Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 K Wijziging van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 29 april 2026
De vaste commissie voor Defensie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel
van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met
de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister van Defensie. Bij brief
van 16 april 2026 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris van Defensie beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie, Manten
Vragen en antwoorden
1
Welk deel van het Defensiematerieelbegrotingsfonds is al bestemd voor projecten en
wat is nog onverdeeld?
Alle investeringen in het Defensiematerieelbegrotingsfonds maken onderdeel uit van
het Defensie Lifecycle Plan en zijn daarmee reeds voorbestemd voor projecten om de Krijgsmacht te versterken
en relevant te houden, het overige deel van het DMF is bestemd voor Instandhoudingsuitgaven.
Er is geen sprake van onverdeeld budget in het DMF. Op artikel 8 staat prijs- en volumecompensatie,
deze is al bestemd voor de verschillende projecten.
2
Wat is de onderliggende reden dat de raming voor de aan te gane verplichtingen in
2026 met maar liefst € 6,3 miljard stijgt tot een totaal van € 19,6 miljard?
De verplichtingen zijn per saldo met € 5,1 miljard naar boven bijgesteld. Na verwerking
van de Nota van Wijzigingen (Kamerstuk 36 800 K, nr. 10) op de Ontwerpbegroting 2026 zijn de bedragen in de tabellen aangepast in de 1e suppletoire
begroting. De verplichtingen zijn vanwege verschillende redenen bijgesteld. Het betreft
zowel opwaartse als neerwaartse bijstellingen als gevolg van bijvoorbeeld een geactualiseerd
verplichtingenritme, overhevelingen van en naar de defensiebegroting en het toevoegen
van verplichtingenbudget dat in 2025 niet tot verplichting is gekomen. Het laatstgenoemde
zorgt met name voor een hoger verplichtingenbudget.
3
Welk deel van de uitgaven komt terecht bij de Nederlandse defensie-industrie en hoe
wordt dit aandeel ontwikkeld over de komende jaren?
De ambitie in het coalitieakkoord is om 50% in te kopen bij Nederlandse en Europese
ondernemers. Defensie rapporteert in de halfjaarlijkse Stand van Defensie over de
versterking van de industrie. Daarin staat het percentage verwerving (in euro’s) in
Nederland. De cijfers over de omvang van de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde
technologische industriële basis (NLDTIB) («Resultaten NLDTIB») worden gepubliceerd
in het onderzoek naar de Nederlandse defensie-industrie dat het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat (EZK) periodiek laat uitvoeren. Een nieuwe publicatie van dit onderzoek
wordt binnenkort aan uw Kamer aangeboden.
4
Hoe verhoudt de sterke stijging van de verplichtingen in 2026 zich tot de kasuitgaven
in latere jaren, en welke risico’s ontstaan hierdoor voor toekomstige begrotingsruimte?
Tegenover de sterke stijging van het verplichtingenbudget staan kasuitgaven in latere
jaren. Kasbudget en verplichtingenbudget zijn daarmee in balans. Door in eerdere jaren
meer verplichtingen aan te gaan, wordt kasbudget vastgelegd voor latere jaren. Dit
budget is dan niet meer vrij besteedbaar, waardoor budgetflexibiliteit afneemt. Hiertegenover
staat dat Defensie zo tijdig de plannen tot uitvoering kan brengen.
5
In hoeverre is sprake van structurele versus incidentele budgetmutaties binnen deze
suppletoire begroting?
Binnen deze suppletoire begroting is sprake van zowel incidentele als structurele
budgetmutaties. Het overgrote deel van structurele budgetmutaties betreft herschikkingen
binnen het DMF, bijvoorbeeld vanwege het in opdracht geven van projecten in voorbereiding.
Per saldo hebben deze mutaties geen invloed op de omvang van de begroting. Tevens
zijn er structurele overhevelingen geweest van en naar de Defensiebegroting (zie vraag
9). Tot slot betreft het toevoegen van de prijs- en volumecompensatie een structurele
budgetmutatie.
