Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg (ingezonden 17 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 4 mei 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1547
Vraag 1 en 2
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt,
maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s
en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt
gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving
en met name op jongeren?
Antwoord 1 en 2
Ik ben bekend met het bericht en deel de mening dat zware criminaliteit onacceptabel
is en een ontwrichtend effect kan hebben op de samenleving als geheel en daarmee ook
op jongeren.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds
brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Antwoord 3
Ik neem deze signalen zeer serieus. Daarom investeren we ook in de gezamenlijke aanpak
van de politie, het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de douane en
de gemeenten in de grensregio’s. Daarnaast is de intensieve samenwerking met België
en Duitsland daarin belangrijk. Criminelen maken namelijk bewust gebruik van de voordelen
van de grens, bijvoorbeeld door hun activiteiten te spreiden over Nederland, België
en Duitsland, wat de opsporing bemoeilijkt. Dit is onacceptabel. Daarom is in Limburg
op 9 februari jl. een intentieverklaring getekend tussen de Nederlandse, Belgische
en Duitse politiediensten en de Koninklijke Marechaussee voor de verdere ontwikkeling
van een gecoördineerde en toekomstbestendige Euregionale politieoperatie, om zo structureel
samen te werken om de veiligheid in de Euregio te versterken.
Vraag 4
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet,
waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en,
zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Antwoord 4
Criminaliteit stopt niet bij landsgrenzen. Criminele netwerken maken bewust misbruik
van de landsgrenzen, door de verschillen tussen Nederland, België en Duitsland in
wetgeving, bevoegdheden en systemen te benutten. Op sommige vlakken hebben de grenzen
namelijk een belemmerend effect op de samenwerking tussen de landen. Bijvoorbeeld
in de opsporing. Hier heeft de grens voor de politie een vertragend effect, onder
meer vanwege een verschil in regelgeving ten aanzien van het bewaren en delen van
gegevens, rechtshulpverzoeken en beperktere mogelijkheden van de inzet van bijvoorbeeld
taps. Belangrijke gegevens zijn zo niet direct toegankelijk, waardoor criminelen direct
na een misdrijf een voorsprong hebben. Ook tijdens het verdere onderzoek zijn mogelijkheden
beperkt doordat (vluchtige) data niet meer beschikbaar zijn of pas na langere tijd
in het bezit komen van de onderzoekers.
Daarom treedt Nederland, juist in nauwe samenwerking met de grensregio’s en ook overkoepelend
met de centrale regeringen in België en Duitsland, ferm op tegen criminele netwerken
die bewust misbruik maken van de landsgrenzen. Onderdeel van de samenwerking bij het
aanpakken en voorkomen van ondermijnende criminaliteit in de grensregio is de inzet
van het Euregionaal Informatie en Expertisecentrum (EURIEC). Via het EURIEC wordt
samengewerkt met België en Duitsland (deelstaat Noordrijn-Westfalen). Het EURIEC ondersteunt
bij concrete casuïstiek met een internationale component. Het primaire doel is daarbij
om te voorkomen dat criminelen, die aan de ene kant van de grens effectief worden
geweerd om in de legale wereld zaken te doen, aan de andere kant van de grens ongestoord
hun criminelen activiteiten kunnen voortzetten. Het EURIEC doet dat door nauwe samenwerking
tussen de Nederlandse RIEC’s, de Belgische ARIEC’s (equivalent van de Nederlandse
RIEC’s) en Duitse partners.
Verder staat ook de Nederlandse politie in nauw contact met hun Belgische en Duitse
collega’s in de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Met de buurlanden wordt
intensief operationeel samengewerkt. Hiervoor bestaat onder andere het Benelux-politieverdrag,
waarin is geregeld dat politiegegevens kunnen worden gedeeld en grensoverschrijdende
bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Met Duitsland is de grensoverschrijdende politiesamenwerking
geregeld in het Verdrag van Enschede uit 2005.
De operationele grensoverschrijdende politiesamenwerking vindt onder meer plaats door
de inzet van grensoverschrijdende politieteams met Duitsland, gezamenlijke patrouilles
en controles met België en in het Euregionaal politie-informatie-uitwisselingscentrum
(EPICC). Regelmatig vindt op operationeel niveau overleg plaats in de zogenoemde burenoverleggen,
een samenwerkingsformat tussen lokale politiechefs van grensregio’s.
Sneller informatie delen over grensoverschrijdende veiligheidsproblemen en gezamenlijk
actie ondernemen is als ambitie opgenomen in het Benelux jaarplan van 2026. Dit jaarplan
heeft als doel om grensbreed de effectiviteit van de politiesamenwerking tussen Nederland,
België en Luxemburg verder te versterken.
Vraag 5 en 6
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze
georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering
van criminaliteit onder jongeren?
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld
via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen
op te treden?
Antwoord 5 en 6
Elke jongere die geronseld wordt voor de georganiseerde criminaliteit is er één te
veel. Met veruit de meeste jongeren in Nederland gaat het echter goed en uit de data
blijkt dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen twintig jaar stevig is gedaald. Er is
dus geen sprake van normalisering van criminaliteit.
