Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid van der Plas over het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar'
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar» (ingezonden 25 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 11 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1635.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort
niets van de politie. Herkenbaar»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van
politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke
taak volgens u prioriteit heeft?
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen
directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus
niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Antwoord 2 en 3
Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel en dient altijd opvolging te krijgen. Hoewel
ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in ga op individuele casuïstiek, neem
ik dit signaal zeer serieus en bevestigt het voor mij de urgentie om in het kader
van de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) samen met de politie
en het OM te bezien hoe slachtoffers zo goed als mogelijk geholpen kunnen worden.
Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen functionarissen
met een publieke taak is essentieel. Functionarissen met een publieke taak dienen
extra bescherming te krijgen tegen agressie en geweld verband houdend met hun functie,
omdat hun publieke taak cruciaal is voor de samenleving en tegen aantasting moet worden
beschermd. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben ten behoeve van de strafrechtelijke
aanpak opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt: de Eenduidige Landelijke Afspraken
(ELA). De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de
ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende
evaluaties te betrekken.2 Ik verwacht uw Kamer in de zomer de herziene versie van de ELA toe te sturen.
Het is van groot belang dat slachtoffers na het doen van aangifte adequaat worden
geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Slachtoffers hebben het recht om voldoende
informatie te ontvangen, indien ze dit wensen. De politie en het OM spannen zich hiervoor
in. In de ELA is vastgelegd dat slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen
met een publieke taak, desgewenst, optimaal worden geïnformeerd over hun positie en
strafzaak.
Conform de ELA dient de politie de benadeelde optimaal te informeren en te ondersteunen
bij het verhalen van de schade op de dader. Uit de openbare Aanwijzing slachtoffers
in het strafproces (2024A001) van het OM volgt dat het OM in beginsel aan elk slachtoffer
een bericht stuurt als het proces-verbaal tegen de verdachte door de politie naar
het OM is gestuurd.
Wanneer het slachtoffer in het algemeen verzoekt om informatie over de aanvang en
voortgang van een zaak, dan wordt door of namens het OM van het begin tot het einde
van de strafzaak alle informatie verstrekt die volgens de wet3 moet worden verstrekt, onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek, het niet
vervolgen van een strafbaar feit en de aanvang en voorzetting van de vervolging.
De afgelopen jaren zijn er door het OM verbeteringen op het gebied van informatievoorziening
richting slachtoffers doorgevoerd. Zo is er bij het Openbaar Ministerie een slachtofferinformatiepunt
ingericht en kunnen slachtoffers inloggen op MijnSlachtofferzaak.nl, waar zij berichten
vinden over de voortgang van de strafzaak, informatie over slachtofferrechten en contactgegevens
van de betrokken organisaties.
De opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een Veilige
Publieke Taak (VPT) heeft voor mij grote prioriteit, net als voor de politie en het
Openbaar Ministerie. Dat volgt ook uit de ELA. Helaas leidt de beperkte capaciteit
in de strafrechtketen in sommige gevallen tot langere doorlooptijden.
Vraag 4
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke
taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Antwoord 4
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zoals toegelicht onder vraag 2 en 3 is een
adequate informatievoorziening van essentieel belang en is dit een doorlopend aandachtspunt
bij de politie en het OM.
Vraag 5
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde
dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake
is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Antwoord 5
Ja.
Vraag 6 tot en met 9
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals
deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en
het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer
horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten
maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel
van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling
richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens
de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart
u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Antwoord 6 tot en met 9
Net als de politie en het Openbaar Ministerie neem ik agressie en geweld tegen medewerkers
met een publieke taak zeer ernstig op. Deze zaken krijgen daarom prioriteit. In 2024
volgde in 85 procent van de aangiften een strafvorderlijke reactie en in 2025 in 86 procent
van de aangiften.4 Uit de door het OM gepubliceerde cijfers over 2025 blijkt dat het OM 55 procent van
de Veilige Publieke Taak-zaken aan de rechter voorlegt5. Dat is meer dan gemiddeld. De overige 45 procent wordt afgehandeld door het OM.
