Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied (ingezonden 17 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
19 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1639.
Vraag 1
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar»
en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit
Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen
bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor
extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller
groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Antwoord 2
Uit het onderzoek is dit verband inderdaad vastgesteld. Het ging daarbij om broedkolonies
op onbegroeide plekken op kleine, onbewoonde eilanden, met weinig toevoer van nutriënten.
Vraag 3
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest
lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Antwoord 3
Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderzochte broedgebieden van zeevogels grotere
hoeveelheden vogelmest terechtkomen dan zonder aanwezigheid van de vogels waardoor
er relatief meer nutriënten in de bodem belanden. Dit maakt deel uit van een natuurlijk
proces in dat ecosysteem.
Vraag 4
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest
bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid
waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting
wordt beschouwd?
Antwoord 4
Dat stikstofdepositie in beginsel negatief is, is geen uitgangspunt van het beleid.
Stikstofdepositie komt ook van nature voor en wordt wel aangeduid als «natuurlijke
achtergronddepositie». De natuur is aangepast aan die mate van depositie. In hoeverre
een verhoogde depositie een probleem is, wordt uitgedrukt in de kritische depositiewaarden:
voor heel wat natuurwaarden is de huidige mate van depositie inderdaad een probleem,
voor andere niet. Het (zeer lokaal) bemesten van onbegroeid zand door broedvogels,
waardoor de vestiging van pioniervegetatie wordt versneld, is hiermee dus niet in
strijd. De versnelde vestiging van pioniervegetatie door vogelmest op onbegroeid zand
zegt immers niets over de effecten van atmosferische stikstofdepositie op andere habitats,
en kan niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in algemene zin goed
zou zijn voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige
soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt
deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Antwoord 5
Die opvatting deel ik, zoals blijkt uit het antwoord op de vorige vraag. Dat is dan
ook precies de reden waarom er bij het bepalen van noodzakelijke maatregelen voor
Natura 2000-gebieden rekening wordt gehouden met kritische depositiewaarden (die zeer
verschillend zijn per type natuur) en verschillende normen voor waterkwaliteit (al
naar gelang het type water een bepaalde nutriëntenbelasting aan kan).
Vraag 6
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de
habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing
met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren
en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit
onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve
rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Antwoord 6
Het eiland is onderdeel van een dynamisch systeem, waarbij hoge golven kunnen leiden
tot erosie. In zo'n situatie kan de aanvullende nutriëntenaanvoer via de vogels zorgen
voor versnelde duinvorming op plekken met voorheen geen of weinig begroeiing. Dat
is positief voor de broedbiotoop van de vogelsoorten in kwestie. Voor de genoemde
stikstofgevoelige habitattypen kan grootschalige nutriëntenaanvoer tegelijkertijd
een negatieve impact hebben op het habitattype. Omdat de impact van de nutriëntenaanvoer
van de vogels alleen zeer lokaal is, zijn er geen aanwijzingen dat de vogels die broeden
op de eilanden een significante negatieve impact hebben op de aanwezige stikstofgevoelige
habitattypen. Dat is anders bij stikstofdepositie vanuit de lucht, die gevolgen heeft
voor het volledige oppervlak van de genoemde habitattypen. Overigens zijn die gevolgen
niet groot, omdat de kritische depositiewaarden van de genoemde habitattypen meestal
niet tot weinig overschreden worden.
Vraag 7
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende
bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen)
en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
In de beantwoording van eerdere Kamervragen op 16 februari 20242 en 18 maart 20243 is uitgebreid ingegaan op het effect van wilde dieren op de totale stikstofemissie
en -depositie. Hierin is aangegeven dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu (RIVM) in het rapport «Verkenning biogene stikstofemissies»4 een inschatting heeft gemaakt van de hoeveelheid ammoniak die door wilde dieren wordt
uitgestoten in Nederland. In totaal komt die voor vogels en zoogdieren uit op 1,9 kiloton
ammoniak, met een bandbreedte van 1,3 tot 2,5 kiloton. Dit is 1,5% van de totale Nederlandse
uitstoot van ammoniak. De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt
wel altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden of in de omgeving. In
de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect
verwerkt.
