Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’
Vragen van het lid Jimmy Dijk (SP) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Economische Zaken over het bericht «Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid» (ingezonden 7 januari 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei), mede namens
de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (ontvangen 16 april 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 975.
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters
geheim voor de overheid»?1
Antwoord 1
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door
de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke
gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de
in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke
gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden,
middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet
openbaar wordt gemaakt, maar wel dat alle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie
van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie
en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop
van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket
aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor
de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra
wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke
gegevens.
Vraag 2
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun
energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo
nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Antwoord 3
Netbeheerders hebben data over, en inzicht in, het energiegebruik van hun klanten,
waaronder (individuele) datacentra. Overheden werken daarom veel samen met netbeheerders
om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken. Deze gegevens kunnen niet
openbaar worden gemaakt, omdat deze worden gezien als bedrijfsgevoelige gegevens en
alleen ten behoeve van toezicht en handhaving voor de energiebesparingsplicht worden
verstrekt aan de toezichthouders.
Vraag 4
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters
binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo
nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Antwoord 4
De ontwikkeling van datacentra is een langjarig proces en wordt momenteel ingeperkt
door netcongestie, stikstofproblematiek en scherper vestigingsbeleid vanuit overheden.
Daardoor is er in de huidige situatie weinig ruimte voor substantiële uitbreiding.
Recent aangekondigde projecten zijn veelal jaren geleden in gang gezet. Ook sluit
dit beeld niet goed aan bij de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik van de
datacentra in de afgelopen jaren (zie ook de cijfers van het CBS5). Datacentra geven daarnaast aan dat een dergelijke prognose van de groei van het
elektriciteitsverbruik niet realistisch is en niet aansluit bij de ontwikkeling uit
de praktijk.
Vraag 5
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien
veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die
voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Antwoord 5
Het kabinet erkent de zorgen rondom netcongestie en datacentra. Deze zorgen nemen
wij serieus. Tegelijkertijd vormen datacentra de ruggengraat van onze digitale infrastructuur
en faciliteren zij essentiële diensten waar Nederlandse huishoudens dagelijks van
profiteren. Denk aan online bankieren, digitale zorg, thuiswerken en onderwijs op
afstand. Om de beschikbaarheid van een onderscheidende digitale infrastructuur te
borgen, is een zorgvuldige bestuurlijke afweging nodig. Daarvoor moet, samen met betrokkenen
en gekoppeld aan lopende beleidsvorming op economisch, ruimtelijk, en duurzaamheidsvlak,
en met oog voor de maatschappelijke meerwaarde, bezien worden wat nodig en mogelijk
is en welke voorwaarden daarvoor gelden.
Toegang tot transportcapaciteit van elektriciteit wordt non-discriminatoir uitgegeven.
Er wordt daarbij dus niet gekeken naar wat er met de uitgegeven transportcapaciteit
voor elektriciteit gedaan wordt. Netcongestie vormt echter een grote uitdaging. Op
veel plekken in Nederland is geen ruimte meer voor nieuwe aanvragen van grootverbruikers
van elektriciteit, zoals datacentra. Deze komen dan ook op de wachtrij. De Autoriteit
Consument en Markt (ACM) heeft met het prioriteringskader op basis van criteria sectoren
aangewezen die maatschappelijk van groot belang zijn, zoals scholen of ziekenhuizen.
Grootverbruikers uit deze sectoren krijgen voorrang op de wachtrij bij het verkrijgen
van transportcapaciteit wanneer deze beschikbaar is. Datacentra zijn niet opgenomen
in dit kader en krijgen dan ook geen voorrang.
Vraag 6
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving,
als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap
heeft over de technologie?
Antwoord 6
De digitale infrastructuur, die bestaat onder andere uit telecombedrijven, internetknooppunten,
datacentra en cloudaanbieders, levert een substantiële directe én indirecte bijdrage
aan de Nederlandse economie6. Het is onlosmakelijk verbonden met ons dagelijks leven, denk aan video vergaderen,
online bankieren en mobiel betalen, onze overheidszaken regelen en met veel gemak
onze inkopen doen. In het onderwijs en de zorg is digitalisering niet meer weg te
denken. Bedrijven kunnen opbloeien dankzij die hoogwaardige digitale infrastructuur.