Van de 45 procent wordt 31 procent door het OM afgedaan met een strafbeschikking,
transactie of voorwaardelijk sepot. Het gaat dan vooral om de lichtere delicten zoals
belediging of het niet opvolgen van een bevel. Tot slot wordt 14 procent van de VPT-zaken
onvoorwaardelijk geseponeerd, waarvan circa 30 procent vanwege het ontbreken van wettig
bewijs. Het sepotpercentage is minder dan gemiddeld. Zoals toegelicht onder het antwoord
op vragen 2 en 3, spannen de politie en het OM zich in voor adequate informatievoorziening
en hebben slachtoffers het recht om voldoende informatie te ontvangen. Dat laat onverlet
dat het kan voorkomen dat in individuele gevallen dingen beter moeten.
Vraag 10 en 11
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat
de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende
zijn opgevolgd?6
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie
nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Antwoord 10 en 11
In de evaluatie van de ELA uit 2025 wordt geconcludeerd dat de ELA een belangrijke
meerwaarde hebben voor de aanpak van agressie en geweld tegen mensen met een publieke
taak.7 De onderzoekers schrijven dat dankzij de ELA de opsporing en vervolging van VPT-incidenten
met meer prioriteit en kwaliteit wordt uitgevoerd door de politie en het OM. Door
de afspraken wordt een grotere focus en urgentie gevoeld voor de aanpak van agressie
en geweld in het complexe en drukke werkveld van de strafrechtketen. Dat zorgt voor
een snellere en gerichtere strafrechtelijke afhandeling van zaken. Tegelijkertijd
worden er ook een aantal knelpunten gesignaleerd, dat de meerwaarde van de ELA beperkt.
Een deel van deze knelpunten was reeds aan het licht gekomen in de evaluatie van de
ELA uit 2020 en (nog) niet adequaat opgelost.8 Bij de lopende herziening van de ELA worden deze knelpunten in ogenschouw genomen.
Vraag 12
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het
doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor
komt dit?
Antwoord 12
Voor wat betreft het al dan niet opnemen van aangiftes geldt dat het kan voorkomen
dat er onvoldoende bewijs is voor een strafbaar feit. Bij twijfel over de strafbaarheid
van het feit, is de afspraak dat de politie altijd contact legt met het OM. Indien
geen sprake is van een strafbaar feit, wordt dit feit wel in de politieregistratie
opgenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (LJS) herkent de signalen waar het
gaat om terughoudendheid bij het opnemen van aangiftes wanneer de verdachte een ggz-patiënt
was. De afgelopen twee jaar zijn er door het Ministerie van VWS tien regionale bijeenkomsten
georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie tegen zorgmedewerkers waarin
deze signalen zijn geuit.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid organiseert deze zomer samen met de politie
en het OM een sessie met werkgevers van de VPT-beroepsgroepen om te bezien waar zij
namens slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke
taak tegenaanlopen. De informatie die hier wordt opgehaald zal samen met bovengenoemde
signalen worden betrokken bij de herziening van de ELA.
Als iemand van mening is dat een aangifte onterecht niet wordt opgenomen of niet wordt
doorgezet kan degene die aangifte wil doen contact opnemen met de regionale contactpersoon
Veilige Publieke Taak (VPT) van de politie. Deze VPT-contactpersoon kan vervolgens
actie ondernemen. Deze mogelijkheid is echter nog niet overal bekend. Met behulp van
de herziening van de ELA en de werkgeverssessie die we in de zomer organiseren wordt
getracht om bij te dragen aan de bekendheid van deze VPT-contactpersonen.
Onder andere de arbeidsmarktfondsen Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen, Sociaal Fonds
voor de kennissector (het fonds van o.a. de UMC’s), Opleidings-en Ontwikkelfonds Geestelijke
Gezondheidszorg en Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Verpleeg-, Verzorgingshuizen,
Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg verspreiden deze informatie actief onder de ziekenhuizen,
UMC’s, VVT-instellingen en GGZ-instellingen. De Minister van LJS zal deze informatie
ook onder de aandacht brengen van partijen in andere delen van de zorg en welzijn.
Om de verbinding tussen een organisatie in zorg en welzijn en de politie en het OM
te versterken, is het mogelijk om binnen een organisatie één plek in te stellen waarin
kennis en kunde wordt verzameld over onder meer het strafproces. Hierdoor worden organisaties
minder afhankelijk van de kennis van de politie en kan er in het geval van knelpunten
in de uitvoering of behoefte aan nadere afstemming, bijvoorbeeld bij bovengenoemde
signalen, makkelijk contact worden gezocht met het vaste aanspreekpunt voor agressie
en geweld tegen functionarissen bij elke politie-eenheid. Dit is met name een mogelijkheid
voor grote organisaties.
