifiek over het punt woningmarkten in relatie tot concurrentievermogen.
Deze leden constateren dat binnen Europese discussies relatief weinig aandacht bestaat
voor het belang van doorstroming op de woningmarkt. Deze leden wijzen erop dat het
stimuleren van verhuizingen onder senioren ook starters en gezinnen meer kansen op
de woningmarkt biedt wat ook van belang is voor onze economie.
Nederland kent in vergelijking met andere Europese landen relatief veel woningvermogen
bij ouderen, gecombineerd met een sterk pensioenstelsel. Tegelijkertijd sturen Europese
kaders sterk op schuldreductie en risicobeperking, bijvoorbeeld in discussies over
aflossingsvrije hypotheken. Volgens deze leden leidt dit in de praktijk tot beperkte
mogelijkheden om overwaarde verantwoord in te zetten ten behoeve van doorstroming.
De leden van de CDA-fractie leden vragen het kabinet daarom te reflecteren op de mogelijkheid
van zogenoemde life-cycle lending binnen bestaande Europese kaders. Deelt het kabinet
de opvatting dat financiering meer rekening zou kunnen houden met levensfase, pensioeninkomen
en opgebouwd vermogen? Ziet het kabinet ruimte voor een breder risicokader waarin
naast inkomen ook pensioenvermogen, woningvermogen en loan-to-value-verhoudingen worden
meegewogen? Hoe kijkt het kabinet aan tegen verdere Europese harmonisatie van verzilverproducten?
En is het kabinet bereid de relatie tussen woningmarkt, doorstroming, arbeidsmobiliteit
en macro-economisch concurrentievermogen actiever te agenderen binnen de Ecofinraad?
De leennormen zijn gericht op verantwoorde kredietverstrekking. Daarbij wordt gekeken
naar de hoogte van de lening ten opzichte van het (pensioen) inkomen van de consument
(loan-to income) en de hoogte van de lening ten opzichte van de waarde van de woning (loan-to-value). De leennormen zijn in 2025 geëvalueerd door SEO Economisch Onderzoek en grotendeels
doeltreffend en volledig doelmatig bevonden. Indien de consument vermogen heeft opgebouwd
kan de consument dat vermogen gebruiken om de benodigde hypotheek te verlagen. Kredietverstrekkers
kunnen via maatwerk een hypotheek verstrekken aan consumenten die niet in aanmerking
komen voor een hypotheek op basis van de leennormen. De kredietverstrekker moet dan
onderbouwen waarom de hypotheek toch verantwoord is voor de desbetreffende consument.
Via een verzilverhypotheek kunnen consumenten de overwaarde van hun huis gebruiken
als aanvulling op hun pensioeninkomen. De verzilverhypotheek is gericht op consumenten
die de pensioengerechtigde leeftijd (bijna) hebben bereikt en weinig pensioeninkomen
of vermogen hebben. Er is geen noodzaak tot verdere Europese harmonisatie van verzilverproducten
aangezien er geen belemmeringen zijn voor kredietverstrekkers om dergelijke producten
aan te bieden. Verzilverhypotheken worden ook door diverse kredietverstrekkers in
Nederland aangeboden.
Het kabinet ziet raakvlakken tussen woningmarkt, doorstroming, arbeidsmobiliteit en
macro-economisch concurrentievermogen en is bereid deze samenhang, waar relevant,
ook binnen de Ecofinraad onder de aandacht te brengen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Eurogroep en informele Ecofinraad van 22 en 23 mei 2026.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de verslechterende macro-economische
situatie in Europa. De groeiverwachtingen zijn opnieuw neerwaarts bijgesteld en de
eurozone groeide in het eerste kwartaal slechts beperkt. Tegelijkertijd lopen inflatieverwachtingen
weer op.
Daarnaast wijzen recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de aanhoudende spanningen
rond de Straat van Hormuz op het risico van langdurig hogere energieprijzen, verstoringen
in mondiale toeleveringsketens en een scenario van stagflatie.
De leden van de JA21-fractie constateren tevens dat vanuit de ECB wordt aangegeven
dat men nog ruimte ziet om af te wachten met renteverhogingen. Deze leden wijzen erop
dat de ECB in 2021 en 2022 eveneens te laat reageerde op oplopende inflatie.
Hoe beoordeelt het kabinet de risico’s van een langdurige blokkade van de Straat van
Hormuz voor de Europese economie, inflatie en energievoorziening? Hoe kijkt het kabinet
naar de recente signalen vanuit obligatiemarkten, waar oplopende kapitaalmarktrentes
wijzen op zorgen over hardnekkige inflatie, geopolitieke risico’s en oplopende overheidsschulden?
