Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Ouwehand en Teunissen over de absolute noodzaak om serieuze maatregelen te treffen tegen Israël nu er zelfs een racistische doodstrafwet voor Palestijnen is aangenomen door de Knesset
Vragen van de leden Ouwehand en Teunissen (beiden PvdD) aan de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken over de absolute noodzaak om serieuze maatregelen te treffen tegen Israël nu er zelfs een racistische doodstrafwet voor Palestijnen is aangenomen door de Knesset (ingezonden 10 april 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 22 april 2026).
Vraag 1
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde
te bevorderen?
Antwoord 1
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90
van de Grondwet.
Vraag 2
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele
ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen
de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het
doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met
de nieuwe doodstrafwet?
Antwoord 2
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse
Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd
over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset
onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen
van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Vraag 3
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard
het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken
uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten
veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot
hoger beroep?
Antwoord 3
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische
doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime
van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Antwoord 4
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen
of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting
van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending
oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk
uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is
van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe
doodstrafwetgeving in dit patroon.
Vraag 5
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement
ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement
als zeer ongepast en verwerpelijk.
Vraag 6, 7, 8 en 9
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het
apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als
Nederland? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen
zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische
en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal
recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom
niet?
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt
veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar
ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner
is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn
te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die
rode lijn door Israël?
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse
volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders,
zoals Nederland?
Antwoord 6, 7, 8 en 9
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël
en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het
internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering
van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die
Nederland heeft genomen.
Vraag 10
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika
heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de
internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter
en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot
van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Antwoord 10
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen
deze situaties.
Vraag 11
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur
voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel
(maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen,
zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?3 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Antwoord 11
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na
publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren
van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld
van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld.
Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van
dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht,
waaronder het Antifolteringverdrag.
Vraag 12
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch
worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn
van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie
van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Antwoord 12
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders
serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in
de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te
stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het
Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven,
eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door
de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren
van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in
de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van
Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Vraag 13
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering
en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill
Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet
het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?4 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Antwoord 13
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring.
Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland
is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving
zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden
van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen
om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Vraag 14
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die
zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren
van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische
Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen
blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen
gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven
dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Antwoord 14
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur
en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische
autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het
humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit
samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel.
Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder
willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen
dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief
uit richting
Israël.
Vraag 15
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in
EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat
tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen,
waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
Antwoord 15
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Vraag 16
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale
Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen
te bieden?
Antwoord 16
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van
de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend
conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen
ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer
bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse
Gebieden in november 2025.
Vraag 17
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te
laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden
verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens
schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen
Syrië deed?
Antwoord 17
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van
een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze
hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan
een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met
een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal
Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland
en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft
in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december
2025.6
Vraag 18
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden
en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu
eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 18
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het
antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Vraag 19
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk
is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van
het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking
met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 19
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen
voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor
geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport
en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag
wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen
kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland
op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen
bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op
de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet
is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te
voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen.
Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire
optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot
minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse
essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte
of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking
met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen
van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe
materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie
onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht,
of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn.
Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk
22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.