Bij de beoordeling van natuurkwaliteit wordt in natuurdoelanalyses gekeken naar diverse
drukfactoren, waaronder bijvoorbeeld de directe invloed van ganzen; en niet alleen
naar atmosferische stikstofdepositie.
Vraag 8
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig
is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te
boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 8
Zoals ook aangegeven in de voornoemde beantwoording van eerdere Kamervragen is er
door het RIVM een inschatting gemaakt van de totale ammoniakemissie naar de lucht
afkomstig van wilde dieren in Nederland. Bij die analyse is geen berekening gemaakt
hoeveel daarvan binnen specifieke Natura 2000-gebieden terechtkomt. De berekende totale
depositie in Natura 2000-gebieden wordt wel altijd gekalibreerd op basis van metingen
in die gebieden of in de omgeving. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage
van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
In Natuurdoelanalyses en beheerplannen wordt gekeken naar meerdere drukfactoren, en
niet alleen naar atmosferische stikstofdepositie. Waar relevant wordt daarin ook ingegaan
op andere vormen waarin wilde vogels voor vermesting kunnen zorgen. Zo staat in de
Natuurdoelanalyse voor Duinen Schiermonnikoog de vermesting door ganzen en aalscholvers
benoemd als belangrijkste oorzaak voor eutrofiëring van de Westerplas; het gaat in
dat geval om rechtstreekse bemesting van het oppervlaktewater door de uitwerpselen
van vogels, en niet om (atmosferische) stikstofdepositie.
Vraag 9
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken
bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding
van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Antwoord 9
Zie antwoord 7 voor het antwoord op de vraag hoe ammoniakemissie naar de lucht vanuit
wilde dieren, zoals grote vogelkolonies, wordt betrokken bij het bepalen van stikstofdepositie.
Bij de beoordeling van het doelbereik van habitattypen in Natura 2000-gebieden worden
in beheerplannen en Natuurdoelanalyses naar het effect van diverse drukfactoren gekeken.
Waar relevant wordt daarbij ook gekeken naar directe stikstofaanvoer uit uitwerpselen
van vogelkolonies. Zo wordt in diverse natuurdoelanalyses de ganzenpopulatie genoemd
als bron van nutriëntenbelasting van het water (onder andere Kempenland-West en Zouweboezem).
De beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen gebeurt op landelijke
schaal. Deze staat van instandhouding wordt o.a. bepaald door de aanwezigheid van
drukfactoren die een middelgrote of hoge impact op een habitattypen hebben. Stikstofaanvoer
vanuit grote vogelkolonies kan een drukfactor zijn voor habitattypen, maar dit is
pas het geval op het moment dat de stikstofaanvoer hoger is dan in natuurlijke situaties.
Natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies wordt dus meegenomen in de
beoordeling van de staat van instandhouding. Op dit moment is deze drukfactor echter
voor geen enkel habitattype groot genoeg om als significante drukfactor voor de landelijke
staat van instandhouding aangemerkt te worden.
Vraag 10
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden
verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels5?
Antwoord 10
Het in de vraag genoemde rapport van het RIVM concludeert dat het onwaarschijnlijk
is dat (tot op heden) onbekende emissiebronnen de oorzaak kunnen zijn van de waargenomen
discrepantie in stikstofmetingen langs de kust.
Vraag 11
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden
gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
Antwoord 11
De uitkomsten van het hierboven genoemde Eindrapport van het RIVM zijn meegenomen
met de laatste actualisatie van AERIUS (oktober 2025). Ook dit najaar wordt AERIUS
weer geactualiseerd op basis van de dan actuele wetenschappelijke inzichten en cijfers.
Op dit moment zijn er geen wijzigingen voorzien die relateren aan «ammoniak van zee».
