Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee (ingezonden 9 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
14 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and
surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in
stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde
oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan
20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie
en morfologie?
Antwoord 2
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de
effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan
bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee
Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid
Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie
op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van
offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere
rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat
deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is
nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol
van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van
deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting
zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit
programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid
van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot
scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
Vraag 3
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen,
met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale
menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel
meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Antwoord 3
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet
onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages
(MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische
veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor
de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief
alle onzekerheden, dus ook deze.
Vraag 4
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met
name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat
stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale
menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Antwoord 4
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie
en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen
ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp
van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de
ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Vraag 5
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen
gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt
dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de
omvang van hydrodynamische verstoring?
Antwoord 5
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende
robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse
windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken
om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten,
zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds
groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines
laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve
effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent
echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem
meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt
op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden?
Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken
binnen Noordzeesamenwerking?
Antwoord 6
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang
is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale
samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis
van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij
de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Vraag 7
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen
op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten,
gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen)
de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Antwoord 7
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol
is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is
of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken
in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Vraag 8
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende
en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie
suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen
en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Antwoord 8
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 9
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke
strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet
worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene
grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
Antwoord 9
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan
een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet
mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt
uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties
zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart,
mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Vraag 10
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Antwoord 10
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en
de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de
andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag
ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol
van windenergie op zee aan te passen.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.