Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Bushoff, Beckerman en Van Oosterhout over de aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe
Vragen van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA), Beckerman (SP) en Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister en Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei over de aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe (ingezonden 18 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 15 april
2026).
Vraag 1
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade
heeft gezorgd zonder dat de Rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige
schaderegeling?
Antwoord 1
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties
aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging
als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade)
door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen
en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector,
die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning.
Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit
dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade
heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die
het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade
die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de
CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier
verder over informeren.
Vraag 2
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur
in het huis»?2 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen
in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 2
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen
gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale
bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris
van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit
eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen
is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen
door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen
hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt
een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland.
Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade
gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning
uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld
verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning
in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied
van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke
ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling
van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk
en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het
IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet
op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo
spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen
de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
Vraag 3
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff3 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te
laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe
eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Antwoord 3
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig.
Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in
het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding
van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied
geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting
gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van
het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder
meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid
daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak,
namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht,
verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal,
ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland.
De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende
dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft
gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk
is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder
over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan
te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging
als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt
door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing
van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden
zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten
wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing
van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Vraag 4
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende
kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden
komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Antwoord 4
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te
komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen
van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief
over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving
van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving
van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met
de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot
zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen
(waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in
gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van
de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Vraag 5 en 6
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle
schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag
beoordeelde schades vergoeden?
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners
die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Antwoord 5 en 6
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied
waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling
van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak
die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari
geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud
van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Vraag 7
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe
regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Antwoord 7
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen
en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben
voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid
van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders
lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het
instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen
voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk
oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Vraag 8
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten?
Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten
in balans?
Antwoord 8
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij
het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek
ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die
zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling
in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade
vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts
voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke
aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door
samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen
en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke
aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de
onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding
voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van
de overheid.
Vraag 9 en 10
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat
Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende
regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning
uit kleine velden en het Groningenveld?
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar
is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat
veroorzaken?
Antwoord 9 en 10
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk
is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk
is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt.
Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk
mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord
op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de
beving van 14 maart.
Vraag 11
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld
om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd?
Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden?
Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op
basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen
voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen
van de winningsactiviteiten?
Antwoord 11
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met
een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld,
waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het
gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd
met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van
de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging
(Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen
wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast
de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van
een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur.
Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven.
Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie
valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden
zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van
de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden
gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan
(SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift
opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden
van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s
en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb
SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor
op te stellen.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.