Vraag 12
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen
die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Antwoord 12
Waarschijnlijk wordt gedoeld op de mogelijk ammoniakemissie uit zee. De verspreiding
van deze emissies wordt op vergelijkbare manier gemodelleerd als alle andere emissiebronnen.
Op de website van het RIVM is uitgebreid toegelicht hoe deze modellen (in algemene
zin) werken6.
Vraag 13
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven
aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen
in de modellen?
Antwoord 13
Zie het antwoord op vraag 10.
Vraag 14
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures
tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Antwoord 14
Bij de beoordeling of een activiteit is toegestaan, wordt vooraf getoetst of die activiteit
significante negatieve effecten kan hebben op een Natura 2000-gebied. Daarvoor wordt
ook beoordeeld of de stikstofdepositie van die activiteit significante effecten kan
hebben. De hoeveelheid stikstofdepositie van een activiteit op Natura 2000-gebieden
wordt berekend met behulp van AERIUS Calculator. Dit rekenmodel wordt jaarlijks herijkt
op basis van de nieuwste inzichten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11 zijn er op korte termijn geen wijzigingen
in AERIUS voorzien die relateren aan «ammoniak van zee». Er zal naar verwachting daarom
ook weinig tot geen impact zijn voor de garnalenvisserij.
Vraag 15
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat
ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting
vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde
(KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn,
die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland
volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast
zouden zijn?
Antwoord 15
Of een locatie in een Natura 2000-gebied overbelast is, hangt af van het habitat dat
ter plekke voorkomt en in welke mate het gevoelig is voor stikstofdepositie. Waar
van nature veel vogels voorkomen die mest produceren, zoals bijvoorbeeld graslanden
met veel ganzen, is geen sprake van gevoeligheid voor stikstofdepositie en dus kan
daar geen sprake zijn van een overschrijding van de KDW of een noodzaak om onder een
KDW te komen, omdat er voor die locaties geen KDW wordt toegepast in AERIUS. Er zijn
geen stikstofgevoelige locaties bekend die louter door de natuurlijke achtergronddepositie
al overbelast zouden zijn. Het is echter wél mogelijk dat vogels zich vestigen op
een stikstofgevoelige locatie en daar door rechtstreekse bemesting problemen geven
voor de nutriëntenhuishouding. Dan betreft het dus een andere drukfactor (dan atmosferische
stikstofdepositie) die moet worden aangepakt, zoals vermeld in antwoorden 8 en 9.
Vraag 16
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is
dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de
meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland
onmogelijk zal kunnen redden?
Antwoord 16
Uit de eerdere antwoorden blijkt dat de Nederlandse natuur geen probleem zou ervaren
als de stikstofdepositie niet hoger zou zijn dan de natuurlijke achtergronddepositie.
Vraag 17
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland
op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting
van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland
nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Antwoord 17
Zoals vermeld in de eerdere antwoorden, zijn er geen gebieden waar alleen de natuurlijke
bronnen meer atmosferische stikstofdepositie veroorzaken dan de KDW. De typen natuur
die voorkomen in de voedselrijke delen van de delta, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie.
Vraag 18
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van
categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke
overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij
nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een
habitat? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 18
Deze aanduidingen worden, in navolging van de klasse-indeling in AERIUS, inderdaad
in analyses gebruikt. Een aanduiding van een positieve bijdrage is niet relevant als
de bedoeling van de klasse-indeling is dat ermee wordt aangeduid óf er een depositieprobleem
is en zo ja, hoe groot dat probleem is. Voor sommige typen natuur kán er een gebrek
aan nutriënten optreden, maar dat wordt dan niet in beeld gebracht door een bepaalde
mate van depositie te waarderen, maar door in een beheerplan te vermelden of het nodig
is om te bemesten. De vorm van bemesting maakt daarbij uit: zo is weidevogelgrasland
gebaat bij ruige stalmest, omdat die veel betere eigenschappen heeft dan alleen stikstof
uit de lucht.
