Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Inge van Dijk en Koorevaar over het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot'
Vragen van de leden Inge van Dijk en Koorevaar (beiden CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het bericht «Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot» (ingezonden 23 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën), mede namens de Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 11 mei 2026). Zie ook
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1607.
Vraag 1
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde
bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen
en soms jaren kunnen duren?
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt
geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming,
die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Antwoord 2 en 3
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een
bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van
overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat
de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer
of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling
is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen.
De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming
in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee
werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de
onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers
moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Vraag 4, 5 en 6
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt,
omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve
onderneming wordt ingebracht in een BV?
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan
wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht
zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig
moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de
bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Antwoord 4, 5 en 6
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer
is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan
niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling
is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren
zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens
erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast
met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als
kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters
van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort
niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger
bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds
heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan
deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste
vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van
de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus
in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon
is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming
heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de
bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De
goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV
waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van
toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat
de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van
de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt
gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen
sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht
nog niet is voltooid.
Vraag 7
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Antwoord 7
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het
voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk
te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom
een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld
bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Antwoord 8
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere
redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld
ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen
in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vraag 9 en 10
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk
risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere
behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Antwoord 9 en 10
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming
in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan
hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische,
juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel
de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving
voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de
geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke
regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst
hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving
in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij
aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst.
De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Vraag 11
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Antwoord 11
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere
rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende
verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat
hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming
aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste
vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving
in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische
praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet
beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Vraag 12
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
Antwoord 12
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg
in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO
Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale)
knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende
Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants
en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda
(SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van
technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer
zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid
en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en
bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk
is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw
Kamer.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.