Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 780 Voorstel van wet van het lid Beckerman tot wijziging van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties (Wet bevordering wooncoöperaties)
Nr. 7
VERSLAG
Vastgesteld 13 februari 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van
haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemer op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Blz.
I
Algemeen
2
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
3
2.1.
Aanvullen definitie wooncoöperatie
3
2.2.
Opdracht voor gemeenten om beleid over het bevorderen van wooncoöperaties op te nemen
in integrale documenten
3
2.3.
Noodzaak voorgestelde wijzigingen
5
3.
Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen)
5
3.1.
Gevolgen
5
Woningzoekenden en huurders
5
Gemeenten
6
4.
Financiële gevolgen
6
5.
Evaluatie
7
6.
Advies en consultatie
7
6.1.
Consultatie
7
Kostendelersnorm
7
Fiscaal
7
I Algemeen
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wet bevordering wooncoöperaties. Deze leden danken de initiatiefnemer voor haar inzet
op dit onderwerp. Zij hebben momenteel geen vragen en zien uit naar de behandeling
van dit wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van
wet van het lid Beckerman tot wijziging van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties
(Wet bevordering wooncoöperaties) (Kamerstuk 36 780) en willen de initiatiefnemer danken voor de gedane inspanningen, alsmede nog een
aantal verduidelijkende vragen stellen.
Op bladzijde 4 valt te lezen dat dit wetsvoorstel de vormen regelt die nu het meest
aan een behoefte voorzien en waarvan gebleken is dat ze ook in de praktijk financierbaar
en haalbaar zijn. Deze leden willen de initiatiefnemer vragen of zij een inschatting
kan geven van de behoefte (aantal gemeenschappelijke projecten/woningen) waarin wordt
voorzien door voorliggend wetsvoorstel, wat eventuele gevolgen zijn voor de sociale
voorraad en druk op reguliere woningzoekenden.
Op dezelfde bladzijde staat dat de derde sector met name wordt bepaald door collectieve
zeggenschap en/of eigendom bij bewonersgroepen vaak gemotiveerd door onder andere
leefbaarheidsvraagstukken en duurzaamheid. De leden van de PVV-fractie willen aan
de initiatiefnemer vragen hoe exclusie en beperkte toegankelijkheid («enclavevorming»)
kunnen worden voorkomen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van wet tot wijziging
van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties. Deze leden onderschrijven het
belang van diverse en betaalbare woonvormen en zien in wooncoöperaties een mogelijke
bijdrage aan gemeenschapsvorming en langdurige betrokkenheid van bewoners. Zij achten
het van belang dat nieuwe regelgeving juridisch helder, uitvoerbaar en proportioneel
is, dat gemeentelijke autonomie zorgvuldig wordt gerespecteerd en dat rechtszekerheid
voor betrokken partijen wordt gewaarborgd. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse het wetsvoorstel van het lid Beckerman
gelezen. Deze leden danken haar initiatief om deze wet te maken. Zij hebben nog enkele
vragen. Zo vragen deze leden zich af in welke mate wooncoöperaties daadwerkelijk kunnen
bijdragen aan het oplossen van de landelijke woningnood. Kan de initiatiefnemer kwantificeren
hoeveel woningen zij realistisch verwacht dat deze wet binnen tien jaar oplevert,
en hoe dit zich verhoudt tot de totale bouwopgave?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden danken de initiatiefnemer voor het vele werk. Zij delen de wens om de belemmeringen
voor het stimuleren van wooncoöperaties weg te nemen en hebben enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
bevordering wooncoöperaties. Deze leden danken de initiatiefnemer voor het initiatief
en het werk om tot een initiatiefwet te komen en delen de intentie van de initiatiefnemer
om het oprichten van wooncoöperaties te bevorderen. Zij maken van de gelegenheid gebruik
om enkele vragen te stellen bij het wetsvoorstel.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1. Aanvullen definitie wooncoöperatie
De leden van de CDA-fractie vragen hoe precies wordt afgebakend wanneer een wooncoöperatie
onder het specifieke regime van de Woningwet valt en wanneer sprake is van een ander
wooncollectief dat daarbuiten valt.