Vraag 19
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen
die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl
anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist
bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
Antwoord 19
In aanvulling op het op vraag 6 gegeven antwoord: een plek met zeezand zonder begroeiing
is niet stikstofgevoelig, terwijl het in de buurt kan liggen van een habitat waarvan
de begroeiing wél stikstofgevoelig is. Dat hangt dus af van de lokale omstandigheden.
De in deze vraag en vraag 6 genoemde omstandigheid is heel specifiek: het gaat om
onbegroeid zeezand dat sneller begroeid raakt met pioniervegetatie (zoals helm) dan
als er geen vogels zouden broeden. Die lokale bemesting is geen noodzakelijkheid,
maar kan wel bijdragen aan de vorming van vegetatie en daarmee aan de kustverdediging.
Dit voorbeeld kan echter niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in
algemene zin goed is voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Vraag 20
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd
wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen
bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Antwoord 20
Dat klopt. Atmosferische stikstofdepositie wordt als een probleem beschouwd als het
kan leiden tot een zodanige verandering van de vegetatiesamenstelling dat dit een
verslechtering van de kwaliteit van een habitattype inhoudt (of zelfs de afname van
een oppervlakte) op gebiedsniveau, terwijl het doel is dit habitattype op dat niveau
in stand te houden.
Vraag 21
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen
kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen
of andere natuurlijke processen toeneemt?
Antwoord 21
Dat klopt. Ook als dergelijke veranderingen op gebiedsniveau het gevolg zijn van natuurlijke
processen, zoals vegetatiesuccessie, terwijl het doel is aanwezige habitattypen in
stand te houden, dan wordt dat als probleem beschouwd. Zo heeft het Europese Hof geconstateerd
dat actief beheer vereist is wanneer natuurlijke successie leidt tot verlies van specifieke
habitattypen (zoals verbossing van grasland). In diverse natuurdoelanalyses wordt
nutriëntenaanvoer door vogels genoemd als knelpunt. In antwoord op eerdere Kamervragen
is ook ingegaan op de nutriëntentoevoer van ganzen in hoogveengebieden.5 De aanwezigheid en omvang van ganzenpopulaties hangen samen met de beschikbaarheid
van voedselrijke agrarische percelen. Extensivering kan leiden tot minder ganzen en
minder nutriëntenverspreiding. Nutriëntenaanvoer vanuit vogels is dus niet altijd
een puur natuurlijk proces, maar wordt ook beïnvloed door de mens.
Vraag 22
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde
vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke
processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Antwoord 22
Dat kan zo niet gezien worden. Het stikstofbeleid is alleen nodig voor zover er daadwerkelijk
sprake is van overbelasting, gezien de kritische depositiewaarden en de normen voor
grond- en oppervlaktewaterkwaliteit.
Vraag 23
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd,
zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen
om nutriënten uit het systeem te halen?
Antwoord 23
Dat klopt. Voor een deel betreft dan regulier onderhoud (zoals bij maaien vaak het
geval is), maar plaggen en verwijderen van voedselrijke bodemlagen is ingrijpend en
behoort niet tot het regulier onderhoud. Plaggen heeft als nadeel dat nuttige mineralen
worden afgevoerd. Het verwijderen van voedselrijke bodemlagen gebeurt met name bij
natuurontwikkeling op voormalige landbouwgrond.
Vraag 24
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen,
in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie
naar beneden te krijgen?
Antwoord 24
Het is juist dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het verminderen van de
effecten van stikstofbelasting in natuurgebieden. Tegelijkertijd is dit geen alternatief
voor het terugdringen van stikstofemissies bij de bron. Deze maatregelen hebben namelijk
een tijdelijk en lokaal effect en hebben soms ook negatieve effecten. Ze kunnen daardoor
niet intensief en veelvuldig worden toegepast. Zonder vermindering van de stikstofuitstoot
blijft de belasting op natuurgebieden te hoog en blijft herstel kwetsbaar. Daarom
zet het kabinet in op een combinatie van bronmaatregelen en natuurherstel, waarbij
beide noodzakelijk zijn om de natuurdoelen te halen.