6
Welke concrete uitvoeringsrisico’s (zoals personeelstekorten, leveringsketens en industriecapaciteit)
zijn geïdentificeerd bij de verhoogde investeringsvolumes?
In de Defensienota – die voor de zomer met uw Kamer wordt gedeeld – zullen we ingaan
op de wijze waarop we bouwen aan een toekomstbestendige krijgsmacht en de koers voor
versterking. Dit vraagt keuzes. Bij het maken van keuzes wordt ook rekening gehouden
met de uitvoerbaarheid en in de vraag genoemde uitvoeringsrisico’s.
7
Welk deel van de verplichtingenmutaties betreft nieuwe beleidsintensiveringen versus
herfaseringen van bestaande projecten?
De verplichtingenmutaties betreffen bestaande projecten. Een deel hiervan betreft
herschikkingen tussen projecten of het overhevelen van budget van de voorbereidingsfase
naar realisatiefase, wanneer een project in opdracht wordt gegeven.
8
Kunt u aangeven welk percentage van de totale verplichtingenmutaties in deze eerste
suppletoire begroting betrekking heeft op projecten waarvan de details vanwege commerciële
vertrouwelijkheid niet openbaar zijn?
Het Defensie Materieel Proces (DMP) omvat de informatievoorziening naar uw Kamer over
materieel- en wapensysteemgebonden IT-projecten boven de financiële ondergrens van
€ 50 miljoen. De specifieke projectbudgetten van een aantal van deze DMP-projecten
zijn als «commercieel vertrouwelijk» aangemerkt vanwege van de bescherming van de
onderhandelingspositie van de Staat. Tevens kan het openbaar maken van het onderhandelingsresultaat
de leverancier bij toekomstige onderhandelingen met andere opdrachtgevers schaden.
Uw Kamer wordt, indien relevant, vertrouwelijk over deze projecten geïnformeerd. Er
wordt geen afzonderlijk percentage voor deze specifieke categorie gehanteerd.
9
Als alle kasschuiven vanuit de Defensiebegroting naar het Defensiematerieelbegrotingsfonds
in 2026 bij elkaar worden opgeteld, om welk bedrag gaat het dan?
Kasschuiven (faseringen in de tijd) vinden altijd plaats binnen een begroting. Er
is wel sprake van overhevelingen tussen de Defensiebegroting en het Defensiematerieelfonds. De begrotingsoverhevelingen
van de Defensiebegroting naar het Defensiematerieelbegrotingsfonds in 2026 bedraagt
in totaal € 1.216,6 miljoen. De overhevelingen van het Defensiematerieelbegrotingsfonds
naar de Defensiebegroting betreft € 1.367,8 miljoen. Per saldo is er dus € 151,1 miljoen
overgeheveld van het Defensiematerieelbegrotingsfonds naar de Defensiebegroting.
10
Op welke risicoanalyse en historische realisatiecijfers is de besluitvorming gebaseerd
om de limiet voor overprogrammering voor de jaren 2026 en 2027 te verhogen van 30%
naar 40%?
Als gevolg van interne en/of externe factoren kunnen investeringsprojecten vertragen
ten opzichte van de raming. Defensie hanteert daarom het instrument «overprogrammering»
om het toegewezen totaalbudget in het DMF tijdig te realiseren, ondanks de te verwachten
vertragingen in de realisatie van individuele projecten. Bij overprogrammering wordt
in de eerste jaren meer plannen gestart dan passen binnen het budgettaire kader van
deze jaren. Over de gehele planperiode van 15 jaar sluit de programmering aan op het
totaal beschikbare budget.
De overprogrammering wordt vastgesteld op basis van het toegewezen DMF-budget per
jaar en mag in elk begrotingsjaar maximaal 30% van het toegewezen budget zijn. In
het verleden was ondanks een overprogrammering van 30% toch onderrealisatie. Dit past
niet bij de geopolitieke situatie in de wereld die vraagt om een versnelde gereedheid.