Deze leden vernemen graag welke juridische en beleidsmatige gevolgen het heeft indien
deze grens in de praktijk niet scherp blijkt te zijn. Zij vragen of dit kan leiden
tot verschillen in toezicht, staatssteuntoetsing of toegang tot publieke middelen.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe rechtszekerheid voor initiatiefnemers,
gemeenten en financiers wordt geborgd indien interpretatieverschillen ontstaan over
de vraag of een initiatief onder het Woningwet-kader valt.
Deze leden constateren dat in de aangepaste memorie van toelichting passages over
staatssteun zijn geschrapt. Zij vragen wat het effect is van het schrappen van deze
passages op de beoordeling van mogelijke staatssteunaspecten.
De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze thans kan worden vastgesteld of
het wetsvoorstel eventuele staatssteunknelpunten daadwerkelijk adresseert.
Deze leden vragen welke rechtszekerheid gemeenten en financiers hebben ten aanzien
van staatssteunaspecten bij de ondersteuning van wooncoöperaties en of de initiatiefnemer
aanvullende verduidelijking noodzakelijk acht.
De leden van de BBB-fractie lezen dat in de memorie van toelichting gesteld wordt
dat een duidelijke wettelijke definitie essentieel is om banken te stimuleren passende
financieringsproducten te ontwikkelen. Tegelijkertijd wordt verwezen naar een overheidsfonds
van 40 miljoen euro om het «gat in de financiering» te dichten. Kan de initiatiefnemer
uitleggen waarom, indien de wet inderdaad de bancaire bereidheid vergroot, een dergelijke
forse kapitaalinjectie vanuit de overheid noodzakelijk blijft? Hoe verhoudt dit zich
tot het uitgangspunt dat wooncoöperaties als onderneming (zonder winstoogmerk) zelfstandig
en financieel weerbaar moeten zijn?
De leden van de SGP-fractie lezen dat onderdeel van de voorgestelde definitie is dat
ten minste vijf in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden onderdeel van de coöperatie
zijn. Waarom is gekozen voor het aantal van vijf? En kan de initiatiefnemer toelichten
hoe deze vereiste in de praktijk getoetst wordt?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de initiatiefnemer of er nu of in de toekomst
andere vormen van wooncoöperaties kunnen bestaan, en of deze dan ook onder deze wet
vallen of niet. Heeft de initiatiefnemer contact gehad met de bancaire sector om zich
ervan te vergewissen dat met de voorgestelde definitie de financiering eenvoudiger
zou moeten gaan, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
2.2. Opdracht voor gemeenten om beleid over het bevorderen van wooncoöperaties op
te nemen in integrale documenten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de initiatiefnemer voorstelt
om gemeenten te verplichten beleid te voeren ter bevordering van wooncoöperaties.
Betreft dit een inspanningsverplichting of een resultaatverplichting? Hoe wordt voorkomen
dat dit beleid louter symbolisch blijft?
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 7 dat locaties nu vaak nog lastig te
verkrijgen zijn voor wooncoöperaties die willen bouwen. Uit onderzoek van Ecorys zou
blijken dat in verschillende Europese landen het essentieel is gebleken dat er beleid
is om wooncoöperaties te ondersteunen in het verwerven van grond en een genoemde optie
voor Nederland zou het labelen van grond ten behoeve van wooncoöperaties kunnen zijn.
Omdat grond in Nederland schaars is, zouden deze leden aan de initiatiefnemer willen
vragen hoe voorkomen kan worden dat wooncoöperaties gaan concurreren met andere woningbouwvormen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel bepaalt dat het college
beleid vaststelt ten aanzien van wooncoöperaties. Deze leden vragen wat de precieze
juridische betekenis is van deze formulering en welke verplichting daaruit voortvloeit
voor gemeenten.
Daarnaast vragen zij waarom niet is gekozen voor een kan-bepaling, waarbij gemeenten
de mogelijkheid krijgen dit onderwerp op te nemen in hun woonbeleid, maar daartoe
niet wettelijk worden verplicht.
De leden van de CDA-fractie vragen, indien is gekozen voor een verplichting, hoe deze
wordt onderbouwd in het licht van gemeentelijke autonomie en het beginsel van subsidiariteit.
