Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Ceulemans en Boomsma over het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes
Vragen van de leden Ceulemans en Boomsma (beiden JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend «inhumane» opeenvolgende IBS-periodes (ingezonden 16 maart 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 24 april 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1545.
Vraag 1
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij
de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse
onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring
bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op
het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Antwoord 1
Ik ben bekend ben met het arrest «Aroja» van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie
van de Europese Unie (hierna: het Hof) en verschillende uitspraken die daarnaar verwijzen
van de Nederlandse rechtspraak.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes
(IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe
dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde
Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering
– bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer
voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk
in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een
criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Antwoord 2
Zoals uw Kamer bekend, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin
kan ik aangeven dat het Hof in haar arrest nader gepreciseerd heeft hoe de maximale
termijn voor vreemdelingenbewaring op basis van de Terugkeerrichtlijn, in Nederland
geïmplementeerd in artikel 59 Vreemdelingenwet 2000, moet worden berekend. De uitspraak
van het Hof luidt dat per direct de maximale termijn van 18 maanden (6 maanden + 12
maanden verlenging) berekend moet worden door alle periodes van vreemdelingenbewaring
op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar op te tellen. Tot nu toe ging de
Nederlandse rechtspraktijk er van uit dat deze termijn per opgelegde bewaringsmaatregel
steeds opnieuw inging. Dit heeft als gevolg dat vreemdelingen die in totaal 18 maanden
of langer in vreemdelingenbewaring hebben gezeten op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit,
niet langer in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer gesteld kunnen worden.
Dit maakt het al complexe bewaringsproces nog ingewikkelder. Het Hof onderbouwt haar
oordeel door te verwijzen naar het verbod op willekeurige bewaring. Het Hof wijst
lidstaten wel op mogelijkheden om in hun nationale wetgeving handelingsperspectieven
te scheppen met strafrechtelijke sancties.
Vraag 3, 4, 5 en 6
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele
vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien
als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege
de optelling van eerdere IBS-periodes?
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair
verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare
orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van
illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of
de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming
van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten
onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken
aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken
van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond,
omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring
op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling
voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te
nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen
dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk
kunnen worden uitgezet?
Antwoord 3, 4, 5 en 6
Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn dienen Nederland te verlaten.
Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling zelfstandig vertrekt. Indien de vreemdeling
niet of onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek dan wordt er overgegaan
tot gedwongen vertrek. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan overlastgevende en criminele
vreemdelingen. Onder de Terugkeerrichtlijn kunnen vreemdelingen in bestuursrechtelijke
vreemdelingenbewaring worden gesteld wanneer er een onttrekkingsrisico is of wanneer
zij de terugkeerprocedure ontwijken of belemmeren. Er is thans geen op zichzelf staande
grond voor terugkeerbewaring om de enkele reden dat personen een risico vormen voor
de openbare orde of de nationale veiligheid. Voor vreemdelingen in het strafrecht
geldt dat de (gedwongen) terugkeer zoveel als mogelijk aansluitend op het einde van
de strafrechtelijke detentie wordt georganiseerd.
In gevallen waarbij de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vaststaat,
zal doorgaans de maximale termijn van 18 maanden bewaring met het oog op uitzetting
volstaan, ook als eerdere bewaringsperiodes op grond van de Terugkeerrichtlijn bij
elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij is van belang dat periodes van rechtmatig verblijf
gedurende de behandeling van een asielprocedure niet vallen onder de Terugkeerrichtlijn
en dus geen onderdeel uitmaken van de maximale termijn van 18 maanden. Ook bewaring
in het kader van de Dublinprocedure telt niet mee. Het herhaald indienen van een toelatingsprocedure
zal de vreemdeling dus maar beperkt baten.
Het Aroja-arrest heeft echter wel een negatieve impact op de bewaring van vreemdelingen
die niet over geldige reisdocumenten beschikken. Voor hen zal een vervangend reisdocument
moeten worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (mogelijke)
land van herkomst. Afhankelijk van het land van herkomst en de mate van medewerking
van de vreemdeling, kan het geruime tijd duren voordat het onderzoek door het land
van herkomst is afgerond. Bij een negatieve uitkomst is aanvullend onderzoek nodig.
Dit kunnen langdurige trajecten zijn die veel tijd in beslag nemen. Met dit arrest
bestaat het risico dat de maximale bewaringstermijn is volgelopen, zonder dat terugkeer
geeffectueerd kon worden. Daarnaast wordt verwacht dat vreemdelingen die niet meewerken
aan terugkeer zich nog heftiger zullen verzetten om uitzetting te voorkomen als de
maximale termijn van 18 maanden in beeld komt. Daarom zal de vreemdelingenketen de
inzet van vreemdelingenbewaring nog scherper moeten afzetten tegen de spoedige effectuering
van terugkeer.
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven
moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek
van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid,
als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. De aanpassing van de wetgeving met betrekking
tot de ongewenst verklaring en de strafbaarstelling van illegaal verblijf, welke thans
in de Eerste Kamer ter behandeling liggen, kunnen een ingang bieden om dit handelingsperspectief
te versterken.
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van
de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten
het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen
naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de
bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale
veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid
om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal
6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet
en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking
met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en
op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen.
Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief
om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Vraag 7
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders,
al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar
zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op
uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel
zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt
u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus,
en reden voor opheffing van de bewaring?
Antwoord 7
Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat
moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen
opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen
ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden.
In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode
van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen
heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het
toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen
is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen
te voorkomen.
Het arrest dateert van 5 maart 2026. Van een overzicht over de afgelopen 18 maanden
in relatie tot deze uitspraak, kan dan ook geen sprake zijn.
Vraag 8
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande
Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken
en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf
klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde
vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving
wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Zoals aangegeven in het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6, biedt de Terugkeerverordening
perspectief op het versterken van het terugkeerbeleid. Het kabinet zet dan ook in
op de vlotte afronding van de triloogonderhandelingen.
Vraag 9 en 10
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare
orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe
uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat
hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door
juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal
beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en
procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting
voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht?
Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Antwoord 9 en 10
Ik wil hier graag verwijzen naar het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6
en het antwoord op vraag 8.
Vraag 11
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten
voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de
nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke
criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat
hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Zoals hierboven aangegeven is het kabinet van mening dat het onderhandelingsmandaad
van de Raad van de EU, dat de inzet vormt van de gesprekken in de triloog, een goed
alternatief biedt om het handelingsperspectief te versterken. Zoals eerder opgemerkt
zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord op de Terugkeerverordening.
Vraag 12
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Antwoord 12
Waar mogelijk heb ik de vragen één voor één beantwoord. Waar de vragen in elkaars
verlengde lagen of hetzelfde antwoord hadden heb ik de beantwoording gebundeld.
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.