Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Flach over het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten
Vragen van de leden Stoffer en Flach (beiden SGP) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten (ingezonden 17 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
22 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1869.
Vraag 1
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte
termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar
2026–2027 gaan sluiten?
Antwoord 2
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat
onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van
de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan
fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging
fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen
onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het
einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel
scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht
openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens
tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Vraag 3
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor
de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak
ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Antwoord 3
Zie antwoord op vraag 4.
Vraag 4
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid
van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid
om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe
het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan
worden?
Antwoord 4
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang
is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod
is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair
onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd
en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra
druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de
stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap
toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid,
stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving
kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen
van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine
scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante
partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vraag 5
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden
voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen
dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig,
bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Antwoord 5
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen
te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval
van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs
zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus
goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot
sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute
noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan
in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad
(hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een
(voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet
de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende
tijd heeft advies uit te brengen.
Vraag 6
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld
is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?3 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
Antwoord 6
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren
afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei
een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen
dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur
een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen
in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor
de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente
zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen
van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om
gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting
centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei
in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig
vinden.
Vraag 7
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het
voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra
respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk
op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de
23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die
op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Antwoord 7
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op
rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil
ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld
om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig
moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren
toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door
de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar
scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige
verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van
beleid.
Vraag 8
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die
een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief
voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere
ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
Antwoord 8
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe
rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De
meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke
eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen,
die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen.
Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een
kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking
lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee
geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van
de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook
onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden
ondersteund.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.