De meerwaarde van datacentra is dat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van de digitale
infrastructuur, die een randvoorwaarde is voor toekomstige groei. In de veranderende
mondiale context wordt het steeds belangrijker dat Nederland en de EU geopolitiek
gezien op eigen benen kunnen staan. Het belang van (open strategische) autonomie neemt
steeds verder toe.
Vraag 7
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische
ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence» (AI) ook bredere maatschappelijke doelen,
zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel
is om het als middel te gebruiken?
Antwoord 7
Het kabinet is van mening dat een technologie en het gebruik van technologie, zoals
AI, een middel is of kan zijn in het bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke
opgaven. Daarbij zal technologie en het gebruik hiervan zelf doelen, waarden en machtsverhoudingen
vormen en doen verschuiven, waardoor middel en doel onvermijdelijk in elkaar ingrijpen.
Voor AI is dit niet anders.
Veel AI-oplossingen, die ook relevant kunnen zijn voor productiviteit en maatschappelijk
uitdagingen, worden door bedrijven ontwikkeld en aangeboden. Dit is van belang voor
het verdienvermogen als onderdeel van het industriebeleid en de uitwerking van de
Nationale Technologiestrategie. De implementatie van de Europese AI-verordening draagt
er onder meer aan bij dat AI-oplossingen door bedrijven op een verantwoorde manier
worden ontwikkeld en toegepast.
Om innovaties te versnellen en kennis publiek-privaat te ontwikkelen en toe te passen
zet de overheid specifieke instrumenten in. Een voorbeeld is het AiNed programma van
het Nationaal Groeifonds met een groot aantal labomgevingen voor de ontwikkeling van
innovatieve AI-toepassingen. Een ander voorbeeld is de realisatie van een AI-fabriek
in Groningen. Deze initiatieven moeten maatschappelijke en economische kansen van
AI verzilveren, en de publieke belangen bij AI borgen.
Vraag 8
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn
er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden
gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor
behoud van werk?
Antwoord 8
Er wordt momenteel op verschillende plekken data verzameld over AI, het gebruik ervan
en de impact op de arbeidsmarkt. De AI monitor van het CBS ontwikkelt statistieken
over bedrijven die AI produceren, bedrijven die AI gebruiken, AI-opleidingen inclusief
de overgang naar de arbeidsmarkt, en de vraag naar arbeidskrachten met AI-vaardigheden7. In de arbeidsmarktenquêtes van TNO8 worden ook enkele vragen over inzet van AI op werk toegevoegd. Dialogic publiceert
daarnaast in opdracht van EZK een overzicht van kengetallen over de onderwijs- en
arbeidsmarktstromen van AI en data science. Verder zijn binnen de Nederlandse Skills
Survey vragen gesteld over het gebruik van AI op het werk, en de digitale vaardigheden
van werkenden. Tot slot zijn er internationale organisaties, zoals de OECD, die onder
andere onderzoek hebben gedaan naar de «blootstelling» van bepaalde beroepen aan AI9.
AI kan grote gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt, maar deze gevolgen zijn op dit
moment lastig te voorspellen. Om potentiële negatieve gevolgen voor de arbeidsmarkt
te kunnen mitigeren, is het in de eerste plaats belangrijk mensen te ondersteunen
om mee te kunnen in veranderingen van hun werk als gevolg van AI. Werkgevers hebben
hierin een wettelijke én initiërende verantwoordelijkheid. Werkgevers, brancheorganisaties
en sociale partners zetten al stevig in op leven lang ontwikkelen. Het kabinet heeft
oog voor deze veranderingen. De snelle veranderingen van de economie en arbeidsmarkt
(o.a. door AI) maakt dat de onzekerheid over werk en inkomen voor mensen toeneemt,
terwijl werkgevers ook te maken hebben met grote personeelstekorten en zien dat cruciale
vacatures open blijven staan. Talent komt te vaak niet op juiste plek terecht waar
het meeste waarde toevoegt.
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is daarbij een prioriteit van het kabinet met een ambitieuze
opdracht waaraan € 100 mln. aan structurele middelen is gekoppeld vanaf 2028. Het
kabinet hecht belang aan LLO om het hoofd te kunnen bieden aan grote economische en
maatschappelijke opgaven. Het huidige LLO-beleid van SZW, OCW en EZK is samengevat
in de recente Kamerbrief Voortgang Leven Lang Ontwikkelen.10
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.