Is de Minister niet bang dat centrale banken opnieuw achter de inflatiecurve dreigen
te raken, terwijl financiële markten daar nu al op reageren met hogere kapitaalmarktrentes?
Een langdurige blokkade van de Straat van Hormuz zou gepaard gaan met hogere inflatie
en lagere economische groei. In de meest recente raming van de ECB zijn de groeivooruitzichten
voor de eurozone neerwaarts bijgesteld en de inflatievooruitzichten opwaarts bijgesteld.
Daarbij gaat het ECB uit van drie scenario’s vanwege de onzekerheid rondom de raming
(zie figuur, ECB (2026), ECB staff macroeconomic projections for the euro area, March 2026). De exacte impact op de economische groei en inflatie zal afhangen van de duur en
intensiteit van het conflict.
Rentes zijn opgelopen als gevolg van hogere inflatieverwachtingen op de korte termijn
en zorgen over oplopende overheidsschulden als gevolg van steunpakketten en lagere
economische groei. De begrotingsruimte is daarbij beperkter dan bij eerdere crises
het geval was. Dit onderstreept het belang van gerichte, tijdelijke en tijdige steunpakketten,
zoals benadrukt door o.a. het IMF en de OESO.
Voorafgaand aan het conflict stabiliseerde de inflatie in de eurozone zich rond de
2%-doelstelling. Als gevolg van de gestegen energieprijzen is de HICP-inflatie in
de eurozone inmiddels opgelopen naar 3,0% in april. De ECB heeft bij de vorige rentevergadering
benadrukt de ontwikkelingen nauwgezet te monitoren. Daarbij gaf Lagarde aan dat de
ECB krachtig zal reageren indien de inflatie aanzienlijk en langdurig van de inflatiedoelstelling
beweegt.
De leden van de JA21-fractie constateren daarnaast dat Italië opnieuw pleit voor verdere
flexibilisering van het Stabiliteits- en Groeipact vanwege de energiecrisis. Hoe gaat
Nederland concreet oppositie voeren tegen pogingen om energie-uitgaven buiten het
Stabiliteits- en Groeipact te plaatsen? Deelt het kabinet de opvatting dat juist in
tijden van geopolitieke onzekerheid geloofwaardige begrotingsdiscipline essentieel
is om financiële stabiliteit en vertrouwen op financiële markten te behouden?
Het kabinet deelt de opvatting dat geloofwaardige begrotingsdiscipline in tijden van
geopolitieke onzekerheid essentieel is voor financiële stabiliteit en vertrouwen op
financiële markten. Het verder oprekken van uitzonderingsclausules ondermijnt de werking
en geloofwaardigheid van het herziene begrotingsraamwerk, kort nadat hierover nieuwe
afspraken zijn gemaakt.
Het vergroot het risico op hogere schulden en ruimere begrotingspolitiek, terwijl
de huidige economische omstandigheden juist vragen om houdbare overheidsfinanciën
en gerichte inzet van middelen. Het is daarom onwenselijk om verdere flexibiliteit
binnen de begrotingsregels te creëren.
Nederland zal zich in de Eurogroep en Ecofinraad blijven uitspreken tegen pogingen
om energie-uitgaven buiten het reguliere begrotingskader te plaatsen, of andere voorstellen
die de begrotingsdiscipline zoals vereist onder het SGP ondergraven. Italië heeft
de wens voor meer flexibiliteit in de Eurogroep van 4 mei jl. al uitgesproken. Daarbij
leek de steun bij andere lidstaten voor uitbreiding van de nationale ontsnappingsclausule
naar energie-gerelateerde uitgaven zeer beperkt. Ook de Commissie ziet risico’s voor
de schuldhoudbaarheid en heeft aangegeven dat het huidige SGP-kader voldoende flexibiliteit
biedt.
De leden van de JA21-fractie merken op dat hogere energieprijzen in markteconomieën
vanzelf leiden tot aanpassingen in vraag en aanbod. Juist daarom vragen deze leden
zich af of aanvullende Europese lastenverzwaringen via ETS2 economisch verstandig
zijn in de huidige omstandigheden. Erkent het kabinet dat ETS2 bovenop een geopolitieke
energieschok inflatie verder kan versterken en economische groei kan afremmen? Hoe
beoordeelt het kabinet de koopkrachteffecten van ETS2 voor huishoudens, mkb’ers en
energie-intensieve bedrijven in een scenario van langdurig hoge energieprijzen? Is
het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor heroverweging van ETS2
indien de huidige energiecrisis aanhoudt?