In het kader van de noodzaak van een versnelde gereedheid, is daarom met het Ministerie
van Financiën afgesproken dat in 2026 en 2027 de overprogramering tijdelijk 40% mag
bedragen. Deze hogere overprogrammering maakt het mogelijk om nieuwe en bestaande
investeringen die bijdragen aan een versnelde gereedheidstelling te realiseren.
11
Waarom wordt de vrijval op de valutareserve uit 2025 ter waarde van € 266,0 miljoen
via een kasschuif naar het jaar 2027 verplaatst, in plaats van deze middelen direct
in 2026 aan te wenden voor investeringen?
De vrijval op de valutareserve van € 266,0 miljoen wordt in 2027 overgeheveld naar
de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën ter dekking van de maatregel
uit het coalitieakkoord voor het onverminderd voortzetten van militaire steun aan
Oekraïne.
12
Wat is het historisch percentage van vertragingen bij vergelijkbare materieelprojecten
en hoe is dat meegenomen in deze ramingen?
Defensie houdt geen percentages bij over de voortgang van projecten. Uitloop van projecten
ten opzichte van de oorspronkelijke planning kan verschillende oorzaken hebben. De
projecten en programma’s worden geactualiseerd op basis van de projectplanning en
het bekende kasritme. In de totale raming van de begroting wordt rekening gehouden
met eventuele uitloop van individuele projecten. Als gevolg van interne en/of externe
factoren kunnen investeringsprojecten uitlopen in tijd ten opzichte van de raming.
Defensie hanteert daarom het instrument «overprogrammering» om het toegewezen totaalbudget
in het Defensiematerieelbegrotingsfonds tijdig te realiseren. Door met deze overprogrammering
te werken wordt zoveel als mogelijk getracht te voorkomen dat latere realisatie bij
individuele projecten leidt tot onderrealisatie van het totale beschikbare budget.
13
Kunt u een overzicht geven van de specifieke projecten en programma's die vallen onder
de verplichtingenmutatie van € 677,7 miljoen voor het «in het juiste ritme zetten»
van reeksen bij artikel 1 Defensiebreed Materieel?
Als gevolg van de actualisatie van het Defensie Lifecycle Plan (DLP) zijn de kas-
en verplichtingenritmes een groot aantal projecten en programma’s geactualiseerd.
Dit betreft onder andere verplichtingen voor de projecten en programma’s «Aanvulling
inzetvoorraad munitie» en «Defensie Operationeel Kledingsysteem (DOKS)».
14
Wat is de reden dat het budget in de voorbereidingsfase van artikel 1 met € 500,7
miljoen is verlaagd, terwijl het budget in de realisatiefase met ruim € 1 miljard
is opgehoogd?
Projecten waarvan de verwachting is dat deze in 2026 niet meer overgaan naar de realisatiefase
zijn naar latere jaren geherfaseerd. Er zijn ook projecten overgegaan naar de realisatiefase.
Dat zorgt ervoor dat het budget in de voorbereidingsfase naar beneden wordt bijgesteld
en het budget in de realisatiefase naar boven wordt bijgesteld. Het budget in de realisatiefase
neemt daarbovenop toe door onder andere het toevoegen van budget dat in 2025 niet
tot realisatie is gekomen.
15
Kunt u per begrotingsartikel (1 t/m 8) aangeven wat de grootste projecten zijn die
de mutaties verklaren?
De mutaties worden verklaard door een groot aantal projecten. Veel van deze projecten
zijn (commercieel) vertrouwelijk van aard, waardoor Defensie omwille van de bescherming
van haar commerciële belangen niet communiceert over de precieze hoogte van projectbudgetten
en mutaties. De grootste opwaartse bijstellingen voor projecten in de realisatiefase
worden veroorzaakt door:
• Defensiebreed Materieel: Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems (C-UAS) (commercieel
vertrouwelijk) en Defensie Operationeel Kledingsysteem (DOKS) (€ 128,7 miljoen).
