Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat over veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines (ingezonden 9 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) en de Minister
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 23 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1497.
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines
en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid
(OVV1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Vraag 1
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s
zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen
aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
Antwoord 1
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november
2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad
kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot
op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s
van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten
waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Vraag 2
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s
van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van
overheid, bedrijven en instellingen?
Antwoord 2
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie
van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting.
Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige
beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk
te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad
tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de
Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende
aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Vraag 3
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt
deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
Antwoord 3
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines.
De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie
Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen
uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke
Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de
brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor
verdere verspreiding over lokale korpsen.
Vraag 4
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen
die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
Antwoord 4
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken,
gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten
adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is
geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk
is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking
met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Vraag 5
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met
betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Antwoord 5
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject.
Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving)
verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een
incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt
hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere
de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment
dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Vraag 6
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek
vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op
basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Antwoord 6
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek
van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,
en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste
herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen
in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse
risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een
van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine
zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en
gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare
gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio,
zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Vraag 7
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding
bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Antwoord 7
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten
leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel
17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van
de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident
met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars
geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de
bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband
met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking,
en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig
onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Vraag 8
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat
de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl
u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
Antwoord 8
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet
en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor
1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals
vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels
dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten
behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht
over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen
tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend
wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare
en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7
lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1,
NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente
(in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen
zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Vraag 9
Op welke turbinehoogte is de brandweer aandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand
van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename
in turbinehoogtes?
Antwoord 9
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk
afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment
wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.