Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over de uitspraken van de minister tijdens de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026
Vragen van het lid Jimmy Dijk (SP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de uitspraken van de Minister tijdens de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026 (ingezonden 27 maart 2026).
Antwoord van MinisterVijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 20 april
2026).
Vraag 1
Herinnert u de uitspraak die u deed tijdens het debat over de begroting van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid waarin u stelde dat u het sterke vermoeden heeft dat het
aandeel totale uitgaven aan de sociale zekerheid ten aanzien van het bruto binnenlands
product (bbp) tot 2040 nog verder toeneemt en ook flink toeneemt?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u deze uitspraak schriftelijke onderbouwen? Zo niet, waarom niet?
Antwoord 2
Ja. Mijn tijdens het debat uitgesproken vermoeden over de toename van de uitgaven
aan de sociale zekerheid tot 2040 is gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de
uitgaven aan AOW en WIA (samen goed voor ten minste de helft van de uitgaven aan sociale
zekerheid) als aandeel van het bbp. Voor de AOW-uitgaven verwachten we een toename
van € 13,5 miljard tussen 2025 en 2040 in constante prijzen (prijspeil 2025). Op basis
van ramingen van het CPB betekent dat een toename van de AOW-uitgaven als aandeel
van het bbp van 4,7% in 2025 naar 5,7% in 2040. Ook voor de WIA-uitgaven verwachten
we een toename. Het IBO Werken aan de WIA schat een toename van het aantal mensen in de WIA met zo’n 28% in 2060 als gevolg
van vergrijzing en de oplopende AOW-leeftijd (2/3 koppeling). De uitgaven aan de WIA
lopen naar verwachting op met circa € 4,2 miljard tussen 2025 en 2040 in constante
prijzen.
Deze toename kwalificeer ik dus inderdaad als «flink». Een verwachtte stijging van
de uitgaven met ruim 17 miljard euro per jaar in constante prijzen is groot. Dit is
geld dat dan niet aan andere, noodzakelijke doelen kan worden uitgegeven.
Vraag 3
Kunt u schriftelijk onderbouwen op welk onderzoek u zich baseert wanneer u stelt dat
de uitgaven aan sociale zekerheid van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp zullen
stijgen zonder kabinetsingrijpen, en met kabinetsingrijpen van 12,1% naar 12,6%?
Antwoord 3
De geschatte toename van de uitgaven aan sociale zekerheid (inclusief kabinetsbeleid)
als aandeel van het bbp tussen 2025 (12,1%) en 2034 (12,6%) komt uit de verantwoording
van het centraal economisch plan van het CPB. In de doorrekening van het coalitieakkoord geeft het CPB aan dat het
effect van het coalitieakkoord op de uitgaven sociale zekerheid € –2,5 miljard is.
Dat staat gelijk aan 0,2% van het door het CPB verwachtte bbp in 2030. Als we aannemen
dat in 2034 het effect van het coalitieakkoord op de uitgaven aan sociale zekerheid
ook –0,2% bbp is, dan zijn de verwachte uitgaven aan sociale zekerheid in 2034 zonder
coalitieakkoord 12,8% bbp.
Vraag 4
Bent u het ermee eens dat dit niet de grote stijging is zoals u die eerder tijdens
datzelfde debat schetste? En dat het hier niet over onhoudbare stijgingen gaat? Zo
ja, waarom wilt u dan zo hard op de sociale zekerheid bezuinigen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Een toename van de uitgaven aan sociale zekerheid
met 0,5% bbp al in 2030 gaat om veel geld. Dat is geld dat niet aan andere, noodzakelijke,
uitgaven kan worden besteed. Daarom is bijsturing wat het kabinet betreft noodzakelijk.
Ook de recente Studiegroep Begrotingsruimte concludeert: zonder bijsturing is de overheidsschuld
onhoudbaar. De Studiegroep adviseert dan ook om met prioriteit vergrijzingsgevoelige
uitgaven en inkomsten te hervormen.
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat deze cijfers laten zien dat de door het kabinet voorgestelde
kortingen op de WW en WIA en de verhoging van de AOW-leeftijd helemaal niet nodig
zijn? Zo niet, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Voorgaande antwoorden laten zien dat er wel degelijk
maatregelen nodig zijn. We hebben te maken met een aantal grote noodzakelijke uitgaven,
onder andere naar aanleiding van de sterk veranderde geopolitieke situatie. Het is
waar, zo heb ik ook in het debat over de SZW begroting aangegeven, dat je uiteindelijk
altijd een andere politieke keuze kunt maken over hoe je dat betaalt. Maar we zullen
ergens ruimte moeten vinden.
En het kabinet vindt het, gegeven bovengenoemde cijfers en adviezen, logisch dan ook
te kijken naar de sociale zekerheid die zowel absoluut als ook als aandeel van het
bbp een groot en groeiend deel van de collectieve uitgaven vormt.
Bovendien zijn er ook andere factoren die het noodzakelijk maken te kijken naar de
vormgeving van de sociale zekerheid. Denk m.b.t. de WIA bijvoorbeeld aan het afschaffen
van de IVA voor de uitvoerbaarheid van het stelsel. Maar ook de verhouding actief-inactief
is relevant om in de overweging mee te nemen. Demografische ontwikkelingen maken dat
de oplopende uitgaven aan de sociale zekerheid door een relatief steeds kleinere groep
werkenden moet worden betaald. In 2060 zijn er naar verwachting 40 AOW-gerechtigden1 (nu 37) en 6 WIA-gerechtigden (nu 4,8) per 100 werkenden. En om dat voor de AOW verder
in perspectief te plaatsen: in 1990 waren er 30 en in 1960 (drie jaar na de invoering
van de AOW) maar 17 AOW-gerechtigden per 100 werkenden.2
Vraag 6
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 6
Ja.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.