• Maritiem Materieel: Verwerving Maritime Strike (vertrouwelijk).
• Land materieel: Verwerving Combat Counter-UAS (€ 237,0 miljoen).
• Lucht materieel: Opbouw Operationele Satelliet Capaciteit (commercieel vertrouwelijk).
• Infrastructuur en Vastgoed: Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD).
• IT: Programma Foxtrot (commercieel vertrouwelijk).
• Artikel 8: Betreft met name prijs- en volumecompensatie (€ 489,9 miljoen).
16
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle projecten boven € 100 miljoen inclusief
planning, budget en actuele status?
Uw Kamer wordt met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) jaarlijks op Verantwoordingsdag
geïnformeerd over de voortgang van materieel- en wapensysteemgebonden IT-projecten
boven de € 50 miljoen. Voor de projecten die vallen onder de «Regeling Grote Projecten
(RGP)» wordt uw Kamer geïnformeerd via separate voortgangsrapportages. Dit geldt momenteel
voor de projecten «Vervanging Onderzeebootcapaciteit» en «Grensverleggende IT (GrIT)».
Over niet-wapensysteem gebonden IT-projecten wordt gerapporteerd via het Rijks ICT-Dashboard.
Via de Stand van Defensie of in een verzamelbrief ontvangt uw Kamer informatie over
de ontwikkelingen in het vastgoedportfolio.
17
Kunt u toelichten waarom het budget voor kortcyclische innovatie met € 56,9 miljoen
is verhoogd en welke specifieke projectcapaciteit hiermee wordt vergroot?
Zoals in de 2e suppletoire begroting 2025 aan uw Kamer gemeld, is € 46,1 miljoen van het budget
voor kort-cyclische innovatie gefaseerd van 2025 naar 2026 omdat meerdere projecten
in 2025 niet meer tot realisatie zouden komen. Dit betrof een veelvoud aan kleinere
projecten die verdeeld zijn over de verschillende defensieonderdelen. Het grootste
deel van deze herfasering (€ 27,3 miljoen) had echter betrekking op de opdracht aan
COMMIT aangaande circa 30 kort-cyclische innovatie projecten die vertraging heeft
opgelopen. Het restant (€ 10,8 miljoen) wordt verklaard doordat de realisatie in 2025
uiteindelijk lager uitviel dan bij 2e suppletoire begroting werd verwacht. Deze onbenutte budgetten van 2025 zijn met de
1e suppletoire begroting 2026 weer toegevoegd aan het budget voor 2026 zodat de uitvoering
van de projecten alsnog kan plaatsvinden. Om de uitvoering van innovatieprojecten
en R&T bij de Koninklijke Marachaussee, Koninklijke Marine en COMMIT te versnellen
is per onderdeel € 700 duizend uitgetrokken om additionele projectcapaciteit aan te
trekken.
18
Wat is de verklaring voor de aanzienlijke neerwaartse bijstelling van € 600,7 miljoen
aan verplichtingen voor Maritiem Materieel (artikel 2), afgezet tegen de algemene
trend van budgetstijgingen?
Dit verschil wordt veroorzaakt doordat er op Maritiem Materieel een groter bedrag
aan verplichtingen – waarvan niet de verwachting is dat deze in 2026 worden aangegaan
– naar latere jaren zijn doorgeschoven. Daarnaast is er minder verplichtingenbudget
dat in 2025 niet is aangegaan, toegevoegd aan 2026.
Er is dus minder verplichtingenbudget toegevoegd en meer verplichtingenbudget doorgeschoven
dan op andere artikelen, waardoor op Maritiem Materieel de verplichtingen in tegenstelling
tot de andere artikelen binnen het DMF naar beneden zijn bijgesteld.
