Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mutluer over structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken
Vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken (ingezonden 24 februari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 13 april 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1358.
Vraag 1
Kent u de berichten in onder meer Tubantia, Omroep Gelderland, Dagblad van het Noorden
en De Telegraaf over de zaak rond Mark S., waarin meerdere slachtoffers aangeven herhaaldelijk
aangifte te hebben gedaan maar niet serieus te zijn genomen?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Dergelijke zaken onderschrijven het belang
van het versterken van de aanpak tegen online seksueel geweld.
Vraag 2 en 3
Deelt u de opvatting dat wanneer meerdere meldingen over een langere periode binnenkomen
over dezelfde persoon wegens seksuele afpersing of zedendelicten, dit automatisch
moet leiden tot verscherpte beoordeling, verdiepend onderzoek, centrale coördinatie
en escalatie? Zo ja, hoe is dit geborgd? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er binnen de politie een landelijk werkend systeem dat herhaalde meldingen
tegen dezelfde persoon (bij verschillende eenheden) ook als eerdere aangiften niet
tot vervolging hebben geleid automatisch signaleert en samenbrengt? Zo ja, hoe wordt
voorkomen dat signalen desondanks gefragmenteerd blijven en dus ongezien met alle
gevolgen voor slachtoffers?
Zo nee, acht u dat verantwoord bij ernstige zedendelicten? En (hoe) bent u bereid
om dat in overleg me de politieleiding te veranderen?
Antwoord 2 en 3
Ik vind het belangrijk dat de politie onderzoekt wat haar rol in deze zaak precies
is geweest, of er gedaan is wat de slachtoffers van de politie hadden mogen verwachten
en of de politie anders had moeten handelen.
Ik deel de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen
tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere
periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De teams opsporing seksuele
misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams) van de politie zijn belast met de opsporing
van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Zij werken regio-overstijgend
samen en hebben periodiek landelijk overleg met elkaar waardoor de lijnen tussen de
teams uit de verschillende politie-eenheden kort zijn. Verder dienen alle meldingen
van (online) seksuele misdrijven voor advies voorgelegd te worden aan de frontoffices
van de teams seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens,
waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies.
Om de mogelijkheid van eventuele seriematigheid bij een melding van een (online) seksueel
misdrijf te onderzoeken, kan de politie op dit moment alleen handmatig in de politiesystemen
zoeken naar bijvoorbeeld personen, telefoonnummers of IP-adressen. De politie zet
daarom in op het vereenvoudigen van werkinstructies en het blijvend onder de aandacht
brengen van de werkafspraken voor meldingen van (online) seksuele misdrijven zodat
er beter geregistreerd en doorverwezen wordt naar voornoemde frontoffices. Bovendien
wordt er gewerkt aan de inzet van nieuwe technologie bij de beoordeling van meldingen.
Tegelijkertijd benadrukt de politie echter dat er meer nodig is om seksuele misdrijven,
zeker als deze (deels) online plaatsvinden, effectief op te sporen en daders te pakken.
De benodigde verbeteringen zien toe op meer dan een andere behandeling en analyse
van meldingen.
De toename in meldingen van sextortion is zeer zorgelijk. Het onderstreept de urgentie
om de aanpak van online seksueel geweld te versterken. Door de digitalisering van
de samenleving hebben veiligheidsvraagstukken steeds vaker een hybride of volledig
online karakter. Deze trend is ook zichtbaar ten aanzien van seksuele misdrijven.
In de Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, is het uitgangspunt
verankerd dat online en offline seksueel misbruik even strafwaardig is.2 Ook zijn er meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar
gesteld. De politie wijst erop dat online seksuele misdrijven een andere manier van
opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie
regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers
gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt
dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs
en analisten. Daarnaast kan, zoals hierboven vermeld, de inzet van nieuwe technologische
middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie.
Zo is er recent een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om de opsporing op
dit punt te versterken. De politie ziet kansen in het meer multidisciplinair gaan
werken, dat wil zeggen meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools.
Tegelijkertijd blijft de professionele beoordeling van meldingen van seksuele misdrijven
door gespecialiseerde politiemedewerkers van groot belang, bijvoorbeeld bij het signaleren
van «rode vlaggen» en de opvang en verwijzing van slachtoffers naar hulpverlening.
Deze inzichten zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer
over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs
op te leiden.
Vraag 4
Zijn er binnen de politie specifieke en eenduidige richtlijnen voor de behandeling
van herhaalde aangiften van minderjarige slachtoffers van seksuele afpersing, mede
gelet op hun kwetsbare positie? Zo nee, waarom ontbreken deze en welke maatregelen
worden genomen om deze alsnog vast te stellen? Zo ja, worden deze richtlijnen in de
praktijk nageleefd?