Vraag 13
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten
met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
Antwoord 13
Het komt helaas vaak voor dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen
met verward gedrag. Niet altijd is er bij deze meldingen sprake van psychiatrische
problematiek en ook niet van een verdenking van een strafbaar feit of een risico voor
de veiligheid van omstanders of de samenleving. In acute situaties in avond-, nacht-
en weekenduren is het echter vaak zo dat dan alleen een beroep kan worden gedaan op
de politie, ambulancevervoer en op de crisisdienst ggz. Afhankelijk van de ernst van
het incident wordt bepaald wat op dat moment de beste vervolgstappen zijn. Dit kan
betekenen dat men de persoon meeneemt naar het bureau en/of dat de persoon wordt overgedragen
aan de zorg (bijv. via Crisis Interventie Teams). In sommige eenheden gaan politiemensen
samen met zorgprofessionals op een incident af zodat men ter plekke via triage kan
bepalen wat de vervolgstappen zijn. Denk aan goede voorbeelden zoals straattriage
in Twente. De bredere inzet van dit Kabinet in de aanpak van personen met verward/onbegrepen
gedrag is gericht op een aantal thema’s waar uw Kamer per brief van 11 december over
is geïnformeerd en tijdens het commissiedebat van 9 april 2026 is besproken.9 De samenwerking tussen politie en zorg is daar ook onderdeel van.
Vraag 14
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met
verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van
strafbare feiten?
Antwoord 14
Agenten zijn voldoende toegerust en getraind. Een agent wordt in twee jaar tijd opgeleid
tot het startbekwaam zijn. Omgaan met verward gedrag, de-escaleren en crisiscommunicatie
zijn onderdeel van deze basisopleiding.
De politie beziet voortdurend hoe zij het beste invulling kan geven aan haar taken
en welke werkwijzen daarvoor passend zijn. Zo is in het kader van deze aanpak het
onderwijsaanbod Zorg en Veiligheid geactualiseerd en wordt deze verder doorontwikkeld,
inclusief de module Personen met verward gedrag met daarin aandacht voor vroegsignalering
en preventie. Daarnaast zijn er verschillende (digitale) leermiddelen beschikbaar
over het thema, en wordt geëxperimenteerd met het verweven van de benodigde kennis
in bijvoorbeeld IBT-trainingen. In aanvulling op de landelijk gevalideerde leermiddelen,
verzorgen de eenheden zelf informeel onderwijs, zoals op vakdagen en in teambriefings.
De inzet van ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel in het onderwijsaanbod.
Vraag 15
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden
en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke
criteria gebeurt dit?
Antwoord 15
Deze informatie is niet beschikbaar in de politieregistratie.
Vraag 16
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart
u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
Antwoord 16
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) zijn opsporings- en vervolgingsafspraken
van de politie en het OM waar zij zich aan hebben gecommitteerd. Daarmee acht ik deze
niet te vrijblijvend.
Wel zijn er vanuit eerdere evaluaties knelpunten gesignaleerd, die ik samen met de
politie en het OM heb geanalyseerd. Het oppakken van die knelpunten neem ik zeer serieus
en met de herziene versie van de ELA verwacht ik dat hier een belangrijke impuls aan
wordt gegeven.
Vraag 17
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren,
zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 17
Ik ben niet van plan om de ELA wettelijk te verankeren. De politie en het OM hebben
zich aan de ELA gecommitteerd, dat is voldoende. Enkele onderdelen van de ELA zijn
tevens nader uitgewerkt en verankerd in aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.
Vraag 18
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over
de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Antwoord 18
Ik streef ernaar om in de zomer de herziene ELA met begeleidende Kamerbrief aan uw
Kamer aan te bieden.
Vraag 19
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers,
doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Antwoord 19
Onder het antwoord op vraag 2 en 3 is toegelicht dat informatievoorziening richting
slachtoffers een doorlopend aandachtspunt is van de politie en het OM. Dit aandachtspunt
wordt ook bij de herziening van de ELA in ogenschouw genomen.