19
Hoeveel projecten bevinden zich momenteel in de fase van vertraging, herijking of
heronderhandeling van contracten?
Defensie hanteert geen dergelijke fasering, maar werkt volgens het Defensie Materieel
Proces (DMP). DMP-projecten bestaan uit verschillende opeenvolgende fasen, namelijk
de A- (behoeftestelling), B- (onderzoek), C- (vervolgonderzoek, aan de orde als een
ontwikkelingstraject nodig is) en D-(verwervingsvoorbereiding)fase. Gedurende een
project kan sprake zijn van gewijzigde omstandigheden die van invloed zijn op de verdere
voortgang en planning. Of een project de oorspronkelijke planning volgt is afhankelijk
van meerdere factoren, zoals de omvang, technische complexiteit, markomstandigheden
of de dynamiek binnen een eventuele internationale samenwerking en de nauwkeurigheid
van de beschikbare informatie ten tijde van de raming. Wanneer wordt overgegaan tot
contractsluiting kan deze informatie al zijn achterhaald. Ook de beschikbaarheid van
intern en extern benodigde kennis en capaciteit en de marktomstandigheden beïnvloeden
het realisatietraject. Daarnaast kunnen zich na de goedkeuring van de behoefte technologische
en internationale ontwikkelingen voordoen. Deze kunnen leiden tot wijzigingen in de
behoefte voordat de goederen en diensten worden verworven. Dit heeft invloed op het
benodigde budget en de levertijd.
Uw Kamer wordt met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) jaarlijks met Verantwoordingsdag
geïnformeerd over de voortgang van de materieel- en wapensysteemgebonden IT-projecten.
20
Welke projecten zijn in deze suppletoire begroting vertraagd, afgeschaald of doorgeschoven,
en wat is de financiële omvang daarvan?
Binnen beleidsartikel 2 Maritiem Materieel wordt toegelicht voor welke projecten verplichtingen
zijn bijgesteld. Dit betreft de projecten «Multifunctionele ondersteuningsvaartuigen»
en «Bewapening maritieme lucht- en raketverdediging» en «Vervanging M-fregatten».
Daarnaast wordt in artikel 2 toegelicht welke uitgaven zijn bijgesteld. Dit betreft
onder andere de projecten «Verwerving maritime strike», «Vervanging Hulpvaartuigen»,
«Verwerving onderzeeboten», «ESSM Block 2: Verwerving en integratie» en «Verwerving
Combat Support Ship». Uw Kamer wordt met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) jaarlijks,
en in het geval van het programma «Vervanging Onderzeebootcapaciteit» halfjaarlijks
met de voortgangsrapportage, geïnformeerd over de voortgang van deze projecten.
21
Kunt u specificeren welke projecten (zoals het leaseplatform HQ en verduurzaming Zr.Ms.
Johan de Witt) verantwoordelijk zijn voor de stijging van € 70,4 miljoen in het instandhoudingsbudget
voor Maritiem Materieel?
De totale stijging van het budget bedraagt € 70,4 miljoen. Dit valt globaal te specificeren
in drie delen. Het eerste gedeelte van de stijging (€ 28,4 miljoen) omvat de verlate
realisatie uit 2025 van verschillende activiteiten, zoals toegelicht in de tweede
suppletoire begroting van 2025. Het gaat hierbij om uitbesteding van instandhoudingswerkzaamheden
en aanschaf van (reserve-) onderdelen. Het tweede gedeelte van de stijging (€ 31,5 miljoen)
betreft de herbelegging van budget voor realisatie binnen de instandhoudingsbegroting
van CZSK. Dit betreffen leaseplatform voor helikopterkwalificaties, diverse reserveonderdelen,
verduurzamingsmaatregelen zoals zonnepanelen, batterijcontainers en een energiemanagementsysteem
en extra uitgaven voor het benoemd onderhoud aan Zr.Ms. Johan de Witt. Het derde gedeelte
van de stijging (€ 8,3 miljoen) betreft een ophoging in verband met een samenhangende
stijging van het ontvangstenkader door hogere terug ontvangst van BTW. Het resterende
deel van € 2,2 miljoen betreffen diverse kleine wijzigingen.