De huidige geopolitieke crisis onderstreept het belang om de afhankelijkheid van energiebronnen
uit het buitenland te verminderen. Het ETS2 is een belangrijk onderdeel van het Europese
Fit-for-55 pakket en draagt op een kosteneffectieve manier bij aan het behalen van
de klimaatdoelen en het verminderen van de afhankelijkheid van het buitenland. Het
ETS2 heeft daarnaast waarborgen om het risico op te hoge prijzen te verkleinen. Eind
vorig jaar heeft de Europese Commissie voorstellen gepubliceerd om de prijsstabiliteit
en voorspelbaarheid van ETS2 verder te vergroten. Onderdeel hiervan was ook het versterken
van het prijsbeheersingsmechanisme, waarmee de hoeveelheid rechten die op de markt
worden gebracht is verdubbeld in geval dat het prijsniveau wordt overschreden.
Daarnaast heeft de Commissie aangegeven sowieso gebruik te maken van de discretionaire
bevoegdheid als het prijsniveau binnen een jaar een tweede keer wordt overschreden.
Het kabinet vindt deze versterking van het prijsbeheersingsmechanisme voldoende om
aan deze zorgen tegemoet te komen. Tot slot worden de opbrengsten onder andere gebruikt
om het Social Climate Fund te financieren. Dat fonds is gericht op het ondersteunen
van de financieel kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen. Zoals gebruikelijk
weegt het kabinet het algehele koopkrachtbeeld in augustus.
Op 10 december 2025 is door de Raad en het Europees Parlement besloten om de inleverplicht
en veilingen onder ETS2 met een jaar uit te stellen, naar 1 januari 2028.
De leden van de JA21-fractie blijven kritisch op de digitale euro. Zij constateren
dat private Europese marktpartijen via het European Payments Initiative reeds werken
aan Europese betaalsoevereiniteit zonder publieke Europese betaalinfrastructuur. Hoe
beoordeelt het kabinet de ontwikkeling van private Europese betaalinitiatieven zoals
het European Payments Initiative?
Waarom acht het kabinet de digitale euro nog noodzakelijk naast deze marktontwikkelingen?
Hoe beoordeelt het kabinet de waarschuwingen van Europese banken over de hoge implementatiekosten
van de digitale euro? Klopt het dat banken en betaaldienstverleners fors moeten investeren
in wallets, infrastructuur, compliance en klantenservice voor de digitale euro?
Het is nog niet duidelijk hoe hoog de kosten precies zullen zijn. Dit hangt ook af
van de ontwerpkeuzes waarover nog wordt onderhandeld. Banken en betaaldienstverleners
zullen een rol krijgen in de distributie van de digitale euro en moeten daarvoor de
nodige investeringen doen. Het kabinet vindt het daarom passend dat zij deze kosten
uiteindelijk kunnen terugverdienen. Het Raadsakkoord waarborgt dit, terwijl tegelijkertijd
wordt voorkomen dat winkeliers met te hoge kosten worden geconfronteerd.
Daarnaast benadrukt het kabinet dat de digitale euro tevens baten heeft. Zo kunnen
de offline functionaliteiten omzetderving bij pinstoringen voorkomen of verminderen.
Verder zijn er ook niet-kwantificeerbare baten, zoals het vergroten van onze strategische
autonomie en weerbaarheid.
De ECB stelt dat de digitale euro voor basisgebruik gratis moet zijn. Kan het kabinet
aangeven wie uiteindelijk de implementatie- en operationele kosten van de digitale
euro zal dragen? Hoe voorkomt het kabinet dat implementatiekosten uiteindelijk worden
doorberekend aan winkeliers, webshops, rekeninghouders en consumenten? Is het kabinet
bereid zich ervoor in te zetten dat invoering van de digitale euro alleen plaatsvindt
indien sprake is van aantoonbare kostenneutraliteit voor ondernemers en consumenten?
De voorstellen voor de digitale euro voorzien inderdaad dat bepaalde basisdiensten
gratis zijn voor consumenten, zoals het openen van een digitale-eurorekening of het
doen van betalingen. Met het uitrollen van de digitale euro gaan kosten gepaard. Deze
kosten worden verdeeld tussen winkeliers en betaaldienstverleners, waarbij ook het
Eurosysteem een deel voor zijn rekening zal nemen.
De Europese onderhandelingen over de vormgeving van de digitale euro lopen nog, waaronder
over het kostenmodel. In de Raadspositie is opgenomen dat kosten voor winkeliers in
de eerste jaren niet hoger mogen zijn dan kosten van vergelijkbare betaalmiddelen.
Het kabinet vindt het echter ook belangrijk dat banken hun kosten op termijn kunnen
terugverdienen. Daarom vindt het kabinet het passend dat de maximale tarieven op den
duur worden herzien op basis van de daadwerkelijke kosten van een transactie. Het
kabinet vindt de baten die de digitale euro heeft belangrijk voor Nederland en Europa.
Het is aanvaardbaar dat hier kosten mee gepaard gaan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier