Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretaris van Financiën over het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3 (ingezonden 6 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 23 april 2026)
Vraag 1
Klopt het dat bezwaarmakers alleen belastingrente kunnen terugkrijgen als zij het
OWR-formulier hebben ingediend voor de definitieve aanslag werd vastgesteld?
Antwoord 1
Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt
verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke
procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen
(belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier
OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige
wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat
formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.
Vraag 2
Klopt het dat de Belastingdienst doelbewust belastingplichtigen heeft geadviseerd
om geen actie te ondernemen in afwachting van een brief met nadere informatie, waardoor
zij geen recht hebben op terugbetaling inclusief belastingrente?
Antwoord 2
De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd
om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs
leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen
van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier
OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling
box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box
3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken
belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie
hierover.
In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen
het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot
aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en
2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of
konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen
belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het
ingediende formulier OWR.
Vraag 3
Zo ja, is wat u betreft hier sprake van misleiding of een andere vorm van verwijtbaar
handelen aan de kant van de Belastingdienst, aangezien dit burgers bewust in een positie
heeft gemanoeuvreerd waarbij zij geen rente meer terugkrijgen naast de ambtshalve
vermindering?
Antwoord 3
Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling
van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen
(belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel
box 3.
Vraag 4
Zo ja, houdt u dan vast aan de aanpak van niet terugbetalen als het om een foutieve
handelwijze van de Belastingdienst gaat waarbij belastingplichtigen financieel worden
gedupeerd?
Antwoord 4
In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze
niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten
het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering
van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een
gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende
rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen
belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd
had kunnen worden.
Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou
de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling
acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin
belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken
van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen,
maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een
eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering
of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast
zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box
3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten
wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting.
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente
wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien
was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid
tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden
voorzien.
Vraag 5
Uw voorganger schreef in een kamerbrief van 18 december 2025 dat in een aantal gevallen,
met name over belastingjaren 2021 en 2022, vanwege dreigende verjaring de definitieve
aanslag in de tussenliggende periode is opgelegd. Om hoeveel gevallen gaat het?
Antwoord 5
Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming
van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve
aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat het komen tot een passend antwoord op deze problematiek
niet alleen een kwestie is van «wat juridisch noodzakelijk is», maar ook van wat wenselijk
is vanuit de gedachte dat de overheid betrouwbaar en dienstbaar moet zijn?
Antwoord 6
Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers
mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het
ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar
het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken.
Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4,
om geen (belasting)rente te vergoeden.
Vraag 7
In dezelfde kamerbrief van 18 december 2025 staat dat uw voorganger na een gedegen
afweging tot de slotsom is gekomen dat er geen juridische noodzaak bestaat om de wettelijke
regels rondom het vergoeden van belastingrente te verruimen. Kunt u dit uitgebreider
toelichten? Bent u bereid een andere afweging te maken?
Antwoord 7
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt
geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt
geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering
derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de
wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het
formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief
het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het
vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende
verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren,
brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik
kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige
wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom
ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling
niet te verruimen.
Vraag 8
Wat zou het budgettaire beslag zijn van het vergoeden van de rente voor niet bezwaarmakers
tegen de voorlopige aanslag?
Antwoord 8
Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben
geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had
nog van dekking moeten worden voorzien.
Vraag 9
Bent u bereid om een brief naar de Kamer te sturen met uitgewerkte opties voor het
terugbetalen van belastingrente aan alle belastingplichtigen die te veel belasting
hebben betaald in box 3, waarbij u ingaat op thema’s als kosten en rechtsongelijkheid?
Antwoord 9
Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie
om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het
uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te
vergoeden niet de juiste route is.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.