Feit is wel dat jeugdcriminaliteit zich momenteel concentreert onder een specifieke
groep jongeren met een opeenstapeling van risicofactoren. Met name jongeren in kwetsbare
posities komen soms in aanraking met negatieve rolmodellen die criminaliteit verheerlijken.
Bij die jongeren in kwetsbare posities is het dan ook cruciaal om hen weerbaar te
maken tegen de verleiding van de georganiseerde criminaliteit. Bijvoorbeeld via sociale
media en muziek, door hen een beter toekomstperspectief te bieden.
Mede daarom zet ik met Keerpunt in op een veilig en laagdrempelig hulpplatform waar
jongeren professionele hulp krijgen wanneer zij crimineel uitgebuit worden. Keerpunt
is bedoeld voor jongeren die vastzitten in de criminaliteit, of hier kwetsbaar voor
zijn en niet zelfstandig een uitweg weten te vinden. Om te voorkomen dat jongeren
met criminaliteit in aanraking komen, daarin afglijden of doorgroeien zetten we in
op kansrijke en bewezen effectieve interventies, zoals de gedragsinterventie «Alleen
jij bepaalt wie je bent» (AJB). AJB is een effectief bewezen gedragsinterventie waarbij
positieve rolmodellen en sport als middel worden ingezet om te voorkomen dat jongeren
afglijden in de criminaliteit en is landelijk beschikbaar. Tenslotte zet ik met Preventie
met Gezag in op het wegnemen van de voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit
in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit doe ik door samen met gemeenten, justitie-
en zorgpartners kansen te bieden aan jongeren die vatbaar zijn voor criminaliteit
en tegelijkertijd grenzen te stellen aan crimineel gedrag. Bijvoorbeeld door de inzet
van jongerenwerk. Jongerenwerkers hebben een goed beeld van de jongeren in hun wijk
en kunnen problematisch gedrag van kwetsbare jongeren op school, straat of online
vroegtijdig signaleren en snel doorverwijzen naar de juiste hulp.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en
Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw
actief worden?
Antwoord 7
Eind 2025 is het WODC-onderzoek naar de precieze effecten van de civiele verboden
op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) in Nederland gepubliceerd tezamen met een beleidsreactie.2 Hieruit blijkt dat de invloed van OMG’s in de openbare ruimte sterk is afgenomen,
vergeleken met de start van de OMG-aanpak in 2012. OMG-leden zijn over het algemeen
minder zichtbaar geworden in het publieke domein en daarnaast zijn er de afgelopen
jaren tientallen clubhuizen gesloten en clubgerelateerde evenementen voorkomen. Dit
heeft verder bijgedragen aan de verminderde zichtbaarheid van (verboden) OMG’s.
Dat OMG’s als gevolg van de integrale aanpak en civiele verboden minder zichtbaar
zijn in de openbare ruimte, is een resultaat dat we moeten vasthouden. In de beleidsreactie
op het WODC-onderzoek is te lezen dat mijn ambtsvoorganger afspraken heeft gemaakt
met partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband om zich te blijven inzetten op
het handhaven van de civiele verboden van verboden motorclubs en op hun leden. Zij
mogen immers geen vrijplaats worden geboden en zowel de overheid als de maatschappij
moeten ten alle tijde weerbaar tegen hen zijn.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen dat OMG’s hier en daar actiever lijken te worden,
en dit is een zorgelijke ontwikkeling. We houden deze motorbendes nauwlettend in de
gaten en de lokale driehoek grijpt in waar dit kan. Daarnaast ontvang ik jaarlijks
van de politie een fenomeenbeeld op dit thema, dat ook wordt verrijkt door de partners
uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband, zodat we tijdig kunnen opschalen indien de
situatie hierom vraagt. Dit onderwerp blijft dus onder mijn aandacht en over deze
ontwikkeling blijf ik met de relevante partners in gesprek.
Vraag 8
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren
in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat
daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Antwoord 8
Het is onaanvaardbaar dat jongeren worden gerekruteerd door de georganiseerde criminaliteit,
ook via sociale media, en ik deel de mening dat daar hard tegen moet worden opgetreden.
Vraag 9 en 10
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in
Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte
van de huidige aanpak?
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als
Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats
van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Antwoord 9 en 10
Politie en justitie hebben de grensregio’s onder controle. Zoals eerder bij vraag
4 beschreven, wordt samen met België en Duitsland hard opgetreden tegen criminele
samenwerkingsverbanden. Zo is de politie-eenheid Limburg bezig met het verkennen van
een Euregionale Politiealliantie, waarvoor het op 9 februari jl. een intentieverklaring
heeft getekend met hun politieburen in België en Duitsland. De ambitie van een dergelijke
Euregionale Politiealliantie is om de duurzame en structurele samenwerking tussen
de politiediensten in de Euregio te versterken. Daarmee houden politie en justitie
nu en in de toekomst de grensregio’s onder controle.
Vraag 11
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning
en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de
antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Antwoord 11
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.