Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Tseggai over het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt
Vragen van het lid Tseggai (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Buitenlandse Zaken en de Minister-President over het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt (ingezonden 27 maart 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en de Minister
van Buitenlandse Zaken (ontvangen 23 april 2026).
Vraag 1
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen
de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Antwoord 1
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept
het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden
en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een
immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot
op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie
en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door
de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda
gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het
slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren
tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de
menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en
de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding
inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp
als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Vraag 2
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Antwoord 2
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten,
onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet
onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de
trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet
zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een
beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet
bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs
en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook
onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het
aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen
van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die
daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen
specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring
duidelijk gemaakt.
Vraag 3
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe
betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete
erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding
in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen
van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President
Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast
om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Antwoord 3
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland,
een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht,
de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden
voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording,
in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden
geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer
kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er
aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten,
staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat
de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De
keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen
van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een
confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht
bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Antwoord 4
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap
van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen
van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang
om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist
vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité
Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie
in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt
bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap
specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland
en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs,
musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking
tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens
en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen
dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum
is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd.
In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal-
en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk
maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn
in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht
blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN,
voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de
blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen
die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Vraag 5
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme
en mensenrechten te beantwoorden?
Antwoord 5
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.