Voor een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM voor de meest voorkomende
delicten richtlijnen opgesteld, die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional
de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere
omstandigheden van de zaak. In de openbare Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen
(2019A003) van het OM staat dat het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn met
200% wordt verhoogd bij Veilige Publieke Taak-delicten. Dat betekent niet dat iedere
verdachte ook een driedubbele straf geëist krijgt. Dit is het uitgangspunt, waarna
de officier volgens de geldende Aanwijzing ook moet kijken naar de context waarin
het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de
te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
Verder schenkt het OM – naar aanleiding van onderzoek waaruit volgde dat veelal enige
mate van strafeisverhoging wordt toegepast maar zelden de 200%10 – blijvend aandacht aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend
is. Ten slotte geldt dat u nog dit jaar wordt geïnformeerd over de uitvoering van
drie aangenomen moties die zien op (het verkrijgen van duiding bij) de strafeisen
van het OM bij Veilige Publieke Taak-delicten, waaronder geweld tegen hulpverleners.11
Vraag 20
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen
reactie is ontvangen vanuit het OM?
Antwoord 20
Als Minister van Justitie en Veiligheid past het mij niet om in te gaan op individuele
casuïstiek. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Vraag 21
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals
opgenomen in de landelijke afspraken?
Antwoord 21
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Vraag 22 en 23
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg,
en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen
zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
Antwoord 22 en 23
Mensen kiezen over het algemeen vanuit een intrinsieke motivatie voor het werken in
zorg en welzijn. Als zij te maken krijgen met ernstige agressie kan dat een enorme
impact hebben. Goede opvang en adequate nazorg, zijn van groot belang om dat zo veel
mogelijk te voorkomen. Uit het Landelijk uitstroomonderzoek zorg en welzijn van Regioplus
in 2025 blijkt dat agressie niet in de top vijf van redenen van medewerkers staat
om de sector te verlaten.
Het is mij niet bekend of en in welke mate negatieve ervaringen met het doen van aangifte
invloed hebben op de bereidheid van mensen om in de zorg te blijven werken.
Vraag 24
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden
opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt
dit ook bij aan personeelstekorten?
Antwoord 24
In strafzaken heeft aangifte op naam altijd de voorkeur, zoals hieronder toegelicht.
Er zijn daarnaast mogelijkheden om (deels) afgeschermd aangifte te doen of dat de
werkgever voor de werknemer aangifte doet. In onderstaande antwoorden licht ik dit
nader toe. Echter, volledige anonimiteit in het strafproces is praktisch niet mogelijk.
Uit het oogpunt van waarheidsvinding kleven hier namelijk zwaarwegende bezwaren aan:
de mogelijkheid om de juistheid en betrouwbaarheid van anonieme verklaringen te toetsen
wordt beperkt doordat de bron onbekend is. Bovendien komt het in de zorg relatief
vaak voor dat dader en slachtoffer elkaar kennen en er sowieso geen sprake is van
anonimiteit van het slachtoffer. Dit kan inderdaad bijdragen aan terughoudendheid
bij het doen van aangifte. Of en in hoeverre dit bijdraagt aan personeelstekorten
hangt af van de mate waarin dit een rol speelt bij uitstroom uit de zorg. Zie hiervoor
het antwoord op vraag 22 en 23.
Vraag 25
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd
aangifte te doen?
Antwoord 25
Sinds 1 juli 2025 worden standaard alleen nog de naam en geboortedatum in de aangifte
vermeld. Gegevens zoals woon- en verblijfplaats, geboorteplaats en/of -land, e-mailadres,
telefoonnummer en Burgerservicenummer (BSN) worden niet meer opgenomen om zo de privacy
van de aangever te beschermen.
Aangifte op naam heeft in de praktijk altijd de voorkeur. Voor de bewijsvoering in
een strafzaak is het namelijk altijd van belang dat er toetsbare aangiftes en verklaringen
aanwezig zijn. Aangiftes en verklaringen op naam voldoen hier eerder aan dan afgeschermde
aangiftes en verklaringen omdat de bekendheid van de identiteit van de aangever/getuige
het bijvoorbeeld voor de verdachte mogelijk maakt om de aangifte/verklaring te toetsen
op betrouwbaarheid.