Deze leden vragen in hoeverre het voorstel daadwerkelijk ruimte biedt voor lokaal
maatwerk bij de invulling van dit beleid.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat gemeenten reeds nu beleid kunnen ontwikkelen
ten aanzien van wooncoöperaties. Deze leden vragen in welk opzicht deze wetswijziging
materieel de huidige situatie verandert en op welke wijze een wettelijke verplichting
zal leiden tot andere of intensievere beleidsvorming dan thans het geval is.
Daarnaast vragen zij op welke wijze wordt geborgd dat gemeenten het voorgestelde beleid
uitvoerbaar kunnen vormgeven. De leden van de CDA-fractie vragen of er concrete richtlijnen,
handreikingen of andere ondersteuningsmaatregelen zijn voorzien om gemeenten te ondersteunen
bij het ontwikkelen en implementeren van dit beleid.
Deze leden vragen in hoeverre de initiatiefnemer aanvullende ondersteuning noodzakelijk
acht om te voorkomen dat verschillen in capaciteit tussen gemeenten leiden tot uiteenlopende
uitvoering of vertraging.
De leden van de BBB-fractie zien dat wooncoöperaties deels in hetzelfde domein opereren
als woningcorporaties. Hoe voorkomt de initiatiefnemer dat wooncoöperaties gaan concurreren
met corporaties om schaarse grond, subsidies en financiering, terwijl corporaties
al een wettelijke taak hebben om betaalbare woningen te realiseren?
Deze leden lezen dat de Afdeling adviseert om te verduidelijken hoe de nieuwe definities
ervoor zorgen dat wooncoöperaties onder de Europese uitzonderingsregels voor staatssteun
vallen. In de reactie op dit advies heeft de initiatiefnemer ervoor gekozen deze passage
simpelweg te schrappen in plaats van de onduidelijkheid weg te nemen. Kan de initiatiefnemer
garanderen dat gemeenten, wanneer zij uitvoering geven aan de nieuwe wettelijke taak
om wooncoöperaties te bevorderen, niet achteraf te maken krijgen met juridische procedures
wegens ongeoorloofde staatssteun?
Daarnaast lezen zij dat hoewel er ruimte blijft voor lokaal maatwerk, de wet gemeenten
verplicht om specifiek beleid voor wooncoöperaties op te nemen in hun woonvisie of
volkshuisvestingsprogramma. Waarom is er gekozen voor een wettelijke verplichting
in plaats van een stimuleringskader? Is de initiatiefnemer niet van mening dat gemeenten,
vanuit de gedachte van «noaberschap» en lokale nabijheid, zelf het beste kunnen beoordelen
of en in welke vorm wooncoöperaties een oplossing bieden voor de lokale woningnood?
De leden van de SGP-fractie zijn kritisch op het feit dat gemeenten de opdracht krijgen
om wooncoöperaties te bevorderen. Waarom is voor deze vergaande verplichting gekozen?
Voor veel andere woonvormen is dit ook niet wettelijk voorgeschreven. Waarom zou dat
voor deze vorm wel noodzakelijk zijn?
Daarnaast vragen deze leden hoe dit voorstel zich verhoudt tot de beleidsvrijheid
van gemeenten. Niet in alle gemeenten is de behoefte naar wooncoöperaties even groot,
terwijl alle gemeenten dezelfde verplichting krijgen. Waarom is niet meer rekening
gehouden met de diversiteit tussen gemeenten?
Ten slotte lezen zij dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aspecten van het
beleid kunnen worden aangewezen waarvoor het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma
in ieder geval beleid bevat. Aan welke aspecten moet dan gedacht worden? Kan de initiatiefnemer
toelichten wat de inhoud van de AMvB zou moeten zijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de initiatiefnemer voor ogen heeft
aan welke standaard gevraagd beleid over het bevorderen van wooncoöperaties moet voldoen.
Welke elementen moeten aan bod komen, om het doel dat de initiatiefnemer voor ogen
heeft te bereiken? Heeft de initiatiefnemer een voorbeeld voor ogen van beleid dat
als ideaal geldt, zo vragen deze leden. Vindt de initiatiefnemer het wenselijk dat
nadere instructies worden uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving of niet?
