Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bushoff over het stopzetten van Q- en C-support
Vragen van het lid Bushoff (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het stopzetten van Q- en C-support (ingezonden 1 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 22 april
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het
vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
Antwoord 1
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere
tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar
aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen
weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan
ten grondslag ligt.
In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en
adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere
professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde
te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support
is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met
de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor
patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat
de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het
beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk
over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag
inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten
tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals
binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning
te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht
naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen
georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet
heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support
tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele
status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische
richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen
op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen
effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar
zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan
ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan
Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd
beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele
ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg
nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig
feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen.
Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die
zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop
dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt.
Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning.
Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de
inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.
Vraag 2
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID,
waarvan 100.000 ernstig getroffen?
Antwoord 2
De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027.
Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat
bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg
aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is
ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen
in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd
tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt
de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners
hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht
van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen
worden.
Vraag 3 en 4
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks
150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support
als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen
voldoende en passend te ondersteunen?
Antwoord 3 en 4
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden
van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is
heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld
de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support
nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in
de reguliere zorg.
Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk
Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten
(FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding
van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost
tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen
opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners.
Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en
praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding
bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.
Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen
opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere
verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van
de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging
Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het
bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.
Vraag 5
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot
langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie,
en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere
zorg?
Antwoord 5
Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk
dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed
in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal
in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast
wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra
en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook
stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen
gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het
landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen,
zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over
zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten
met andere post-acute infectieuze aandoeningen.
Vraag 6, 7 en 8
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en
impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis
mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze
kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen,
UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op
dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig
en verantwoord te helpen?
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en
nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Antwoord 6, 7 en 8
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten
met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd.
De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds
toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt
vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten,
bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in
de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden,
zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook
veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN),
de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij
dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter
moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de
programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten
om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.
Vraag 9
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die
bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten
nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij
altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID.
Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere
zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse
ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen,
gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg
benaderen met vragen over zorg.
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als
de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op
andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
Antwoord 10
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen,
een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s
van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen
het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan
het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan
zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken
artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de
NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de
komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.
Vraag 11
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld
om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van
patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Antwoord 11
Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode.
De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie
voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen
ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties
al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en
C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten
te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein.
Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen
kunnen gaan worden.
Vraag 12
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd
krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten,
(bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere
veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties
stoppen?
Antwoord 12
Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum
dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld
door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking
voor gemeentes.
Vraag 13
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder
te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het
voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten
en uitvoeringsorganisaties?
Antwoord 13
Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren
van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support
heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij
passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis
en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en
C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan,
in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd
kan worden.
Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een
waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren,
omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het
kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.