Vraag 25
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief
nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden,
zoals overstromingen?
Antwoord 25
Dat is slechts ten dele juist. Buiten de invloed van relatief nutriëntenrijk water,
zoals rivier- en zeewater, bestaat de bodem uit zand en veen dat relatief voedselarm
is en tevens verzuringsgevoelig. Bovendien wordt de huidige nutriënten- en zuurbelasting
in Nederland in belangrijke mate bepaald door menselijk handelen, zoals landbouw.
Vraag 26
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke
kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta
is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
Antwoord 26
Bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen wordt rekening gehouden met de
natuurlijke kenmerken van het landschap. Om te voldoen aan de verplichtingen in Habitatrichtlijn
heeft Nederland de belangrijkste gebieden aangewezen voor de habitattypen in Nederland
en in deze gebieden alle habitattypen die in meer dan verwaarloosbare mate en bestendig
voorkomen, aangewezen. Hieruit blijkt of een habitattype past bij het landschap waarin
het voorkomt. Zoals in het vorige antwoord is aangegeven, behoort slechts een deel
van Nederland tot de voedselrijke rivierdelta. Nederland is dus niet als geheel een
voedselrijke rivierdelta, waardoor habitats van voedselarme omstandigheden dus als
onnatuurlijk bestempeld zouden moeten worden. Integendeel: voorafgaand aan de ontginning
van de natuur, bestond het landschap uit uitgestrekte gebieden met vegetaties die
afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden, zoals eikenbossen en hoogvenen.
Vraag 27
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met
het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties
daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals
inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Antwoord 27
Zoals aangegeven bij vraag 26 behoort slechts een deel van Nederland tot een voedselrijke
rivierdelta. Nederland bestaat van nature ook uit diverse andere landschappen met
minder voedselrijke omstandigheden. De aanwezigheid van voedselarme vegetaties in
Nederland is dus niet in tegenspraak met het feit dat Nederland een delta is. Drukfactoren
op voedselarme vegetaties komen dan ook niet voort uit het enkele feit dat Nederland
ook een rivierdelta is. Voor al deze habitattypen geldt dat ze beschermd moeten worden
tegen drukfactoren, zoals (voor zover van toepassing) verdroging en een overmaat van
stikstof. Dit is een vereiste vanuit de Habitatrichtlijn en van belang voor het in
stand houden van de Nederlandse biodiversiteit. Het aanpakken van drukfactoren kan
dan inderdaad beperkende gevolgen hebben voor bepaalde economische activiteiten, en
ruimte bieden voor andere economische activiteiten. Dat was al bekend toen de Habitatrichtlijn
werd aangenomen, waarin is opgenomen dat sociaaleconomische overwegingen niet worden
betrokken bij de selectie en aanwijzing van gebieden, maar bij het treffen van maatregelen.
Vraag 28
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend
is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 28
Dat is juist. Maar de Habitatrichtlijn geeft de lidstaat geen keuzevrijheid om bijvoorbeeld
alleen habitattypen te beschermen die niet stikstofgevoelig zijn.
Vraag 29
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge
nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden,
in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Antwoord 29
Dat wordt niet overwogen in zoverre het gaat om het behouden van kwalificerende natuurwaarden,
omdat de Habitat- en de Vogelrichtlijn daarvoor geen ruimte bieden. Voor het bereiken
van een landelijk gunstige staat van instandhouding kan het nodig zijn om een habitattype
uit te breiden en/of te verbeteren. De potenties van de verschillende gebieden spelen
dan een rol in de keuze welk ambitie per gebied wordt nagestreefd. Maar dat is een
relatieve keuze: per saldo zal de gunstige staat van instandhouding bereikt moeten
worden.
Vraag 30
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk
ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk
minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke
omstandigheden van een gebied?