2.3. Noodzaak voorgestelde wijzigingen
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 8 dat de initiatiefnemer argumenteert
dat om te zorgen dat ook wooncoöperaties duurzaam financieel ondersteund worden het
goed is dit (eveneens) wettelijk te borgen. Deze leden zouden aan de initiatiefnemer
een nadere toelichting willen vragen over de exacte toegevoegde waarde van het wettelijk
borgen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de initiatiefnemer de Minister aanhaalt, die
stelt dat het fonds op termijn «op eigen benen moet kunnen staan». Echter, het wetsvoorstel
zelf bevat geen concrete mechanismen of termijnen die deze financiële verzelfstandiging
borgen. Is de initiatiefnemer bereid om een exit-strategie in de wet op te nemen,
zodat voorkomen wordt dat wooncoöperaties een permanente subsidiepost op de rijksbegroting
worden?
3. Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen)
3.1. Gevolgen
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de initiatiefnemer welke kwantitatieve
gevolgen de initiatiefnemer verwacht door deze wetswijziging. Deze leden vragen hoeveel
wooncoöperaties er meer opgericht zullen worden door deze wet.
Woningzoekenden en huurders
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat de initiatiefnemer wooninitiatieven
uit de samenleving wil stimuleren. Deze leden merken daarbij op dat er een risico
kan ontstaan dat voornamelijk de «zelfredzame burger» de routes via deze nieuwe wetgeving
kan vinden, en dat reguliere huurders en woningzoekenden alsnog niet geholpen zijn.
Is overwogen om inkomens- of huurprijscriteria wettelijk te koppelen aan de definitie
van wooncoöperaties? Hoe wordt voorzien in de waarborg dat wooncoöperaties toegankelijk
blijven voor lagere inkomens en niet vooral voor hoge opgeleide, kapitaalkrachtige
groepen? Hoe wordt omgegaan met eigen inbreng van leden zodat dit geen uitsluitingsmechanisme
wordt?
De leden van de CDA-fractie hechten aan brede toegankelijkheid van woonvormen. Deze
leden vragen hoe wordt voorkomen dat wooncoöperaties in de praktijk vooral toegankelijk
zijn voor mondige of kapitaalkrachtige groepen. Zij vragen hoe wordt omgegaan met
toetredingscriteria en mogelijke vormen van coöptatie binnen wooncoöperaties en op
welke wijze wordt geborgd dat gelijke toegang tot schaarse woonruimte wordt gewaarborgd.
De leden van de CDA-fractie vragen wat materieel verandert door deze wetswijziging
ten opzichte van de huidige situatie. Deze leden wijzen erop dat knelpunten rond wooncoöperaties
mede samenhangen met financiering, fiscaliteit en uitvoeringsondersteuning. Zij vragen
in hoeverre de initiatiefnemer dit wetsvoorstel effectief acht zonder een breder integraal
pakket aan maatregelen op deze terreinen. De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit
voorstel zich verhoudt tot bestaande instrumenten binnen het volkshuisvestingsbeleid
en welke concrete bijdrage de initiatiefnemer verwacht dat deze wetswijziging levert
aan de daadwerkelijke realisatie van wooncoöperaties.
Gemeenten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat gemeenten de instrumenten
en capaciteit krijgen om deze wetgeving goed uit te kunnen voeren. De initiatiefnemer
voorziet in de Memorie geen negatieve gevolgen voor gemeenten. Kan nader worden ingegaan
op de uitvoerbaarheid en capaciteit bij gemeenten, met name kleinere gemeenten die
mogelijk beperkte expertise hebben op het gebied van coöperatieve woonvormen? Hoe
wordt voorkomen dat er ambtelijke capaciteit op bijvoorbeeld de bouw van sociale huurwoningen
moet wijken om wooncoöperaties te ondersteunen?
De leden van de BBB-fractie missen in het wetsvoorstel een expliciete koppeling met
krimp- en plattelandsregio’s. Ziet de initiatiefnemer specifieke kansen voor wooncoöperaties
in dorpen waar voorzieningen verdwijnen en de leefbaarheid onder druk staat, en zo
ja, waarom is dit perspectief niet nadrukkelijker in de wet verankerd?
4. Financiële gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn met de initiatiefnemer van mening dat
de financiering van wooncoöperaties beter moet. Kan de initiatiefnemer nader toelichten
hoe wordt geborgd dat de voorgestelde definitie daadwerkelijk leidt tot betere financierbaarheid?
Is hierover al overleg gevoerd met banken en wat waren hun voorwaarden? Deze leden
zijn van mening dat de wooncoöperatie niet misbruikt mag worden door commerciële partijen.