Antwoord 4
Seksuele afdreiging (sextortion) is geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van
Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak
sprake is van diverse strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en kinderpornografie,
maar ook commune delicten zoals afpersing, afdreiging, bedreiging etc.
In haar interne werkinstructie gebiedsgebonden politie bij seksuele delicten besteedt
de politie onder andere aandacht aan de bejegening van minderjarige slachtoffers bij
meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal.3 In het algemeen geldt voor meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal dat
in bepaalde situaties de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk
of wenselijk kan zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller
en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft en
er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen
dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
Met betrekking tot het aspect van het herkennen van eventuele seriematigheid ten aanzien
van meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal verwijs ik naar het antwoord
op vragen 2 en 3.
Vraag 5 en 6
Kunt u uiteenzetten welke criteria worden gehanteerd bij de keuze om in zedenzaken
te volstaan met een zogenoemd «stopgesprek»? Wordt daarbij standaard een risicotaxatie
uitgevoerd? Wordt standaard onderzocht of er mogelijk meerdere slachtoffers zijn?
Vindt structurele monitoring plaats? Indien dit niet het geval is, waarom wordt dit
instrument dan toegepast bij (ernstige) verdenkingen?
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effectiviteit van stopgesprekken in zedenzaken,
met name bij seksuele afpersing en digitale uitbuiting? Zo nee, waarom niet en waarom
wordt een dergelijk ingrijpend instrument zonder onderbouwde effectiviteitsanalyse
dan ingezet?
Antwoord 5 en 6
Bij (online) seksuele misdrijven bestaat de mogelijkheid van een mededelingsgesprek,
waarbij de politie de beschuldigde mededeelt dat er melding over hem/haar is gedaan.
Hiertoe wordt alleen overgegaan indien een slachtoffer de politie expliciet verzoekt
om de pleger te informeren en dit gebeurt alleen na overleg met de hulpofficier van
justitie. De politie heeft de effectiviteit van het mededelingsgesprek recent intern
laten onderzoeken. Uitkomst daarvan was dat het merendeel van de slachtoffers die
kiezen voor een mededelingsgesprek hier tevreden over zijn.
Verder beoordeelt de politie of ambtshalve opsporen een optie is bij elke melding
die na triage door de frontoffice van een team opsporing seksuele misdrijven in behandeling
is genomen en niet leidt tot een aangifte. Het in beeld krijgen van eventuele seriematigheid
is hierbij een van de redenen om (ambtshalve) juist wel opsporing in te stellen. Gezien
het voorgaande zie ik geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de effectiviteit
van het mededelingsgesprek.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat de politie de behoeften van een slachtoffer
in kaart brengt, ook wanneer er geen aangifte wordt gedaan en er ambtshalve geen onderzoek
volgt. Zodoende kunnen slachtoffers toch geholpen worden met een alternatief gericht
op hulp, veiligheid en herstel.
Vraag 7
Hoe wordt binnen de politie geborgd dat slachtoffers van sextortion niet secundair
worden gecriminaliseerd wanneer zij onder dwang seksueel beeldmateriaal hebben vervaardigd?
Bestaan hier expliciete instructies voor? Zo nee, vindt u dat die er moeten komen?
Antwoord 7
Het kan voorkomen dat slachtoffers van (online) seksuele misdrijven zelf (onder dwang)
ook strafbare feiten plegen. Dit betreft complexe situaties waarin slachtofferschap
en daderschap door elkaar lopen. Het vraagt enerzijds om een trauma-sensitieve bejegening
van de betrokkene (die zowel slachtoffer als verdachte is) en anderzijds om de nodige
zorgvuldigheid met het oog op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Voor
deze afweging bestaat geen blauwdruk. De politie bepaalt per geval hoe zij omgaat
met de situatie en doet dit altijd in nauw overleg met en onder het gezag van de betrokken
officier van justitie. Dit past bij de professionele ruimte van de politie om operationele
afwegingen te maken en het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om, indien
nodig, nadere afspraken te maken.
Vraag 8
Klopt het dat slachtoffers van zedendelicten bij het doen van aangifte nog altijd
worden ontmoedigd, weggestuurd met de opmerking «negeer het» of geconfronteerd met
hoge bewijsdrempels voordat tot onderzoek wordt overgegaan? Zo nee, waar blijkt dat
uit?
Antwoord 8
De politie heeft de afgelopen jaren gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop
zedenrechercheurs, en andere agenten die betrokken zijn bij een melding, slachtoffers
van een seksueel misdrijf bejegenen. Doel van de verbeteringen is het meer aansluiten
bij de (informatie)behoefte van de individuele melder en het voorkomen dat slachtoffers
zich door de politie gestuurd voelen om geen aangifte te doen.