Antwoord 30
Zij zijn niet van nature minder robuust, want ze zijn immers aangepast aan de natuurlijke
omstandigheden. De verandering van het landgebruik kan er echter toe leiden dat een
deel van de soorten en habitats alleen met moeite in stand gehouden kunnen worden:
ze zijn minder goed bestand tegen de drukfactoren die samenhangen met het menselijk
gebruik van het landschap. Dat is echter geen reden om ze niet te beschermen, integendeel:
de Habitatrichtlijn is er juist gekomen om deze bedreigingen het hoofd te bieden.
Vraag 31
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen
wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge
nutriëntenbeschikbaarheid?
Antwoord 31
Het Beleidskader doelwijziging voor Natura 2000-gebieden schetst de mogelijkheden
om bestaande instandhoudingsdoelstellingen binnen de kaders van de Vogel- en Habitatrichtlijn
aan te passen. Dat natuurdoelen niet goed aan zouden sluiten bij natuurlijke omstandigheden
vormt in de regel geen reden voor aanpassing omdat beschermde habitats juist voorkomen
op de plekken waar ze van nature kunnen voorkomen. Een hoge nutriëntenbeschikbaarheid
als gevolg van atmosferische stikstofdepositie is juist het tegenovergestelde van
een natuurlijke omstandigheid.
Vraag 32
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden
met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
Antwoord 32
De Habitatrichtlijn houdt hier rekening mee doordat voor de diverse habitattypen de
belangrijkste gebieden worden beschermd. Voor habitattypen van meer nutriëntenrijke
omstandigheden, zoals Estuaria, zijn dit andere gebieden dan voor habitattypen van
nutriëntenarme omstandigheden, zoals hoogvenen. Het natuurbeheer dient volgens de
Habitatrichtlijn rekening te houden met de aanwezige habitattypen.
Vraag 33
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van
habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling
is?
Antwoord 33
Vanuit de Habitatrichtlijn bestaat de verplichting om verslechtering op gebiedsniveau
te voorkomen en om naar een landelijk gunstige staat van instandhouding toe te werken.
In bepaalde landschappen is hier dynamiek voor nodig, zodat verjongingsprocessen steeds
opnieuw plaats kunnen vinden. Dat kan betekenen dat er sprake is van een cyclische
successie, dus een opeenvolging van habitats in de vorm van een cyclus. Zo kunnen
kustduinen begroeid raken en vervolgens door een storm weer terugkeren naar een pioniersstadium.
Andere typen natuur kunnen juist langdurig hetzelfde blijven, zoals actieve hoogvenen.
De Habitatrichtlijn vereist dat wordt voldaan aan de ecologische vereisten van de
habitats en die kunnen dus heel verschillend zijn. Zoals hierboven vermeld, is een
autonome verandering in de natuur niet per definitie gewenst – het kan nodig zijn
om maaibeheer toe te passen om te voorkomen dat een beschermd graslandtype een bos
wordt.
Vraag 34
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen
aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan
dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Antwoord 34
Gebieden zijn aangewezen wegens het Europees belang voor de daar aanwezige natuurwaarden.
In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat natuurlijke ontwikkelingen tot conflicten
leiden. Uitgangspunt bij Natura 2000-doelen is dat het gebied de optimale bijdrage
levert aan het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding. De optimale
bijdrage wordt in beginsel bepaald door de ecologische potenties van het gebied, en
is dus toekomstgericht. Als voor die optimale bijdrage maatregelen nodig zijn die
de omstandigheden realiseren voor habitattypen en soorten waarvoor het gebied belangrijk
is, maar tot een afname leiden van habitattypen en soorten waarvoor het gebied minder
belangrijk is, dan kan het – onder strenge voorwaarden – nodig zijn om prioriteiten
te stellen (zie het Beleidskader Doelwijziging). Als de structurele veranderingen
het gevolg zijn van drukfactoren, is geen sprake van een natuurlijke ontwikkeling.