22
Kunt u nader toelichten welke specifieke verplichtingen in 2025 niet zijn aangegaan
voor de projecten «Groot Pantserwielvoertuig Boxer» en «Raketartillerie», wat heeft
geleid tot een toevoeging van € 1.820,3 miljoen aan verplichtingenbudget op artikel
3?
Het contract voor de Boxer RCT30 is in oktober 2025 getekend. Defensie heeft voorrang
gegeven aan deze aanschaf. Daarnaast zijn de offertes voor de overige behoeften binnen
het project «Groot Pantserwielvoertuig Boxer» later ontvangen, waardoor geen verplichtingen
zijn aangegaan. Bij de raketartillerie zijn de verplichtingen voor verdere doorontwikkeling
nog niet aangegaan. De validatie van de raketartilleriesystemen wordt in 2026 afgerond,
waarna aansluitend de levering plaatsvindt.
23
Wat is het historische percentage van vertragingen bij vergelijkbare materieelprojecten
en hoe is dat meegenomen in deze ramingen?
Defensie houdt geen percentages bij over de voortgang van projecten. Uitloop van projecten
ten opzichte van de oorspronkelijke planning kan verschillende oorzaken hebben. De
projecten en programma’s worden geactualiseerd op basis van de projectplanning en
het bekende kasritme. In de totale raming van de begroting wordt rekening gehouden
met eventuele uitloop van individuele projecten. Als gevolg van interne en/of externe
factoren kunnen investeringsprojecten uitlopen in tijd ten opzichte van de raming.
Defensie hanteert daarom het instrument «overprogrammering» om het toegewezen totaalbudget
in het Defensiematerieelbegrotingsfonds tijdig te realiseren. Door met deze overprogrammering
te werken wordt zoveel als mogelijk getracht te voorkomen dat latere realisatie bij
individuele projecten leidt tot onderrealisatie van het totale beschikbare budget.
24
Welke specifieke vertragingen in 2025 liggen ten grondslag aan het toevoegen van € 700,9 miljoen
aan nog niet aangegane verplichtingen voor Lucht Materieel (artikel 4), specifiek
voor de MQ-9 en zelfbeschermingssystemen voor helikopters?
Bij zowel het project bewapening MQ-9 als de uitbreiding en versterking van de MQ-9-capaciteit
zijn geen aanvullende middelen toegekend. De projectplanning voor de bewapening is
herzien als gevolg van vertraagde deelleveringen. In het kader van de zelfbeschermingssystemen
voor de helikopters zijn, wegens een uitbreiding van de projectomvang, de leveringen
in de tijd aangepast.
25
Wat is het historische percentage van vertragingen bij vergelijkbare materieelprojecten
en hoe is dat meegenomen in deze ramingen?
Defensie houdt geen percentages bij over de voortgang van projecten. Uitloop van projecten
ten opzichte van de oorspronkelijke planning kan verschillende oorzaken hebben. De
projecten en programma’s worden geactualiseerd op basis van de projectplanning en
het bekende kasritme. In de totale raming van de begroting wordt rekening gehouden
met eventuele uitloop van individuele projecten. Als gevolg van interne en/of externe
factoren kunnen investeringsprojecten uitlopen in tijd ten opzichte van de raming.
Defensie hanteert daarom het instrument «overprogrammering» om het toegewezen totaalbudget
in het Defensiematerieelbegrotingsfonds tijdig te realiseren. Door met deze overprogrammering
te werken wordt zoveel als mogelijk getracht te voorkomen dat latere realisatie bij
individuele projecten leidt tot onderrealisatie van het totale beschikbare budget.