Een belangrijke ontwikkeling betreft de komst van de frontoffices van de teams opsporing
seksuele misdrijven. Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2 en 3 dienen alle meldingen
van seksuele misdrijven voor advies te worden voorgelegd aan deze frontoffices. De
politiemedewerkers die binnen de frontoffices werken, zijn opgeleid om in gesprek
te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en op een sensitieve manier in kaart
te brengen wat hen is overkomen. Ze vormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten
en van de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Bij behoefte kunnen
zij het slachtoffer verwijzen naar bijvoorbeeld herstelvoorzieningen, Veilig Thuis,
Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits. Een andere verbetering
betreft het niet meer standaard aanbieden van het informatieve gesprek en de bedenktijd
bij het doen van aangifte. In plaats daarvan wordt informatie aangeboden op een manier
die past bij de behoeften van het slachtoffer, bijvoorbeeld telefonisch tijdens het
eerste contact met de politie, door melders te wijzen op de vindplaats van informatie
(website, brochure, videoanimatie) of in een persoonlijk informatief gesprek met een
zedenrechercheur. Bovendien is de bedenktijd bij het doen van aangifte een recht van
het slachtoffer en geen plicht. Er kan direct aangifte gedaan worden als een slachtoffer
dat wil. Door de informatie op maat aan te bieden, wordt voorkomen dat een slachtoffer
meer belast wordt dan nodig en/of zich ontmoedigd voelt om aangifte te doen.
Hoewel het in de praktijk nog niet in alle gevallen lukt om voldoende rekening te
houden met de wensen en behoeften van slachtoffers, concludeerde de Inspectie van
Justitie en Veiligheid in 2024 dat de politie haar werkwijze aantoonbaar heeft verbeterd
en meer oog heeft voor het slachtofferbelang.
De bejegening van slachtoffers van (online) seksuele misdrijven heeft verder een duidelijke
plek gekregen binnen de vakontwikkeling. Zo is naar aanleiding van een onderzoek van
de Inspectie van Justitie en Veiligheid uit 20204 de vakspecialistische opleiding Handelen in Zedenzaken aangepast. Ook is er in het
kader van de implementatie van de Wet seksuele misdrijven nadrukkelijk aandacht geweest
voor de bejegening van slachtoffers doordat er aan ruim 25.000 medewerkers (zowel
bij de zedenteams als onder andere aan de medewerkers in de basisteams, regionale
service centra, meldkamers en opsporingsdiensten) een specifieke leermodule Bejegening
beschikbaar is gesteld. Daarnaast is de werkinstructie gebiedsgebonden politie aangepast
met het oog op de bejegening van slachtoffers van een seksueel misdrijf en het voorkomen
van victim blaming en secundaire victimisatie, aangezien het vaak agenten in de basisteams
zijn die als eerste in aanraking komen met een melding.
Ten slotte wijs ik naast voornoemde ontwikkelingen binnen de politieorganisatie nog
op de ontwikkeling van een gezamenlijke aanpak van multidisciplinaire triage en regie.
De politie heeft samen met het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtofferhulp
Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en het Openbaar Ministerie het initiatief
genomen om ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren. Het doel
van deze gezamenlijke aanpak is om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van seksueel
geweld en mensen uit hun (in)directe omgeving weten waar zij terecht kunnen en zo
min mogelijk belast worden met het (onnodig) opnieuw doen van hun verhaal, hetzelfde
aanbod krijgen, goed worden doorverwezen en dus op de juiste plek terecht komen, een
vast aanspreekpunt hebben en de informatie en best passende inzet ontvangen op het
gebied van veiligheid, (straf)recht, (medische) hulp en herstel, ongeacht de plek
waar zij het eerste contact hebben. Om dit te bewerkstelligen bestaat de gezamenlijke
aanpak uit een nieuwe werkwijze met drie kernelementen: een goed afgestemd en georganiseerd
eerste contact, een dagelijks multidisciplinair triage-overleg en een passende vorm
van regie voor elke casus door de inzet van een regiehouder. De samenwerking is in
de afgelopen maanden in de praktijk getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant.
Medio 2026 zullen de resultaten van de resultaat- en effectmeting evenals de uitvoeringstoets
bekend worden.
Vraag 9
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van sextortion en digitale seksuele uitbuiting de
afgelopen drie jaar zijn gedaan, hoeveel daarvan minderjarigen betroffen en in hoeveel
gevallen sprake was van meerdere meldingen tegen dezelfde verdachte? Hoeveel van deze
meldingen zijn uiteindelijk opgepakt?
Antwoord 9
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is seksuele afdreiging (sextortion) geen
aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik
van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten. Hierdoor
wordt seksuele afdreiging (sextortion) als zodanig niet door de politie geregistreerd.
Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat het aantal geregistreerde online seksuele
misdrijven door de politie in 2025 met 46% steeg (ten opzichte van 2024) naar bijna
3.100 registraties5, waarvan in 1383 gevallen aangifte werd gedaan. Ter vergelijking; in 2023 werden
er 1747 incidenten geregistreerd, waarvan in 722 gevallen aangifte werd gedaan. Bij
ongeveer de helft van de registraties gaat het om een minderjarig slachtoffer. De
politie kan, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3, op basis van de geregistreerde
meldingen niet aangeven in hoeveel gevallen er sprake is van meerdere meldingen die
wijzen naar eenzelfde persoon (seriematigheid).
Ook Offlimits ziet het aantal hulpvragen over online seksueel grensoverschrijdend
gedrag en misbruik de laatste jaren stijgen (van 5.543 in 2023 naar 9.281 in 2025).
Een groot deel daarvan gaat over seksuele afdreiging (sextortion) (2.723 in 2025),
waarbij ongeveer een derde van de hulpvragen afkomstig is van een minderjarige. Wel
neemt het aandeel hulpvragen over seksuele afdreiging (sextortion) op het totaal af
(van 43% in 2023 naar 29% in 2025). Een mogelijke verklaring hiervoor is een verschuiving
in de manier waarop seksuele afdreiging vorm krijgt. Offlimits ziet steeds vaker gevallen
waarbij het misbruik van seksueel beeldmateriaal niet draait om geld of het verkrijgen
van extra seksueel beeldmateriaal, maar om het afdwingen of behouden van contact.
Seksuele afdreiging (sextortion) wordt dan ingezet als middel om macht en controle
uit te oefenen, waarbij de vormen en motieven steeds diverser worden. Hierbij kan
gedacht worden aan afdreiging met ander materiaal, zoals pestvideo’s en vernedergroepen,
maar ook de dynamieken uit de COM-groepen.
Vraag 10
Acht u de huidige capaciteit en digitale expertise van de zedenrecherche toereikend
in verhouding tot de toename van online seksuele uitbuiting? Zo nee, welke acties
worden het komende jaar ondernomen om dit te verbeteren?
Antwoord 10
De opsporing en vervolging van online seksuele misdrijven is onderdeel van een bredere
aanpak, waarbij ingezet wordt op preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening,
en een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak. Dit kabinet blijft, samen met
maatschappelijke partners en bedrijven, inzetten op een integrale aanpak waarin aandacht
is voor zowel een online veilige wereld als het bijstaan van slachtoffers.
Met betrekking tot de politie is de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven
de afgelopen jaren flink uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte
stijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de
Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnen opvangen.6 Ook dit kabinet zet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs. Tegelijkertijd
zien we dat door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen
uit) en de krappe arbeidsmarkt, het een uitdaging blijft om de bezetting van de teams
opsporing seksuele misdrijven op peil te houden. De politie werkt voortdurend aan
de werving en selectie van zedenrechercheurs en zoekt hierbij ook naar alternatieve
mogelijkheden, zoals de instroom van specialistische zij-instromers met kennis van
(online) seksuele misdrijven. Het is echter onvermijdelijk dat er gezien de druk op
de teams opsporing seksuele misdrijven keuzes gemaakt moeten worden ten aanzien van
de inzet van de beschikbare opsporingscapaciteit.
Met betrekking tot de digitale expertise van de zedenrecherche verwijs ik naar het
antwoord op vragen 2 en 3.
Vraag 11 en 12
Deelt u de opvatting dat «slachtoffers centraal» alleen betekenis heeft als herhaalde
meldingen automatisch leiden tot verdiepend onderzoek, ook wanneer bewijscomplexiteit
groot is? Hoe kan dit uitgangspunt concreet geborgd worden in beleid en uitvoering?
Welke concrete maatregelen gaat u ondernemen ten aanzien van langdurige sextortionzaken,
gericht op: verplichte patroonherkenning, escalatie bij herhaalde meldingen, versterkte
bescherming van minderjarigen, en het voorkomen van secundaire victimisatie?
Antwoord 11 en 12
Een goede, efficiënte en effectieve aanpak van (online) seksuele misdrijven is van
groot belang omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming, begeleiding
en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. Zoals toegelicht in het antwoord
op vragen 2 en 3 deel ik de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen
kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over
een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De benodigde verbeteringen
binnen de politieorganisatie zien daarbij toe op meer dan een andere behandeling en
analyse van meldingen, zeker daar waar het gaat om seksuele misdrijven die (deels)
online plaatsvinden. Online seksuele misdrijven vragen een andere manier van opsporen
van de politie dan fysieke seksuele misdrijven. De inzichten hieromtrent zullen worden
betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie
uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.