In principe worden persoonsgegevens genoteerd bij het doen van aangifte. Soms kan,
bij wijze van uitzondering, alleen met de voornaam of het personeelsnummer worden
volstaan. Ook kan de werkgever aangifte namens de werknemer doen, waarbij die laatste
vermeld kan worden onder personeelsnummer. Het slachtoffer kan er verder ook voor
kiezen om in zijn aangifte domicilie te kiezen. In dat geval wordt het adres van de
werkgevers of het regionale Slachtofferloket Politie opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen kan iemand aangifte doen of een verklaring afleggen onder
nummer. Dan wordt de identiteit van het slachtoffer niet in de stukken opgenomen,
maar is deze wel bekend bij de politie en het OM. Daarvoor dienen bijzondere redenen
te zijn als: vrees voor represailles of voor ernstige overlast of belemmering in de
uitoefening van zijn beroep. De officier van justitie bepaalt of aan de vereisten
is voldaan. De rechter kan ook dan oordelen dat het slachtoffer moet worden gehoord.
In zeer bijzondere gevallen beslist de rechter dat hierbij de identiteit mag worden
afgeschermd.
Vraag 26
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de
politie hier voldoende bekend mee?
Antwoord 26
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak zorgmedewerkers afgeschermd aangifte doen. Wel
is politie voldoende bekend met de mogelijkheden rondom afgeschermd aangifte doen.
Uit de ELA volgt dat zij het slachtoffer daarover ook informeren.
Vraag 27
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel
afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Antwoord 27
Zoals bij vraag 25 aangegeven is volledige anonimiteit in het strafdossier praktisch
niet mogelijk. Wel zijn er mogelijkheden om bepaalde gegevens van de aangever te verhullen
in het strafdossier (als beschermingsmaatregel). Een uitbreiding hiervan zal ik niet
verder onderzoeken.
Vraag 28
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en
in de aanpak van personeelstekorten?
Antwoord 28
Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HL) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort
te laten dalen. Samen met het veld zet het kabinet de volgende stappen:
• Het halveren van de administratietijd;
• De inzet van kunstmatige intelligentie (AI) en technologische innovaties die arbeidsbesparend
werken;
• Investeren in opleiding en ontwikkeling van professionals buiten het ziekenhuis.
Daarnaast blijft dit kabinet de komende jaren inzetten op het behoud van medewerkers
door werkgevers te stimuleren het werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen.
Het gaat daarbij om onderwerpen als professionele autonomie en zeggenschap, het voorkomen
van verzuim en de aanpak van agressie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 29.
Vraag 29
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig
voelen om hun werk te blijven doen?
Antwoord 29
Werkgevers hebben op basis van de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor de
veiligheid en gezondheid van hun werknemers. De Minister van Langdurige zorg, Jeugd
en Sport ondersteunt werkgevers hierbij door:
• Subsidie aan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
(KNMG) te verstrekken om een handelingskader op te stellen voor zorgverleners als
zij te maken krijgen met agressie. De KNMG doet dit in samenwerking met andere beroepsverenigingen
en het handelingskader is breed te gebruiken in de zorg. De KNMG is van plan dit handelingskader
voor de zomer te publiceren.
• In juni vorig jaar is er een publiekscampagne gestart tegen verbale agressie tegen
medewerkers in zorg en welzijn. Werkgevers kunnen nog steeds gebruik maken van de
toolkit van deze campagne om binnen hun eigen organisatie aandacht te vragen voor
agressie (https://www.campagnetoolkits.nl/tel-tot-11).
• Om werkgevers te stimuleren aangifte te doen bij agressie tegen hun werknemers zijn
er de afgelopen jaren regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte
bij agressie.
• In 2022 zijn subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigers van werkgevers
en werknemers in zorg en welzijn, om aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een
aanpak voor het tegengaan van agressie welke aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte
in de eigen branche.
Vraag 30
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke
taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit
in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Antwoord 30
Zoals ik bij vraag 27 toegelicht is volledige anonimiteit in het strafdossier niet
mogelijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beschermd aangifte doen.
Vraag 31
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen
mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en
dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Antwoord 31
Hiermee ben ik samen met de politie en het OM aan de slag in het kader van de herziening
van de ELA, welke ik naar verwachting in de zomer aan uw Kamer zal aanbieden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.