Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boelsma-Hoekstra over eisen aan vrijwilligers in de traditionele scheepvaart
Vragen van het lid Boelsma-Hoekstra (CDA) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart (ingezonden 17 april 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 7 mei 2026).
Vraag 1
Kunt u, in aanvulling op uw eerdere beantwoording van schriftelijke vragen op hetzelfde
onderwerp, een nadere duiding geven van de kosten die gepaard gaan met de vereiste
van het bezig van het kwalificatiecertificaat schipper? Kunt u in ieder geval ingaan
op welke kosten gepaard gaan met een verplichte tweejaarlijkse medische keuring?1
Antwoord 1
De kosten voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper zijn
afhankelijk van de route die gekozen wordt om dit certificaat te behalen. Deze routes
zijn vastgesteld in de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart. De opleiding
tot schipper is een opleiding op MBO-3 niveau. De kosten voor een MBO-opleiding zijn
op dit moment € 1.458,– per jaar. Daarbij komen nog de overige kosten voor bijvoorbeeld
studiemateriaal, het aanvragen van een certificaat en de medische keuring.
Het is ook mogelijk het certificaat te behalen via het afleggen van examens bij het
CBR. Welke route dan gevolgd kan worden is afhankelijk van de reeds aanwezige werkervaring.
Ook gelden dan verschillende eisen voor wat betreft de te behalen vaartijd en opleidingsduur.
Wanneer alleen gekeken wordt naar de kosten voor de examens schipper bij het CBR,
dan komen deze in totaal op ongeveer € 1.200,–. Wordt bijvoorbeeld een traject gevolgd
via een beroepsbegeleidende leerweg, dan zijn de kosten voor de opleiding daarnaast
€ 735,– per jaar. Ook hier moet rekening worden gehouden met de extra kosten, zoals
hiervoor genoemd.
In alle gevallen geldt, dat er een aanzienlijk grotere tijdsinvestering gevraagd wordt
voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper dan voor het kwalificatiecertificaat
voor open rondvaartboten, hetgeen ook effect heeft op de kosten. De vereiste vaartijd
voor het kwalificatiecertificaat schipper ligt tussen de 180 en 540 dagen, afhankelijk
van de gekozen route en de reeds opgedane werkervaring. Dit is aanzienlijk meer dan
de 30 dagen, die vereist zijn voor het behalen van het kwalificatiecertificaat voor
de schipper van open rondvaartboten.
Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in
de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk
worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–.
Vraag 2
Kunt u aangeven welke punten in de genoemde gesprekken met de vertegenwoordiging van
de Enterse Zompen en het praambedrijf in Leeuwarden naar voren gebracht zijn, en hoe
hier vervolgens opvolging aan gegeven is?
Antwoord 2
In de aanloop naar de vaststelling van de eisen aan het kwalificatiecertificaat voor
de open rondvaartboten zijn meerdere gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit
deze sector. Deze gesprekken hebben er met name toe geleid, dat de eisen nog meer
werden afgestemd op het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Tijdens het gesprek met de vertegenwoordiging van de Enterse zompen werd onder andere
naar voren gebracht, dat de schippers intern al werden opgeleid en inmiddels veel
ervaring hadden. Dit bleek voor veel organisaties te gelden, die met vrijwilligers
werken. Bij de eisen voor het behalen van het kwalificatiecertificaat open rondvaartboot
is mede hierom bepaald, dat organisaties zelf een opleidingsplan bij het CBR ter goedkeuring
kunnen indienen en de opleiding en de eerste twee praktijktoetsen kunnen verzorgen.
Voorts is voor bestaande bewezen ervaren schippers een overgangsregeling opgenomen:
zij mogen direct de derde praktijktoets afleggen en hoeven ook het theoretisch examen
niet af te leggen.
Vraag 3
Klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die
uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met
het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn
opgenomen verplichtingen? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid
gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Antwoord 3
Het klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen
die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan
met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn
opgenomen verplichtingen en van die mogelijkheid is wel degelijk gebruik gemaakt.
De richtlijn stelt daarbij echter tevens de eis dat het vervangende certificaat een
afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met
het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig
vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is
voor schippers van open rondvaartboten gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid,
door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Voor
dit certificaat gelden aanzienlijk minder zware eisen, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau
wordt geboden, afgestemd op deze sector. Het accent ligt sterk op ervaring in de praktijk.
Er hoeft slechts één theoretisch examen te worden afgelegd, dat gericht is op kennis
van verkeersregels en -tekens.
Vraag 4
Klopt het dat binnen dezelfde richtlijn de mogelijkheid wordt geboden om een kwalificatiecertificaat
af te geven onder afwijkende voorwaarden, mits daarmee een afdoende veiligheidsniveau
wordt gewaarborgd? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik
te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Antwoord 4
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven is met het speciaal voor de open rondvaartsector
ontwikkelde kwalificatiecertificaat gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De eisen
voor het behalen van dit kwalificatiecertificaat open rondvaartboten zijn aanzienlijk
lichter dan voor het behalen van het algemene Kwalificatiecertificaat schipper, terwijl
toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, waar de passagiers aan boord van
deze schepen op kunnen vertrouwen.
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat met een combinatie van een Klein Vaarbewijs en een intern
verzwaarde praktijkopleiding een passend veiligheidsniveau gewaarborgd kan worden?
Antwoord 5
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 stelt de richtlijn de eis, dat het af
te geven vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het af
te geven certificaat zou in dit voorstel het Klein Vaarbewijs zijn en dat biedt voor
het vervoer van meer dan 12 passagiers een onvoldoende veiligheidsniveau. De resultaten
van een intern verzwaarde opleiding maken geen onderdeel uit van het Klein Vaarbewijs
en op een interne opleiding wordt geen toezicht gehouden.
Ik ben dan ook van mening dat met een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde opleiding
niet wordt voldaan aan de eisen van de richtlijn. Misschien nog belangrijker dan dat
is, dat in de regelgeving dan onvoldoende gegarandeerd wordt dat de veiligheid van
de passagiers op deze passagiersschepen wordt gewaarborgd. Dit is iets waar passagiers
op moeten kunnen rekenen, zoals ook door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is benoemd
in hun rapporten naar aanleiding van de ongevallen op de Nieuwe Maas en in het Schuitengat.
Tot slot vind ik het belangrijk dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste
veiligheidsniveau door de schipper bereikt wordt. Daarom ligt het accent bij het kwalificatiecertificaat
voor open rondvaartboten sterk op praktijkervaring en het toetsen ervan. Dit ontbreekt
volledig bij het Klein Vaarbewijs en kan bij een interne opleiding niet worden gecontroleerd.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.