In dat geval moeten er maatregelen genomen worden om de drukfactoren te verminderen
en verslechtering tegen te gaan.
Vraag 35
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling,
zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe
zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld
door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de
stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder
extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Antwoord 35
Nee, ik zie geen ruimte om stikstofarme natuur te laten verslechteren ten gunste van
stikstofrijke natuur, want die ruimte geeft de Habitatrichtlijn niet. Dat zou ook
een enorme verarming van de Nederlandse biodiversiteit betekenen.
Vraag 36
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten
bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen
die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden
gehouden?
Antwoord 36
Het kabinet onderschrijft dat natuurbeleid gebaat is bij robuuste ecosystemen die
aansluiten bij de natuurlijke omstandigheden van een gebied en zo min mogelijk afhankelijk
zijn van intensief beheer. Juist omdat de staat van de natuur in Nederland op veel
plaatsen onvoldoende is, is een situatie ontstaan waarin ingrijpend en terugkerend
beheer noodzakelijk zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Dat is nadrukkelijk
geen wenselijke of duurzame situatie. Dat is ook de reden dat het kabinet inzet op
het terugdringen van stikstofemissies: zonder structurele vermindering van die druk
blijft natuur afhankelijk van intensief beheer. Bovendien raakt duurzaam herstel richting
een robuust ecosysteem hiermee steeds verder uit beeld.
Vraag 37
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland
aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve
natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Antwoord 37
Ik vind het niet nodig dit te laten onderzoeken, omdat hier bij het formuleren van
de natuurdoelen voor gebieden al rekening mee is gehouden.
Vraag 38
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals
grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en
hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel
worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 38
Dit is reeds onderzocht; zie het antwoord op vraag 7.
Vraag 39
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van
de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Antwoord 39
Het voornaamste probleem is een overmaat aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige,
beschermde habitats. Die stikstofdepositie wordt veroorzaakt door emissiebronnen in
binnen- en buitenland.
Vraag 40
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies)
leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling
en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid,
te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen
van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem
waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 40
Ik verwijs voor die reflectie naar de antwoorden op de bovenstaande vragen.
Vraag 41
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven
en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd,
gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie
over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke
delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 41
Het nemen van maatregelen is gerechtvaardigd voor zover ze noodzakelijk en effectief
zijn. Het is daarbij, gelet op de antwoorden op bovenstaande vragen, heel duidelijk
dat natuurlijke stikstofbronnen slechts een zeer beperkt deel vormen van de stikstofdepositie,
namelijk het deel dat we rekenen tot de natuurlijke achtergronddepositie, waar de
Nederlandse natuur al op was aangepast.
Vraag 42
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van
instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Antwoord 42
Van het principe «haalbaar, betaalbaar» is niet afgestapt. In het Natura 2000-doelendocument
2026, dat door mijn ambtsvoorganger, de Staatssecretaris voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur is vastgesteld is verduidelijkt dat uit de eisen van de
Europese Habitatrichtlijn volgt dat natuurdoelen voor de landelijk gunstige staat
ecologisch onderbouwd moeten zijn («ecologisch haalbaar»). Bij het bepalen van de
maatregelen om de doelen te bereiken wordt rekening gehouden met sociaaleconomische
gevolgen, onder andere door bij gelijke effectiviteit te kiezen voor maatregelen met
de minste impact. De afweging van betaalbaarheid is daarmee niet verdwenen, maar vindt
plaats bij de keuze van maatregelen op gebiedsniveau. De landelijke doelen zijn daarbij
vastgesteld op het niveau dat nodig is om aan de richtlijn te voldoen.
Vraag 43
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid
op 1 april 2026?
Antwoord 43
Beantwoording van de vragen vroeg om meer tijd dan de gebruikelijke termijn. De vragen
zijn zo snel als mogelijk beantwoord en bereiken uw Kamer voorafgaand aan het debat
Stikstof en mestbeleid, dat verplaatst is naar 24 juni 2026.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.