26
Hoe is het bedrag voor «Nationaal Programma Ruimte voor Defensie» onderverdeeld?
Antwoord samengevoegd met vraag 28
27
Welke grondaankopen binnen het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie zijn al bekend
en hoe groot zijn die bedragen per project?
Antwoord samengevoegd met vraag 28.
28
Kunt u specificeren welk deel van de extra € 244,1 miljoen voor de voorbereidingsfase
van het «Nationaal Programma Ruimte voor Defensie» (NPRD) bestemd is voor grondaankopen
en welke locaties dit betreft?
Antwoord vraag 26, 27 en 28: Door de commerciële vertrouwelijkheid kunnen wij geen
specifieke casussen of bedragen openbaar maken. Wel kunnen we een algemeen beeld schetsen
van de reeds gerealiseerde grondaankopen binnen het Nationaal Programma Ruimte voor
Defensie. In Zeewolde is één overeenkomst gesloten. Voor de oefengebieden De Haar
en Weerterheide zijn compensatiegronden aangekocht, en in Markelo is met de lokale
eigenaren een akkoord bereikt. Ook in Lopik is een overeenkomst gesloten. Daarnaast
is met tal van eigenaren op andere locaties contact gelegd en vinden onderhandelingen
of taxaties plaats, of zijn biedingen gedaan.
29
Welke langere doorlooptijden voor het afsluiten van contracten hebben concreet geleid
tot het doorschuiven van € 120,5 miljoen aan budget voor infrastructuurprojecten naar
latere begrotingsjaren?
De langere doorlooptijden zijn vooral het gevolg van nadere afstemming tussen Defensie
en het RVB, het verkrijgen van vergunningen in verband met stikstof en in een aantal
gevallen een langer dan verwacht aanbestedingsproces. Het betreft veelal meerdere
(deel)projecten, onder andere: Aanpassen brandveiligheid vastgoed, Nieuwbouw ten behoeve
van NH-90, Versnellen verduurzaming Vastgoed en Vastgoed ten behoeve van Cyber en
Elektromagnetische activiteiten (CEMA) capaciteiten.
30
Hoeveel projecten bevinden zich momenteel in de fase van vertraging, herijking of
heronderhandeling van contracten?
Een groot gedeelte van de projecten vertraagt als gevolg van de omgevingszekerheid
en netcongestie. Verder staat er op dit moment een viertal projecten in de planning
voor herijking. Er zijn geen projecten bij vastgoed, waarbij heronderhandeling over
het contract plaatsvindt.
31
Welke projecten zijn in deze suppletoire begroting vertraagd, afgeschaald of doorgeschoven,
en wat is de financiële omvang daarvan?
Binnen beleidsartikel 5 Infrastructuur en Vastgoed wordt toegelicht voor welke projecten
verplichtingen zijn bijgesteld. Dit betreft de projecten Nationaal Programma Ruimte
voor Defensie (NPRD) (€ 133,0 miljoen), Commandantenvoorzieningen (€ 14,9 miljoen),
Militaire mobiliteit (€ 19,5 miljoen) en voor instandhouding van infrastructuur (€ 85,2 miljoen).
Het restant betreft een optelsom van overige kleinere mutaties (€ 26,3 miljoen). Daarnaast
wordt in artikel 5 toegelicht welke uitgaven zijn bijgesteld. Dit betreft onder andere
de projecten NPRD (€ 133,0 miljoen), Huisvesting Marine Museum in Den Helder (€ 40,0 miljoen),
Vernieuwen Lokaal Passieve Infrastructuur (LPI) (€ 25,6 miljoen), Verbeteren testbaan
APS Eygelshoven (€ 13,4 miljoen). Het verschil van € 112,2 miljoen bestaat uit de
optelsom van een aantal kleinere mutaties. Uw Kamer wordt via de Stand van Defensie
of via de Verzamelbrief Vastgoed en Leefomgeving periodiek geïnformeerd over de voortgang
van de verschillende projecten, zoals op 12 februari jl. (Kamerstuk 36 592, nr. 58).