Hoe wordt voorkomen dat commerciële partijen de definitie van wooncoöperatie gebruiken
zonder dat sprake is van daadwerkelijke democratische zeggenschap en langdurige betaalbaarheid?
Hoe wordt in de AMvB uitgewerkt wat onder «geen winstoogmerk» wordt verstaan? Deze
leden vragen zich ook af wat er gebeurt er wanneer een lid overlijdt of uittreedt?
De leden van de CDA-fractie vragen welke financiële lasten gemeenten kunnen verwachten
bij de uitvoering van deze wet, bijvoorbeeld in termen van ambtelijke inzet, juridische
advisering en eventuele financiële ondersteuning van wooncoöperaties. Deze leden vragen
of een inschatting is gemaakt van de structurele en incidentele kosten voor gemeenten
en hoe deze kosten zich verhouden tot de beoogde effecten van het wetsvoorstel. Zij
vragen op welke wijze deze kosten worden gedekt en hoe wordt geborgd dat de financiële
gevolgen voor gemeenten proportioneel zijn in relatie tot de verplichtingen die het
wetsvoorstel met zich brengt.
De leden van de BBB-fractie vragen zich af wat er gebeurt wanneer een wooncoöperatie
financieel in de problemen komt of failliet gaat. Is er een vangnet geregeld voor
bewoners, bijvoorbeeld in de vorm van overname door een woningcorporatie of gemeente,
zodat mensen niet plotseling hun woning of rechten verliezen?
Deze leden lezen dat bij vastgoedwooncoöperaties bewoners mede-eigenaar worden. Kan de initiatiefnemer verduidelijken in hoeverre individuele leden
financieel aansprakelijk zijn bij schulden of tegenvallers van de coöperatie, en acht
zij dit risico verantwoord voor huishoudens met beperkte financiële buffers?
5. Evaluatie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat er een evaluatiebepaling
is opgenomen. Deze leden vragen zich af hoe de initiatiefnemer de evaluatie voor zich
ziet. Wanneer is de wet succesvol volgens de initiatiefnemer? Kan de initiatiefnemer
verduidelijken welke indicatoren bij de evaluatie zouden moeten worden gehanteerd,
bijvoorbeeld ten aanzien van aantallen gerealiseerde wooncoöperaties, lange termijn
voortbestaan van deze woonvormen en toegankelijkheid voor verschillende inkomensgroepen?
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 11 dat de initiatiefnemer het voorstel
doet om deze wijziging van de Woningwet binnen vijf jaar te evalueren en vervolgens
na nog eens vijf jaar een verslag aan de Staten-Generaal te sturen over de doeltreffendheid
en de effecten van deze wet in de praktijk. Deze leden willen de initiatiefnemer vragen
waarom is gekozen voor de periode van vijf jaar, alsmede waarom doeltreffendheid en
effecten pas na nog eens vijf jaar in kaart worden gebracht.
6. Advies en consultatie
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de initiatiefnemer in kan gaan op het
verschil van inzicht tussen de initiatiefnemer en de Afdeling, over de reikwijdte
van de Woonwet en de impact van dit wetsvoorstel.
6.1. Consultatie
Kostendelersnorm
Welke nadere juridische uitwerking heeft de initiatiefnemer voor ogen, om eenheid
in regelgeving te bewerkstelligen, zonder dat het coöperatief wonen ontmoedigt, door
gevolgen voor de hoogte van uitkeringen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Fiscaal
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Afdeling adviseert om de verwachtingen van
dit voorstel in een «bescheiden perspectief» te plaatsen, omdat veel knelpunten (zoals
belastingen en de kostendelersnorm) buiten het bereik van de Woningwet liggen. In
de internetconsultatie werden fiscale barrières zoals de overdrachtsbelasting van
10,4% en de nadelige box 3-behandeling expliciet genoemd. Erkent de initiatiefnemer
dat deze wet de kern van de financiële onhaalbaarheid voor veel burgers niet raakt?
Dreigt hiermee niet een «papieren werkelijkheid» te ontstaan waarbij de overheid verwachtingen
wekt die zij financieel niet kan waarmaken zonder telkens weer bij te springen?
De fungerend voorzitter van de commissie, Beckerman
De adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.M. Beckerman, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.