Schriftelijke vragen : Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel''
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: «Gezondheid patiënten staat op het spel»» (ingezonden 15 april 2026).
Vraag 1
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder:
2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in
de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een
ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie
opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen
patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent
u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot
gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Vraag 2
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat
daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief
in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken
en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering
die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Vraag 3
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord
op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid
creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken,
getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Vraag 4
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren
voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot
een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet
alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe
verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke
toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel
verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen
patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF
blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Vraag 5
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed
zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in
te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief
kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis
van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten
van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk
erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten
en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Vraag 6
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten
per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor
andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage
prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat
licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke
aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent
u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel,
met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid,
en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie,
naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft
gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt?
Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd,
indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende
partijen is besproken?
Vraag 8
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente
segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model
van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of
de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt
het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve
model meer onderbouwing vraagt?
Vraag 9
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden
meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed
moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse
praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging
van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien
in een apotheek?
Vraag 10
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Indiener
Ingrid Coenradie, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.