Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van leden Bikker, Diederik van Dijk en Keijzer over het artikel ‘Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’’
Vragen van de leden Bikker (ChristenUnie), Diederik van Dijk (SGP) en Keijzer (Keijzer) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»» (ingezonden 1 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) en de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 19 mei 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1712.
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt
het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht
bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak
blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien
dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een
kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Antwoord 2
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten.
De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures
in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als
bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens,
beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële
afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk
kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject
te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel
Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet
dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie
Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
Vraag 3
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van
draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke
waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of
onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Antwoord 3
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat
draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen,
waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen.
Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een
buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij
een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder
het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie
van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel
en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden
opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht
(hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer
ingediend.6
Vraag 4
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland
trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en
zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op
commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Antwoord 4
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en
verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek
«Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat
juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje
goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig
is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken
naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om
draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door
anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft
wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding
aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte
kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor
de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen
voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten
in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse
trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Vraag 5
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel
Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra
en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Antwoord 5
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden.
Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand
laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke
regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en
volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht
van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is
dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven
volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit
wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor
een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse
trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject
zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft
een eventuele toename geen probleem te zijn.
Vraag 6
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde
Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom
voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke
commerciële sector bestaat?
Antwoord 6
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven,
is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar
van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden
gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap.
Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de
wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname
in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders
en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan
van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter
te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing
ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse
geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven.
Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten
uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling
voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse
van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het
wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vraag 7
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada
en de Verenigde Staten?
Antwoord 7
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen
zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar
het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee
op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en
deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel
beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject
te kiezen.
Vraag 8
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap
worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders
een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Antwoord 8
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland
wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal.
In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens
(op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid,
onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a,
onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel
toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun
afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven,
het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders
om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar
is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij
buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een
rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen.
De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van
bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van
het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om
het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid
bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar
ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap
maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere
gezagsdrager(s).
Vraag 9
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om
afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap
te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Antwoord 9
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om
te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot
belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht
houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over
zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet,
het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting
te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op
haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter
niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van
mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De
strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben,
waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden
om afstand te doen van hun rechten.
Vraag 10
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie
Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming
de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat
mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook
populairder maakte?
Antwoord 10
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor.
De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens
op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt
kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig
verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het
is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen,
maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt
en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het
wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert
mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig
en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Vraag 11
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van
bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding
van het wetsvoorstel?
Antwoord 11
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder
te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel
is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland.
En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling
in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven
is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en
vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen
krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden
gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal
plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee
de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling
goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat
van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt
worden in een algemene maatregel van bestuur.
Vraag 12
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die
aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van
deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan
in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Antwoord 12
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier
waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op
een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens
genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn
waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen
en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het
kind moeten altijd voorop blijven staan.
Vraag 13
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de
wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en
de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen
om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis
heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Antwoord 13
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord
op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten,
waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het
kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb
aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in
de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel
eventueel aangewezen is.
Vraag 14
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het
recht ook normeren?
Antwoord 14
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving.
Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat
kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren.
Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral
moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van
het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Vraag 15
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Antwoord 15
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.