32
Kunt u toelichten hoe de gedeeltelijke projectoplevering van GrIT heeft geleid tot
de aanpassing van de uitgavenreeksen voor het «Project Datacenter» binnen het IT-artikel?
Door oplevering van nieuwe IT functionaliteit vanuit het programma GrIT is budget
ontvlochten en overgeheveld vanuit Verwerving naar Instandhouding.
33
Welke projecten zijn in deze suppletoire begroting vertraagd, afgeschaald of doorgeschoven,
en wat is de financiële omvang daarvan?
Binnen beleidsartikel 6 IT wordt toegelicht voor welke projecten verplichtingen zijn
bijgesteld. Dit betreft de projecten «Geïnstrumenteerde oefen- en trainingscapaciteit
voor grondgebonden eenheden», «Modernisering Tactische Indoor Simulator» en «Vervanging
ESM-capaciteiten KL EOV-systeem». Daarnaast wordt in artikel 6 toegelicht welke uitgaven
zijn bijgesteld. Dit betreft onder andere programma «Foxtrot» en het project «Joint
Electronic Attack». Deze projecten zijn commercieel vertrouwelijk. Uw Kamer wordt
met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) jaarlijks geïnformeerd over de voortgang
van deze wapensysteemgebonden IT-projecten.
34
Hoe is de toevoeging van € 489,9 miljoen voor prijs- en volumecompensatie op artikel 8
opgebouwd en welke verdeelsleutel wordt gehanteerd om deze middelen naar de verschillende
materieelartikelen over te hevelen?
De toevoeging van € 489,9 miljoen voor prijs- en volumecompensatie bestaat in 2026
volledig uit prijscompensatie. Deze loopt op tot € 508,6 miljoen structureel. In 2030
wordt eveneens volumecompensatie toegevoegd, welke structureel (vanaf 2031) € 522,8
miljoen bedraagt.
Het budget voor de vergoeding van volume- en prijsontwikkelingen wordt bepaald op
basis van de geschatte volume- en prijsontwikkeling van het bbp. Jaarlijks brengt
het Centraal Planbureau (CPB) een nieuw Centraal Economisch Plan (CEP) uit met daarin
een schatting van de omvang van het bbp. Sinds 2025 volgt Defensie niet meer de loon-
en prijsontwikkeling (LPO) systematiek. Defensie heeft in bijlage 5 van de Voorjaarsnota
2025 de vormgeving van de wettelijke 2%-koppeling uitgelegd. Vanaf 2026 is de bijbehorende
wet, de Wet Financiële Defensieverplichtingen, ook van kracht.
Voor het verdelen van deze middelen naar de verschillende materieelartikelen op het
Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) en de overige artikelen op de Defensiebegroting
(X) hanteert Defensie intern de prijsindices van het CPB. Defensie maakt daarbij onderscheid
tussen loon- en prijsgecodeerde budgetten. De doorverdeling van deze middelen geschiedt
bij Ontwerpbegroting 2027 en de september suppletoire begroting 2026.
35
Welk deel van de uitgaven komt terecht bij de Nederlandse defensie-industrie en hoe
wordt dit aandeel ontwikkeld over de komende jaren?
De ambitie in het regeerakkoord is om 50% in te kopen bij Nederlandse en Europese
ondernemers. Defensie rapporteert in de halfjaarlijkse Stand van Defensie over de
versterking van de industrie. Daarin staat het percentage verwerving (in euro’s) in
Nederland. De cijfers over de omvang van de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde
technologische industriële basis (NLDTIB) («Resultaten NLDTIB») worden gepubliceerd
in het onderzoek naar de Nederlandse defensie-industrie dat het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat (EZK) periodiek laat uitvoeren. Een nieuwe publicatie van dit onderzoek
wordt binnenkort aan uw Kamer aangeboden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier